← Table of contents
Een Kapitein van Vijftien Jaar

S.V.

Reading edition

Intusschen had de Pelgrim zijn reis hervat en getracht zooveel mogelijk oost te houden. Die betreurenswaardige aanhoudende windstilten gaven kapitein Hull vrij veel zorg, niet omdat hij zich ongerust maakte over een paar weken vertraging op een reis van Nieuw-Zeeland naar Valparaiso, maar wegens de groote vermoeienis die deze vertraging voor zijn passagiers zou hebben.

Evenwel beklaagde Mevr. Weldon zich niet en verdroeg het onaangename van haren toestand zeer geduldig.

Dien zelfden dag, den 2n Februari, ’s avonds, geraakte het wrak uit het gezicht.

Kapitein Hull zorgde in de eerste plaats om Tom en zijn makkers zoo goed mogelijk te logeeren. Het verblijf van de bemanning dat uit een hut op het dek bestond, zou te klein geweest zijn om ze te bevatten. Men nam dus de noodige schikkingen om hun een verblijf onder den bak te bezorgen. Trouwens waren deze brave menschen, aan harden arbeid gewoon, met weinig tevreden en met het schoone, warme en heilzame weder zou dit verblijf hun gedurende den geheelen overtocht ook voldoende zijn.

Het leven aan boord dat door dit voorval een oogenblik uit zijn eentonigheid gewekt was, hernam zijn gewonen loop.

Tom, Austin, Bat, Actéon, Hercules zouden gaarne de handen uit de mouw gestoken en zich verdienstelijk gemaakt hebben, maar met de vaste winden, was er, nadat de zeilen eenmaal gesteld waren, niets te doen. Wanneer men evenwel moest wenden, dan beijverden zich de oude neger en zijn kameraden om de equipage bij te staan en dat is zeker dat, als de kolossale Hercules een handje meehielp, men ’t goed kon merken. Die krachtige neger, zes voet lang, verrichtte alleen het werk van den takel!

Wat was het een pret voor den kleinen Jack, als hij den reus in ’t gezicht kreeg! Hij was volstrekt niet bang voor hem en als Hercules hem in zijn armen deed opspringen alsof hij slechts een kleine jongen van kurk geweest was, dan waren het vreugdekreten die geen einde namen.

“Licht me eens zoo hoog als je kunt,” zei kleine Jack.

“Daar, mijnheer Jack,” antwoordde Hercules.

“Ben ik niet zwaar?”

”’k Voel je niet eens.”

“Toe dan nog hooger! Zoo hoog als je arm reikt!”

Hercules hield dan de kleine voeten van het kind in zijn groote hand en liep met hem in de rondte als een kunstenmaker in een circus. Jack was dan in eens groot, heel groot geworden, wat hem ontzaglijk veel pleizier deed. Zelfs deed hij zijn best om zich zoo zwaar mogelijk te houden, hetgeen de reus niet eens opmerkte.

Dick Sand en Hercules waren dus twee vrienden van den kleinen Jack. Weldra maakte hij zich een derden vriend.

Dit was Dingo.

Wij zeiden reeds dat Dingo geen zeer gezellige hond was. Dat kwam misschien ook veel omdat het gezelschap aan boord van de Waldeck hem niet bijzonder beviel. Met dat van den Pelgrim was het een heel andere zaak. Jack wist waarschijnlijk het hart van het schoone dier te treffen. Dit kreeg al spoedig pleizier om met den kleinen jongen te spelen, wien dit spelen zeer beviel. Men zag gauw dat Dingo een van die honden was die veel van kinderen houden. Nu deed Jack het dier nooit kwaad. Zijn grootste plezier was om Dingo de rol van een vluggen harddraver te laten spelen, en wij mogen vrij aannemen dat een harddraver dezer soort te verkiezen is boven een viervoetig dier van bordpapier, al heeft dit rolletjes onder de pooten. Jack galoppeerde dus, op den rug van den hond gezeten, die het gaarne toeliet en inderdaad woog Jack voor hem niet meer dan de helft van een jockey voor een renpaard.

Maar wat een bres elken dag in den voorraad suiker der kombuis!

Dingo werd weldra de lieveling van de geheele bemanning. Negoro alleen bleef elke ontmoeting met het dier vermijden, welks antipathie tegen hem even onverklaarbaar bleef.

Daarom had kleine Jack om Dingo zijn vriend van vroeger, Dick Sand, niet verzuimd. Al den tijd buiten zijn diensten aan boord, bracht de kweekeling met den kleinen jongen door.

Dat Mevr. Weldon die vertrouwelijkheid zeer gaarne zag, kan men zich licht voorstellen.

Eens, den 6n Februari, sprak zij over Dick Sand met kapitein Hull, die den jongen zeer prees.

“Die jongen,” zei hij tot mevr. Weldon, “zal eens een flink zeeman zijn, dat verzeker ik u! Hij heeft wezenlijk het instinct van de zee, en door dat instinct vult hij aan wat hem natuurlijk nog ontbreekt aan de theoretische zaken van het vak. Wat hij reeds weet is verwonderlijk, als men bedenkt hoe weinig tijd hij gehad heeft om het te leeren.”

“U moogt er nog wel bijvoegen,” antwoordde Mevr. Weldon, “dat het ook een beste jongen is, die, zoolang we hem nu kennen, geen berisping verdiend heeft.”

“Ja, ja, ’t is een goede jongen,” hernam kapitein Hull, “met recht bemind en geacht door iedereen.”

“Als deze kampanje geëindigd is,” zei Mevr. Weldon, “weet ik dat mijn man van plan is hem les in de hydrographie te laten nemen, om hem later een brevet van kapitein te doen verkrijgen.”

“Mijnheer Weldon heeft gelijk,” antwoordde kapitein Hull. “Dick Sand zal eens de Amerikaansche marine eer aandoen.”

“Die arme wees is het leven treurig begonnen!” merkte Mevr. Weldon op. “Hij is in een harde leerschool geweest!”

“Ongetwijfeld, mevrouw Weldon, maar die lessen zijn voor hem niet verloren gegaan. Hij heeft begrepen dat hij zich zelven moet helpen in deze wereld en hij is op het rechte pad.”

“Waarvan hij niet zal afwijken.”

“Zie eens, mevrouw,” hernam kapitein Hull, “hoe de jongen daar aan het roer staat, het oog op den fokkehals gevestigd. Geen verstrooidheid van den jongen, dus ook geen gieren van het schip! Dick Sand heeft nu reeds de vastheid van een ouden roerganger! Een goed begin voor een zeeman! Ons vak, mevrouw, moet reeds als kind geleerd worden. Wie geen scheepsjongen is geweest, zal nooit een volleerd zeeman worden, althans bij de koopvaardij. Alles moet geleerd worden, en, bijgevolg moet alles instinctmatig en te gelijk beredeneerd bij den zeeman gaan,—het nemen van een besluit zoowel als het uitvoeren van een manoeuvre.

“En toch, kapitein Hull,” antwoordde Mevr. Weldon, “zijn er ook in de oorlogsmarine goede officieren in menigte.”

“Ja,” antwoordde kapitein Hull, “maar de besten zijn bijna allen als kind bij het vak gekomen, en, om van Nelson en eenige anderen niet te spreken, zijn de slechtsten niet zij die als scheepsjongens begonnen zijn.”

Op dit oogenblik zag men neef Benedictus voor den dag komen, altijd in zich zelven gekeerd en evenmin met zijn gedachten op deze wereld als de profeet Elias het zal zijn als hij eenmaal op de aarde terugkomt.

Neef Benedictus liep op en neer op het dek als een ziel in nood, terwijl hij de reten in de verschansing doorsnuffelde, onder de kippenhokken keek en zijn hand tusschen de naden van het dek stak op plaatsen waar het pek verdwenen was.

“Wel, neef Benedict,” vroeg Mevr. Weldon, “blijf je altijd wel?”

“Ja.... nicht Weldon.... ’k ben wel gezond.... maar ’k verlang zeer aan land te komen.”

“Wat zoekt u toch onder die bank, mijnheer Benedict?” vroeg kapitein Hull.

“Insecten, mijnheer!” hernam neef Benedictus. “Wat wil je dat ’k anders zoek dan insecten?”

“Insecten! U zult het u moeten getroosten dat u op zee uw verzameling niet verrijken zult!”

“En waarom niet, mijnheer? ’t Is immers niet onmogelijk aan boord een of ander soort van....”

“Neef Benedict,” zei Mevr. Weldon, “geef kapitein Hull gerust de schuld! Zijn schip wordt zoo zindelijk gehouden, dat je platzak van je jacht zult terugkomen!”

Kapitein Hull begon te lachen.

“Mevrouw Weldon overdrijft,” antwoordde hij. “Maar toch geloof ik, mijnheer Benedict, dat u je tijd met snuffelen in onze kooien verliezen zoudt.”

”’k Weet het!” riep neef Benedictus uit, de schouders ophalend, “’k Mag doen wat ik wil!....”

“Maar in ’t ruim van den Pelgrim,” hernam kapitein Hull, “zult u misschien eenige kakkerlakken vinden, die evenwel niet veel bijzonders als insecten opleveren.”

“Niet veel bijzonders, die nachtelijke, zesvleugelige insecten die zich de verwenschingen van Virgilius en Horatius op den hals gehaaid hebben!” hernam neef Benedictus, zich daarbij in zijn geheele lengte oprichtend. “Niet veel bijzonders, die naaste bloedverwanten van de ‘periplaneta orientalis’ en van den Amerikaanschen kakkerlak, die de schepen bewonen....”

“Verpesten....” zei kapitein Hull.

“Aan boord regeeren....” hernam neef Benedictus fier.

“Een liefelijke regeering!....”

“Is u geen entomoloog, mijnheer?”

“Neen, gelukkig!”

“Kom, neef Benedict,” zei Mevr. Weldon glimlachend, “verlang nu niet dat we uit liefde voor de wetenschap verslonden worden!”

”’k Wensch niets anders, nicht Weldon,” antwoordde de driftige entomoloog, “dan mijn verzameling met het een of ander zeldzaam exemplaar te verrijken!”

“Ben je dan niet tevreden met je aanwinst op Nieuw-Zeeland?”

“Wel zeker, nicht Weldon, ’k Ben zoo gelukkig geweest een van die nieuwe staphylini machtig te worden, die tot nog toe slechts eenige honderden mijlen verder, in Nieuw-Caledonië, gevonden werden.”

Op dit oogenblik kwam Dingo, die met Jack speelde, al springende, wat dicht bij neef Benedictus.

“Voort! voort!” zei deze, het dier wegduwende.

“Veel ophebben met kakkerlakken en een hekel hebben aan honden!” riep kapitein Hull uit. “Hoe is ’t mogelijk, mijnheer Benedict!”

“Een goede hond toch!” zei kleine Jack, die den grooten kop van Dingo in zijn handjes nam.

“Nu ja, ’k heb niets tegen den hond!...” antwoordde neef Benedictus. Maar dit zal ’k je zeggen. Dat drommelsche dier heeft de hoop teleurgesteld, die ’k bij zijn eerste ontmoeting had.”

“Maar, lieve Hemel!” riep Mevr. Weldon uit, “had je dan gehoopt hem te kunnen rangschikken in de orde der tweevleugeligen of in die der vliesvleugeligen?”

“Neen,” antwoordde neef Benedictus ernstig. “Maar is die Dingo, die van Nieuw-Zeelandsch ras is, niet gevonden op de westkust van Afrika?”

“Dat is ongetwijfeld zoo,” antwoordde Mevr. Weldon, “en Tom heeft het den kapitein van de Waldeck dikwijls hooren zeggen.”

“Welnu, ’k had gedacht.... ’k had gehoopt.... dat die hond misschien eenige vlooien van een bijzonder ras, eigenaardig aan de Afrikaansche fauna, zou hebben meegebracht....”

“Groote goedheid!” riep Mevr. Weldon uit.’

“En dat misschien....” ging neef Benedictus verder, “de een of andere culex penetrans of irritans.... van een nieuwe soort....”

“Hoor je, Dingo?” zei kapitein Hull. “Hoor je, mijn hond? je hebt volstrekt je plicht niet gedaan!”

“Maar ’k ben een uur bezig geweest met hem te vlooien....” voegde de entomoloog op spijtigen toon er bij, “’k heb geen enkel insect kunnen vinden.”

“En dat zoudt u toch zeker wel onmiddellijk en meedoogenloos ter dood gebracht hebben, hoop ik!” riep kapitein Hull uit.

“Mijnheer.” antwoordde neef Benedictus droogjes, “weet dat Sir John Franklin zich angstvallig wachtte het geringste insect te dooden, al was het een Amerikaansche muskiet, wier beten heel wat geduchter zijn dan die van de vloo, en toch zult u me toestemmen dat Sir John Franklin een zeeman was zooals er weinige gevonden worden!”

“Dat zal waar zijn!” zei kapitein Hull, even buigend.

“En eens, toen hij vreeselijk gehavend werd door een tweevleugelig insect, tot de orde der diptera behoorende, (muggen, muskieten, vliegen), blies hij het weg, zeggende: Ga heen! De wereld is groot genoeg voor u en voor mij!”

“Wel, wel!” zei kapitein Hull.

“Ja mijnheer!”

“Welnu, mijnheer Benedict,” hernam kapitein Hull, “een ander, lang voor Sir John Franklin, heeft dit al gezegd!”

“Een ander!”

“Ja en die andere is oom Tobias.”

“Een entomoloog?” vroeg neef Benedictus levendig.

“Neen! Oom Tobias van Sterne, en die waardige man heeft juist dezelfde woorden gesproken toen hij een muskiet liet vliegen die hem kwelde: ‘Ga, arme duivel,’ zei hij, ‘de wereld is groot genoeg om jou en mij te bevatten!’”

“Een braaf mensch die oom Tobias!” antwoordde neef Benedictus. “Is hij dood?”

“Dat geloof ik wel,” hernam kapitein Hull ernstig, “want hij heeft nooit bestaan.”

Allen lachten, terwijl zij neef Benedictus aankeken.

Onder dergelijke en vele andere gesprekken, die zoodra neef Benedictus er deel aan nam, altijd over een of ander punt der entomologische wetenschap liepen, vervlogen de lange uren dezer langdurige zeereis. Met een altijd schoone zee, maar met winden die de schoenerbrik verplichtten zoo dicht mogelijk bij den wind te houden. De Pelgrim kon bij de zwakke bries niet spoedig het oosten halen en meer dan ooit verlangde hij die streken te bereiken, waar de wind hem gunstiger zoude zijn.

Wij mogen vooral niet verzwijgen dat neef Benedictus getracht had den jeugdigen leerling in de verborgenheden der entomologie in te wijden. Maar Dick Sand had niet de minste neiging voor de beoefening dezer wetenschappen beloond. Uit gebrek aan beter, had de geleerde zich nu tot de negers gewend, die er niets van begrepen. Tom, Actéon, Bat en Austin waren zelfs de lessen ontloopen en de professor had zijn toevlucht genomen tot Hercules, die hem voorkwam wel eenigen aanleg te hebben voor natuurlijke historie.

De reusachtige neger leefde dus in de wereld der torren, vleeschetende dieren, jagers, kanonniers, doodgravers, aardkevers, sylfen, aardtorren, schallebijters, koorwormen, onze-Lieve-Vrouwen-beestjes, terwijl hij de gansche verzameling van neef Benedictus bestudeerde, niet zonder dat deze duizend angsten uitstond, als hij die teere voorwerpen zag tusschen de dikke vingers van Hercules, die zoo hard en sterk waren als een schroef. Maar de kolossale leerling hoorde zoo gedwee de lessen van den professor aan, dat het wel waard was iets te wagen.

Terwijl neef Benedictus zich op deze wijze bezighield, liet mevr. Weldon den kleinen Jack ook niet onledig. Ze leerde hem lezen en schrijven. Wat het rekenen betreft, was het zijn vriend Dick Sand die er hem de eerste beginselen van inprentte.

Op den leeftijd van vijf jaar, dus nog als klein kind, leert men misschien beter door praktische spelen dan door theoretische lessen, die natuurlijk altijd wat zwaar zijn.

Jack leerde lezen, niet in een A.B.C.-boek. maar door middel van beweegbare letters, die in ’t rood op vierkante stukjes hout gedrukt waren; hij vermaakte zich met deze op die wijze te rangschikken dat er woorden van gevormd werden. Somtijds nam Mevr. Weldon deze blokjes hout en stelde een woord samen; daarna rommelde zij ze door elkander en moest Jack ze dan weer in orde brengen.

De kleine jongen vond het zeer prettig op deze wijze lezen te leeren. Iederen dag besteedde hij eenige uren, nu eens in de kajuit dan op het dek, aan het rangschikken en weer in de war brengen van zijn alphabet.

Dit nu bracht op zekeren dag zulk een buitengewoon en onverwacht voorval teweeg, dat het hier eenigszins uitvoerig moet vermeld worden.

In den morgen van den 9n Februari hield Jack, in half liggende houding op het dek, zich wederom bezig met het vormen van een woord dat de oude Tom weder moest samenstellen, nadat de letters dooreen waren geschud. Tom hield de hand voor de oogen om niet valsch te spelen, zooals het hoort, want hij mocht niets zien en zag dan ook niets van ’t geen de kleine jongen deed.

Van deze verschillende letters, ten getale van een vijftig, waren eenige dezer vierkante blokjes met een cijfer voorzien, ’t geen diende om getallen even goed als woorden te vormen.

Deze blokjes waren op het dek gerangschikt, en de kleine Jack nam nu eens het eene, dan weer het andere om een woord te vormen—werkelijk een heele taak voor het kind.

Nu draaide Dingo sedert eenige oogenblikken om den jongen heen, toen hij plotseling bleef staan. Zijn oogen vestigden zich op een punt, zijn linkerpoot werd in de hoogte gelicht, zijn staart bewoog zich krampachtig. Daarna wierp hij zich eensklaps op een der blokjes, pakte het in zijn bek en legde het op eenige schreden van Jack op het dek neder.

Dit blokje had een hoofdletter,—de letter S.

“Dingo! Wat is dat! Dingo!” riep de kleine jongen, die eerst bang was dat zijn S. door den hond zou ingeslikt worden.

Maar Dingo kwam terug, pakte wederom een ander blokje en legde het naast het eerste neder.

Dit tweede blokje was de hoofdletter V.

Op het gezicht van deze V., uitte Jack een kreet.

Dadelijk kwamen Mevr. Weldon, de kapitein en de leerling, die op het dek wandelden, toeloopen. De kleine Jack vertelde hun toen wat er gebeurd was.

Dingo kende zijn letters! Dingo kon lezen! ’t Was zeker, want Jack had het gezien!

Dick Sand Wilde de twee blokjes opnemen, om ze aan zijn vriend Jack terug te geven, maar Dingo liet zijn tanden zien.

Evenwel gelukte het den leerling weder in het bezit van de twee blokjes te komen en hij voegde ze weer bij de anderen.

Doch opnieuw wierp Dingo zich op de twee zelfde letters en legde ze weer ter zijde. Dezen keer zette hij er zijn pooten op en scheen vast besloten ze te houden. Wat de andere letters van ’t alphabet aangaat, zij schenen voor hem niet te bestaan.

“Dat is vreemd!” zei Mevr. Weldon.

“Werkelijk zeer zonderling,” antwoordde kapitein Hull, die de twee letters met aandacht bekeek.

“S. V.”—zei Mevr. Weldon.

“S. V.”—herhaalde kapitein Hull.

“Dat zijn dezelfde letters als op den halsband van Dingo staan!”

Toen richtte hij zich eensklaps tot den ouden neger en vroeg:

“Tom, heb je me niet verteld dat die hond nog maar kort aan den kapitein van de Waldeck behoorde?”

“Ja, mijnheer,” antwoordde Tom. “Dingo was nog maar twee jaar aan boord.”

“En zei je er niet bij dat de kapitein van de Waldeck dien hond op de westkust van Afrika had opgenomen.”

“Ja, mijnheer, in den omtrek van de monding van den Congo. ’k Heb het den kapitein dikwijls hooren vertellen.”

“Dus,” vroeg kapitein Hull verder, “heeft men nooit geweten aan wien deze hond toebehoorde en ook niet van waar hij kwam.”

“Nooit mijnheer. Met een verloren hond is ’t veel erger gesteld dan met een verloren kind. Hij heeft geen papieren en daarenboven kan hij niets zeggen.”

Kapitein Hull zweeg en was in diep gepeins verzonken.

“Wekken deze twee letters een herinnering bij u op?” vroeg Mevr. Weldon den kapitein, na hem eenige oogenblikken met zijn gedachten alleen te hebben gelaten.

“Ja, mevrouw, een herinnering, of liever een zonderlinge overeenkomst van gebeurtenissen.”

“Welke?”

“Deze twee letters zouden wel eens een zin kunnen hebben en onze aandacht moeten vestigen op het lot van een stoutmoedig reiziger....”

“Wat wilt u daarmede zeggen?” vroeg Mevr. Weldon.

“Dit, Mevrouw. In 1871,—twee jaar geleden dus,—vertrok een Fransch reiziger, op aansporing van het Aardrijkskundig Genootschap te Parijs, met het doel om dwars door Afrika van het westen naar het oosten door te dringen. Zijn punt van aankomst moest zoo dicht mogelijk bij kaap Deldago zijn, bij de monden van de Rovouma, die hij moest afzakken. Deze Fransche reiziger nu heette Samuel Vernon.”

“Samuel Vernon!” herhaalde Mevr. Weldon.

“Ja, mevrouw, en zijn twee namen beginnen juist met de twee letters die Dingo onder allen heeft uitgezocht en die op zijn halsband gegraveerd zijn.”

“Inderdaad!” antwoordde Mevrouw Weldon, “En hoe is ’t met den reiziger afgeloopen?”

“Die reiziger vertrok,” antwoordde kapitein Hull, “en sedert zijn vertrek heeft men niets meer van hem vernomen.”

“Nooit?” vroeg de leerling.

“Nooit,” herhaalde kapitein Hull.

“Wat besluit u daaruit?” vroeg Mevr. Weldon.

“Dat Samuel Vernon de oostkust van Afrika niet heeft kunnen bereiken, hetzij hij door de inboorlingen gevangen genomen is, hetzij de dood hem onderweg heeft getroffen!”

“En dan die hond?....”

“Die hond zal hem toebehoord hebben en gelukkiger dan zijn meester zou hij, als mijn stelling juist is, naar het kustland van den Congo hebben kunnen terugkomen, omdat hij op het tijdstip dat deze gebeurtenissen hebben moeten plaats hebben, door den kapitein van de Waldeck is opgenomen.”

“Maar,” merkte Mevr. Weldon op, “weet u of die Fransche reiziger bij zijn vertrek een hond bij zich had? Is ’t geen eenvoudige veronderstelling?”

”’t Is werkelijk maar een eenvoudige Veronderstelling, Mevrouw,” antwoordde kapitein Hull. “Maar zeker is ’t, dat Dingo de twee letters S. en V., die juist de beginletters zijn van de twee namen van den Franschen reiziger, kent. Onder welke omstandigheden nu het dier geleerd heeft ze te onderscheiden, kan ik niet verklaren, maar, nog eens, hij kent ze ongetwijfeld en kijk, hij brengt er zijn poot bij en schijnt ons uit te noodigen ze met hem te lezen.”

En werkelijk kon men zich niet in het doel van Dingo vergissen.

“Zou Samuel Vernon dan alleen geweest zijn, toen hij het kustland van den Congo verliet?” vroeg Dick Sand.

“Dat weet ik niet,” antwoordde kapitein Huil. “Maar ’t dunkt me waarschijnlijk dat hij een geleide van inlanders heeft moeten meenemen.”

Op dit oogenblik verliet Negoro het verblijf der matrozen en kwam aan dek. Niemand merkte in ’t eerst zijn tegenwoordigheid op en zag den zonderlingen blik dien hij wierp op den hond, toen hij de twee letters waarnam voor welke deze, als een jachthond voor het wild, scheen stil te staan. Maar Dingo, die den kok nu opmerkte, begon teekenen van de hoogste woede te geven.

Negoro ging dadelijk naar het matrozen-verblijf terug, niet zonder dat hem een dreigend gebaar tegen den hond ontsnapt was.

“Daar zit iets achter!” mompelde kapitein Hull, wien niets van dit kleine tooneel ontgaan was.

“Maar, mijnheer,” zei de leerling, “is het niet verwonderlijk dat een hond de letters kent van ’t alphabet?”

“Wel neen!” riep kleine Jack uit.

“Mama heeft me dikwijls de geschiedenis verteld van een hond die lezen en schrijven en zelfs domino kon spelen als een ware schoolmeester.”

“Die hond, lief kind, die Munito heette, was geen geleerde, zooals je denkt. Als ’k gelooven mag wat men er me van gezegd heeft, zou hij de letters waarmee hij zijn woorden samenstelde niet eens van elkaar hebben kunnen onderscheiden. Maar zijn meester, een slimme Amerikaan, had opgemerkt dat Munito een bijzonder fijn gehoor had en nu had hij zich er op toegelegd dat zintuig te oefenen en er verwonderlijke uitwerkselen van verkregen.”

“Hoe legde hij het aan, mevrouw Weldon?” vroeg Dick Sand, die bijna even veel belang in de geschiedenis stelde als kleine jack.

“Dat zal ik u zeggen, mijn vriend. Als Munito voor het publiek moest ‘werken’, werden even zulke letters op een tafel uitgespreid. De hond liep op deze tafel heen en weer en wachtte totdat een woord werd voorgesteld, hetzij met luide, hetzij met zachte stem. Alleen was ’t een noodzakelijke voorwaarde, dat zijn meester het woord wist.”

“Dus zou bij afwezigheid van zijn meester?....” zei de leerling.

“De hond niets hebben kunnen doen,” antwoordde Mevr. Weldon, “en ziehier waarom niet. Als de letters op de tafel uitgespreid lagen, liep Munito door dit alphabet. Kwam hij dan bij de letter welke hij moest uitkiezen om het verlangde woord te vormen, dan stond hij stil; maar hij bleef staan omdat hij het geluid hoorde van een tandenstoker dien de Amerikaan in zijn zak deed rammelen en dat voor ieder ander onmerkbaar was. Dit geluid was voor Munito het teeken om de letter te nemen en haar in de overeengekomen volgorde te plaatsen.”

“En is dat nu het geheele geheim?” vroeg Dick Sand.

“Dat is ’t geheele geheim,” antwoordde Mevrouw Weldon, “’t Is zeer eenvoudig, als alles in de goochelkunst. Bij de afwezigheid van den Amerikaan, zou Munito niet meer Munito geweest zijn. ’t Verwondert me dus wel, dat, nu zijn meester er niet bij is,—zoo al de reiziger Samuel Vernon ooit zijn meester geweest is—Dingo die twee letters heeft kunnen onderscheiden.”

“Dat is werkelijk zeer verwonderlijk,” zei kapitein Hull. “Maar u moet bedenken, dat er hier slechts sprake is van twee letters, twee bijzondere letters, en niet van een woord dat in ’t wild gekozen wordt. En dan dunkt mij dat die hond die aan de deur van een klooster aanbelde om zich meester te maken van den schotel die bestemd was voor de arme voorbijgangers, en die andere, die met een van zijn natuurgenooten belast was om den anderen dag het spit te draaien en die weigerde dezen post waar te nemen als ’t zijn beurt niet was, dat deze honden, zeg ik, hooger verstandelijk ontwikkeld waren dan Dingo. Hoe het zij, we staan hier voor een onbetwistbaar feit. Van al de letters van dit alphabet heeft Dingo slechts deze twee uitgezocht: S. en V. De andere schijnt hij zelfs niet te kennen. Men moet er dus uit besluiten dat wegens de een of andere reden, die wij niet kennen, zijn aandacht bijzonder op deze twee letters is gevestigd geweest.”

“Och, kapitein Hull,” hernam Dick, “als Dingo maar eens spreken kon!.... Misschien zou hij ons dan zeggen wat die twee letters beteekenen en waarom hij altijd zijn tanden aan onzen kok laat zien?”

“En welke tanden!” antwoordde kapitein Hull, op het oogenblik dat Dingo, zijn bek opende, en dus zijn geducht gebit liet zien.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings