Een walvisch in ’t gezicht.
Reading edition
Wat wonder dat dit zonderling voorval meermalen het onderwerp uitmaakte van de gesprekken, die op het halfdek van den Pelgrim tusschen Mevr. Weldon, kapitein Hull en den jeugdigen leerling gehouden werden. Deze laatste vooral voelde een instinctmatig wantrouwen jegens Negoro, wiens gedrag evenwel niet de minste berisping verdiende.
Ook in het vooruit sprak men er over, maar men maakte daar niet dezelfde gevolgtrekkingen. Daar, in het matrozenverblijf, ging Dingo eenvoudig door voor een hond, die kon lezen en misschien zelfs beter schrijven dan één matroos aan boord. Zoo hij niet sprak, dan had hij daar waarschijnlijk goede redenen voor.
“Maar eens,” zei de roerganger Bolton, “eens zal die hond ons komen vragen, wat we voorleggen als de wind N.W. t. W. ½ W. is en dan zullen we hem moeten antwoorden!”
“Er zijn dieren die spreken!” hernam een ander matroos, “zooals eksters en papegaaien! Waarom zou een hond het ook niet kunnen, al hij er lust toe heeft? ’t Is moeielijker met een snavel te spreken dan met een mond!”
“Zonder twijfel,” antwoordde bootsman Howik. “Maar dat is nog nooit gebeurd.”
Wat zouden die goede menschen verbaasd gestaan hebben, als men hun verteld had, dat zoo iets wel degelijk gebeurd was, en dat een zeker Deensch geleerde een hond bezat, die duidelijk een twintigtal woorden uitsprak. Doch tusschen dat en ’t geen dit dier begreep van wat hij zei, was een ontzaglijk verschil. Blijkbaar hechtte de hond, wiens stemspleet op die wijze georganiseerd was, dat geregelde tonen konden voortgebracht worden, niet meer beteekenis aan zijn woorden dan de papegaaien, de meerkollen of de eksters aan de hunne. De spreekwijze bij deze dieren is niets anders dan een soort van gezang of van gesproken kreten, die ontleend zijn aan een vreemde taal, waarvan men de beteekenis niet zou begrijpen.
Hoe het zij, Dingo was de held aan boord geworden,—waarop hij zich evenwel geenszins liet voorstaan. Meermalen hernieuwde kapitein Hull de proef. De blokjes hout van het alphabet werden telkens opnieuw voor Dingo geplaatst, en steeds zonder te dwalen, zonder te aarzelen, werden de twee letters S. en V. onder alle door het zonderlinge dier uitgekozen, terwijl de andere nooit zijn aandacht trokken.
Wat neef Benedictus aangaat, deze proef werd dikwijls voor hem herhaald, zonder dat zij hem belang scheen in te boezemen.
“Evenwel,” verwaardigde hij zich eens te zeggen, “moet men niet aannemen dat de honden alleen het voorrecht hebben op die wijze met oordeel begaafd te zijn! Andere dieren evenaren ze, alleen door hun instinkt te volgen. Zoo bijv. de ratten die het schip verlaten dat bestemd is om in zee te zinken; de bevers die het wassen van het water vooruit kunnen zien en hunne dijken dienovereenkomstig verhoogen; de paarden van Nicomedes, van Scanderberg en van Oppius, wier smart zoo bitter was, dat zij stierven bij den dood hunner meesters; de ezels, zoo merkwaardig door hun geheugen, en zoovele andere beesten eindelijk die den roem van het dierenrijk geweest zijn! Wie heeft niet gehoord van die verwonderlijk afgerichte vogels, die zonder fouten woorden schrijven door hunne meesters gedicteerd, van kaketoe’s die zeer nauwkeurig het aantal personen in een salon weten te tellen! Is er geen papegaai geweest die met honderd gouden kronen betaald werd en zonder zich een enkel woord te vergissen den kardinaal, zijn meester, de Geloofsbelijdenis der apostelen opzei? En moet eindelijk de rechtmatige hoogmoed van een entomoloog niet ten top stijgen, als hij eenvoudige insecten de bewijzen ziet geven eener buitengewone bevatting en welsprekendheid het axioma bevestigen:
In minimis maximus Deus:
Inweerwil van deze en andere redeneeringen van den afgunstigen entomoloog, verloor Dingo niets van de algemeene achting en bleef hij in de gesprekken van de voorplecht behandeld worden als een bijzonder verschijnsel.
Nochtans is het meer dan waarschijnlijk dat Negoro de ingenomenheid met het dier van allen aan boord niet deelde. Misschien vond hij hem te schrander. Wat hier van zij, de hond toonde altijd dezelfde vijandschap tegen den kok en ongetwijfeld zou hij er niet best afgekomen zijn, zoo hij van den eenen kant geen hond geweest was die van zich af kon bijten en van den anderen kant niet beschermd werd door de sympathie van de geheele equipage.
Negoro vermeed dus meer dan ooit zich in tegenwoordigheid van Dingo te bevinden. Maar Dick Sand had meenen op te merken dat, sedert het voorval der twee letters, de wederkeerige tegenzin van den mensch en den hond was toegenomen. Dat was werkelijk onverklaarbaar.
Den 10n Februari begon de wind uit het noord-oosten merkbaar af te nemen; reeds was deze gevolgd op die langdurige en verdrietige windstilten, gedurende welke de Pelgrim bijna stillag. Kapitein Hull mocht dus hopen dat er zich weldra een verandering in de richting der luchtstroomen zou voordoen. Eindelijk zou de schoener-brik dan misschien voor den wind gaan loopen. Slechts negentien dagen geleden hadden zij de haven van Auckland verlaten. De vertraging was vooralsnog niet zeer belangrijk en met den wind dwars zou de Pelgrim, met behulp zijner zeilen, den verloren tijd gemakkelijk inhalen. Doch er zouden nog wel eenige dagen verloopen, voor er een bestendige bries uit het westen ging waaien.
Dit gedeelte van de Stille-Zuidzee was altijd vrij eenzaam. Bijna geen enkel vaartuig vertoonde zich in deze streken. Het was een breedte die slechts hoogst zelden door de zeevaarders bezocht werd. De walvischvaarders der Zuidelijke zeeën overschreden den keerkring nog niet. Men kon dus op den Pelgrim, die door bijzondere omstandigheden gedwongen was geweest vóór den afloop der kampanjes de plaatsen waar gewoonlijk gevischt werd te verlaten, niet verwachten een schip dat dezelfde bestemming had te ontmoeten.
Wat de transatlantische pakketbooten betreft, wij hebben reeds gezegd dat zij bij haar tochten tusschen Australië en het vasteland van Amerika niet zulk een noordelijken parallel volgden.
Doch, omdat de zee verlaten is, moet men niet verzuimen haar tot de uiterste grenzen van den horizon gade te slaan. Zij moge voor onachtzame geesten eentonig schijnen, voor hem die haar kent en begrijpt, is er een oneindige afwisseling in haar op te merken. Haar ondoorgrondelijkste veranderingen bekoren de verbeelding van hen die de poëzie van den oceaan begrijpen. Een zeeplantje dat met den golfslag op en neer gaat, een boschje zeekroos dat slechts een lichte rimpeling op de oppervlakte der golven voortbrengt, een eindje plank welker geschiedenis men zou willen raden, meer is er niet noodig om aan die verbeelding den teugel te vieren. Voor deze oneindigheid wordt de geest door niets belemmerd. Onze voorstellingen hebben vrij spel. Elk van die moleculen water die de verdamping voortdurend tusschen de zee en den hemel doet afwisselen, bevat misschien het geheim van de een of andere vreeselijke ramp! Ook moet men ze benijden, hen wier diepste gedachten de verborgenheden van den Oceaan weten uit te vorschen, die geesten die zich van zijn beweeglijke oppervlakte verheffen tot de hoogten des hemels.
En overal vertoont zich het leven, zoowel boven de oppervlakte der zee als onder haar. De passagiers van den Pelgrim konden troepen vogels zien, die driftig jacht maakten op de kleinste vischjes; het waren landverhuizers die voor den winter het ruw klimaat der poolstreken verlaten. En meer dan eens gaf Dick Sand, ook hierin, als in zoovele andere zaken, den leerling van den heer Weldon, de bewijzen zijner verwonderlijke behendigheid met het geweer of pistool, door eenige van die vlugge luchtbewoners neer te vellen.
Nu eens waren het witte, dan weder andere stormvogels wier vleugels omzoomd waren met een bruin randje. Somwijlen ook trokken troepen duiven voorbij of eenige van die vetganzen welker gang op het land zoo zwaar en zoo belachelijk is. Evenwel kunnen deze vetganzen, zooals kapitein Hull deed opmerken, door zich van hare stompen als vinnen te bedienen, de vlugste visschen tarten, in die mate zelfs, dat zij somtijds met springvisschen zijn verward geworden.
Hooger doorkliefden reusachtige albatrossen de lucht met groote vleugelslagen en zetten zich vervolgens op de oppervlakte der zee neder, die zij met hun bek doorwoelden om er hun voedsel te zoeken.
Al die tooneelen leverden een afwisselend schouwspel op, dat alleen door hen wier geest gesloten is voor de schoonheden der natuur, eentonig zou gevonden worden.
Dienzelfden dag wandelde Mevr. Weldon op het achterdek van den Pelgrim, toen een vrij zonderling verschijnsel haar aandacht trok. Bijna plotseling was de zee roodachtig geworden. Men zou gezegd hebben dat zij met bloed was gekleurd, en deze onverklaarbare tint strekte zich zoo ver uit als de oogen konden zien.
Op dat oogenblik bevond Dick Sand zich met kleinen Jack bij Mevr. Weldon.
“Zie je, Dick,” zei zij tot den leerling, “daar die vreemde kleur van het water? Zou dat zijn door de een of andere zeeplant?”
“Neen, mevrouw,” antwoordde Dick, “die kleur wordt voortgebracht door millioenen kleine schaaldiertjes, waarmede de groote zoogdieren zich gewoonlijk voeden. De visschers noemen dat met recht ‘walvisch-eten’”.
“Schaaldiertjes!” zei Mevr. Weldon. “Maar ze zijn zoo klein dat men ze bijna zeeinsecten zou kunnen noemen. Neef Benedictus zou er misschien gaarne zijn verzameling mee willen verrijken!”
“Neef Benedict!” riep zij toen.
Neef Benedictus kwam toen uit zijn hut te voorschijn, bijna gelijktijdig met den kapitein.
“Neef Benedictus,” zei Mevr. Weldon, “zie toch eens die onmetelijke roodachtige bank, die zich uitstrekt zoover het oog reikt.”
“He!” zei kapitein Hull, “dat is walvisch-eten! Mijnheer Benedict, ziedaar een schoone gelegenheid om die vreemde soort van schaaldieren te bestudeeren!”
”’t Zou wat!” zei de entomoloog.
”’t Zou wat!” zei nogmaals neef Benedictus, het hoofd schuddende.
“Hoor eens! ’k Vind u vrij onverschillig voor een entomoloog!”
“Entomoloog, goed,” antwoordde neef Benedictus, “maar meer bijzonder hexapodist, kapitein, onthoud het goed!”
“Hoe het zij,” antwoordde de kapitein, “dat u geen belang in die schaaldieren stelt, mij wel, maar ’t zou heel wat anders wezen, als u een walvisschenmaag hadt. Wat een smulpartij, in dat geval! want weet u, mevrouw Weldon, als wij, walvischvaarders, gedurende het vischseizoen in ’t gezicht komen van een bank van die schaaldieren, dan worden onmiddellijk de harpoenen en de lijnen in orde gebracht! Wij zijn dan zeker dat het wild niet ver af is!”
“Is ’t mogelijk dat zulke kleine diertjes zulke groote kunnen voeden?” riep Jack uit.
“Wel, mijn jongen,” antwoordde kapitein Hull, “geven ons de microscopisch fijne meelkorreltjes geen goede soepen? Ja, en de natuur heeft het zoo gewild. Wanneer een walvisch zich te midden van dat roode water beweegt, is zijn soep gereed en heeft hij niets meer te doen dan zijn onmetelijken bek te openen, waarin dadelijk millioenen schaaldiertjes worden opgenomen, terwijl de talrijke baarden, waarmede het verhemelte van het dier voorzien is, zich uitspreiden als de netten van een visscher; niets kan er dan meer uit en een geweldige massa schaaldiertjes verzinkt in de enorme maag van den walvisch, als de soep van uw diner in de uwe.”
“Je begrijpt licht, Jack,” merkte Dick Sand op, “dat mijnheer de walvisch zijn tijd niet verliest met een voor een die schaaldiertjes te pellen, zooals gij garnalen pelt!”
”’k Moet er nog bijvoegen,” zei kapitein Hull, “dat juist op het oogenblik als de ontzaglijke gulzigaard op die manier bezig is, ’t gemakkelijkste is hem te naderen zonder zijn wantrouwen te wekken. Dat is dus juist het geschiktste oogenblik om hem met eenig succes te harpoeneeren.”
Op dit oogenblik, en als om kapitein Hull gelijk te geven, deed zich de stem van den matroos op den uitkijk hooren: “Een walvisch aan bakboordszij vooruit!”
Kapitein Hull had zich opgericht.
“Een walvisch!” riep hij uit.
En door zijn visschersinstinct aangevuurd, snelde hij naar den bak.
Mevr. Weldon, Jack, Dick Sand en zelfs neef Benedictus volgden hem terstond.
En werkelijk gaf op vier mijlen onder lij, een zekere borreling te kennen dat een groot dier zich te midden der roode golven bewoog. Vooral walvischvaarders konden er zich niet in vergissen.
Maar de afstand was nog te groot om de soort te kunnen onderscheiden, waartoe dit dier behoorde. Deze soorten zijn inderdaad zeer van elkander verschillend.
Was het een van die echte walvisschen die bij voorkeur door de visschers van de noordpool-zeeën opgezocht worden? Die walvisschen, bij wie de rugvin ontbreekt, maar wier huid eene dikke laag spek bedekt, kunnen een lengte van vier-en-tachtig voet bereiken, hoewel de gemiddelde lengte geen zestig bedraagt, en in dit geval verschaft een enkele van die monsters tot honderd vaten traan.
Was het integendeel een “humpback”, die tot de soort der baleinoptera behoort,—een woord waarvan de eindlettergreep hem althans de gunst van den entomoloog had moeten doen verwerven? Zij zijn het die rugvinnen bezitten, wit van kleur en zoo lang als de halve lengte des lichaams, die als een paar vleugels uitzien en hem daardoor wel eenigszins op een vliegenden walvisch doen gelijken.
Had men niet waarschijnlijker een “vinvisch” in ’t gezicht, een zoogdier ook bekend onder den naam van “snavelwalvisch”, die voorzien is van een rugvin en welks lengte die van den echten walvisch kan evenaren?
Kapitein Hull en zijn bemanning konden nog geen uitspraak doen, maar zij beschouwden het dier nog met meer begeerte dan wel bewondering.
Zoo het waar is dat een horlogemaker geen pendule kan zien zonder de onweerstaanbare behoefte te gevoelen haar op te winden, hoeveel meer moet dan niet de walvischvaarder op het gezicht van een walvisch door een dringende begeerte bezield zijn er zich meester van te maken! De jagers op grof wild zijn, zegt men, vuriger dan die op klein wild. Hoe grooter het dier is, des te meer wekt het de begeerlijkheid op! Wat moeten dan niet de jagers op olifanten en de visschers op walvisschen gevoelen! En dan bestond ook nog de teleurstelling der geheele equipage van den Pelgrim om met eene halve lading thuis te varen!...
Intusschen trachtte kapitein Hull het dier dat gesignaleerd was, te onderscheiden. Het was op dien afstand niet zichtbaar. Evenwel kon het geoefend oog van een walvischvaarder zich niet bedriegen in zekere bijzonderheden die gemakkelijk van verre te ontdekken waren.
Werkelijk moest de straal, namelijk de kolom van damp en water die de walvisch door zijne neusgaten in de hoogte spuit, de aandacht wekken van kapitein Hull en hem de soort doen bepalen waartoe deze walvisch behoorde.
“Dat is geen echte walvisch!” riep hij uit. “Zijn straal zou hooger zijn en een kleiner volumen hebben. Zoo van den anderen kant het geraas dat de straal maakt vergeleken kon worden met het verwijderd geluid van een stuk geschut, zou ik geneigd zijn te gelooven dat deze walvisch tot de soort der ‘humpbacks’ behoort; maar daar is niets van aan en wanneer men goed hoort, dan kan men zich overtuigen dat dit geluid van gansch anderen aard is.”
“Hoe denkt gij daarover, Dick?” vroeg kapitein Hull den leerling.
“Mij dunkt, kapitein, dat we hier te doen hebben met een vinvisch. Zie eens, met welk een geweld hij dien waterstraal in de lucht spuit. Komt het u ook niet voor,—’t geen mijne meening zou bevestigen,—dat die straal meer water dan verdichte lucht bevat? En dat is immers een eigenaardige bijzonderheid van den vinvisch?”
“Je hebt gelijk, Dick,” antwoordde kapitein Hull. “Er is geen twijfel meer mogelijk! ’t Is een vinvisch die aan de oppervlakte van die roode golven drijft.”
“Wat is dat een prachtig gezicht!” riep Jack uit.
“Ja, mijn jongen! En wanneer men dan bedenkt dat het groote dier daar aan zijn ontbijt is en volstrekt niet vermoedt dat walvischvaarders naar hem kijken!”
”’k Zou durven verzekeren, dat het een groote vinvisch is,” merkte Dick Sand aan.
“Ongetwijfeld,” antwoordde kapitein Hull, die zich allengs begon op te winden, “ik schat hem ten minste op zeventig voet lengte!”
“Ja, ja!” voegde de bootsman er bij. “Een half dozijntje walvisschen van die grootte en een schip als het onze zou genoeg hebben!”
“Je hebt gelijk!” antwoordde kapitein Hull, die op de boegspriet klom om beter te kunnen zien.
“En als we dezen hadden,” voegde de bootsman er bij, “zouden we in weinige uren de helft der twee honderd vaten traan kunnen inschepen, die ons nog ontbreken.”
“Ja! inderdaad.... ja!....” mompelde kapitein Hull.
“Dat is waar,” hernam Dick Sand, “maar ’t is geen gemakkelijke taak, somtijds, die geweldige vinvisschen aan te vallen!”
“Niet gemakkelijk, niet gemakkelijk!” antwoordde kapitein Hull. “Ze hebben geduchte staarten, die men niet te dicht moet naderen! De sterkste sloep zou aan een goed gerichten slag geen weerstand bieden. Maar het voordeel beloont de moeite!”
“Nu!” zei een der matrozen, “een prachtige vinvisch is toch ook een prachtige vangst!”
“En winstgevend!” antwoordde een ander.
”’t Zou jammer zijn dezen in ’t voorbijgaan niet even te groeten!”
Het was duidelijk dat de brave zeelieden op het gezicht van den walvisch hoe langer hoe meer bezield werden met den wensch hem te vangen. Een gansche lading traan maar voor het grijpen? Er bleef volgens hen niets anders meer te doen dan de vaten in het ruim van den Pelgrim te stuwen om de lading er van aan te vullen!
Eenige matrozen die in het want van den fokkemast geklommen waren, deden kreten van begeerlijkheid hooren. Kapitein Hull sprak niet en stond op zijn nagels te bijten. Het was alsof een onweerstaanbare magneet den Pelgrim en zijn geheele equipage aantrok.
“Mama, mama!” hoorde men kleine Jack roepen, “’k zou zoo graag den walvisch hebben om te zien hoe hij er uit ziet!”
“Zoo, zoo, zou je dien walvisch willen hebben, mijn jongen? Wel! waarom niet, vrienden!” antwoordde kapitein Hull, die eindelijk aan zijn geheime begeerte toegaf. “De hulpvisschers ontbreken ons wel, dat is waar, maar wij alleen....”
“Ja, ja!” riepen de matrozen als uit één mond. “’t Zou de eerste keer niet zijn dat ik als harpoenier fungeer,” voegde kapitein Hull er bij, “en dan zult ge kunnen oordeelen of ik den harpoen nog kan werpen!”
“Hoera! hoera! hoera!” was het antwoord der bemanning.