Zevende hoofdstuk.
Albert Verwey translation
Des schrijvers vaderlandsliefde.—Hij doet den Koning een voordeelig voorstel, dat wordt verworpen.—Des Konings groote onwetendheid in de politiek.—De wetenschap van dat land zeer onvolkomen en beperkt.—Hun wetten, en zaken van oorlog, en staatkundige partijen.
Niets dan een buitengewone waarheidsliefde zou mij hebben kunnen beletten dit deel van mijn verhaal achter te houden. Het was vergeefs mijn boosheid te doen merken, die altijd belachelijk werd gemaakt, en ik was genoodzaakt mij bedaard te houden, terwijl mijn edel en zeer bemind vaderland zóó beleedigd werd. Het spijt mij even erg als wien ook van mijn lezers, dat het gebeuren moest; maar deze vorst was nu eenmaal zoo nieuwsgierig en uitvorschend naar iedere bizonderheid, dat het tegen alle erkentelijkheid en goede manieren zou geweest zijn hem niet zoodanige inlichtingen te geven als ik kon. Toch moge ik dit doen opmerken tot mijn rechtvaardiging, dat ik kunstiglijk menige vraag ontweken heb, en elk punt een gunstiger draai gaf, dan met strenge waarheid bestaanbaar was; want ik heb altijd die prijselijke partijdigheid voor mijn eigen vaderland voorgestaan, die Dionysius van Halicarnassus, zoo ten rechte, den geschiedschrijver aanbeveelt; ik wilde de zwakheden en mismaaktheden van mijn staatkundige moeder verbergen, en deugden en schoonheden in het gunstigste licht hebben gesteld. Dit was mijn ernstig streven, in die gesprekken die ik voerde met den koning, schoon dat streven helaas niet met goeden uitslag werd beloond. Maar ook weer moet men niet te hard oordeelen over een koning, die geheel leeft afgesloten van de overige wereld, en, dientengevolge, volslagen onbekend moet wezen met de zeden en gewoonten die bij andere volken in zwang zijn: een onkunde, die veel vooroordeelen baart, en een zekere bekrompenheid van denken, waar wij en de beschaafde volken van Europa volkomen vrij van zijn; en het zou hard wezen, werkelijk, als de begrippen van deugd en ondeugd van een vorst die zoo veraf woont, werden voorgesteld als een standaard voor het heele menschdom.
Om te bevestigen wat ik nu gezegd heb, en verder de ellendige gevolgen van een beperkte opvoeding te doen zien, zal ik hier een verhaal inlasschen dat nauwelijks zal worden geloofd. In de hoop mij verder van Zijner Majesteits gunst te verzekeren, vertelde ik hem van een uitvinding, gedaan tusschen drie- en vierhonderd jaren geleden, om een zeker poeder te maken, dat de kleinste vonk die er in viel, al was het op een hoop, die zoo groot als een berg was, kon doen ontbranden, en in de lucht vliegen met een geluid en geweld, grooter dan dat van den donder. Dat een tamelijke hoeveelheid van dit poeder, in een holle pijp van koper of ijzer gestampt, meer of min naar die pijp groot was, een ijzeren of looden kogel met zulk een geweld daaruit zou drijven, dat niets in staat was zijn kracht te weerstaan; dat de grootste kogels, zoo afgeschoten, niet alleen heele slagorden tegelijk konden verwoesten, maar de sterkste muren tot puin brijzelen, schepen doen zinken, met duizend man er in; en als ze met een ketting aan elkaar verbonden waren, masten en tuig konden doorsnijden, honderden lichamen middendoor deelen, en alles voor hen uit plat slaan. Dat wij dit kruit dikwijls in groote holle ijzeren kogels deden, en ze met een werptuig afzonden naar de een of andere stad, die wij belegerden, waar ze het plaveisel opscheurden, de huizen aan stukken reten, splinters van zich werpende naar alle kanten, die de nabijzijnden doodden. Dat ik de ingrediënten heel goed kende, die heel goedkoop en gemakkelijk verkrijgbaar waren; en ook de kunst verstond van ze te mengen, en zijn werklieden aanwijzingen kon geven voor het maken van die buisjes, van eene grootte, evenredig aan die van alle andere dingen in Zijner Majesteits rijk, en de grootste zou niet langer dan honderd voet hoeven te zijn; twintig of dertig van welke tuben, met de noodige hoeveelheid kruit en kogels geladen, de muren zouden stukschieten van de sterkste stad in zijn koninkrijk, als die het ooit zou wagen zijn vorstelijke bevelen te weerstaan. Dit bood ik den koning onderdanig aan, als een kleine schatting van erkentelijkheid, en mijn dank voor zooveel blijken van zijn koninklijke gunst en bescherming.
De Koning stond versteld van de beschrijving, die ik hem van die schrikkelijke machines gegeven had, en het voorstel dat ik hem deed. Hij verbaasde zich er over dat zulk een machteloos en kruipend insekt als ik (dat waren zijne uitdrukkingen), zulke onmenschelijke denkbeelden ontwikkelen kon, en dat nog wel zoo volmaakt gemoedelijk, zoo volkomen onbewogen bij het spreken over al de tooneelen van bloedige verwoesting, die ik als de gewone gevolgen van die verwoestende werktuigen schilderde: werktuigen, zeide hij, waarvan de booze geest, een vijand van het menschdom, de uitvinder moet zijn geweest. Wat hem zelf betrof, hij verklaarde, dat schoon weinig zaken hem zóo verheugden als nieuwe ontdekkingen in de kunst of de natuur, hij toch eerder de helft van zijn koninkrijk zou prijsgeven dan deelgenoot van zulk een geheim te zijn; dat hij mij last gaf, indien ik mijn leven liefhad, nooit meer voor iemand te noemen.
Welk wonderlijk uitwerksel van bekrompen beginselen en beperkte inzichten! dat een vorst, in ’t bezit van elke eigenschap die eerbied, liefde en achting afvergt; van een heerlijken aanleg en groote wijsheid, een grondige geleerdheid, begaafd met bewonderenswaardige gaven voor de regeering, door zijne onderdanen bijna vergood, uit overdreven, onnoodig gemoedsbezwaar, zooals wij in Europa ons niet kunnen voorstellen, een gelegenheid laat voorbijgaan, die hem in de handen gegeven wordt, om oppermachtig meester te worden van het leven, de vrijheid en de bezittingen van zijn volk! En dit zeg ik niet met de minste bedoeling iets af te dingen op de vele deugden van dien uitstekenden koning, wiens karakter, daar ben ik zeker van, om déze reden heel erg dalen zal in de opinie van den Engelschen lezer: maar ik houd het er voor, dat dit gebrek onder hen is voortgekomen uit hun onwetendheid, daar zij tot nu toe de politiek nog niet tot een wetenschap gemaakt hebben, zooals de schranderder vernuften van Europa hebben gedaan. Want, ik herinner me zeer goed, dat toen ik in een gesprek met den koning, op een keer zoo zeggen mocht, dat er bij ons verscheiden duizenden boeken over de kunst van regeeren geschreven zijn, hij daardoor (juist omgekeerd van wat ik bedoelde) een heel min denkbeeld kreeg van ons gezond verstand. Hij verklaarde te verafschuwen en te verachten tevens alle geheimzinnigheid, verfijning, en dubbelzinnigheid in een vorst zoowel als in een minister. Hij kon niet begrijpen wat ik bedoelde met staatsgeheimen, als er niet sprake was van een vijand of een naijverig naburig volk. Hij beperkte de regeerkunst in heel enge grenzen, van gezond verstand en overleg, van rechtvaardigheid en lankmoedigheid, van spoedige afdoening van burgerlijke rechts- en strafzaken; met nog een paar in ’t oog vallende onderwerpen, die de moeite niet waard zijn. En hij sprak als zijn meening uit, dat diegene, die twee halmen graans, of twee sprietjes gras kon doen groeien op een plek, waar vroeger maar éen opschoot, meer goeds aan de menschheid verdiende, en beteekenisvoller dienst deed aan zijn vaderland, dan het heele ras van staatskunstenaars bij elkaar.
De wetenschap van dit volk is heel onvolkomen; bestaande enkel in zedekunde, geschiedenis, poëzie en wiskunde, waarin ik zeggen moet dat zij uitmunten. Maar de laatste wordt alleen toegepast op wat in het leven van nut kan zijn, op de verbetering van den landbouw en alle takken van werktuigkunde; zoodat ze, onder ons, in geringe achting zou zijn. En wat betreft ideeën, het absolute, abstracties en transcendenties, daarvan kon ik hen nooit het minste begrip doen krijgen.
Geen wet van dit koninkrijk mag meer woorden hebben dan er letters in het alfabet zijn, en die zijn er maar twee-en-twintig. Maar er zijn maar weinig van de volle lengte. Zij zijn vervat in de eenvoudigste en simpelste termen, waarin dit volk niet spitsvondig genoeg is om meer dan éen uitlegging te zien: en op het schrijven van een aanteekening op een wet, staat de doodstraf. Wat betreft het beslissen over burgerlijke zaken en rechtsvervolging tegen misdadigers, de precedenten zijn zoo weinig talrijk, dat zij weinig aanleiding hebben zich te verheffen op eenige bijzondere bedrevenheid daarin.
De kunst van drukken kennen zij, zooals de Chineezen, sinds onheugelijke tijden: maar hun boekerijen zijn niet zeer groot, want die van den koning, die voor de grootste gehouden wordt, telt niet meer dan duizend deelen, geplaatst in een galerij van twaalfhonderd voet lang, waaruit ik de vrijheid had zooveel te zoeken als ik wou. De schrijnwerker van de koningin had in een van de kamers van Glumdalclitch een houten stelling vervaardigd, vijf-en-twintig voet hoog, gevormd als een staande ladder: de treden waren elk vijftig voet lang: het was dus eigenlijk een bewegelijke trap, waarvan het benedeneind op tien voet afstand van den kamermuur was geplaatst. Het boek, dat ik lezen wou, werd tegen den muur gezet: ik klom eerst de ladder op tot de bovenste treê, en begon, mijn gezicht naar het boek keerende, boven aan de bladzij, en zoo wandelende naar rechts en links, acht of tien pas ongeveer, naar de regel lang was, totdat ik een beetje onder de lijn van mijn oog gekomen was; waarna ik weer opklom, en aan de andere bladzij begon op dezelfde manier en dan het blad omsloeg, wat ik gemakkelijk met mijn beide handen doen kon, want het was dik en stijf als bordpapier en in de grootste folianten niet meer dan achttien of twintig voet lang.
Hun stijl is duidelijk, mannelijk en vloeiend, maar niet bloemrijk; want niets vermijden zij meer dan het onnoodig herhalen van woorden, of het gebruik van verschillende zegswijzen. Ik heb verscheidene van hun boeken gelezen, hoofdzakelijk die over zedekunde en geschiedenis. Onder andere had ik heel veel schik in een kleine oude verhandeling, die altijd in de slaapkamer van Glumdalclitch lag, en behoorde aan haar gouvernante, een ernstige, bejaarde dame, die veel deed aan zedelijke en vrome werken. Het boek handelt over de zwakte van het menschelijk geslacht en is in kleine achting, behalve bij vrouwen en onontwikkelden. Ik was evenwel benieuwd te zien wat een schrijver van dat land kon zeggen over dit onderwerp. Deze schrijver behandelde al de gewone onderwerpen van Europeesche moralisten, aantoonende hoe een nietig, verachtelijk en hulpeloos wezen de mensch van nature was; hoe onbekwaam zich te beveiligen tegen de ruwheden van den dampkring, of de woede van wilde dieren; hoe ver hij door het eene schepsel in kracht, door het andere in vlugheid, door het derde in inzicht, door het vierde in kunstvaardigheid overtroffen wordt. Hij voegde er bij, „dat de natuur ontaard was in deze latere afnemende eeuwen, en nog alleen maar kleine misgeboorten kon voortbrengen, in vergelijking met de geboorten van oude tijden.” Hij zeide, „dat het zeer aannemelijk was, dat niet alleen het menschengeslacht oorspronkelijk veel grooter was geweest, maar ook dat er reuzen moeten geweest zijn in vorige eeuwen; wat, zooals het beweerd wordt door geschiedenis en overlevering wordt bevestigd door groote beenderen en schedels, nu en dan opgegraven in verschillende deelen van het koninkrijk, die ver die overtreffen van het tegenwoordige weggeslonken geslacht.” Hij betoogde „dat de wetten der natuur zelf noodzakelijk vereischten dat wij, in den beginne, grooter en sterker zouden geschapen zijn; niet zoo blootstaande aan den dood door nietige toevallen, door het vallen van een dakpan op ons hoofd, of een steen, geworpen door een kinderhand, of door het verdrinken in een kleine beek. Uit deze redeneeringen trok de schrijver allerlei zedelijke toepassingen, nuttig om naar te leven, maar noodeloos hier te herhalen. Wat mij betrof, ik kon niet laten bij mijzelf te bedenken hoe algemeen dit talent was, zedelessen te halen, of liever oorzaak van wrok en ontevredenheid te zoeken uit den strijd, die er zou zijn tusschen de natuur en ons. En ik geloof, dat, na ernstig onderzoek, die strijd even ongegrond zou blijken bij ons, als hij is onder dit volk. Aangaande hun legerzaken, verheffen zij er zich op, dat des konings leger uit honderd-zes-en-zeventig-duizend man voet- en twee-en-dertig-duizend paardevolk bestaat: als dat een leger genoemd mag worden, dat is samengesteld uit de handelaars in de verschillende steden, en de boeren op het land, wier bevelhebbers de adel en de heeren zijn, zonder loon of vergoeding. In hun oefeningen zijn zij inderdaad vrijwel volmaakt, en onder zeer goede tucht, waarin ik geen groote verdienste vond; want hoe kon het ook anders, waar iedere boer onder het bevel van zijn eigen landheer staat, en iedere burger onder dat van den voornaamsten van zijne eigene stad, gekozen bij stemming, als in Venetië?
Ik heb dikwijls de militie van Lorbrulgrud zien uitrukken om te exerceeren in een groot veld bij de stad, van twintig mijl in ’t vierkant. Er waren in ’t geheel niet meer dan vijf-en-twintig-duizend man voet- en zesduizend paardenvolk; maar het was me onmogelijk hun aantal precies te tellen, omdat ze zoo’n groote ruimte besloegen. Een ruiter, zittende op een groot paard, mag zoowat negentig voet hoog zijn geweest. Ik heb die heele ruitermacht, op éen woord van commando, in eens hun zwaarden zien trekken en in de lucht zwaaien. Geen verbeelding kan zich iets zoo groots, zoo verrassends, zoo overweldigends voorstellen! het was alsof tienduizend bliksems tegelijkertijd van iedere hemelwolk neerschoten.
Ik was benieuwd te weten hoe deze vorst, tot wiens rijk geen toegang van eenig ander land is, eraan kwam aan legers te denken, of zijn volk te wennen onder militaire tucht. Maar ik werd spoedig, door gesprekken en geschiedboeken, daarover ingelicht; want, in den loop van verscheidene eeuwen, hebben zij geleden aan dezelfde kwaal, waaraan veel andere regeeringen onderhevig zijn; de adel strevende naar macht, het volk naar vrijheid en de vorst naar het alleenheerscherschap. Al welke, hoewel gelukkig getemperd door de wetten, soms door elk van de drie partijen verkracht zijn, en een of meer malen burgeroorlog deden ontstaan; waarvan aan de laatste gelukkig een eind gemaakt werd door den grootvader van dezen vorst, bij algemeen verdrag; en het leger, toen met algemeene toestemming opgericht, is sinds dien tijd onder strenge tucht gehouden.