Tweede hoofdstuk.
Albert Verwey translation
Een beschrijving van het dochtertje van den boer.—De schrijver naar een marktplaats gebracht en daarna naar de hoofdstad.—Bizonderheden over zijn—reis.—
Mijn meesteres had een dochtertje van negen jaar oud, een voordeelig kind voor haar leeftijd, heel vlug met de naald en handig in het kleeden van haar pop. Haar moeder en zij brachten tegen den nacht de poppewieg voor mij in orde; de wieg werd in een kleine la van een kabinet gezet, en de la op een hangende plank geplaatst uit vrees voor de ratten. Dit was mijn bed, al den tijd, dat ik bij die menschen in huis bleef, schoon het langzamerhand meer naar mijn gemak werd ingericht, naarmate ik hun taal begon te leeren, en mijn behoeften bekend te maken. Dit jonge meisje was zoo handig, dat toen ik een of twee keer mijn kleeren had uitgetrokken waar zij bij was, ze mij aan en uit kon kleeden, maar ik deed haar die moeite nooit aan, tenzij ze er op aandrong. Zij maakte zeven hemden en ander linnengoed voor me, van het fijnste goed dat ze krijgen kon, dat toch nog grover was dan zakkegoed, en die waschte ze geregeld zelf. Zij was ook mijn schooljuffrouw, die me de taal leerde; als ik naar iets wees, zei zij mij den naam er van in haar taal, zoodat ik in een dag of wat vragen kon om wat ik hebben wou. Zij was een goed kind en niet grooter dan veertig voet, wat klein is voor haar leeftijd. Zij gaf mij den naam van Grildrig, dien de familie overnam en later het heele rijk. Het woord beteekent wat de Latijnen Nanunculus, de Italianen Homunceletino en de Engelschen mannikin noemen. Ik ben haar grootendeels verschuldigd dat ik in dit land mijn leven behield; ik noemde haar mijn Glumdalclitch of kindermeisje, en ik zou me schuldig maken aan groote ondankbaarheid als ik deze eervolle vermelding naliet van haar zorg en genegenheid voor mij, die ik van harte wensch dat het in mijn macht stond, te beloonen zooals ze het verdient, in plaats van, zooals ik maar te veel reden heb te vreezen, de onschuldige, maar ongelukkige bewerker van haar schande te zijn.

Die man zette een bril op om mij te bekijken.
Het begon nu bekend, en in de buurt erover gepraat te worden, dat mijn meester een vreemd diertje in ’t veld had gevonden, zoowat zoo groot als een splacnuck, maar volmaakt gevormd als een menschelijk wezen, dat het ook in al zijn bewegingen nabootste; en dat een eigen taaltje scheen te spreken, al verscheidene woorden van hun taal geleerd had, rechtop op zijn twee beenen liep, tam en aardig was, kwam wanneer het geroepen werd, alles deed wat het gezegd werd, de fijnste ledematen van de wereld had, en een complexie teerder dan een edelmansdochter van drie jaar oud. Een andere boer, die dichtbij woonde, en een bizonder vriend van mijn meester, kwam een bezoek brengen met het doel te onderzoeken wat er waar was van dat verhaal. Ik werd onmiddellijk voor den dag gehaald en op een tafel gezet, waar ik wandelde zooals men mij beval, mijn houwer trok, weer opstak, een buiging maakte voor den gast, hem in zijn eigen taal vroeg hoe hij het maakte, en hem zei dat hij welkom was, zooals mijn kindermeisje mij dat had geleerd. Deze man, die oud en bijziende was, zette zijn bril op om mij beter te zien, waarop ik niet laten kon hartelijk te lachen, want zijn oogen leken me wel volle manen, schijnende in een kamer met twee vensters. De huisgenooten, die de oorzaak van mijn vroolijkheid ontdekten, hielden mij in mijn lachen gezelschap, waarover de oude mal genoeg was boos en uit zijn humeur te worden. Hij stond bekend voor een ergen vrek; en hij kon dat, tot mijn ongeluk, best wezen, naar den vervloekten raad dien hij mijn meester gaf, mij te laten kijken op een marktdag in de naburige stad, die een half uur rijdens, ongeveer twee-en-twintig mijlen, van ons af was. Ik vermoedde dat er eenig kwaad broeide, toen ik mijn meester en zijn vriend met elkaar zag fluisteren, terwijl zij soms naar mij wezen; en mijn vrees deed me gelooven dat ik af en toe enkele van hun woorden verstaan kon. Maar den volgenden morgen vertelde Glumdalclitch, mijn kleine oppaster, mij de heele zaak, waarover ze haar moeder listig had uitgehoord. Het arme kind legde mij aan haar borst, en viel aan ’t schreien van verdriet en schaamte. Zij was bang dat mij een ongeluk zou overkomen van gemeene hardhandige menschen, die me misschien dood zouden knijpen of een van mijn leden breken, als ze me in hun handen namen. Zij had ook gemerkt hoe preutsch ik van nature was, hoe gesteld op mijn eer, en wat een schande ik het vinden zou voor geld ten toon gesteld te worden, als een publieke vertooning voor het minste volk. Zij zeide, dat vader en moeder haar beloofd hadden, dat Grildrig van háar zou hooren; maar nu merkte zij, dat ze haar net zoo zouden behandelen als het vorige jaar, toen zij haar een lam beweerden te geven, en het toch, zoodra het goed vet was, verkochten aan een slager. Wat mij betreft, ik kan naar waarheid getuigen, dat ik minder bezorgd was dan mijn verzorgstertje. Ik had een vast vertrouwen, dat me nooit verliet, dat ik eens mijn vrijheid zou terugkrijgen; en wat aangaat de schandelijkheid van te worden door het land gevoerd als een kijkspel, ik bedacht dat ik een volslagen vreemdeling was in dat land, en dat zulk een ongeluk mij nooit als een verwijt kon worden nagegeven, als ik mocht terugkomen in Engeland, daar de koning van Groot-Brittannië zelf, in mijn geval, hetzelfde lot had moeten ondergaan.
Mijn meester nam me dan, ingevolge den raad van zijn vriend, den volgenden marktdag, in een doos met zich naar de naburige stad en liet zijn dochtertje, mijn kleine verzorgster, op een kussen achter hem opzitten. De doos was aan alle kanten dicht, met een kleine deur voor mij om in en uit te gaan en een paar boor-gaatjes om lucht in te laten. Het meisje was zoo zorgvol geweest er de sprei van haar poppebedje in te doen, waarop ik liggen kon. Nochtans werd ik op die reis verschrikkelijk geschokt en heen en weer gegooid, ofschoon ze maar een half uur duurde: want het paard nam stappen van zoo wat veertig voet, en draafde zoo hoog, dat de beweging gelijk was aan het op- en neergaan van een schip in een hevigen storm, maar veel veelvuldiger. Onze reis was iets verder dan van Londen naar St. Albans. Mijn meester stapte af aan een herberg, waar hij dikwijls kwam; en na een poosje met den herbergier overlegd, en eenige noodzakelijke toebereidselen gemaakt te hebben, huurde hij den grultrud, of omroeper, om door de stad bekend te maken, dat een vreemd wezen te zien was, waar de Groene Arend uithing, niet zoo groot als een splacnuck (een dier in dat land, fraai gevormd, ongeveer zes voet lang) en in al zijn lichaamsdeelen een menschelijk wezen gelijkende; het kon verscheidene woorden spreken en honderd aardige kunstjes doen.
Ik werd op een tafel gezet in het grootste vertrek van de herberg, dat bijna driehonderd voet in ’t vierkant mag zijn geweest. Mijn kleine meesteres stond op een lagen stoel vlak bij de tafel, om op me te passen en me te zeggen wat ik doen moest. Om gedrang te vermijden wou mijn meester niet meer dan dertig personen tegelijk binnenlaten. Ik stapte over de tafel heen en weer, zooals mij door het dochtertje bevolen werd: zij stelde mij vragen, die ze wist dat ik met mijn kennis van de taal kon beantwoorden, en ik antwoordde zoo hard ik kon. Ik wendde mij verscheiden malen naar het gezelschap, groette het beleefd, zei dat het welkom was, en gebruikte een paar andere spreekwijzen, die ik had geleerd. Ik nam een vingerhoed, gevuld met drank, dien Glumdalclitch mij voor beker gegeven had en dronk hun gezondheid. Ik trok mijn houwer, en zwaaide hem, naar de wijze van de schermers in Engeland. Mijn verzorgster gaf me een stuk stroo, dat ik hanteerde als een piek, hebbende die kunst geleerd in mijn jeugd. Ik werd dien dag vertoond aan twaalf partijen volk, en was even dikwijls genoodzaakt dezelfde dwaasheden over te doen, totdat ik halfdood was van uitputting en ergernis; want zij die mij gezien hadden brachten zulke wondervolle verslagen uit, dat het volk op het punt stond de deur open te breken om binnen te komen. Mijn meester wou niet, in zijn eigen belang, dat iemand mij aanraakte dan zijn dochtertje, en om ongelukken te voorkomen, waren banken rondom de tafel gezet op zoo’n afstand, dat ik buiten ieders bereik was. Maar een ondeugende schooljongen mikte een hazelnoot vlak op mijn hoofd, die me bijna geraakt had; gelukkig bijna, want ze kwam met zooveel kracht, dat ze onfeilbaar mijn hersens zou hebben stukgeslagen, want ze was haast zoo groot als een kleine meloen; maar ik had de voldoening den jeugdigen rekel flink afgerost en buiten de deur gezet te zien.
Mijn meester liet bekend maken dat hij mij den volgenden marktdag weer vertoonen zou; en maakte meteen een geriefelijker voertuig voor me klaar, wat ook wel noodig was; want ik was zoo uitgeput van mijn reis heen en van het acht uur achter elkaar kunstjes maken, dat ik nauwelijks op mijn beenen staan en geen woord spreken kon. Het duurde ruim drie dagen voor ik weer op mijn verhaal was; en opdat ik ook thuis toch maar vooral geen rust zou hebben, kwamen al de buren van honderd mijl in de rondte, die van mij hoorden, mij bij mijn meester aan huis zien. Het kunnen niet minder geweest zijn dan dertig personen, met hun vrouwen en kinderen (want het land was zeer bevolkt); en mijn meester vroeg telkens, als hij me thuis vertoonde, den prijs van een volle kamer, al kwam er maar een enkele familie, zoodat ik gedurende eenigen tijd geen dag van de week op mijn gemak was (behalve Woensdag, dat hun rustdag is) ook al werd ik niet naar stad gebracht.
Mijn meester, merkende hoe winstgevend ik voor hem zijn kon, besloot de belangrijkste steden van het koninkrijk met mij rond te reizen. Hebbende daarom zich voorzien van al wat noodig is voor een lange reis, en op zijn zaken thuis orde gesteld, nam hij afscheid van zijn vrouw, en op den 17den Augustus 1703, zoowat twee maanden na mijn aankomst, reisden wij af naar de hoofdstad, die bijna in het midden van dat rijk gelegen is, en op ongeveer drieduizend mijlen afstand van ons huis. Mijn meester had zijn dochtertje Glumdalclitch achter zich te paard. Ze hield mij op haar schoot in een doos, die om haar middel gebonden was. Het kind had die doos aan alle kanten gevoerd met het zachtste goed dat zij krijgen kon, het van onderen goed opgevuld, haar poppebedje erin gelegd, mij voorzien van linnen en andere behoeften, en alles zoo geriefelijk mogelijk gemaakt. Wij hadden geen ander gezelschap dan een knechtje, die achter ons reed met de bagage.
Het plan van mijn meester was mij in alle steden te laten zien, waar we doorreisden, en vijftig of honderd mijl bezijden den weg af te gaan naar ieder dorp of heerenhuis, waar hij verwachten kon zaken te doen. Wij maakten makkelijke dagreizen van niet meer dan honderdvijftig mijlen: want Glumdalclitch klaagde, om mij te sparen, over vermoeidheid door het schokken van het paard. Zij nam me, op mijn verlangen, dikwijls uit de doos, om me lucht te geven en me het land te laten zien, maar hield me altijd aan een draadje vast. Wij gingen vijf of zes rivieren over, heel wat breeder en dieper dan de Nijl of de Ganges, en er was nauwelijks een riviertje zoo smal als de Theems bij London Bridge. Onze reis duurde tien weken en in dien tijd was ik vertoond in achttien groote steden, behalve in een groot aantal dorpen en afzonderlijke huizen.
Den 26sten October bereikten wij de hoofdstad, in hun taal Lorbrulgrud, of Trots van het Heelal genoemd. Mijn meester nam zijn intrek in de hoofdstraat van de stad, niet ver van het Koninklijk paleis, en hing aanplakbiljetten buiten, in den gewonen vorm, waarop een nauwkeurige beschrijving van mijn persoon en hoedanigheden. Hij huurde een groote kamer tusschen drie- en vierhonderd voet breed. Hij schafte zich een tafel aan van zestig voet in doorsnee, waarop ik mijn kunsten vertoonen zou en omheinde haar in de rondte drie voet binnen den rand en evenveel hoog om afvallen te voorkomen. Ik werd tienmaal per dag vertoond, tot de verbazing en de voldoening van iedereen. Ik kon de taal nu tamelijk wel spreken en verstond volkomen elk woord dat tegen me gezegd werd. Ook had ik hun alphabet geleerd en kon hier en daar probeeren een volzin te verklaren; want Glumdalclitch had mij toen we nog thuis waren en in onze vrije uren op reis, onderwezen. Zij droeg een klein boekje bij zich, niet veel grooter dan een Sanson’s Atlas, dat was een eenvoudige verhandeling ten gebruike van jonge meisjes, bevattende een kort overzicht van hun godsdienst; daaruit leerde zij mij de letters en legde mij de woorden uit.