← Table of contents
Gulliver's Reizen naar Lilliput en Brobdingnag

Achtste hoofdstuk.

Albert Verwey translation

De schrijver krijgt, door een gelukkig toeval, de middelen om Blefuscu te verlaten, en keert na eenige moeilijkheden, veilig naar zijn vaderland terug.

Driedagen na mijn aankomst, terwijl ik uit nieuwsgierigheid langs de Noord-Oost-kust van het eiland wandelde, bemerkte ik, ongeveer een mijl in zee, een voorwerp, dat er uitzag als een omgekeerde boot.—Ik trok mijn schoenen en kousen uit, en bespeurde, toen ik, al wadende, twee-, driehonderd el in zee geloopen was, dat het voorwerp door den vloed dichter naar land kwam: toen zag ik duidelijk dat het wezenlijk een boot was, die ik veronderstelde dat door een storm van een of ander schip omgeslagen was; waarop ik onmiddellijk naar de stad terugkeerde en Zijne Keizerlijke Majesteit verzocht mij twintig van de grootste schepen te leenen, die hij na het verlies van zijn vloot had overgehouden, en drieduizend matrozen, onder bevel van den Vice-Admiraal. Deze vloot zeilde langs de kust, terwijl ik den kortsten weg terugliep naar de plaats, waar ik de boot eerst had waargenomen. Ik bevond dat het tij haar al dichterbij had gedreven. De matrozen waren allemaal voorzien van touwwerk, dat ik vooraf, tot genoegzame sterkte, in elkaar gedraaid had. Toen de schepen aankwamen kleedde ik me uit, en waadde tot ik op honderd el afstand van de boot kwam, waarna ik genoodzaakt was te zwemmen om bij haar te komen. De matrozen gooiden me het eind van het touw toe, dat ik aan een gat in den boeg van de boot vastmaakte, en het andere eind aan een oorlogsschip, maar ik vond al mijn moeite vrij wel vruchteloos, want omdat ik geen grond voelde, kon ik geen kracht zetten. In die omstandigheden schoot er niets over dan er achteraan te zwemmen en de boot vooruit te duwen, zoo goed en zoo kwaad ik kon, met één hand; en, daar het tij nog al meegaf, kwam ik zoover vooruit dat ik mijn kin boven water kon houden en staan blijven. Ik rustte twee, drie minuten, en gaf de boot toen nog een duw of wat, totdat de zee niet hooger was dan mijn oksels, en toen zoo het zwaarste werk gedaan was, nam ik mijn andere kabels, die in een van de schepen gestouwd waren, en maakte ze eerst aan de boot, en toen aan negen van de schepen vast; de matrozen sleepten nu en ik duwde, vóor den wind, totdat we op veertig el afstands van de kust kwamen, en, nadat ik gewacht had tot de zee afging, en de boot op het droge lag, werkte ik haar, met behulp van tweeduizend man, met touwen en werktuigen, op haar kiel, en bevond dat ze maar weinig beschadigd was.

Ik zal den lezer niet lastig vallen met het verhaal van de moeite die het inhad, om met behulp van een paar roeispanen, die mij tien dagen werk gekost hadden, mijn boot naar de haven van Blefuscu te krijgen, waar een groote toeloop van volk ontstond bij mijn aankomst, en elk vol verbazing was bij den aanblik van zulk een ontzaglijk vaartuig. Ik zeide den Keizer, dat het geluk mij gediend had door mij deze boot te zenden, die mij brengen kon naar een plaats, vanwaar ik terug zou kunnen keeren naar mijn vaderland, en verzocht Zijne Majesteit bevel te willen geven voor het aanvoeren van materialen om haar op te tuigen, alsook zijn verlof om te vertrekken, wat hij mij na allerlei vriendelijke tegenwerpingen, goedgunstig toestond.

Al dien tijd verwonderde ik mij zeer er over, dat ik niets hoorde van een of ander bericht omtrent mij, van wege onzen Keizer, bij het hof van Blefuscu. Maar later werd mij in vertrouwen meegedeeld, dat Zijne Keizerlijke Majesteit, die volstrekt niet vermoedde, dat ik het minste van zijn plannen afwist, zich overtuigd hield, dat ik alleen naar Blefuscu gegaan was ingevolge mijn belofte, op grond van het verlof dat hij mij gegeven had, wat aan het hof wel bekend was, en zou terugkeeren, binnen een paar dagen, als die plechtigheid was afgeloopen. Maar eindelijk werd hij ongerust over mijn lang wegblijven, en nadat hij den Minister van Financiën en de overigen van het kabaal geraadpleegd had, werd een heer van rang afgezonden met een afschrift van de punten van beschuldiging tegen mij. Deze afgezant had bevel den Vorst van Blefuscu de groote lankmoedigheid van zijn meester onder het oog te brengen, die zich tevreden stelde met mij geen grootere straf dan het verlies van mijn oogen te doen ondergaan; en verder te doen weten, dat ik gevlucht was om te ontsnappen aan de gerechtigheid, en dat ik, als ik niet binnen twee uur terugkeerde, ontzet zou worden van mijn waardigheid van nardac en tot verrader van het Rijk verklaard. De afgezant voegde er verder bij, dat zijn meester verwachtte, dat zijn broeder van Blefuscu, ten einde de vrede en vriendschap tusschen de beide Rijken bewaard mochten blijven, mij aan handen en voeten gebonden terug zou zenden naar Lilliput, om daar als een verrader te worden gestraft.

De Keizer van Blefuscu zond, nadat hij zich drie dagen beraden had, een antwoord, bestaande uit een massa beleefdheden en verontschuldigingen. Hij zeide, wat betrof mij gebonden over te zenden, zijn broeder wist dat dat onmogelijk was, dat, ofschoon ik hem beroofd had van zijn vloot, hij groote verplichtingen aan mij had voor de vele goede diensten, die ik hem bewezen had bij het sluiten van den vrede. Dat, evenwel, hunne Majesteiten beiden spoedig gerust zouden kunnen wezen, want dat ik op de kust een ontzaglijk vaartuig gevonden had, geschikt om zee te bouwen, dat hij bevel gegeven had, met mijn hulp en onder mijn toezicht op te tuigen; en dat hij hoopte, dat binnen weinige weken de beide Rijken zouden bevrijd zijn van zulk een ondragelijken last.

Met dit antwoord keerde de gezant naar Lilliput terug en de Vorst van Blefuscu vertelde mij alles wat er gebeurd was, waarbij hij mij tegelijkertijd, maar onder strenge belofte van geheimhouding, zijn genadige bescherming aanbood, als ik in zijn dienst wou blijven; maar ofschoon ik geloofde dat hij het eerlijk met mij meende, was ik vast besloten nooit meer eenig vertrouwen te stellen in vorsten of ministers, zoolang ik er eenigszins buiten kan; zoodat ik hem, met de verschuldigde erkentelijkheids-betuigingen voor zijn goedgunstige bedoelingen, alleronderdaniglijkst verzocht daarvan verschoond te mogen blijven. Ik zeide hem, dat, sinds de Fortuin, ze mocht dan goed of kwaad zijn, een vaartuig op mijn weg geworpen had, ik besloten was mij liever op den Oceaan te wagen, dan een aanleiding tot geschil te zijn tusschen twee zulke machtige Vorsten. Ook vond de Keizer dat eigenlijk in ’t geheel niet onaangenaam en ik bemerkte bij toeval, dat hij zelfs heel blij over mijn besluit was en zijn ministers niet minder.

Deze overwegingen deden mij mijn vertrek nog verhaasten; waar het hof, ongeduldig om me weg te hebben, zoo hard het kon, het zijne toe deed. Vijfhonderd werklieden werden aangesteld om twee zeilen voor mijn boot te maken, naar mijn aanwijzingen, door hun sterkste linnen dertiendubbel op elkaar te stikken. Ik had druk werk om touwen en kabels te maken, door tien, twintig en dertig van hun dikste en sterkste in elkaar te draaien. Een groote steen, dien ik na lang zoeken toevallig aan de zeekust vond, diende mij voor anker. Ik had de talk van driehonderd koeien voor mijn boot en voor andere doeleinden. Ik had ongelooflijke moeite met het omhakken van een stuk of wat van de grootste boomen voor timmerhout, om riemen en masten van te maken, waar ik evenwel trouw aan geholpen werd door Zijner Majesteits scheepstimmerlieden, die mij van dienst waren, om ze glad te maken, nadat ik het ruwe werk gedaan had.

Binnen ongeveer een maand, toen alles gereed was, zond ik om bevelen van Zijne Majesteit, en berichtte dat ik mijn afscheid ging nemen. De Keizer en de keizerlijke familie kwamen uit het paleis, ik knielde met mijn gezicht op den grond om zijn hand te kussen, die hij mij genadiglijk toereikte, wat ook gedaan werd door de Keizerin en de jonge Prinsen van den bloede. Zijne Majesteit schonk mij vijftig beurzen met tweehonderd sprugs elk, benevens zijn levensgroot portret ten voete uit, dat ik onmiddellijk in mijn handschoen stopte, om het niet te laten beschadigd worden. De ceremonies bij mijn vertrek waren te talrijk om er den lezer hier mee lastig te vallen.

Ik laadde de boot met het vleesch van honderd ossen en driehonderd schapen, met brood en kaas naar evenredigheid, en zooveel toebereide levensmiddelen, als vierhonderd koks mij verschaffen konden. Ik nam met mij zes levende koeien en twee stieren, en evenveel ooien en rammen, met het voornemen ze in mijn vaderland in te voeren en het ras te doen voorttelen. Om ze aan boord te voeden nam ik een goeden bundel hooi en een zak graan mee. Ik had gaarne een der inboorlingen meegenomen, maar dat was iets, dat de Keizer mij in geen geval wou toestaan, en behalve dat hij mijn zakken zorgvuldig doorzoeken liet, moest ik Zijne Majesteit mijn woord van eer verpanden, geen van zijne onderdanen mee te voeren, zelfs niet met hun eigen toestemming of op hun verzoek.

Illustration from Gulliver's Reizen naar Lilliput en Brobdingnag

Toen ik dus alles zoo goed ik kon had klaargemaakt, ging ik onder zeil op den 24sten September 1701, om 6 uur ’s morgens; en nadat ik ongeveer vier mijlen noordwaarts gegaan was, daar de wind zuidoost was, bespeurde ik om zes uur ’s avonds een klein eiland, zoowat een halve mijl naar het Noordwesten. Ik stuurde er op aan en wierp ’t anker uit nabij het eiland, dat wel onbewoond leek. Ik gebruikte toen eenige ververschingen en ging naar kooi. Ik sliep goed, en naar ik vermoed minstens zes uur, want de dag brak aan twee uur na mijn ontwaken. Het was een heldere nacht, ik at mijn ontbijt voor de zon opkwam, en, nadat ik het anker opgehaald had, stuurde ik, met gunstigen wind, in dezelfde richting waar ik den vorigen dag gevaren had, waarbij ik afging op mijn zakcompas. Mijn plan was, zoo mogelijk, een van die eilanden te bereiken, die ik reden had te gelooven dat Noordoost van Van Diemen’s land lagen. Ik bespeurde dien dag niets, maar den volgenden, omtrent drie uur ’s middags, toen ik naar mijn berekening vier en twintig mijlen van Blefuscu af was, merkte ik een schip dat Zuid-Oost stuurde; mijn richting was vlak Oost. Ik riep het aan, maar kon geen gehoor krijgen; maar ik merkte dat ik op haar won, doordat de wind liggen ging. Ik zette alle zeilen bij en binnen een half uur werd ik gezien, en van het schip werd een vlag geheschen en een schot gelost. Het is moeielijk mijn vreugde uit te drukken bij de onverwachte hoop mijn bemind vaderland weer te zien, en de dierbare panden, die ik daar had achtergelaten. Het schip minderde zeil, ik kwam het langs zij tusschen vijf en zes uur ’s avonds, den 26sten September; maar mijn hart sprong op in mijn lijf toen ik haar Engelsche kleuren zag. Ik stak mijn koeien en schapen in mijn jaszakken en ging aan boord met mijn heele kleine lading van levensmiddelen. Het vaartuig was een Engelsche koopvaarder op de terugreis van Japan door de Noord- en Zuidzeeën; de kapitein, Mr. John Biddel van Deptford, een zeer beschaafd man en uitstekend zeeman. Wij waren nu onder de breedte van 30 graden zuidelijk; er waren zoowat vijftig man aan boord; ik ontmoette hier een ouden kameraad van me, een zekeren Peter Williams, die den kapitein een goed idee van mij gaf. Deze heer behandelde mij minzaam en vroeg mij hem te vertellen waar ik ’t laatst vandaan kwam en waar ik heen wou, wat ik in een paar woorden deed; maar hij vond dat ik ijlde en dat de gevaren, die ik ondergaan had, mijn hoofd van streek hadden gemaakt, waarop ik mijn zwarte koeien en schapen uit mijn zak nam, die, na groote verbazing, hem overtuigden van mijn goede trouw. Ik toonde hem toen het goud, dat de Keizer van Blefuscu mij gegeven had, het levensgroote portret van Zijne Majesteit en een paar andere bijzonderheden van dit land. Ik gaf hem twee zakken met tweehonderd sprugs elk en beloofde hem als we in Engeland aankwamen, een koe en een schaap present te doen.

Ik zal den lezer niet lastig vallen met een nauwkeurig verslag van deze reis, die grootendeels zeer voorspoedig was. We bereikten de Duyns den 13den April 1702. Ik had maar éen ongelukje, namelijk dat de ratten aan boord een van mijn schapen weghaalden. Ik vond zijn beenderen in een gat, met het vleesch kaal er afgekloven, de rest van mijn vee bracht ik veilig aan land en liet het grazen in een kolfveld te Steenwich, waar ze grif aanvielen op het gras dat daar heel fijn was, wat ik eerst had gevreesd dat ze niet doen zouden; ik zou ze onmogelijk op zoo’n lange reis hebben kunnen in ’t leven houden als de kapitein mij niet een beetje van zijn beste beschuit gegeven had, dat fijn gewreven en in water geweekt hun gedurig voer was. Den korten tijd, dien ik in Engeland doorbracht, maakte ik geen onbelangrijke winst door mijn vee te laten kijken aan personen van stand en aan anderen: en voor ik mijn tweede reis begon, verkocht ik het voor zeshonderd pond. Bij mijn laatste wederkomst vond ik het ras belangrijk toegenomen, voornamelijk de schapen, die, zooals ik hoop, veel zullen bijbrengen tot verbetering van de wolmanufactuur, door de fijnheid van de vliezen.

Ik bleef twee maanden bij mijn vrouw en huisgezin, want mijn onverzadigbaar verlangen om vreemde landen te zien, liet me niet langer met rust. Ik liet vijftienhonderd pond bij mijn vrouw achter en zette haar in een goed huis te Redriff. Mijn overige bezitting nam ik met me, deels in geld, deels in goederen, in de hoop mijn fortuin te vermeerderen. Mijn oudste oom John had me een bezitting in land nagelaten, bij Epping, van zoowat dertig pond ’s jaars; en ik had een lange pacht aan de Black Bull in Fetter Lane, die nog eens evenveel opbracht, zoodat ik niet meer in gevaar was mijn gezin op de gemeente te laten aankomen. Mijn zoon Johnny, die zoo heette naar zijn oom, was op de gemeenteschool en een vlug kind. Mijn dochter Betty (die nu goed getrouwd is en kinderen heeft) was toen aan haar naaiwerk. Ik nam afscheid van mijn vrouw en jongen en meisje, met tranen van weerszijden en ging aan boord van de Adventure, een koopvaarder van driehonderd ton, met bestemming naar Surat, gezagvoerder kapitein John Nicholas, van Liverpool; maar mijn verhaal van deze reis stel ik uit tot het tweede deel van mijn reizen.

Schrijvers, die dichterlijke taal gebruiken, worden op straat uitgejouwd.
Schrijvers, die dichterlijke taal gebruiken, worden op straat uitgejouwd.

Schrijvers, die dichterlijke taal gebruiken, worden op straat uitgejouwd.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings