← Table of contents
Gulliver's Reizen naar Lilliput en Brobdingnag

Derde hoofdstuk.

Albert Verwey translation

Er wordt van het hof gezonden om den schrijver.—De Koningin koopt hem van zijn meester en stelt hem voor aan den koning.—Hij houdt twistgesprekken met Zijner Majesteits geleerden.—Een kamer aan ’t hof wordt voor hem ingericht.—Hij staat in gunst bij de Koningin.—Hij verdedigt de eer van zijn vaderland.—Zijn vijandschap met den dwerg van de Koningin.

De aanhoudende veranderingen die ik iederen dag onderging, veroorzaakten binnen weinige weken een belangrijke verandering in mijn gezondheid: hoe meer mijn meester aan me verdiende, hoe begeeriger hij werd. Ik had heelemaal mijn eetlust verloren, en was bijna afgevallen tot een geraamte. De boer merkte het en overleggende bij zich zelf dat ik gauw sterven zou, besloot hij nog zooveel uit me te halen als hij kon. Terwijl hij zoo bij zichzelf overlegde en besloot, kwam een slardral, of kamerdienaar van het hof, met bevel aan mijn meester onmiddellijk daarheen te komen en mij te laten kijken aan de koningin en haar dames. Eenige van de laatste waren me al komen zien en brachten Haar Majesteit de vreemdste verhalen over van mijne schoonheid, mijn manieren en mijn gezond verstand. Hare Majesteit en zij die bij haar waren, toonden zich bovenmate over mijn voorkomen verrukt. Ik viel op mijn knieën en verzocht om de eer haar vorstelijke voeten te mogen kussen; maar deze bevallige vorstin hield, toen ik op tafel gezet was, haar pink naar me toe, die ik omvatte met bei mijn armen en waarvan ik den top met den diepsten eerbied aan mijn lippen bracht, en zij deed mij een paar algemeene vragen over mijn land en mijn reizen, die ik zoo duidelijk en zoo beknopt als ik kon beantwoordde. Zij vroeg of ik wel aan het hof zou willen leven? Ik boog tot het vlak van de tafel en antwoordde weder dat ik mijns meesters slaaf was, maar dat als ik over mij zelf beschikken mocht, ik er trotsch op wezen zou mijn leven aan Harer Majesteits dienst te wijden. Zij vroeg toen mijn meester of hij geneigd was me tegen een goeden prijs te verkoopen. Hij, die vreesde dat ik geen maand meer zou leven, was willig genoeg afstand van mij te doen en vroeg duizend stukken goud, die hem onmiddellijk werden toegestaan; elk stuk zoowat van de zwaarte van achthonderd moidores, maar in aanmerking nemende de evenredigheid in alles tusschen dat land en Europa en den hoogen prijs van het goud in dat rijk, was die som nauwelijks zoo groot als duizend guineas bij ons. Ik zei toen tot de Koningin, dat ik nog, daar ik Harer Majesteits onderdanigste dienaar en vasal was, om de gunst verzoeken dorst dat Glumdalclitch die mij altijd met zooveel zorg en zoo hartelijk had opgepast en daar zoo goed voor berekend was, ook in haar dienst zou mogen overgaan, en ook in het vervolg mijn onderwijzeres en oppaster zijn.

Hare Majesteit stond mijn verzoek toe, en verkreeg gemakkelijk de toestemming van den boer, die heel blij was zijn dochter te zien aangesteld aan het hof, en het arme kind zelf was niet in staat haar vreugd te verbergen. Mijn gewezen meester ging weg, mij vaarwel zeggende en mij toevoegende dat hij mij in een goeden dienst achterliet, waar ik geen woord op antwoordde, makende alleen een lichte buiging.

De Koningin bespeurde mijn koelheid, en vroeg mij, toen de boer uit het vertrek was, de reden daarvan. Ik waagde het Hare Majesteit te zeggen, dat ik aan mijn gewezen meester geen grooter verplichting had dan daarvoor, dat hij mij arm, schadeloos schepsel, bij toeval in ’t veld gevonden, niet doodgetrapt had; een verplichting waar ruim tegen opwoog de winst die hij gemaakt had door me in het halve koninkrijk te laten kijken en de prijs waar hij me nu voor verkocht had; dat het leven dat ik al dien tijd geleid had vermoeiend genoeg was om een dier van tienmaal mijn kracht te dooden; dat mijn gezondheid erg geschaad was door het voortdurend geploeter van ieder uur van den dag het plebs te moeten pleizieren; en dat, als mijn meester niet gedacht had dat mijn leven gevaar liep, Hare Majesteit mij niet zoo goedkoop zou gekregen hebben. Maar daar ik nu buiten alle vrees voor slechte behandeling was, onder de bescherming van een zoo groote en goede vorstin, het sieraad der natuur, de lieveling van de wereld, de verrukking van hare onderdanen, de phoenix der schepping, nu hoopte ik dat de vrees van mijn gewezen meester zonder grond zou blijken te zijn; want ik voelde mijn levensgeesten al weer wakker worden onder den invloed van hare zeer verheven tegenwoordigheid.

Dit was het hoofdzakelijke van mijn rede, gebrekkig en aarzelend uitgesproken. Het laatste deel was in den bij dit volk gebruikelijken stijl, waar ik sommige volzinnen van leerde van Glumdalclitch, terwijl ze mij naar het hof bracht.

De koningin, mijn gebrekkelijkheid in ’t spreken goedgunstig voorbijziende, was verrast over zooveel geest en verstand in een zoo nietig schepseltje. Zij nam mij in haar eigen handen en liep met me naar den Koning, die toen in zijn kabinet alleen was. Zijne Majesteit, een vorst van grooten ernst en streng voorkomen, op ’t eerste gezicht mijn gestalte niet juist bemerkende, vroeg de Koningin eenigszins koel, sinds hoe lang zij de gewoonte had dol te zijn op een splacnuck? want daar hield hij mij voor naar het schijnt, terwijl ik op mijn buik lag, op haar Majesteits rechterhand. Maar deze vorstin, een wonder van geest en beminlijkheid, zette mij zachtjes op mijn voeten op de schrijftafel en beval mij Zijne Majesteit zelf over me in te lichten, wat ik in weinige woorden deed; en Glumdalclitch, die wachtte aan de deur van het kabinet, en niet velen kon dat ik uit haar gezicht was, bevestigde, toen haar vergund was binnen te komen, mijn verhaal van al wat er gebeurd was sinds mijn aankomst in haar vaders huis.

De Koning, schoon hij zoo geleerd als iemand in zijn rijk was en onderwezen in de wijsbegeerte en voornamelijk in de wiskunde, hield het toch er voor, toen hij mijn figuur nauwkeurig bekeken had en mij rechtop loopen zag, maar nog niet had hooren spreken, dat ik een soort klokwerk was, (in het maken waarvan men in dat land een groote volmaaktheid bereikt heeft) bedacht door een vindingrijk kunstenaar. Maar toen hij mijn stem hoorde, en merkte dat wat ik sprak geregeld en redelijk was, kon hij zijn verbazing niet verbergen. Hij was volstrekt niet tevreden met het verhaal dat ik hem deed van hoe ik in zijn rijk gekomen was, maar hield het voor een vertelseltje bedacht door Glumdalclitch en haar vader, die mij een stel woorden geleerd hadden, om me duurder te kunnen verkoopen. In die overtuiging deed hij me een aantal vragen en kreeg telkens redelijke antwoorden, alleen uitgesproken met een vreemden tongval en door mijn gebrekkige kennis van de taal vervat in boersche volzinnen, die ik bij den boer thuis had geleerd, en die in den beschaafden hofstijl niet zouden hebben gepast.

Na dit beslissend oordeel verzocht ik een paar woorden te mogen spreken. Ik wendde mij tot den Koning en verzekerde Zijne Majesteit, dat ik van een land kwam waar het krioelde van millioenen menschen, van beiderlei geslacht en allen van mijn gestalte; waar de boomen en huizen naar evenredigheid klein waren, waar ik, dientengevolge, even geschikt was mij te verdedigen en voor mijn onderhoud te zorgen, als Zijner Majesteits onderdanen hier; wat ik meende dat een voldoend antwoord was op de beweringen van de heeren daar. Hierop antwoordden zij alleen met een minachtenden glimlach en het zeggen dat de boer mij uitstekend mijn lesje had voorgezeid. De Koning, die een veel beter begrip had, liet zijn geleerden gaan en zond om den boer, die gelukkig nog niet uit de stad was. Toen hij dien nu eerst afzonderlijk ondervraagd had en daarna met mij en het dochtertje tegelijk, begon Zijne Majesteit te meenen, dat wat wij hem vertelden mogelijk wel waar kon zijn. Hij verzocht de Koningin bizondere zorg voor mij te dragen, en vond het goed dat Glumdalclitch in haar betrekking van oppaster blijven zou, omdat hij zag dat wij elkander zoo genegen waren. Een welingericht vertrek aan het hof werd haar aangewezen, een soort van gouvernante werd benoemd om zorg te dragen voor haar opvoeding, een hofdame om haar te kleeden en twee andere bedienden voor het mindere werk; maar de zorg voor mij werd heel en al aan haar alleen toevertrouwd. De Koningin beval haar eigen meubelmaker een doos te vervaardigen, die ik voor slaapkamer gebruiken zou, naar het model dat Glumdalclitch en ik zouden vaststellen. Deze man was een zeer vindingrijk kunstenaar en vervaardigde naar mijn aanwijzingen binnen drie weken een houten kamer, van zestien voet in ’t vierkant en twaalf hoog, met schuiframen, een deur en twee kleine vertrekjes als een Londensch slaapvertrek. Het dak dat het plafond vormde kon men oplichten en neerlaten aan twee scharnieren en zoo werd mijn bed er in gezet, kant en klaar geleverd door Harer Majesteits bekleeder, dat Glumdalclitch iederen dag eruit nam om het te luchten, met haar eigen handen opmaakte, en ’s avonds weer van boven erin zette en het plafond boven me sloot. Een kunstig werkman, beroemd om de kleine snuisterijen die hij maken kon, nam op zich twee stoelen te leveren met ruggen en zittingen van een stof, die veel op ivoor leek, en twee tafels en een kast voor mijn zaken. De kamer was aan alle kanten bekleed, ook de vloer en de zoldering, om ongelukken te voorkomen, die ontstaan konden uit de zorgeloosheid van hen, die mij heen en weer droegen, en de kracht van een schok te breken, als ik mee in een rijtuig ging. Ik vroeg om een slot op mijn deur, om ratten en muizen te verhinderen binnen te komen. De smid, na verscheidene vruchtelooze pogingen, maakte ’t kleinste dat daar ooit gezien is, want ik heb een grooter gekend aan de deur van een heerenhuis in Engeland. Ik bewaarde den sleutel in mijn zak, uit vrees dat Glumdalclitch hem verliezen zou. De Koningin gaf ook bevel de fijnst mogelijke zijde te doen uitzoeken, om kleederen voor me van te maken, niet veel dikker dan een Engelsche deken, en nog al bezwarend, zoolang ik er niet aan gewend was. Zij waren naar de mode van het rijk, en leken deels Perzisch, deels Chineesch, maar stonden ernstig en waardig.

De Koningin werd zoo gesteld op mijn gezelschap dat ze niet meer eten kon zonder me. Ik had een tafel staan op de tafel waar Hare Majesteit aan at, vlak aan haar rechter elleboog, en een stoel waar ik op zitten ging. Glumdalclitch stond op een bankje op den vloer naast mijn tafel om te helpen en zorg voor me te dragen. Ik had een volledig stel zilveren schalen en borden, en andere benoodigdheden, die, vergeleken bij die van de Koningin, niet veel grooter waren dan ik er wel eens gezien heb in een Londenschen speelgoedwinkel, bij den inboedel van een poppehuis; mijn kleine oppaster droeg die altijd in haar zak in een zilveren doos, en gaf ze me aan tafel als ik ze noodig had, en maakte ze altijd zelf schoon. Er at niemand met de Koningin dan de twee koninklijke prinsessen, de oudste van even zestien en de jongste van dertien jaar en een maand. Hare Majesteit placht een stukje vleesch op een van mijn borden te leggen, waarvan ik sneed voor mij zelf, en haar grootste schik was mij zoo in miniatuur te zien eten; want de Koningin, (die eigenlijk een zwakke maag had) gebruikte in een mondvol zooveel als een dozijn Engelsche boeren voor hun middagmaal zouden gebruiken; wat voor mij te dien tijde een heel walgelijk gezicht was. Zij verbrijzelde een leeuwriksvleugel, met been en al, tusschen haar tanden, al was hij negen maal zoo groot als een volwassen kalkoen; en zij stak een stuk brood in haar mond, dat tweemaal zoo groot was als twee brooden van twaalf stuivers. Zij dronk uit een gouden kop, meer dan een okshoofd in een slok. Haar messen waren tweemaal zoo lang als een zeis, die recht op haar heft staat. De lepels, vorken en ander tafelgereedschap waren alle naar dezelfde verhouding. Ik herinner me dat, toen Glumdalclitch me, voor de aardigheid, naar eenige hoftafels droeg, waar tien of twaalf van die reusachtige messen en vorken tegelijk in handen waren, ik dacht bij me zelf, dat ik nooit van mijn leven zoo iets vreeselijks had gezien.

Het is de gewoonte, dat iederen Woensdag (die, zooals ik hiervoor heb opgemerkt, hun rustdag is) de Koning en de Koningin, met de koninklijke prinsen en prinsessen, gezamenlijk eten in de kamer van Zijne Majesteit, bij wien ik zeer in de gunst was; en bij die gelegenheden werden mijn tafeltje en stoeltje aan zijn linkerhand gezet, vóor een van de zoutvaten. Deze vorst had er vermaak in met mij te praten, en mij uit te hooren over de zeden, den godsdienst, de wetten, het bestuur en de wetenschap van Europa; waarover ik hem zoo goed ik kon inlichtte. Zijn verstand was zoo helder, en zijn oordeel zoo juist, dat hij bij al wat ik zei zeer wijze overwegingen en opmerkingen maakte. Maar ik moet toegeven, dat, nadat ik een beetje te rijkelijk gepraat had over mijn dierbaar vaderland, over onzen handel en onze oorlogen te land en ter zee, over onze godsdiensttwisten en staatspartijen, de vooroordeelen van zijne opvoeding zoo sterk werden, dat hij niet laten kon mij in zijn rechterhand te nemen, en terwijl hij mij zachtjes streelde, met de andere, mij na een hartelijke lachbui te vragen: Wat ik nu was, een Whig of een Tory? Toen, zich wendende tot zijn eersten minister, die achter hem stond met een witten staf, wel haast zoo groot als de hoofdmast van de Royal Sovereign, zei hij: wat een verachtelijk poppenspel toch menschelijke grootheid was, die kon worden nageaapt door zulke nietige insecten als ik; en toch, zei hij, durf ik volhouden, dat deze schepseltjes hun titels hebben en onderscheidingen; dat zij kleine nestjes en molshoopen bouwen, die ze huizen en steden noemen; dat zij vertoon maken met kleeding en rijtuigen; dat ze liefhebben, vechten, twisten, bedriegen en verraad plegen! En zoo ging hij voort, terwijl mijn kleur ging en kwam van verontwaardiging, om zóo ons edel vaderland, de meesteres van kunsten en wapenen, den geesel van Frankrijk, de scheidsrechteres van Europa, den zetel van deugd, vroomheid, eer en waarheid, den trots en den naijver van de wereld, zóo minachtend te hooren bespreken.

Maar daar ik niet in omstandigheden was om wraak te nemen over beleedigingen, begon ik er rijper over na te denken of ik wel beleedigd wás. Want, nu ik mij verscheidene maanden eraan gewend had dit volk te zien en ermee om te gaan, en zag dat elk voorwerp, waar mijn oogen op vielen, van evenredige grootte was, begon de afschuw, dien ik eerst had gevoeld voor hun omvang en voorkomen, zoo zeer te slijten, dat, als ik op dat oogenblik een gezelschap van Engelsche heeren en dames in hun Zondagspakjes en versierseltjes gezien had, allen in hun dagelijksch bedrijf van hoffelijk loopen en buigen en babbelen; ik zou om de waarheid te zeggen een onweerstaanbaren lust gehad hebben zóo hard om hen te gaan lachen als de Koning en zijn grooten om mij. Ook kon ik niet nalaten te glimlachen om mijzelf, als de Koningin mij wel eens op haar hand voor een spiegel hield, waardoor onze beide gestalten languit tegen elkaar zichtbaar werden, want er kon niets belachelijker zijn dan de vergelijking; zoodat ik mij werkelijk begon te verbeelden, dat ik verscheiden graden beneden mijn oorspronkelijke grootte gekrompen was.

Er was niets dat mij zoo kwelde en boos maakte als de dwerg van de Koningin; die, zelf het kleinste menschje dat ooit was geweest in dat land, (want ik geloof wezenlijk dat hij nauwelijks dertig voet hoog was) zoo onbeschaamd werd door een schepsel te zien dat nog zoo’n stuk kleiner was, dat hij geregeld zijn best deed zich groot en gewichtig voor te doen en luidruchtig heen en weer te zwaaien als hij langs me kwam in de antichambre van de Koningin, terwijl ik op een of andere tafel stond te praten met de heeren en dames van het hof; en zelden verzuimde hij met een paar scherpe woorden te schimpen op mijn kleinheid; waartegen ik mij alleen verdedigen kon door hem broeder te noemen, hem uit te dagen met mij te worstelen, en meer zulke dingen te zeggen, als onder hofbedienden gebruikelijk zijn. Eens, aan den maaltijd, was dit kwaadaardige kleine monster zoo neetoorig over iets dat ik tegen hem gezegd had, dat hij op de zitting van Harer Majesteits stoel klom, en mij, terwijl ik zonder erg op mijn stoeltje zat, bij het middel pakte, en in een groote zilveren kom met room vallen liet, waarna hij zoo hard hij kon wegliep. Ik ging heelemaal kopje onder, en als ik niet zoo’n goed zwemmer was geweest zou het slecht met me zijn afgeloopen; want Glumdalclitch was op dat oogenblik juist aan het andere eind van de kamer, en de Koningin zóo geschrokken, dat ze de tegenwoordigheid van geest miste om me te helpen. Maar mijn kleine oppaster vloog me te hulp en haalde me eruit nadat ik meer dan een kan room had ingekregen. Ik werd te bed gebracht, maar gelukkig zonder ander nadeel dan het verlies van een pak kleeren, dat heelemaal bedorven was. De dwerg kreeg een flink pak met de zweep, en werd, tot verdere straf, veroordeeld den schotel met room, waar hij me in had gegooid, leeg te drinken; ook werd hij nooit meer in gunst hersteld; want kort daarna schonk de Koningin hem aan een dame van aanzien; zoodat ik hem niet weerom zag, tot mijn groote voldoening, want ik kon niet zeggen tot wat voor uitersten zoo’n kwaadaardige dwerg zijn wrok zou hebben voortgezet.

Daarvóór had hij me nog een gemeenen trek gespeeld, die de Koningin aan ’t lachen maakte, ofschoon ze tegelijk erg boos was en hem onmiddellijk zou hebben weggejaagd als ik niet zoo edelmoedig was geweest hem voor te spreken. Hare Majesteit had een mergpijp op haar bord genomen, en de pijp, toen ze het merg eruit had geklopt, weer rechtop in de schaal gezet; de dwerg, die op de loer lag, totdat Glumdalclitch even naar het buffet gegaan was, klom, toen hij zoo zijn kans schoon zag, op den stoel waarop zij stond als ze aan tafel voor me zorgde, nam met allebei zijn handen me op, kneep mijn beenen bij mekaar en duwde ze zoo in de mergpijp tot boven mijn middel, waar ik een poosje in steken bleef en een allerbelachelijkst figuur sloeg. Ik geloof dat het bijna een minuut duurde voordat iemand wist wat er van me geworden was; want ik vond het beneden me te schreeuwen. Maar, daar vorsten zelden te warm eten gebruiken, waren mijn beenen niet verschroeid en zag het er alleen bedroefd uit met mijn broek en kousen. De dwerg kreeg op mijn verzoek niet anders dan een flink pak slaag.

Ik werd dikwijls door de Koningin geplaagd om mijn vreesachtigheid; en zij placht mij te vragen of mijn landgenooten allemaal zulke lafaards waren als ik zelf? Dit was het geval: Het koninkrijk is des zomers verpest van vliegen; en die walgelijke insecten, waarvan elk zoo groot is als een leeuwrik, lieten mij nauwelijks een oogenblik rust als ik aan den maaltijd zat, met hun onophoudelijk gebrom en gegons om mijn ooren heen. Soms gingen zij zitten op mijn eten, en soms op mijn neus of voorhoofd, waar ze mij vinnig staken, en daarbij allerhinderlijkst riekten; en ik kon gemakkelijk die lijmachtige stof bemerken, die zooals de natuurbeschrijvers zeggen, die dieren in staat stelt met hun voeten naar de hoogte tegen een zoldering te wandelen. Ik had druk werk met mij tegen die afschuwelijke dieren te verdedigen, en kon niet laten op te schrikken als zij op mijn gezicht kwamen.

De dwerg had nog al eens de gewoonte een aantal van die beesten te vangen in zijn handholte, zooals de schooljongens bij ons doen, en ze dan plotseling vlak onder mijn neus er uit te laten, ten einde mij te verschrikken en de Koningin te vermaken. Mijn hulpmiddel daartegen was, ze met mijn mes in stukken te snijden, terwijl ze om me heen vlogen, waarin ik bewonderd werd om mijn handigheid.

Ik herinner me, dat op een morgen, toen Glumdalclitch mij in mijn doos voor een venster gezet had, zooals zij meestal deed als het zonnig weer was, om me frissche lucht te geven (want ik dorst niet wagen de doos aan een nagel buiten het venster te laten hangen, zooals wij met vogelkooitjes doen in Engeland), nadat ik een van mijn ramen had opgeschoven en aan mijn tafel zat om een stukje koek voor mijn ontbijt te gebruiken, meer dan twintig wespen door den reuk aangelokt, mijn kamer kwamen invliegen, harder brommende dan het geblaas van zooveel doedelzakken. Eenige grepen mijn koek en brachten die bij stukjes weg; anderen vlogen om mijn hoofd en gezicht, mij doof makende met hun geluid en doodsbang met hun angels. Ik had evenwel den moed op te staan, mijn houwer te trekken en hen aan te vallen. Ik doodde er vier, maar de rest vloog weg en ik sloot dadelijk het venster. Deze wezens waren zoo groot als patrijzen; ik rukte hun angels uit die anderhalven duim lang waren en zoo scherp als naalden. Ik bewaarde ze zorgvuldig en nadat ik ze met andere merkwaardigheden in verschillende deelen van Europa vertoond had, gaf ik er na mijn terugkomst in Engeland drie aan Gresham College, en hield den vierden voor mijzelf.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings