Vijfde hoofdstuk.
Albert Verwey translation
De schrijver voorkomt een inval, door een zeer bijzondere krijgslist.—Hem wordt een hooger rang geschonken.—Gezanten komen van den Keizer van Blefuscu om over den vrede te onderhandelen.
Het Keizerrijk Blefuscu is een eiland, gelegen ten noord-oosten van Lilliput, waarvan het alleen gescheiden is door een kanaal van achthonderd el breed. Ik had het nog niet gezien, en na dit bericht van voorgenomen inval vermeed ik mij aan die zij van de kust te vertoonen, uit vrees bespeurd te worden door een of ander schip van den vijand, die nog niet van mijn aanwezigheid verwittigd was, omdat gedurende den oorlog alle verkeer tusschen de twee rijken op doodstraf verboden en door onzen Keizer een embargo op alle schepen was gelegd. Ik deelde Zijne Majesteit een plan mede dat ik gemaakt had, om met één slag de heele vijandelijke vloot te vermeesteren, die, zooals onze voorposten ons verzekerden, in de haven voor anker lag, klaar om met den eersten gunstigen wind uit te zeilen. Ik raadpleegde de meest ervaren zeelui over de diepte van het kanaal, dat ze dikwijls gepeild hadden; die mij vertelden dat het in ’t midden bij hoog water zeventig glumgluffs diep was, wat zoowat zes voet Europeesche maat is; en voor ’t overige vijftig glumgluffs op zijn hoogst. Ik wandelde naar de noord-oostkust, vlak tegenover Blefuscu, en achter een heuveltje liggende haalde ik mijn kleinen zak-verrekijker uit en nam de vijandelijke vloot waar voor anker, bestaande uit ongeveer vijftig oorlogsschepen en een groot aantal transportschepen; toen ging ik terug naar mijn huis, en gaf bevel (waarvoor ik volmacht had) mij een groote hoeveelheid van het sterkste kabeltouw en ijzeren staven te leveren. Het kabeltouw was ongeveer zoo dik als pakgaren, en de staven van de lengte en dikte van een breinaald. Ik vlocht, om het sterker te maken, die touwen door elkaar, en boog met hetzelfde doel drie ijzeren staven ineen, waarvan ik de uiteinden tot een haak boog. Nadat ik zoo vijftig haken aan evenveel kabels bevestigd had, ging ik terug naar de noord-oostkust, en nadat ik mijn jas, schoenen en kousen uitgedaan had, wandelde ik in zee, in mijn leeren wambuis, zoowat een half uur voor hoog water. Ik waadde zoo gauw ik kon, en zwom in het midden nagenoeg dertig el, tot ik grond voelde. Ik bereikte de vloot in minder dan een half uur. De vijanden waren zoo verschrikt toen zij mij zagen, dat zij uit hun schepen sprongen, en naar de kust zwommen, waar er niet minder dan dertigduizend bij elkaar konden zijn; toen nam ik mijn touwwerk, en een haak vastmakende aan het gat van elken voorsteven, bond ik de koorden aan het uiteinde bij elkaar. Terwijl ik zoo bezig was, schoot de vijand verscheiden duizenden pijlen af, waarvan vele in mijn handen en gezicht bleven steken, en mij, behalve dat ze mij bitter pijn deden, erg in mijn werk hinderden. Het meest vreesde ik voor mijn oogen, die ik onfeilbaar zou verloren hebben, als ik niet plotseling aan een hulpmiddel gedacht had. Ik had onder andere kleine benoodigdheden, een bril in een geheim zakje, dat, zooals ik hiervoor vertelde, door de keizerlijke nazoekers niet was opgemerkt. Dien haalde ik voor den dag, en zette hem zoo vast ik kon op mijn neus, en ging, zoo gewapend, stoutmoedig met mijn werk voort, in spijt van de vijandelijke pijlen, waarvan menigeen tegen de glazen van mijn bril aansloeg, maar zonder andere uitwerking dan dat mijn bril er een klein beetje schuin van ging staan. Ik had nu al de haken aangehecht, en begon, met den knoop in mijn hand, te trekken; maar geen schip wou van zijn plaats, omdat ze allemaal te vast aan hun ankers lagen, zoodat het ergste deel van mijn onderneming nog overbleef. Ik liet daarom het touw los, en terwijl ik de haken aan de schepen vast liet, sneed ik vastberaden met mijn mes de ankertouwen door, waarbij ik ongeveer tweehonderd schoten in mijn gezicht en handen kreeg; toen nam ik het bij elkaar geknoopte uiteinde van de touwen, waar mijn haken aan vastgemaakt waren, en trok dood op mijn gemak vijftig van des vijands grootste oorlogsschepen achter me aan.

Ik bereikte de vloot in minder dan een half uur.
De Blefuscudianen, die niet het minste begrip hadden van wat ik ging doen, waren in ’t eerst kapot van verbazing. Zij hadden mij de touwen zien doorsnijden en dachten, dat het alleen maar mijn plan was de schepen te laten afdrijven, of op elkaar loopen; maar toen zij de heele vloot in goede orde zagen voortbewegen, en mij trekken aan ’t eind, stieten zij zulk een kreet uit van smart en wanhoop, dat het bijna onmogelijk is hem te beschrijven of te verbeelden. Toen ik buiten gevaar was, hield ik een poos stil om de pijlen uit te trekken, die in mijn handen en gezicht staken, en wreef er een beetje van dezelfde zalf op, die mij bij mijn eerste aankomst gegeven was, zooals ik vroeger verteld heb. Toen nam ik mijn bril af en nadat ik een uur ongeveer gewacht had tot het tij een beetje verloopen was, waadde ik met mijn buit door en bereikte veilig de Keizerlijke haven van Lilliput.
De Keizer en zijn heele hof stonden aan het strand, in afwachting van den uitslag van dit groote waagstuk. Zij zagen de schepen in een breede halve maan voortbewegen, maar konden mij niet onderscheiden, omdat ik tot de borst in het water was. Toen ik tot het midden van het kanaal gekomen was, waren zij in nog grooter benauwdheid, omdat ik onder water was tot mijn hals. De Keizer begon te gelooven dat ik verdronken was, en dat de vijandelijke vloot met oorlogzuchtige bedoelingen naderde; maar hij werd spoedig van zijn angst verlost; want het kanaal, bij iederen stap dien ik deed, ondieper wordende, kwam ik binnenkort dicht genoeg bij om mij verstaanbaar te maken en riep, het uiteinde van het touw, waar de vloot aan was vastgemaakt, omhoog houdende, met luide stem: Lang leve de zeer machtige Keizer van Lilliput! Deze groote vorst ontving mij bij mijn landing met alle mogelijke loftuitingen, en maakte mij op de plaats tot nardac, wat het hoogste eerambt onder hen is.
Zijne Majesteit verlangde dat ik van een volgende gelegenheid gebruik zou maken om ook de rest van de vijandelijke schepen in zijn havens te sleepen. En zoo mateloos is de eerzucht van vorsten, dat hij niets minder scheen in den zin te hebben dan het heele rijk Blefuscu in een provincie te veranderen en het te doen besturen door een onderkoning, de uitgeweken stomp-punters uit te roeien, en dat volk te noodzaken hun eieren bij de spitse punt open te breken, en zoo de eenige vorst van de heele wereld te zijn. Maar ik trachtte hem van dit plan af te brengen, door allerlei argumenten, zoowel aan de politiek als aan de rechtvaardigheid ontleend; ik verklaarde ronduit dat ik nooit mij zou laten gebruiken als werktuig om een vrij en dapper volk in slavernij te brengen. En toen de zaak in den raad besproken werd, was het wijste deel van den ministerraad van mijne meening.
Deze open stoutmoedige verklaring van mij was zoo tegengesteld aan de plannen en de politiek van Zijne Keizerlijke Majesteit, dat hij ze mij nooit vergeven kon. Hij zinspeelde er bedektelijk op in den raad, waar, zooals men mij zei, sommige van de wijsten, door hun stilzwijgen, ten minste schenen mij gelijk te geven, maar anderen, die mijn geheime vijanden waren, konden eenige uitdrukkingen niet weerhouden, die langs een omweg tot mij over werden gebracht. En van dien tijd aan begon een samenspanning van Zijne Majesteit met eenige van zijn ministers, met kwaadaardig opzet tegen mij, die in minder dan twee maanden uitbrak en bijna met mijn volkomen ondergang geëindigd was. Van zoo klein gewicht zijn de grootste diensten, vorsten bewezen, als ze in de schaal gelegd worden tegenover een weigering om hun hartstochten te bevredigen.
Ongeveer drie weken na deze heldendaad kwam er een plechtig gezantschap aan van Blefuscu, met nederig verzoek om den vrede, die spoedig geteekend werd op voor onzen Keizer zeer voordeelige voorwaarden, waarmee ik den lezer niet zal lastig vallen. Er waren zes gezanten, met een gevolg van ongeveer vijfhonderd personen, en hun inkomst was zeer prachtig, zooals het de grootheid van hun meester en het gewicht van hun zending paste. Toen de onderhandelingen waren afgeloopen, waarbij ik hun menigen goeden dienst deed door den invloed, dien ik nu had, of ten minste scheen te hebben, aan ’t hof, brachten hunne Excellenties, die in ’t geheim onderricht waren hoezeer ik hun vriend geweest was, mij een formeel bezoek. Zij begonnen met veel komplimenten over mijn dapperheid en edelmoedigheid, noodigden mij in naam van hun Keizer uit tot een bezoek aan zijn rijk, en vroegen of zij eenige blijken zien mochten van mijn ontzaglijke kracht, waarvan zij zooveel wonderen gehoord hadden, wat ik hun gereedelijk toestond, maar met de bijzonderheden waarvan ik den lezer niet lastig zal vallen.
Toen ik hunne Excellenties eenigen tijd tot hun onuitsprekelijke voldoening en verrassing had beziggehouden, verzocht ik hun mij de eer te willen doen mijn onderdanigste groeten over te brengen aan den Keizer hun meester, de roep van wiens deugden zoo ten rechte de geheele wereld met bewondering vervuld had, en wiens vorstelijke persoon ik besloten was mijne opwachting te maken voor ik terugkeerde naar mijn eigen land. Dienovereenkomstig vroeg ik den eerstvolgenden keer dat ik de eer had onzen Keizer te zien, zijn onbepaald verlof om den Blefuscudiaanschen vorst mijn opwachting te gaan maken, dat hij mij toestond, zooals ik duidelijk merkte, op eenigszins koude manier; maar ik kon daar de reden niet van gissen, totdat mij iemand een gerucht overbracht als zouden Flimnap en Bolgolam mijn onderhoud met de gezanten hebben voorgesteld als een bewijs van verandering in mijn gezindheid; waarvan ik zeker ben dat mijn hart volkomen vrij was. Dit was de eerste keer dat ik eenigszins een voorstelling van hoven en ministers begon te krijgen.
Hier moet ik doen opmerken dat de gezanten tot mij spraken door middel van een tolk, daar de talen van de beide rijken evenveel verschilden als twee talen in Europa, en iedere natie zich verheft op de oudheid, schoonheid en gespierdheid van haar eigen taal, met een duidelijk merkbare minachting voor die van haar naburen; onze Keizer evenwel had, gebruik makende van het voordeel dat de vermeestering van hun vloten hem gegeven had, hen verplicht hun geloofsbrieven over te leggen en hun rede te houden in de taal der Lilliputters. En het moet gezegd worden, dat door het drukke handels- en bedrijfsverkeer tusschen de beide rijken, door het voortdurend opnemen van uitgewekenen, dat weerkeerig bij hen is, en door de gewoonte in elk rijk, den jongen adel en de rijke burgerzoons naar elkaar over te zenden, opdat ze hun opvoeding voltooien door de wereld te zien, en menschen en zeden te leeren verstaan, er weinig personen van beteekenis: òf handelaren òf zeelui, in de zeeplaatsen zijn, die niet een gesprek kunnen voeren in beide talen, zooals ik een paar weken later merkte, toen ik mijn opwachting ging maken bij den Keizer van Blefuscu, wat, temidden van groote rampen, veroorzaakt door de boosheid van mijn vijanden, een gelukkig voorval bleek, zooals ik op de daartoe geschikte plaats zal mededeelen.
De lezer zal zich herinneren, dat er, toen ik de artikelen teekende, waar ik mijn vrijheid op herkreeg, sommige bij waren waar ik op tegen had, omdat zij mij te vernederend voorkwamen; ook kon niets dan een uiterste noodzakelijkheid mij er toe gebracht hebben ze te teekenen; maar nu, daar ik een nardac van den hoogsten rang in het rijk was, werden zulke diensten beneden mijn waardigheid gerekend, en ik doe den Keizer slechts recht door te verklaren, dat hij er mij nooit ééns aan herinnerd heeft.