← Table of contents
Gulliver's Reizen naar Lilliput en Brobdingnag

Vierde hoofdstuk.

Albert Verwey translation

Mildendo, de hoofdstad van Lilliput, beschreven tegelijk met het paleis van den Keizer.—Een gesprek tusschen den schrijver en een eersten secretaris, over de zaken van het rijk.—De aanbiedingen van den schrijver om den Keizer in zijn oorlogen te helpen.

Gulliver schrijft een verzoekschrift.
Gulliver schrijft een verzoekschrift.

Het eerste verzoekschrift dat ik opstelde toen ik mijn vrijheid verkregen had, behelsde het verzoek om verlof Mildendo te gaan zien, de hoofdstad, hetwelk de Keizer mij gewillig toestond, maar met bijzonderen last geen schade te doen aan de inwoners of hun huizen. Het volk werd, bij proklamatie, met mijn plan om de stad te bezoeken, in kennis gesteld. De muur, die haar omringt, is twee en een halven voet hoog, en minstens elf duim breed, zoodat paard en rijtuig veilig er op rond kunnen rijden; en op tien voet afstand is ze geflankeerd door sterke torens. Ik stapte over de groote westerpoort, en liep heel zoetjes in de dwarste door de twee hoofdstraten, met niets dan mijn korte vest aan, uit vrees dat ik de daken en lijsten van de huizen zou beschadigen met mijn jaspanden. Ik wandelde met de uiterste voorzorg, om te voorkomen dat ik op den een of anderen achterblijver trapte, schoon zeer strenge bevelen waren uitgevaardigd dat ieder tot zijn eigen welzijn in huis moest blijven. De bovenste vensters en de nokken van de huizen waren zoo vol met kijkers, dat ik mij verbeeldde op geen van mijn reizen een plaats gezien te hebben die zóo bevolkt was. De stad is precies vierkant, en iedere zij van den muur is vijfhonderd voet lang. De twee hoofdstraten, die er dwars doorgaan en haar in vier kwartieren deelen, zijn vijf voet breed. De lanen en dwarsstraten die ik niet kon ingaan, maar alleen in het voorbijgaan zag, zijn van twaalf tot achttien duim. De stad kan vijfhonderdduizend zielen bevatten; de huizen hebben drie tot vijf verdiepingen; de winkels en markten zijn goed voorzien.

Het keizerlijk paleis staat midden in de stad, waar de twee groote straten saamkomen. Het is ingesloten door een muur van twee voet hoog, die twintig voet van de gebouwen afstaat. Ik had verlof van Zijne Majesteit om dien muur over te stappen; en daar de ruimte tusschen muur en paleis zoo groot was, kon ik het op mijn gemak van alle kanten bezien. Het buitenste paleis is een vierkant van veertig voet en omsluit twee andere gebouwen; in het binnenste zijn de keizerlijke vertrekken, die ik graag zien wou, maar moeielijk kon, want de groote poorten van het eene vierkant in het andere waren maar achttien duim hoog en zeven breed. Nu waren de gebouwen van het buitenhof minstens vijf voet hoog, en het was onmogelijk voor me er overheen te stappen zonder onnoemelijke schade aan het dak te doen, schoon de muren sterk gebouwd waren van gehouwen steen, en vier duim dik. Tegelijk wou de Keizer heel graag, dat ik de pracht van zijn paleis zien zou; maar ik was niet in staat dat te doen voor drie dagen daarna, die ik doorbracht met een paar van de grootste boomen van het keizerlijk park om te snijden, met mijn mes, een honderd el zoowat van de stad van daan. Van die boomen maakte ik twee stoelen, elk zoowat drie voet hoog en sterk genoeg om mijn gewicht te houden. Nadat het volk een tweeden keer een kennisgeving ontvangen had, ging ik weer door de stad naar het paleis met mijn twee stoelen in mijn handen. Toen ik aan den muur van het buitenhof kwam ging ik op den eenen stoel staan met den anderen in mijn hand; dien tilde ik over het dak en zette hem zachtjes op de plaats tusschen het eerste en tweede hof, die acht voet breed was. Toen stapte ik heel op mijn gemak van den eenen stoel op den anderen en trok den eersten achter me op aan een stok met een haak. Op die manier kwam ik tot in het binnenhof, en daar, languit op mijn zij liggende, hield ik mijn gezicht tegen de vensters van de middenverdiepingen, die met opzet waren opengelaten, en ontdekte zoo de prachtigste vertrekken, die men zich kan voorstellen. Daar zag ik de Keizerin en de jonge prinses, in hun verschillende vertrekken, met hun voornaamste bedienden om hen heen. Het behaagde Hare Keizerlijke Majesteit mij allerminzaamst toe te lachen, en mij door het venster haar hand te kussen te geven.

Maar ik zal den lezer niet vooruitloopen met meer beschrijvingen van dit soort, omdat ik die bewaren moet voor een grooter werk, dat nu al haast klaar is voor de pers, en dat een volledige beschrijving van dit rijk zal inhouden, van zijn eerste opkomst, onder een lange reeks van vorsten, met een afzonderlijk overzicht van zijn oorlogen en staatkunde, wetten, geleerdheid en godsdienst; zijn planten en dieren, zijn eigenaardige manieren en gebruiken, benevens andere zaken, zeer nuttig en merkwaardig; terwijl het op ’t oogenblik alleen mijn doel is zulke gebeurtenissen en voorvallen te verhalen als het volk en mijzelf overkwamen gedurende een verblijf van ongeveer negen maanden in dat rijk.

Eens op een morgen, ongeveer twee weken nadat ik mijn vrijheid herkregen had, kwam Reldresal, eerste geheimschrijver (zooals zij hem noemen) aan mijn huis, alleen vergezeld door een bediende. Hij beval dat zijn draagkoets hem op eenigen afstand wachten zou, en vroeg mij hem een gehoor van een uur toe te staan, waarin ik gereedelijk toestemde, in aanmerking nemende zijn rang en zijn persoonlijke verdiensten, zoowel als de vele goede diensten, die hij mij tijdens mijn sollicitaties aan het hof bewezen had. Ik bood aan te gaan liggen, opdat hij wat dichter bij mijn oor zou kunnen spreken; maar hij wou liever dat ik hem gedurende ons gesprek in de hand hield. Hij begon met mij geluk te wenschen met mijn invrijheidstelling; zei dat hij zich eenigszins er op beroemen mocht daartoe te hebben medegewerkt, maar voegde er bij, dat ik nochtans, als niet de tegenwoordige staat van zaken aan het hof geholpen had, haar misschien niet zoo gauw zou hebben verkregen. „Want”, zeide hij, „in hoe bloeienden toestand wij voor een vreemde ook schijnen te verkeeren, wij lijden onder twee smartelijke kwalen: een hevigen partijtwist binnenslands, en het gevaar van een inval door een zeer machtigen vijand erbuiten. Wat de eerste betreft moet gij weten dat sinds zeventig manen twee overhoop liggende partijen in dit rijk geweest zijn, die zich noemden Tramecksan en Slamecksan, naar de hooge en lage hakken van hun schoenen, waardoor zij zich van elkander onderscheiden. Men beweert wel eens, dat de hoog-hakken het meest in gunst zijn bij ons oude vorstenhuis; maar, wat daar ook van aan zij, het is een feit dat Zijne Majesteit in het staatsbestuur, en, zooals ge wel zult bemerkt hebben, in al de posten, die de kroon te begeven heeft, alleen laag-hakken gebruikt; en wat meer zegt, dat Zijner Majesteits keizerlijke hakken minstens een drurr lager zijn dan van iemand aan ’t hof (drurr is een maat van zoowat een veertiende van een duim). De vijandelijkheden tusschen deze twee partijen loopen zoo hoog, dat ze met elkaar eten, drinken, noch praten willen. Wij schatten de Tramecksan, of hoog-hakken, grooter in aantal dan wij; maar de macht is heelemaal in onze handen. Wij vreezen dat Zijne Keizerlijke Hoogheid de Kroonprins, zich min of meer tot de Hoog-hakken voelt aangetrokken; we kunnen tenminste duidelijk zien dat een van zijn hakken hooger is dan de andere, wat maakt dat hij een beetje mank loopt. Nu, te midden van deze huiselijke onrusten worden wij bedreigd door een inval van het eiland Blefuscu, dat het andere groote rijk van de wereld is, bijna zoo groot en machtig als dit van Zijne Majesteit. Want, wat aangaat wat wij u hebben hooren beweren, dat er andere koninkrijken en staten in de wereld zijn, bewoond door menschelijke wezens zoo groot als gij zijt, daarover verkeeren onze wijsgeeren zeer in twijfel, en gelooven liever dat gij van de maan of een van de sterren gevallen zijt; omdat het zeker is dat honderd stervelingen van uw omvang in korten tijd al het vee en de vruchten van Zijner Majesteits landen zouden uitroeien; bovendien maakt onze geschiedenis over zesduizend manen geen melding van eenige andere streken dan de twee groote rijken Lilliput en Blefuscu; welke twee machtige rijken, zooals ik u juist vertellen wou, sinds zes-en-dertig manen in een uiterst hardnekkigen oorlog gewikkeld zijn. Die begon door het volgende voorval: Het wordt door niemand tegengesproken dat de oorspronkelijke manier om eieren open te breken, voor we ze eten, was op de stompe punt; maar nadat de grootvader van onzen tegenwoordigen Keizer, toen hij nog een jongen was, eens het ongeluk gehad heeft, toen hij een ei ging eten en dat openbrak volgens de oude manier, zich in den vinger te snijden, liet de Keizer, zijn vader, een bevel afkondigen, waarbij al zijnen onderdanen met bedreiging van strenge straffen bevolen werd hun eieren aan de spitse punt open te breken. Het volk was over dit bevel zoo verbitterd, dat, zooals onze geschiedenissen melden, tengevolge daarvan zes opstanden verwekt zijn, waarin één Keizer zijn leven en een ander zijn kroon verloor. Deze binnenlandsche onrusten werden gestadig aan ’t gisten gehouden door de vorsten van Blefuscu, en als ze gedempt waren zochten de ballingen altijd in hun rijk een schuilplaats. Men heeft berekend dat elfduizend menschen op verschillende tijden zich lieten dooden, eerder dan er in toe te stemmen hun eieren te breken aan de spitse punt. Veel honderden dikke boekdeelen zijn over dit strijdpunt uitgekomen; maar de boeken van de stomppunters zijn sinds lang verboden, en de heele partij bij de wet uitgesloten van het vervullen van staatsambten. Gedurende den loop van deze twisten, protesteerden de Keizers van Blefuscu herhaaldelijk door hun gezanten, ons beschuldigende een scheiding te maken in den godsdienst, door te handelen tegen een grondstelling van onzen grooten profeet Lustrog, in het vier-en-vijftigste hoofdstuk van den Blundecral (dat is hun Alcoran). Dit wordt evenwel als een verwringing van den tekst beschouwd, want de woorden zijn: dat alle ware geloovers hun eieren zullen openbreken aan de punt, die daartoe het geschiktst is. En welke punt daartoe het geschiktst is, lijkt, naar mijn bescheiden meening, te zijn overgelaten aan ieders oordeel en geweten, of hoogstens in de macht van de overheid gesteld om uit te maken. Nu hebben de verbannen stomppunters zooveel invloed gekregen aan het hof van den Keizer van Blefuscu, en zooveel geheimen bijstand en aanmoediging van hun partij hier in ’t land, dat een bloedige oorlog tusschen de twee rijken al sinds zes-en-dertig manen met afwisselenden voor- en tegenspoed wordt gevoerd; gedurende welken tijd wij veertig kapitale schepen en een veel grooter aantal kleine vaartuigen verloren hebben, gezamenlijk met dertigduizend van onze beste zeelui en soldaten; en de schade door onze vijanden geleden wordt iets grooter geschat dan de onze. Zij hebben nu echter een talrijke vloot uitgerust en maken zich juist gereed om op ons af te komen; en de Keizerlijke Majesteit, die het grootste vertrouwen stelt in uw moed en kracht, heeft mij bevolen u dit overzicht van onzen toestand voor te leggen.”

Ik verzocht den secretaris mijne onderdanige groeten aan den Keizer over te brengen en hem te doen weten, dat ik van meening was dat het mij, als vreemdeling niet passen zou mij met partijtwisten in te laten; maar dat ik gereed was mijn leven te wagen om zijn persoon en rijk tegen alle indringers te verdedigen.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings