De slavenhandel.
Reading edition
De slavenhandel! Iedereen kent de beteekenis van dit woord, dat nooit in de menschelijke taal had moeten opgenomen worden. De afschuwelijke handel die langen tijd gedreven werd ten voordeele der Europeesche volken, in ’t bezit van overzeesche koloniën, is reeds sedert een aantal jaren verboden. Toch wakkert het menschonteerend misbruik nog steeds voort op uitgebreide schaal en voornamelijk in Midden-Afrika. En nog altijd, in onze XXe eeuw, de eeuw van verlichting en beschaving, ontbreekt de handteekening van eenige zoogenaamde christelijke staten aan het verbond, gesloten tot afschaffing der slavernij.
Men zou misschien meenen dat er geen slavenhandel meer is, dat nu koop en verkoop van menschelijke wezens hebben opgehouden te bestaan! Helaas in geenen deele! en dit is het wat de lezer moet weten, indien hij het belang in het vervolg dezer geschiedenis wil stellen, dat het onderwerp verdient. Hij moet weten dat nog in den tijd waarin wij leven, de menschenjachten werkelijkheid zijn, die een geheel vasteland dreigen te ontvolken, om te voorzien in het onderhoud van eenige slaven-koloniën, waar en hoe die barbaarsche strooptochten plaats hebben, het bloed dat zij kosten, wat al branden en plunderingen zij uitlokken en eindelijk ten voordeele van wie zij plaats hebben.
De geschiedenis leert, dat de handel in negers het eerst in de XVe eeuw in zwang kwam en wel onder de volgende omstandigheden:
Na uit Spanje verdreven te zijn, hadden de Mohamedanen de wijk genomen naar de kust van Afrika, aan gene zijde der straat. Hier werden zij evenwel hardnekkig vervolgd door de Portugeezen, die toen dit gedeelte van het kustland bewoonden. Een zeker aantal dezer vluchtelingen werd gevangen genomen en naar Portugal gevoerd. Tot slavernij gebracht, maakten zij de eerste kern uit van Afrikaansche slaven, die sedert de Christelijke jaartelling in westelijk Europa is gevormd geworden.
Nu behoorden deze Muzelmannen meerendeels tot rijke families, die hen tegen hooge prijzen wilden los koopen, ’t geen evenwel de Portugeezen weigerden, hoe hoog het losgeld ook ware, dat hun werd aangeboden. Zij wilden het vreemde goud niet, maar wel de armen die hun ontbraken voor den arbeid der opkomende koloniën, of beter gezegd, zij hadden slavenarmen noodig.
Daar nu de Muzelmaansche familie hun gevangen bloedverwanten niet konden loskoopen, boden zij aan hen in te ruilen tegen een grooter aantal Afrikaansche negers, waarvan zij zich maar al te gemakkelijk konden meester maken. Dit aanbod werd aangenomen door de Portugeezen, die hun voordeel in dezen ruilhandel vonden, en ziedaar de wijze waarop de slavenhandel in Europa ontstond.
Tegen het einde der XVIe eeuw was deze schandelijke handel algemeen in zwang gekomen en geenszins in strijd met de nog barbaarsche zeden. Alle staten beschermden hem, teneinde des te sneller en zekerder de eilanden der Nieuwe-Wereld te koloniseeren. Want het waren juist de negerslaven die het dáár konden uithouden, waar de blanken, niet aan het klimaat gewoon en nog ongeschikt om de hitte van de tropische luchtstreek te verdragen, bij duizenden waren omgekomen. Het vervoer der negers naar de Amerikaansche koloniën had dus geregeld plaats met bijzondere, daartoe bestemde vaartuigen en deze overzeesche handelstak gaf het aanzijn aan belangrijke kantoren op verschillende punten der Afrikaansche kust. De “koopwaar” kostte weinig aan het land van uitvoer en de winsten waren aanzienlijk.
Maar hoe noodig in alle opzichten de stichting der overzeesche koloniën ook ware, kon zij toch die markten van menschenvleesch niet rechtvaardigen. Weldra verhieven zich edelmoedige stemmen, die openlijk tegen den slavenhandel der negers opkwamen en bij de Europeesche gouvernementen aandrongen uit naam der menschelijkheid er de afschaffing van uit te vaardigen.
In 1751 stelden de kwakers zich aan het hoofd der afschaffingsbeweging, in den boezem zelf van dat Noord-Amerika, waar honderd jaren later de oorlog tusschen de noordelijke en zuidelijke Staten zou losbarsten, waarvan deze kwestie der slavernij de aanleiding was. Verschillende Staten van het Noorden: Virginië, Connecticut, Massachusets, Pennsylvanië vaardigden de afschaffing der slavernij uit en stelden de slaven in vrijheid, die met groote kosten naar hun bezittingen gevoerd waren.
Maar de strijd door de kwakers begonnen, bepaalde zich niet tot de noordelijke Staten der Nieuwe-Wereld. De voorstanders der slavernij werden hevig bestreden tot aan gene zijde van den Oceaan. Frankrijk, en meer in het bijzonder Engeland, wierven aanhangers voor deze rechtvaardige zaak.
“Mogen de koloniën te gronde gaan, eerder dan een beginsel!” was de leus die door de gansche oude wereld weerklonk, en, ondanks de groote staatkundige en commercieele belangen in de zaak betrokken, verspreidde zij zich door Europa.
De stoot was gegeven. In 1807 schafte Engeland den slavenhandel in zijn koloniën af en Frankrijk volgde dat voorbeeld in 1814. De twee machtige natiën sloten een verbond betreffende deze zaak, dat door Napoleon gedurende de Honderd Dagen werd bevestigd.
Intusschen was dit nog niets meer dan een zuiver theoretische verklaring. De slavenhalers doorkruisten onophoudelijk de zeeën en losten hun “ebbenhouten lading” in de koloniale havens.
Om een einde te maken aan dezen handel, moesten meer praktische maatregelen worden genomen. De Vereenigde Staten in 1820, Engeland in 1824, verklaarden den slavenhandel als een daad van zeerooverij en als zeeroovers hen die hem dreven. Als zoodanig beliepen zij de doodstraf en werden hardnekkig vervolgd. Frankrijk trad weldra toe tot dit nieuwe verbond. Maar de Zuidelijke Staten van Amerika, de Spaansche en Portugeesche koloniën namen geen deel aan het afschaffingsverbond en de uitvoer der negers duurde ten hunnen voordeele voort, niettegenstaande het algemeen erkende recht van visitatie, dat zich bepaalde tot het onderzoek naar de vlag der verdachte schepen.
Evenwel had de nieuwe wet der afschaffing geen terugwerkende kracht meer. Men maakte wel geen nieuwe slaven meer, maar de ouden hadden hun vrijheid nog niet teruggekregen.
In deze omstandigheden was het, dat Engeland het voorbeeld gaf. Den 14n Mei 1833 stelde een algemeene verordening alle negers der koloniën van Groot-Brittannië in vrijheid en in Augustus 1838, werden zeshonderd-zeventigduizend slaven vrij verklaard.
Tien jaren later, in 1848, stelde de Republiek de slaven der Fransche koloniën vrij, ten bedrage van tweehonderd zestig duizend negers.
In 1864 brak de oorlog uit tusschen de Noordelijke en Zuidelijke Staten van Noord Amerika, het Noorden volbracht het werk der vrijmaking en verspreidde haar over geheel Noord-Amerika.
Het waren dus de drie groote machten, die dit werk van menschlievendheid hadden tot stand gebracht. Thans wordt de slavenhandel alleen nog maar gedreven ten behoeve der Spaansche of Portugeesche koloniën en om aan de behoeften te voldoen der Oostersche, Turksche of Arabische volkeren. Moge Brazilië zijn oude slaven nog niet in vrijheid gesteld hebben, het verkrijgt althans geen nieuwe en de kinderen der zwarten worden er vrij geboren.
Het is in de binnenlanden van Afrika, na de bloedige oorlogen die tusschen de Afrikaansche opperhoofden wegens de menschenjacht gevoerd worden, dat gansche stammen tot slavernij gedoemd worden. De karavanen gaan dan in twee tegengestelde richtingen op weg: de eene naar het westen, naar de Portugeesche koloniën van Angola; de andere naar het oosten, naar Mozambique. Van deze ongelukkigen, waarvan slechts een klein gedeelte hun bestemming bereikt, worden eenigen naar Cuba of naar Madagascar, anderen naar de Arabische of Turksche provinciën van Azië, naar Mekka of Mascate gezonden. De Engelsche en Fransche kruisers kunnen dezen handel slechts onvoldoende beletten, tengevolge van de moeilijkheid om zulk een uitgestrekte kustlijn te bewaken.
Maar is het cijfer van dien schandelijken uitvoer nog aanzienlijk?
Ja! Men schat op niet minder dan tachtig duizend het aantal slaven dat op de kust aankomt en dit getal schijnt slechts het tiende gedeelte der vermoorde inboorlingen te bedragen. Na die afgrijselijke slachtingen zijn de verwoeste velden verlaten en de verbrande dorpen ontvolkt, de stroomen voeren lijken mede en wilde dieren waren overal rond in het land. Na den afloop dezer menschenjachten herkende Livingstone de provinciën niet meer, die hij eenige maanden vroeger bezocht had. Al de overige reizigers, Grant, Speke, Burton, Cameron, Stanley spreken in denzelfden geest over de boschrijke hoogvlakte van Midden-Afrika, het voornaamste tooneel van de oorlogen tusschen de verschillende opperhoofden. In de streek der groote meren, over de gansche uitgestrekte landstreek, die de markt van Zanzibar voorziet, in Bernoe en Fezzan, verder ten zuiden, op de oevers van de Nyassa en de Zambesi, meer ten westen, in de distrikten van de boven-Zaïre die de stoutmoedige Stanley nog voor niet lang is door getrokken, overal hetzelfde schouwspel, verwoesting, moord, ontvolking. Zal dan de slavernij in Afrika eerst ophouden met de verdwijning van het zwarte ras en zal het gaan met dit ras als met het Australische in Nieuw-Holland?
Maar eens zal de markt der Spaansche en Portugeesche koloniën gesloten zijn en deze uitvoerhandel een einde nemen; beschaafde volken kunnen den slavenhandel niet langer dulden!
En inderdaad moet ditzelfde jaar, waarin dit geschreven wordt, 1878, de vrijmaking zien van al de slaven die zich nog in het bezit der Christen-Staten bevinden. Evenwel zullen de Mohamedaansche volken den handel, die het Afrikaansche vasteland ontvolkt, nog gedurende vele jaren instandhouden. Naar Turkije toch heeft de belangrijkste uitvoer van zwarten plaats, daar het cijfer der inboorlingen, die aan hun land ontrukt en naar de oostkust opgezonden worden, jaarlijks meer dan veertigduizend bedraagt. Vele jaren vóór den veldtocht van Egypte, werden de negers van Sennaar bij duizenden aan de negers van Darfoer verkocht en wederkeerig. Generaal Bonaparte kocht zelfs een vrij groot aantal dezer zwarten, waarvan hij soldaten maakte, die op de wijze der Mamelukken georganiseerd waren. Sedert dien tijd, is in deze eeuw, waarvan het vier vijfde gedeelte reeds verloopen is, helaas! de slavenhandel in Afrika niet verminderd. Integendeel.
En werkelijk is het Mohamedanisme den slavenhandel gunstig. De zwarte slaaf moet in het Turksche land den blanken slaaf van vroeger vervangen. Ook wordt de verfoeilijke handel door kooplieden van allerlei landaard in het groot gedreven. Zij vullen op die wijze het te kort aan, dat bij de rassen voorkomt, die uitsterven en eenmaal geheel zullen verdwijnen, omdat zij zich niet door den arbeid herstellen. Deze slaven worden, evenals ten tijde van Bonaparte dikwijls soldaat. Bij zekere volken van den Boven-Niger, maken zij voor de helft de legers der Afrikaansche opperhoofden uit. In dezen toestand is hun lot niet veel slechter dan dat der vrije menschen. Wanneer overigens de slaaf geen soldaat is, is hij een munt die koers heeft en zelfs in Egypte, en Bornoe, worden officieren en ambtenaars met deze munt betaald. Willem Lejean heeft het gezien en het ons medegedeeld.
Zoodanig is dus de tegenwoordige toestand van den slavenhandel.
Moeten wij er nog bijvoegen dat een aantal lasthebbers der groote Europeesche mogendheden zich niet schamen een betreurenswaardige toegevendheid voor dien handel aan den dag te leggen? Niets is zekerder, en terwijl de kruisers de hutten van de Atlantische zee en den Indischen oceaan bewaken, wordt in het binnenland geregeld handel gedreven, gaan de karavanen onder de oogen van zekere ambtenaren huns weegs en hebben de moorden, waarbij tien zwarten omkomen om één slaaf te leveren, op geregelde tijden plaats!
Ook begrijpt men nu, welke vreeselijke beteekenis in de woorden lag opgesloten, door Dick Sand uitgesproken:
“Afrika! Midden-Afrika! Het Afrika der slavenhandelaars en der slaven!”
En hij bedroog zich niet: Het was het Afrika met al zijne gevaren voor zijn reisgenooten en voor hem.
Maar op welk gedeelte van het Afrikaansche vasteland had een onverklaarbaar noodlot hem doen aanlanden? Op de westkust blijkbaar, en wat deze treurige omstandigheid nog treuriger maakte, was dat de jeugdige leerling tot de overtuiging kwam dat de Pelgrim juist gestrand was op de kust van Angola, waar de karavanen aankomen, die dit geheele gedeelte van Afrika voorzien.
En werkelijk was dit zoo. Het was het land, dat eenige jaren later Cameron ten zuiden en Stanley ten noorden zouden doortrekken, ten koste van bovenmenschelijke inspanning! Van dat uitgebreide grondgebied, dat uit drie provinciën bestaat, Benguela, Congo, en Angola, kende men toen slechts het kustland. Het strekte zich uit van den Nourse ten zuiden, tot den Zaïre ten noorden, terwijl twee voorname steden er twee havens bezitten, Benguela en St. Paul de Loanda, hoofdstad der kolonie, die aan het koninkrijk Portugal toebehoort.
Het binnenland van deze uitgestrekte streek was toen bijna onbekend. Weinige reizigers hadden er zich durven wagen. Een noodlottig klimaat, een warme en vochtige bodem, die koortsen doet ontstaan, barbaarsche inboorlingen waar van eenige nog menscheneters zijn, een aanhoudende oorlog van de stammen onderling, het wantrouwen der slavenhandelaars tegen iedereen vreemdeling, die de geheimen van hun schandelijken handel tracht te doorgronden, zoodanig zijn de moeilijkheden en de gevaren die overwonnen moeten worden in deze provincie van Angola, een der gevaarlijkste van Midden-Afrika.
Tuckey was in 1816 den Congo tot boven de watervallen van Yellala opgevaren, ’t geen slechts een tocht was van hoogstens twee honderd mijlen. Dit eenvoudig uitstapje was niet voldoende om het land grondig te doen kennen en toch had het den dood gekost van de meeste geleerden en officieren die den tocht medemaakten.
Zeven en dertig jaren later was Livingstone van de Kaap de Goede Hoop tot den boven-Zambesi doorgedrongen. In de maand November 1853, reisde hij met een ongehoorde stoutmoedigheid, Afrika van het zuiden naar het noordoosten door, stak den Coango, een der zijtakken van den Congo over, en kwam den 31n Mei 1854 te St.-Paul de Loanda aan. Het was de eerste doortocht door de onbekende groote Portugeesche kolonie.
Achttien jaren later zouden twee stoutmoedige ontdekkers Afrika van het oosten naar het westen doorreizen en ten koste van ontzettende moeilijkheden, de een ten zuiden, de andere ten noorden van Angola weder uitkomen.
De eerste dezer reizigers was de luitenant der Engelsche marine Verny-Howet Cameron. In 1872 had men alle reden om te meenen dat het met den tocht van den Amerikaan Stanley, die ter opsporing van Livingstone naar de landstreek om de groote meren was uitgezonden, zeer hachelijk gesteld was. Luitenant Cameron bood aan hem op te zoeken. Het aanbod werd aangenomen. Cameron, vergezeld van dokter Dillon, den luitent Cecil Murphy en Robert Moffat, neef van Livingstone, vertrok van Zanzibar. Na den Ougogo te zijn overgetrokken, ontmoette hij het lijk van Livingstone, dat door zijn getrouwe bedienden naar de oostkust gevoerd werd. Daarna zette hij zijn tocht naar het westen voort, met den onwrikbaren wil, van de eene kust naar de andere te trekken. Hij doorreisde Ounyanyembé, Ougoenda, Kahouélé waar hij de papieren van den grooten reiziger verzamelde, stak het Tanganyika-meer, de bergen van Bambarré, den Loualaba over, dien hij niet kon afzakken en na al deze provincies, die door den oorlog verwoest, door den slavenhandel ontvolkt waren, verder Kilemmba, Ouroua, de bronnen van den Lomané, Oulouda, Lovalé bezocht te hebben, na Coanza en de onmetelijke bosschen doorkruist te hebben, waarin Harris Dick Sand en diens reisgenooten had doen verdwalen, zag de onvermoeide Cameron eindelijk den Atlantischen oceaan vóór zich en kwam te St.-Phillippe de Benguela aan. Deze reis van drie jaar en vier maanden had het leven gekost aan twee zijner reisgenooten, dokter Dillon en Robert Moffat.
Bijna onmiddellijk daarop zou de Engelschman Cameron in deze reeks van ontdekkingen opgevolgd worden door den Amerikaan Henry Moroland Stanley. Men weet dat deze stoutmoedige korrespondent van den New-York Herald, uitgezonden om Livingstone op te sporen, hem den 30n October 1971 te Oujiji aan de oevers van het Tanganyika-meer gevonden had. Maar hetgeen Stanley uit een oogpunt van menschelijkheid zoo gelukkig volbracht had, wilde hij in het belang der geografische wetenschap opnieuw beginnen.
Zijn doel was toen de algeheele verkenning van den Loualaba-stroom dien hij slechts even gezien had. Cameron bevond zich nog in de provinciën van midden-Afrika, toen Stanley, in November 1874, Bagamoyo op de oostkust verliet, en een-en-twintig maanden later, den 24n Augustus 1876, uit Oujiji door de pokken ontvolkt, vertrok, in vier-en-zeventig dagen den overtocht van het meer te Nyangwé volbracht, een groote slavenmarkt, die reeds door Livingstone en Cameron bezocht was, en de vreeselijkste tooneelen bijwoonde op de strooptochten, ondernomen door de officieren van den Sultan van Zanzibar, in de landen der Maroungous en Marryouemas.
Stanley nam toen de noodige maatregelen om den loop van den Loualaba te verkennen en dezen stroom tot aan zijn monding af te zakken. Honderd veertig lastdragers, te Nyangwé gehuurd, en negentien booten vormden het materieel en personeel van zijn tocht. In het begin reeds moest hij de menscheneters van Oegousoe bestrijden en zich al dadelijk bezighouden met het overdragen der booten, teneinde onbevaarbare watervallen om te gaan. Onder den evenaar, op het punt waar de Loualaba zich naar het noord-oosten kromt, werd de kleine vloot van Stanley aangevallen door vier-en-vijftig booten, bemand met verscheidene honderden inboorlingen, die op de vlucht werden gedreven. Daarna bevestigde de moedige Amerikaan, die tot den tweeden graad N.B. de rivier weder opvoer, dat de Loualâba niet anders was dan de Boven-Zaïre of Congo en dat hij, door den loop dezer rivier te volgen, rechtstreeks naar de zee zou afzakken. Dit ondernam hij onder een bijna dagelijksch gevecht tegen de stammen aan de oevers. Den 3n Juni 1877, bij den overtocht der watervallen van Massassa, verloor hij een zijner reisgenooten, Francis Prook, en hij zelf werd den 18n Juli met zijn boot in de watervallen van M’bélo medegesleept en ontsnapte als door een wonder aan den dood.
Intusschen was, niettegenstaande deze twee reizen, die van Stanley en van Cameron, de provincie van Angola nagenoeg onbekend gebleven in het jaar 1873, het tijdperk waarop de Pelgrim op de kust van Afrika gestrand was. Het eenige wat men er van wist, was, dat zij het tooneel van den slavenhandel in het westen was, dank zij haar belangrijke markten van Bihé, Cassange en Kazondé.
En in dit land was het, dat Dick Sand tot op meer dan honderd mijlen van de kuststreek was medegevoerd, met eene vrouw, uitgeput door vermoeienis en smart, een bijna stervend kind en reisgenooten, die als geboren negers een gereede prooi waren voor de roofzucht der slavenhandelaars.
Ja, het was Afrika en niet dat Amerika waar noch de inboorlingen, noch de wilde dieren, noch het klimaat wezenlijk geducht zijn. Het was niet de gelukkige en welvarende streek tusschen de Cordilleras en de kust waar talrijke dorpen worden aangetroffen en de vestingen der zendelingen gastvrij voor iederen reiziger openstaan. Helaas! zij waren veraf, de provincies van Peru en Bolivia waar de storm de Pelgrim ongetwijfeld zou gebracht hebben, indien een misdadige hand hem niet van zijn weg had doen afwijken en waar voor schipbreukelingen zoovele gemakkelijke gelegenheden bestonden om naar hun vaderland terug te keeren!
Het was het vreeselijke Angola en niet het gedeelte van de kust dat rechtstreeks door de Portugeesche overheid bewaakt werd, maar het middelpunt der kolonie die doorkruist werd door de slavenkaravanen onder de zweep der havildars.
Wat wist Dick Sand van het land waar het verraad hem geworpen had? Niet veel. Alleen maar wat de zendelingen der XVIe en XVIIe eeuw en de Portugeesche kooplieden, die den weg volgen van St.-Paul de Loanda naar den Zaïre over San-Salvador, er van gezegd hadden en wat dokter Livingstone er van verhaald had ten tijde van zijn reis van 1853, en dat was voldoende om een minder sterke ziel dan de zijne geheel uit het veld te slaan.
En werkelijk was de toestand verschrikkelijk.