Zevende hoofdstuk.
Albert Verwey translation
De schrijver vlucht, nadat hij gehoord heeft van een plan om hem van hoogverraad aan te klagen, naar Blefuscu.—Hoe hij daar ontvangen werd.
Voor ik voortga met te vertellen hoe ik dit rijk verlaten heb, zal het niet onaardig zijn den lezer iets te zeggen van een hofintrige tegen mij, die zich sinds twee maanden om mij heen had gevormd.
Ik was, tot toen toe, mijn heele leven onbekend met hoven geweest, waar ik door mijn lage geboorte niet paste. Wel had ik genoeg gelezen en gehoord van de humeurs van vorsten en ministers; maar nooit had ik verwacht, die zoo verschrikkelijk aan ’t werk te zullen zien in zoo’n verwijderde landstreek, waar ik gemeend had dat naar heel andere regels geregeerd werd dan in Europa.

Toen ik juist alles gereed maakte om mijn opwachting te gaan maken bij den Keizer van Blefuscu, kwam een heer van rang van het hof, (wien ik eens, toen hij bij den Keizer in de uiterste ongenade gevallen was, van dienst was geweest) ’s nachts in ’t diepste geheim aan mijn huis, in een gesloten draagstoel, en vroeg zonder zijn naam te zeggen, verlof om binnen te komen. De dragers werden weggestuurd; ik stak den stoel met Zijn Edelheid erin in mijn jaszak, en nadat ik een vertrouwden dienaar last had gegeven te zeggen dat ik onwel was gaan slapen, sloot ik de deur van mijn huis, zette den stoel op tafel, zooals ik gewoon was, en ging ervoor zitten. Na de gebruikelijke begroetingen, toen ik zag dat Zijn Edelheids gezicht groote bezorgdheid teekende en de reden daarvan vroeg, verzocht hij mij met geduld te luisteren naar een zaak die onmiddellijk betrof mijn eer en mijn leven. Hij zei daarop ongeveer het volgende, want ik hield er aanteekening van zoodra hij weg was: „Gij moet weten”, zeide hij, „dat nu onlangs verscheidene malen geheime raad over u is belegd; en eerst twee dagen geleden heeft Zijne Majesteit een vast besluit genomen. Het zal u bekend zijn, dat Skyresh Bolgolam (galbet, of opper-admiraal) bijna van uw aankomst af uw doodsvijand is geweest. Zijn oorspronkelijke redenen daartoe weet ik niet, maar zijn woede is erg toegenomen sinds uw groote onderneming tegen Blefuscu, waardoor zijn roem als admiraal verduisterd werd. Deze heer, in overleg met Flimnap, den minister van financiën, waarvan het bekend is dat hij u haat vanwege die geruchten over zijn vrouw, Limtoc, den generaal, Lalcon, den kamerheer en Palmuff, den minister van Justitie, heeft een aanklacht tegen u opgesteld, wegens verraad en andere halsmisdaden.”
Deze voorrede maakte mij zoo ongeduldig, daar ik overtuigd was van mijn onschuld en mijn verdiensten, dat ik hem wou in de rede vallen, maar hij verzocht mij bedaard te zijn, en ging voort als volgt:
„Uit dankbaarheid voor de diensten, die gij mij bewezen hebt, verschafte ik mij inlichtingen over den heelen loop der zaak, en een afschrift van de punten van beschuldiging, waardoor ik, om uwentwil, mijn hoofd op ’t spel zette.
Punten van Beschuldiging tegen Quinbus Flestrin, den Man-berg.
„1e. Dat de genoemde Quinbus Flestrin, toen hij de keizerlijke vloot van Blefuscu in de haven gebracht had, en daarna bevel kreeg van Zijne Keizerlijke Majesteit al de andere schepen van het genoemde rijk van Blefuscu te vermeesteren, en dat rijk tot een provincie te maken, die voortaan door een onderkoning zou worden bestuurd, en te dooden en uit te roeien niet enkel de uitgeweken stomp-punters, maar ook een iegelijk in dat rijk, die niet onmiddellijk de stomp-puntersche ketterij zou afzweren; dat hij, de voornoemde Flestrin, toen, als een valsch verrader van Zijne goedgunstige, verheven, Keizerlijke Majesteit verzocht van dien dienst verschoond te worden, bewerende ongeneigd te zijn de gewetens te dwingen, of de vrijheid en het leven te verwoesten van een onschuldig volk.
„2e. Dat, toen zekere gezanten kwamen van het hof van Blefuscu, om den vrede af te smeeken van Zijne Majesteit, hij, de meergenoemde Flestrin, als een valsch verrader, bovengenoemde gezanten hielp, schadeloos stelde, troostte en vermaakte, ofschoon hij wist, dat ze dienaars waren van een vorst, die eerst onlangs in open vijandschap leefde met zijne Keizerlijke Majesteit en in open oorlog was met Zijne Majesteit.
„3e. Dat de meergenoemde Quinbus Flestrin, in strijd met de plichten van een trouw onderdaan, zich nu gereedmaakt een reis te doen naar het hof en rijk van Blefuscu, waartoe hij alleen voor den vorm verlof heeft ontvangen van Zijne Keizerlijke Majesteit, en onder beschutting van dat verlof, valschelijk en verraderlijk bedoelt de genoemde reis te doen, en daardoor te helpen te troosten en schadeloos te stellen den Keizer van Blefuscu, pas onlangs een vijand, in open oorlog met Zijne Keizerlijke Majesteit, vorengenoemd.”
„Er zijn nog een paar andere punten; maar deze, waarvan ik u een uittreksel voorgelezen heb, zijn de belangrijkste.
„In de menigvuldige debatten over deze beschuldiging gehouden, moet ik bekennen, dat Zijne Majesteit menig blijk gaf van zijne groote zachtaardigheid; herhaaldelijk wijzende op de diensten, die gij hem bewezen hebt, en trachtende uw misdaden te vergoêlijken. De minister van finantiën en de admiraal drongen er op aan, dat gij op de pijnlijkste en meest onteerende manier ter dood zoudt worden gebracht, door uw huis ’s nachts in brand te steken, terwijl de generaal met twintigduizend man, gewapend met vergiftigde pijlen er omheen zou staan, om u in ’t gezicht en de handen te schieten. Eenige van uw bedienden zouden geheime orders krijgen, om een giftig sap op uw handen te sprenkelen, waardoor ge uw vleesch in stukken zoudt scheuren en in de hevigste martelingen sterven. De generaal liet zich óók tot die meening overhalen, zoodat er geruimen tijd een meerderheid tegen u was; maar Zijne Majesteit, die besloten had, zoo mogelijk, uw leven te sparen, kreeg eindelijk den kamerheer op zijn zij.
„Reldresal, den eersten geheimschrijver, die zich altijd uw waren vriend bewees, werd door den Keizer bevolen zijn meening hierover uit te spreken, wat hij dienvolgens deed; en daarmede de goede gedachten, die gij van hem hebt, rechtvaardigde. Hij gaf toe, dat uw misdaden groot waren, maar dat er nog gelegenheid voor genade overbleef, die de meest prijzenswaardige deugd in een vorst is, en waarvoor Zijne Majesteit zoo ten rechte wordt geroemd. Hij zei, dat de vriendschap tusschen u en hem aan de wereld zóo wel bekend was, dat de zeer geachte raad hem misschien voor partijdig zou houden; maar dat hij toch, gehoorzaam aan het bevel, dat hem gegeven was, vrij uit zijn gevoelens zou uitspreken. Dat, indien het Zijne Majesteit, in aanmerking nemende uw diensten, en gehoor gevende aan zijn eigen behoefte tot genadig zijn, behagen mocht uw leven te sparen, en alleen te bevelen, dat uw oogen zouden worden uitgestoken, hij onderdaniglijk geloofde, dat, door dit middel, aan de gerechtigheid eenigszins voldaan zou zijn, en de geheele wereld de lankmoedigheid van den Keizer zou toejuichen, zoowel als de billijke en edelmoedige handelwijze van hen, die de eer hebben zijn raadslieden te zijn. Dat het verlies van uw oogen geen vermindering van uw lichaamskracht zou veroorzaken, waardoor gij zijne majesteit nog van veel nut zoudt kunnen zijn; dat blindheid den moed verhoogt, omdat ze de gevaren onzichtbaar maakt; dat de vrees, die ge voor uw oogen hadt, uw grootste belemmering was bij het overbrengen van de vijandelijke vloot; en het voldoende voor u zijn zou te zien door de oogen van de ministers, daar toch de grootste vorsten niet anders doen.
„Dit voorstel werd door den heelen raad met de grootste afkeuring ontvangen. Bolgolam, de admiraal, kon zich niet inhouden, maar zei, woedend opvliegend, dat hij zich verbaasde erover, dat de secretaris het wagen dorst als zijn meening te uiten, dat het leven van een verrader moest behouden worden, dat de diensten, die gij bewezen hadt, juist, zooals men altijd in het staatsrecht begrepen had, uw misdaden te ernstiger maakten; dat dezelfde kracht, die u in staat stelde de vijandelijke vloot hierheen te brengen, bij het minste ongenoegen, u van dienst zou zijn om haar weer terug te brengen; dat hij goede redenen had om aan te nemen, dat gij in uw hart een stomp-punter waart, en daar verraad in het hart begint, voor het uitkomt in open daden, beschuldigde hij u dáarom van verraad, en drong dáarom aan op uw dood.
„De minister van financiën was van dezelfde meening. Hij toonde aan, hoe Zijner Majesteits schatkist was uitgeput door de kosten van uw onderhoud, dat spoedig ondragelijk worden zou; dat het voorstel van den secretaris, om uw oogen uit te steken, zoo weinig een middel tegen dit kwaad was, dat het er waarschijnlijk door zou toenemen, zooals duidelijk blijkt uit de gewoonte sommige soorten vogels blind te maken, waarna zij meer eten en gauw vet worden; dat Zijne Gezalfde Majesteit en de raad, die uw rechters zijn, in hun harten volkomen overtuigd waren van uw misdaad, wat een voldoende reden was om u ter dood te veroordeelen, zonder de vormelijke bewijzen, geëischt door de letter van de wet.
„Maar het behaagde Zijne Keizerlijke Majesteit, die sterk tegen het zoo streng mogelijk straffen gekant was, genadiglijk te doen opmerken, dat daar de raad het verlies van uw oogen een te lichte bestraffing vond, er altijd later nog een andere aan kon toegevoegd worden. En uw vriend de Secretaris, onderdaniglijk verzoekende nog eens gehoord te worden, zeide, in antwoord op wat de minister van finantiën hem had tegengeworpen, betreffende de groote kosten, die Zijne Majesteit maken moest voor uw onderhoud, dat Zijne Excellentie, die de volle beschikking had over de keizerlijke inkomsten, makkelijk tegen dat kwaad zou kunnen voorzien, door gaandeweg uw toelagen te verminderen, waardoor ge, bij gebrek aan voedsel, niet waar? zwak en flauw zoudt worden, en uw eetlust verliezen, en, dientengevolge, op- en wegteren in een paar maanden. Dat had meteen het voordeel in, dat de stank van uw lijk niet zoo gevaarlijk zou wezen; en onmiddellijk na uw dood, zouden vijf of zesduizend van Zijner Majesteits onderdanen, in twee of drie dagen, uw vleesch van de beenderen kunnen snijden, en het wegvoeren in karvrachten, begraven in verschillende deelen van ’t land, om besmetting te voorkomen, terwijl dan uw geraamte als een bewonderenswaardig gedenkteeken over zou blijven voor het nageslacht.
„Zoo werd, door de groote vriendschap van den Secretaris, de heele zaak geschikt. Er werd bepaald dat het plan om u gaandeweg dood te hongeren, strikt geheim zou worden gehouden, maar het vonnis om uw oogen uit te steken werd in de boeken opgenomen; terwijl niemand tegen was dan Bolgolam, de admiraal, die als een kreatuur van de keizerin, voortdurend door hare Majesteit werd aangespoord om op uw dood aan te dringen.
„Binnen drie dagen zal uw vriend de secretaris bevel krijgen naar uw huis te gaan en u de punten van beschuldiging voor te lezen en u de groote lankmoedigheid en goedgunstigheid van Zijne Majesteit en den raad te doen opmerken, waardoor gij alleen tot verlies van uw oogen zijt veroordeeld, wat Zijne Majesteit niet twijfelt of gij zult het dankbaar en onderdanig willen ondergaan; en twintig van Zijner Majesteits doktoren zullen tegenwoordig zijn, ten einde te zorgen, dat de bewerking goed wordt uitgevoerd, door zeer scherppuntige pijlen in uw oogballen te schieten, terwijl gij op den grond ligt.
„Ik laat aan uwe eigen voorzichtigheid over wat maatregelen gij nemen wilt, en om achterdocht te vermijden, moet ik nu dadelijk terugkeeren, even heimelijk als ik gekomen ben.”
Zijne edelheid ging; en ik bleef alleen, met een gemoed vol twijfel en verontrustheid.
Het was een gebruik, door dezen vorst en zijn ministers ingevoerd—heel verschillend, naar men verzekerd heeft, van vroegere gebruiken—dat, nadat het hof een of andere wreede straf had uitgesproken, om te voldoen hetzij aan den toorn des Keizers, hetzij aan de boosaardigheid van een gunsteling, de Keizer in de raadsvergadering een rede hield, waarin hij sprak van zijn groote teerheid en lankmoedigheid, als eigenschappen, waarom hij door de heele wereld bekend was en werd geroemd. Deze rede werd onmiddellijk door het heele rijk openbaar gemaakt; en er was niets dat het volk zoo bang maakte, als die lofspraken op Zijner Majesteits barmhartigheid, omdat men had opgemerkt, dat hoe breeder die loftuitingen werden uitgemeten, en hoe nadrukkelijker voorgedragen, hoe onmenschelijker de straf was en hoe onschuldiger de lijdende partij. En wat mij betreft, ik moet bekennen, ik die nooit voor hoveling bestemd was, door geboorte zoo min als door opvoeding, ik kon zoo slecht over die hofzaken oordeelen, dat ik de lankmoedigheid en genadigheid van dit vonnis maar niet ontdekken kon, en het, misschien geheel ten onrechte, eerder streng vond dan licht. Een paar oogenblikken dacht ik er aan de aanklacht af te wachten; want ofschoon ik de feiten in de verschillende punten genoemd, niet loochenen kon, hoopte ik toch dat zij ietwat gunstiger zouden kunnen worden voorgesteld. Maar, daar ik vroeger heel wat staats-processen gelezen had, waarvan ik altijd had opgemerkt, dat ze eindigden zooals den rechters het best uitkwam, dorst ik op zoo’n gevaarlijk voornemen niet aan, nu mijn zaak zoo kritiek stond, en ik zulke machtige vijanden tegenover me had. Ik dacht er sterk over weerstand te bieden; want zoolang ik vrij was, kon de heele macht van dit rijk mij nauwlijks onder krijgen, en ik zou makkelijk de hoofdstad tot flenters kunnen steenigen; maar ik wierp dat denkbeeld met afschuw van me, toen ik dacht aan den eed, dien ik den Keizer gedaan had, aan de gunsten die hij mij bewezen had en aan den titel van Nardac, waarmee hij mij had vereerd. Ook had ik nog niet zoo gauw de hovelingen-dankbaarheid geleerd, die mij zou overreed hebben dat de tegenwoordige wreedheden van Zijne Majesteit mij onthieven van alle vroegere verplichtingen.
Eindelijk nam ik een besluit, waarop mij waarschijnlijk een streng oordeel te wachten staat, en niet onrechtvaardiglijk, want ik moet toegeven dat ik het behoud van mijn oogen en daardoor mijn vrijheid, heb te danken aan mijn groote onnadenkendheid en mijn gebrek aan ervaring, omdat, als ik toen was bekend geweest met den aard van vorsten en ministers, zooals ik die sinds toen aan verscheidene andere hoven heb waargenomen, als ook met hunne gebruikelijke manieren van behandeling van misdadigers, die minder dan ik misdreven hebben,—dan zou ik met groote bereidwilligheid en opgewektheid zulk eene lichte straf hebben ondergaan. Maar in de overdrevenheid van mijn haastige jeugd, maakte ik gebruik van de gelegenheid, die mij open stond door het verlof van den Keizer om mijn opwachting te gaan maken aan den Keizer van Blefuscu, zond, voor de drie dagen om waren, een brief aan mijn vriend den Secretaris, waarin ik mijn besluit te kennen gaf om dien ochtend naar Blefuscu op reis te gaan, ingevolge het mij vergunde verlof, en ging zonder te wachten op een antwoord naar die zij van het eiland, waar onze vloot lag. Ik nam daar een groot oorlogsschip, bond een touw aan den boeg, en toen ik de ankers gelicht had, kleedde ik me uit, legde al mijn kleeren (saam met mijn deken, die ik onder mijn arm had meegebracht) in het schip, en het achter me aantrekkende, bereikte ik, nu wadende, dan zwemmende, de keizerlijke haven van Blefuscu, waar het volk mij lang had verwacht. Zij gaven mij twee gidsen om me naar de hoofdstad te leiden, die ook Blefuscu heet. Ik hield hen in mijn handen tot dat ik binnen tweehonderd el van de poort kwam en zei hun mijn aankomst te melden aan een van de secretarissen en hem te doen weten dat ik daar de bevelen wachtte van Zijne Majesteit. Binnen een uur zoowat kreeg ik antwoord, dat Zijne Majesteit, vergezelschapt door het vorstelijk gezin en de groot-officieren van zijn huis, naar buiten kwam om mij te ontvangen. Ik ging hun honderd el te gemoet. De Keizer en zijn trein sprongen van hun paarden en de Keizerin en haar dames stapten uit haar koetsen; en ik bemerkte niet dat ze ook maar eenigszins bang of bezorgd waren. Ik lag op den grond om Zijne Majesteit en de Keizerin de handen te kussen. Ik zeide Zijne Majesteit, dat ik, ingevolge mijn belofte, gekomen was, en met verlof van den Keizer, mijn meester, om de eer te hebben een zoo machtigen vorst te zien, en hem de diensten aan te bieden die in mijn macht waren en niet strijdig met mijn plicht tegenover mijn eigen vorst; maar van mijn ongenade sprak ik geen woord, omdat ik tot dat oogenblik geen officieele kennisgeving er van gehad had en mij zelf beschouwen moest als heelemaal onbekend met zoo’n soort plan; ook zag ik geen reden waarom ik den Keizer het geheim zou openbaren, terwijl ik buiten zijn bereik was; maar daarin bleek mij spoedig dat ik me had vergist.
Ik zal den lezer niet lastig vallen met een uitvoerig verslag van de ontvangst aan dit hof, een ontvangst, waardig de edelmoedigheid van een zoo grooten vorst; noch met het verhaal van de moeielijkheid, waarin ik mij bevond door het gemis van een huis en bed, zoodat ik genoodzaakt was te slapen op den grond, in mijn deken gerold.