Storm.
Reading edition
In de week die op dit voorval volgde, van den 14n tot den 21n Februari, had er niets bijzonders aan boord plaats. De noordoostelijke wind wakkerde allengs aan en de Pelgrim liep snel, een afstand afleggende van gemiddeld honderd zestig mijlen in de vier-en-twintig uren. Dit was nagenoeg alles wat men van een vaartuig van deze afmeting kon vergen.
De schoenerbrik moest dus, naar de berekening van Dick, de streken naderen waar de mailbooten van het eene halfrond naar het andere oversteken. De leerling hoopte altijd een van die vaartuigen te ontmoeten, en hij had het stellige voornemen, hetzij er zijn passagiers op over te brengen, hetzij eenige matrozen en misschien wel een officier te leenen. Maar hoewel er zeer nauwkeurig werd uitgekeken, kon er geen enkel schip gesignaleerd worden en bleef de zee altijd eenzaam.
Dit begon Dick Sand wel een weinig vreemd te vinden. Hij had meermalen dit gedeelte der Stille Zuidzee op zijn drie reizen naar de zuidelijke zeeën, om te visschen, doorkruist en bij de breedte en de lengte waarop hij zich meende te bevinden, was het zeldzaam dat er zich geen enkel Engelsch of Amerikaansch schip vertoonde, dat van Kaap Hoorn naar den evenaar kwam opwerken of naar de uiterste punt van Zuid-Amerika afzakte.
Maar Dick Sand wist niet, en hij kon het ook niet weten, dat de Pelgrim reeds op een hoogere breedte was, dat is te zeggen meer zuidelijk dan hij vermoedde.
Dit lag aan twee redenen.
De eerste was dat de stroomen dezer streken, welker snelheid de leerling slechts onvolkomen kon gissen, er aan hadden toegebracht, om het schip van zijn weg af te brengen zonder dat het hem mogelijk was er zich rekenschap van te geven.
De tweede reden was dat het kompas, geschonden door de schuldige hand van Negoro, slechts onnauwkeurige uitkomsten gaf,—uitkomsten die Dick Sand, sedert het verlies van het tweede kompas, niet kon controleeren. Zoodat hij, meenende en moetende meenen dat de steven naar het oosten gekeerd was, werkelijk naar het zuid-oosten stevende! Het kompas werd steeds trouw door hem waargenomen. Er werd geregeld gelogd. Met zijn twee instrumenten kon hij in zekere mate den Pelgrim besturen en het aantal afgelegde mijlen bij benadering bepalen. Maar was dit voldoende?
Evenwel deed Dick Sand steeds zijn best om Mevr. Weldon, die zich over de voorvallen dezer reis dikwijls ongerust maakte, moed in te spreken.
“We zullen er wel komen!” herhaalde hij telkens. “We zullen de Amerikaansche kust bereiken, hier of daar, onverschillig waar, maar ergens aanlanden zullen we!”
”’k Twijfel er niet aan, Dick.”
“Natuurlijk, mevrouw, zouden we geruster zijn, als u niet aan boord waart en we slechts voor ons zelven hadden te zorgen, maar....”
“Maar als ik niet aan boord was,” antwoordde Mevr. Weldon, “als neef Benedictus, Jack, Nan en ik geen plaats op den Pelgrim genomen hadden, en als van den anderen kant, Tom en zijn kameraden niet in zee waren opgenomen, Dick, zou er niemand overgebleven zijn dan gij en Negoro!.... Wat zou er van je geworden zijn, alleen met dien raadselachtigen man, dien je niet vertrouwen kunt?”
”’k Zou begonnen zijn,” antwoordde Dick flink weg, “met Negoro te beletten mij te benadeelen.”
“En je zoudt alleen het schip bestuurd hebben?”
“Ja....alleen.... met God’s hulp!”
De moed en de geestkracht die uit deze woorden spraken, waren zeer geschikt om Mevr. Weldon op te beuren. En toch, als zij haar kleinen Jack aanzag, maakte zij zich dikwijls ongerust! Als de moeder niets wilde laten blijken van ’t geen de moeder gevoelde, dan kon zij niet altijd beletten dat een heimelijke angst zich van haar hart meester maakte.
Mocht intusschen de jeugdige leerling niet ver genoeg in zijn hydrographische studiën gevorderd zijn om zijn bestek op te maken, zoo bezat hij een werkelijk zeemans instinct, als er sprake van was om naar het weer te raden. Het voorkomen van de lucht van de eene zijde, van de andere de aanwijzingen van den barometer, deden hem voorzorgen nemen. Kapitein Hull, die een goed meteoroloog was, had hem geleerd dit instrument te raadplegen, dat merkwaardig zeker het weer kan voorspellen.
1º. Wanneer de barometer, nadat het tamelijk lang mooi weer geweest is, plotseling en aanhoudend begint te dalen, komt er ongetwijfeld regen; maar, als het lang mooi weer geweest is, kan de kwik twee of drie dagen lang in de barometer-buis zakken, voordat men eenige verandering in den toestand der atmosfeer opmerkt. Hoe meer tijd er dan verloopt tusschen de daling van de kwik en het komen van regen, des te langer zal de regentijd duren.
2º. Indien integendeel de barometer bij regenachtig weder, dat reeds lang geduurd heeft, langzaam en geregeld begint te rijzen, zal het zeker mooi weer worden, hetgeen des te langer zal duren hoe langer tusschenpoos verloopen is tusschen het mooie weer en het begin van het rijzen des barometers.
3º. Indien in de twee gevallen die voorafgaan, de verandering van weer onmiddellijk volgt op de beweging van de kwikkolom, zal deze verandering slechts kort duren.
4º. Wanneer de barometer gedurende twee of drie of zelfs meer dagen langzaam en aanhoudend rijst, verkondigt hij mooi weer, al houdt de regen gedurende deze drie dagen niet op, en vice versa; maar, indien de barometer gedurende twee of meer dagen, terwijl het regent, rijst en hij vervolgens, terwijl het mooi weer geworden is, wederom begint te zakken, zal het mooie weer zeer kort duren, en vice versa.
5º. In de lente en den herfst, voorspelt een plotselinge daling van den barometer wind. In den zomer, kondigt hij, als het zeer warm weer is, dan een onweer aan. In den winter, na eenigen tijd vorst gehad te hebben, voorspelt een snelle daling van de kwikkolom een verandering van wind, gepaard met dooiweder en regen; maar het rijzen van den barometer, terwijl het reeds eenigen tijd gevroren heeft, voorspelt sneeuw.
6º. De snelle schommelingen van den barometer moeten nooit opgenomen worden als droog of regenachtig weer van eenigen duur te voorspellen. Deze aanwijzingen worden uitsluitend gegeven door het rijzen of het dalen, dat langzaam en aanhoudend plaats heeft.
7º. Wanneer tegen het einde van den herfst, na aanhoudend regenachtig en winderig weer, de barometer rijst, dan kondigt dit rijzen den overgang aan van den wind naar het noorden en de nadering van den vorst.
Dit zijn algemeene regelen, die men moet afleiden uit de aanwijzingen van dit kostbaar instrument.
Dit was het wat ook aan Dick Sand zeer goed bekend was, ’t geen hij in verschillende omstandigheden van zijn zeemansleven bevestigd had gezien en hem leerde op alle gebeurlijkheden voorbereid te zijn.
Nu begonnen, juist tegen den 20sten Februari, de schommelingen van de kwikkolom den jeugdigen leerling, die ze verscheidene malen per dag met groote zorg opteekende, eenigszins te verontrusten. Werkelijk begon de barometer langzaam en aanhoudend te zakken, ’tgeen regen voorspelde; maar daar deze regen nog niet spoedig kwam, besloot Dick Sand daaruit dat het slechte weder zou aanhouden. Dit was dan ook werkelijk het geval.
Dick Sand moest toen eenige voorzorgen nemen, om de masten en de zeilen van den Pelgrim niet in gevaar te brengen. Hij had reeds het bovenbramzeil, het gaftopzeil en den buitenkluiver laten bergen en besloot dit ook met het bramzeil te doen en daarna twee reven in het marszeil te laten steken.
Dit laatste moest zekere moeielijkheid in zich hebben met een bemanning die nog zoo weinig geoefend was. Evenwel viel er niet te talmen en niemand talmde ook.
Dick Sand, vergezeld van Bat en Austin, ging naar boven en nam, ofschoon niet zonder moeite, het bramzeil in. Met minder dreigend weer, zou hij de twee raas niet hebben afgenomen, maar, daar hij voorzag dat hij waarschijnlijk verplicht zou zijn de bramsteng te schieten en die zelfs geheel aan dek te nemen, nam hij de beide raas af. Men begrijpt toch dat, als de wind te sterk wordt, men niet alleen de zeilen, maar ook het boventuig moet neernemen. Dit is een groote verlichting voor het schip, dat, hoog getuigd, van het slingeren en stampen niet meer zoo veel te lijden heeft.
Nadat deze eerste arbeid volbracht was,—en er gingen twee uren mede om,—hielden Dick Sand en de zwarten zich bezig met het marszeil te verkleinen door twee reven in te steken.
De Pelgrim voer niet, als de meeste nieuwere vaartuigen, een dubbel marszeil, hetgeen de manoeuvre gemakkelijk maakt. Men moest dus doen als vroeger, namelijk de ra op den rand laten loopen, een zeil door den wind geslagen naar zich toe halen en de rifseizings stevig vastknoopen. Dat alles was moeielijk, gevaarlijk en duurde lang, maar eindelijk gaf het gereefde marszeil minder vat aan den wind en daardoor werd de schoenerbrik aanmerkelijk verlicht.
Dick Sand kwam met Bat en Austin weder beneden. De Pelgrim bevond zich toen in den toestand van zeewaardigheid, gevorderd door dien staat van den dampkring, waaraan men de benaming van “stijve koelte” heeft toegekend.
Er was overigens volstrekt geen schijn van dat de barometer voor eenigen tijd zou gaan rijzen. De lucht zag er slecht en buitengewoon winderig uit. Buitendien werd zij aanhoudend door dikke dampen bedekt. Deze laag van nevels was zelfs zoo dik, dat men de zon niet meer kon zien en dat het moeilijk zou geweest zijn de plaats waar zij op- en onderging aan te wijzen.
Dick Sand begon zich ongerust te maken. Hij verliet het dek niet meer. Hij sliep nauwelijks. Evenwel had hij geestkracht genoeg om zijn angst in het diepst van zijn hart te verbergen.
Den volgenden dag, 23 Februari, scheen de wind in den loop van den morgen een weinig af te nemen, maar Dick Sand vertrouwde het niet, en hij had gelijk, want in den namiddag stak de wind weer op en ging de zee hol staan.
Tegen vier uur verliet Negoro, dien men weinig zag, het verblijf der matrozen en begaf zich naar den voorsteven. Dingo sliep zeker ergens in een hoek, want hij blafte niet, zooals gewoonlijk.
Negoro bleef, altijd zwijgend, een half uur lang den horizon waarnemen.
Lange golven volgden elkander op, zonder nog in botsing met elkander te komen. Evenwel waren zij hooger dan met de kracht van den wind overeenkwam. Men moest er uit besluiten dat er slecht weer in het westen was, niet ver af meer misschien, en dat het weldra deze streken zou bereiken.
Negoro liet, in gedachten verzonken, zijn blikken weiden over de onmetelijke zee, die rondom den Pelgrim in volslagen oproer verkeerde. Daarna richtten zich zijn koude en strakke oogen naar de lucht.
De lucht zag er verontrustend genoeg uit. De dampen verplaatsten zich met zeer verschillende snelheden. De wolken in de bovenlucht bewogen zich sneller dan die der benedenlagen van den dampkring. Men mocht dus vooruitzien dat weldra deze zware massa’s naar beneden zouden dalen en wat nu nog slechts een stijve koelte was, namelijk een verplaatsing van lucht tegen drie-en-veertig mijlen per uur, zou overgaan in een storm en misschien in een orkaan.
Hetzij Negoro geen man was om angst te gevoelen, hetzij hij niets begreep van het dreigende weer, hij scheen volstrekt niet ontroerd. Wel speelde er een valsche glimlach op zijn lippen. Eigenlijk was het of deze toestand van het weer hem eer genoegen gaf dan dat hij er zich onaangenaam gestemd over gevoelde. Een oogenblik klom hij op den boegspriet en kroop tot aan de woeling, om zijn blikken nog verder te laten weiden, alsof hij eenig teeken aan den horizont zocht. Daarna klom hij weder naar beneden en begaf zich, zonder een enkel woord gezegd of zelfs maar een gebaar gemaakt te hebben, weder naar het matrozenverblijf.
Evenwel was er onder al deze verschrikkelijke omstandigheden één gelukkige zaak, die ieder aan boord wel op prijs mocht stellen, namelijk dat de wind, hoe stevig hij werd of zou worden, gunstig was en dus de Pelgrim snelle vorderingen naar de Amerikaansche kust scheen te maken. En zelfs kon, als het weer maar niet tot storm oversloeg, deze overtocht zonder gevaar volbracht worden en zouden de werkelijke gevaren eerst dan beginnen, als het oogenblik gekomen was dat zij op eenig onbekend punt der kust land zouden bezeilen.
Dit was iets dat nu reeds dikwijls een onderwerp van Dick Sand’s overdenkingen uitmaakte. Hoe zou hij, als het land eenmaal in ’t gezicht was, manoeuvreeren, indien hij geen loods of geen zeeman ontmoette, die met het vaarwater bekend was? Wat zou hij doen, ingeval het slechte weder hem verplichtte een noodhaven te zoeken, daar deze kust hem ten eenemale onbekend was? Wel is waar had hij zich vooralsnog over deze zaak niet ongerust te maken, alhoewel er, als het uur eenmaal gekomen was, een besluit moest genomen worden.
Gedurende de 13 dagen die verliepen, van den 24n Februari tot den 9n Maart, veranderde de toestand van den dampkring niet belangrijk. De hemel was altijd met zwaren nevel bezwangerd. Gedurende eenige uren nam de wind af, om dan weder met dezelfde woede los te barsten. Twee of driemaal ging de barometer aan het rijzen, maar zijn schommeling, een twaalftal strepen uitmakende, was te plotseling om een verandering van weer en een terugkeer tot zachtere winden aan te kondigen. Daarbij kwam dat de kwikkolom bijna dadelijk weder daalde, zoodat vooralsnog niets het einde van het slechte weder voorspelde.
Ook barstten er van tijd tot tijd geduchte onweders los, die Dick ernstig ongerust maakten. Twee of drie malen sloeg de bliksem op slechts eenige kabellengten van het schip af in de zee. Daarna viel dan de regen in stroomen neder en kwamen er van die dwarrelwinden van half verdichte dampen voor, die den Pelgrim met een dichten mist omgaven.
Uren achtereen had de man op den uitkijk geen uitzicht meer en ging men op goed geluk verder.
Alhoewel het vaartuig, niettegenstaande het sterk stampte, vreeselijk slingerde, verdroeg Mevr. Weldon dit stampen en slingeren, zonder er gelukkig eenigen hinder van te gevoelen. Maar haar kleine jongen was zeer ongesteld en vereischte al haar zorgen.
Wat neef Benedictus betreft, hij was evenmin ziek als de Amerikaansche kakkerlakken, die hij gezelschap hield, en hij bracht zijn tijd door met studeeren, alsof hij rustig in zijn studeervertrek te San-Francisco zat.
Zeer gelukkig hadden ook Tom en zijn kameraden weinig last van de zeeziekte en konden zij daarom hun jeugdigen bevelvoerder hulp blijven verleenen, die zelf volkomen gewend was aan al de ongeregelde bewegingen van een schip dat voor den wind loopt.
De Pelgrim liep snel onder zijn verminderde zeilen en reeds zag Dick Sand aankomen dat hij nog meer zeil zou moeten minderen. Maar hij wilde volhouden, zoolang het zonder gevaar mogelijk zou zijn. Naar zijn berekening kon de kust niet ver meer verwijderd zijn. Men zag dus ijverig uit. Evenwel kon Dick niet te veel op de oogen zijner metgezellen vertrouwen om de eerste teekenen van land te ontdekken, want hoe scherp van gezicht men moge zijn, hij, die niet gewoon is om den horizont op zee te onderzoeken, is niet in staat om de eerste omtrekken eener kust te onderscheiden, vooral te midden van dikke nevels. Ook moest Dick Sand zelf uitkijken en klom hij daarom dikwijls in het want om beter te zien. Maar niets deed zich nog voor van de Amerikaansche kust.
Dat verwonderde hem en toen hem hieromtrent eenige woorden ontvielen, begreep Mevr. Weldon zijn verwondering. Het was de 9e Maart. De leerling bevond zich op het voorschip, nu eens den blik gericht op de zee en de lucht, dan weder met het oog op de masten van den Pelgrim, die onder het aanhoudend geweld van den wind begonnen te lijden.
“Zie je nog niets, Dick?” vroeg zij hem, op een oogenblik dat hij den verrekijker liet zakken.
“Niets, mevrouw, niets,” antwoordde hij, “en toch schijnt de horizont een weinig op te klaren, onder den hevigen wind die nog meer gaat aanwakkeren.”
“En volgens u, Dick, kan de Amerikaansche kust niet ver meer af zijn, nu?”
“Dat kan zij niet, mevrouw, en als er iets is dat me verwondert, dan is het dat zij nog niet in ’t gezicht is!”
“En toch,” hernam Mevr. Weldon, “heeft het schip altijd goeden koers gehouden.”
“Altijd, vanaf de wind noord-west geweest is,” antwoordde Dick Sand, “dat is dus sedert den dag dat we onzen ongelukkigen kapitein en zijn equipage hebben verloren. Dat was de 10e Februari, we hebben nu den 9en Maart. Er zijn dus sedert dien tijd zeven-en-twintig dagen verloopen!”
“Maar hoever waren we toen nog van de kust verwijderd?” vroeg Mevr. Weldon.
“Vier duizend vijfhonderd mijlen ongeveer, mevrouw. Zijn er soms zaken, die ik zeer betwijfel, voor dit cijfer kan ik instaan op twintig mijlen na.”
“En hoe groot is de snelheid van het schip geweest?”
“Gemiddeld honderdtachtig mijlen per dag, sedert de wind zich verhief,” antwoordde de leerling. “Ook verwondert het mij, dat we nog niet in ’t gezicht van land zijn. En wat me nog vreemder voorkomt, is, dat we zelfs geen enkel van die vaartuigen ontmoeten, die gewoonlijk deze streken bezoeken.”
“Hebt ge u niet kunnen vergissen, Dick?” hernam Mevr. Weldon, “bij het bepalen van de snelheid van den Pelgrim?”
“Neen, mevrouw. Op dat punt heb ik niet kunnen dwalen. Er is om het half uur gelogd; en ’k heb de uitkomsten zeer juist opgeteekend.—Kom, ’k zal ’t op ’t oogenblik weer doen en u zult zien dat we nu tien mijlen per uur loopen, wat meer dan twee honderd mijlen per dag bedraagt!”
Dick Sand riep Tom en beval hem te loggen,—een werk dat de oude neger nu zeer gewoon was te doen.
De log, stevig aan het einde van de lijn bevestigd, werd gebracht en buiten boord gegooid.
Nauwelijks waren twintig vademen afgeloopen, of de lijn in de handen van Tom werd eensklaps slapper.
“Och! mijnheer Dick!” riep hij uit.
“Welnu, Tom?”
“De lijn is gebroken!”
“Gebroken!” riep Dick Sand uit! “En de log is verloren!”
De oude Tom liet het eind van de lijn zien, dat hij in de hand hield.
Het was maar al te waar. Zij was goed vastgebonden geweest. De lijn was in het midden afgebroken. En toch was het touw van eerste kwaliteit. De strengen moesten dus op het punt waar ze afbraken, zeer versleten zijn geweest! En dat waren zij inderdaad, waarvan Dick zich kon overtuigen toen hij het eind van de lijn in de hand hield! Maar.... waren zij door het gebruik versleten, vroeg de leerling zich af, die wantrouwend geworden was.
Hoe het zij, de log was verloren, en Dick Sand had nu geen enkel middel meer om de snelheid van zijn schip juist te schatten. Het eenige instrument dat hij nu nog bezat, was een kompas, en hij wist niet eens dat zijn aanwijzingen valsch waren!
Mevr. Weldon zag dat hij zoo terneergeslagen was over dit ongeluk, dat zij niet verder wilde aandringen en met een bezwaard hart zich in haar kajuit terugtrok.
Maar, al kon de snelheid van den Pelgrim en bijgevolg de afgelegde weg niet meer bepaald worden, het was gemakkelijk zich te overtuigen dat de vaart van het schip niet verminderde.
Het werd dringend noodzakelijk nog meer zeil te minderen, teneinde de veiligheid van het vaartuig niet in de waagschaal te stellen.
Dick Sand besloot zijn bramsteng te strijken, zijn kluifhout in te voeren en zijn benedenzeilen te bergen, om slechts te varen onder stagfok en gereefd marszeil.
Hij riep Tom en de anderen om hem behulpzaam te zijn in dit moeielijk werk, dat ongelukkig niet snel kon verricht worden.
En toch, de tijd drong, want de storm barstte reeds met hevigheid los.
Dick Sand, Austin, Actéon en Bat gingen naar boven terwijl Tom aan het roer bleef, en Hercules op het dek, om dadelijk, als hem de order gegeven werd, de vallen te vieren of los te gooien.
Na talrijke pogingen werd het kluifhout ingevoerd en de bramsteng gestreken, niet zonder dat deze brave menschen door het vreeselijk schudden der masten, tengevolge van het slingeren, honderd maal op het punt waren in zee te storten. Nadat daarna nog een rif ingestoken en de fok geborgen was, lag de schoenerbrik alleen onder stagfok en het dicht gereefd marszeil.
Alhoewel zijn zeilen nu aanmerkelijk verminderd waren, bleef de Pelgrim nog altijd een buitengewoon snelle vaart houden.
Het was nu een echte storm geworden, zoodanig, dat de Pelgrim zelfs het weinigje doek niet meer kon dragen, dat hem nog over bleef.
Toen Dick Sand zag dat zijn marszeil zou scheuren, gaf bij bevel het te beslaan.
Maar te vergeefs, want een nog heviger rukwind wierp zich op dit oogenblik op het schip en scheurde het zeil los. Austin, die zich op de marsra bevond, werd door den bakboordsschoot getroffen. Gewond, maar vrij licht, kon hij zelf naar beneden komen.
Dick Sand was nu ten hoogste ongerust en had slechts één gedachte: dat namelijk het schip, met zulk een woedende vaart voortgestuwd, zich elk oogenblik kon te bersten stooten, want volgens zijn raming, konden de klippen van het strand niet meer ver af zijn. Hij keerde dus terug naar het voorschip, maar hij zag niets, dat zelfs den schijn van land had en nam het roer weder op.
Een oogenblik later trad Negoro op het dek. Daar gekomen, strekte zich zijn arm onwillekeurig uit naar een punt van den horizont. Men zou gezegd hebben dat hij zeer in de verte door den dichten nevel heen hoog land ontdekte!....
Nogmaals vertoonde diezelfde valsche glimlach zich op zijn gelaat, en zonder iets te zeggen van ’t geen hij misschien gezien had, ging hij weder naar zijn verblijf terug.