De vier volgende dagen.
Reading edition
Dick Sand was dus nu de kapitein van den Pelgrim, en, zonder een oogenblik te verliezen, nam hij de noodige maatregelen om zeil te zetten.
Het spreekt van zelf dat slechts één hoop de passagiers kon bezielen, die namelijk, om de een of andere haven op de Amerikaansche kust te bereiken, zooal niet Valparaiso. Wat Dick Sand dacht te doen, was den koers en de vaart van den Pelgrim op te teekenen en er een gemiddelde uit op te maken. Daartoe was het voldoende elken dag, zooals wij reeds zeiden, door middel van de log en het kompas den afgelegden weg op de kaart af te zetten. Er bevond zich juist een van die “patentlogs”, met wijzers en een schroef aan boord, die voor een bepaalden tijd de juiste snelheid aangeven. Dit nuttig instrument, zeer gemakkelijk in ’t gebruik, kon de grootste diensten bewijzen, en daarbij waren de negers volkomen in staat het te behandelen.
Een enkele bron van dwaling zou er altijd blijven bestaan,—de stroomen. Om haar te bestrijden, waren de log en het kompas onvoldoende, alleen de astronomische waarnemingen zouden er een juiste rekening van hebben kunnen geven. Maar de leerling was nog niet in staat deze waarnemingen te doen.
Dick Sand had er een oogenblik over gedacht om met den Pelgrim naar Nieuw-Zeeland te stevenen. De overtocht zou niet zoo lang geweest zijn en voorzeker zou hij het gedaan hebben, indien de wind, die tot nog toe tegen geweest was, niet gunstig was geworden.
Het was dus beter den steven naar Amerika te wenden.
En werkelijk was de wind gedraaid en woei nu uit het noord-westen, met neiging om aan te wakkeren. Men moest er dus gebruik van maken en zooveel mogelijk spoed maken.
Dick Sand maakte zich dus gereed om den Pelgrim zijn koers te doen vervolgen.
Op een schoenerbrik draagt de fokkemast vier vierkante zeilen; de fok, aan den ondermast; boven, het marszeil, aan de marssteng; verder aan de bramsteng, een bramzeil en een bovenbramzeil.
De groote mast is daarentegen minder van zeilen voorzien. Achter den ondermast heeft hij slechts een brikzeil en daarboven een gaftopzeil.
Tusschen deze twee masten, aan de stagen, die ze van voren steunen, kan men nog een driedubbele verdieping van driehoekige zeilen aanbrengen.
Eindelijk, op den voorsteven, aan den boegspriet en haar kluifhout worden de drie stagzeilen bevestigd.
De stagzeilen, het brikzeil, het topzeil, de tusschenstagzeilen zijn gemakkelijk te behandelen. Zij kunnen van dek af geheschen worden, zonder dat het noodig is in den mast te klimmen, omdat zij niet aan de raas bevestigd worden met beslagseizings, die men eerst moet losmaken.
Integendeel vordert het zetten der vierkante zeilen meerdere oefening. Het is toch noodig, als men ze wil bijzetten, hetzij in de mars van den fokkemast te klimmen, hetzij op de bramzaling, hetzij in het bramwant van genoemden mast,—en dat zoowel om ze los te maken of ze te bergen, als om hunne oppervlakte te verkleinen door ze te reven. Daarvoor is men dan verplicht op de paarden te loopen,—beweeglijke touwen onder de raas gespannen,—met ééne hand te werken en zich met de andere vast te houden, een gevaarlijke manoeuvre voor iedereen die het niet gewoon is. Het slingeren en stampen van het schip, het slaan der zeilen bij een flinke bries, doen gemakkelijk een man over boord slaan. Men kan zich voorstellen dat dergelijke gymnastische toeren voor Tom en zijn kameraden zeer gevaarlijk waren.
Zeer gelukkig was de wind gematigd en het slingeren en het stampen niet hevig.
Toen Dick Sand, op het signaal van kapitein Hull, zich naar het tooneel van de ramp begeven had, lag de Pelgrim alleen onder zijn tusschenstagzeilen, brikzeil en marszeil. Om zoo spoedig mogelijk voltebrassen, had Dick niets anders te doen dan het voortuig om te halen, waarbij de negers hem gemakkelijk geholpen hadden. De zeilen moesten dus nu kant worden gezet en om alles bij te zetten, het bramzeil, het gaftopzeil en de stagzeilen worden geheschen.
“Vrienden,” zei de leerling tot de vijf negers, “als ge doet wat ik commandeer, zal alles goed gaan.”
Dick Sand was aan het stuurrad gebleven.
“Hola Tom,” riep hij, “vier gauw dat touw af!”
“Afvieren....?” zei Tom, die niets van deze uitdrukking begreep.
“Ja.... maak het maar los!—En jij ook, Bat!.... Goed zoo!.... Haal aan.... Kom, trekken!”
“Zoo goed?” zei Bat.
“Ja, goed zoo. Best!.... Kom, flink aangepakt!”
Om tot Hercules te zeggen: “flink aangepakt!” was misschien onvoorzichtig. De reus deed een ruk om alles ’t onderste boven te halen.
“Niet zoo hard, mijn jongen!” riep Dick Sand glimlachend. “Je zult ’t geheele want naar beneden trekken!”
”’k Heb nauwelijks getrokken,” antwoordde Hercules.
“Nu, doe maar alsof je trekt! Je zult zien dat dat genoeg is!.... Goed, laat schieten.... vier.... Leg vast.... goed zoo!.... Goed! Haal de brassen aan....”
En het geheele Vaartuig welks bakboordsbrassen los lagen, ging langzaam aan ’t draaien. De wind, de zeilen nu doende zwellen, deelde aan het schip een zekere snelheid mede.
Dick Sand liet toen de voorschooten afvieren. Daarna riep hij de negers op het achterdek.
“Ziezoo, vrienden, dat heb jelui er eens goed afgebracht! Nu moeten we ons met het groottuig bezig houden. Maar breek niets, Hercules.”
“Ik hoop het niet,” antwoordde de kolos, zonder zich tot iets meer te willen verbinden.
Deze tweede manoeuvre was nog al gemakkelijk. Nadat de boomschoot zachtjes gevierd was geworden, nam het brikzeil den wind beter op en voegde het zijn machtige werking bij die van de voorzeilen.
Nu werd het topzeil geheschen, en daar het eenvoudig gegeid was, had men slechts het val door te halen. Maar Herkules trok zoo goed, geholpen door zijn vriend Actéon, zonder nog den kleinen Jack mede te rekenen, die zich bij hen gevoegd had, dat het touw glad afbrak.
Alle drie vielen omver,—gelukkig zonder zich te bezeeren. Jack was verrukt!
“Dat’s niets, dat’s niets!” riep de leerling. “Knoop voorloopig de twee einden aan elkaar en hijsch dan zachtjes aan.”
Dit werd onder de oogen van Dick Sand verricht, zonder dat hij het roer nog had verlaten. De Pelgrim liep reeds snel voor den wind, met den steven naar het oosten gewend en er was op ’t oogenblik niets anders te doen dan hem in deze richting te houden. Niets gemakkelijker, daar de wind handelbaar was en men voor gieren of afvallen niet behoefde te vreezen.
“Goed, vrienden!” zei de leerling. “Vóór het einde van den overtocht, zult ge goede zeelieden zijn!”
“We zullen ons best doen, kapitein Sand,” antwoordde Tom.
Ook Mevr. Weldon maakte haar compliment aan de goede menschen.
Zelfs de kleine Jack kreeg zijn deel in de lofspraak, want hij had aardig meegewerkt.
”’k Geloof, jongeheer Jack,” zei Hercules glimlachend, “dat u eigenlijk het touw stuk hebt getrokken! Welke flinke sterke vuistjes hebt u! Zonder u waren we er niet gekomen!”
En de kleine Jack, zeer trotsch op zich zelven, schudde krachtig de hand van zijn vriend Hercules.
Evenwel ontbraken er aan de uitgespannen zeilen nog eenige die vooral bij het zeilen vóór den wind niet te versmaden zijn. Vooral de bovenzeilen, als het bramzeil, het bovenbramzeil, de stagzeilen moesten allen het hunne toebrengen om den gang van de schoener-brik te versnellen, en Dick Sand besloot daarom ze mede bij te zetten.
Deze manoeuvre moest moeielijker zijn dan de andere, niet wat de stagzeilen aangaat, die van het dek geheschen en aangehaald konden worden, maar wat betreft de vierkante zeilen. Men moest naar de bramzaling om ze los te maken, en Dick Sand, die niemand van zijn geïmproviseerde bemanning in gevaar wilde brengen, deed het liever zelf.
Hij riep dus Tom en plaatste hem aan het stuurrad, terwijl hij hem aantoonde hoe hij moest sturen. Toen vervolgens Hercules, Bat, Actéon, Austin allen geplaatst waren, deze aan den bovenbramval, gene aan den bramval, ging hij het want in. Het openteren langs de weeflijnen van het onderwant, en langs het puttingwant en het stengwant de bramzaling te bereiken, dat alles was slechts spel voor Dick. In één minuut, was hij op het paard van de bramra en maakte de beslagseizings los die het zeil bestigd hielden.
Daarna ging hij naar den hommer en vierde op de bovenbramra snel het bramzeil.
Nadat Dick Sand zijn werk verricht had, greep hij een der pardoens aan stuurboordszij en liet zich op het dek glijden.
Op zijn aanwijzingen werden nu de twee schooten flink aangehaald en bevestigd en daarna de twee raas opgeheschen. Nadat vervolgens de stagzeilen tusschen den grooten mast en den fokkemast bijgezet waren, was ook deze manoeuvre geëindigd.
Dezen keer had Hercules niets gebroken.
De Pelgrim had nu al de zeilen bij, die zijn tuig uitmaakten. Wel had Dick Sand er nog de lijzeilen aan bakboordszijde kunnen bijvoegen, maar dit was een moeilijke manoeuvre in de omstandigheden waarin zij verkeerden, en indien men ze in geval van een windvlaag had moeten bergen, zou men het niet haastig genoeg hebben kunnen doen. De leerling bepaalde er zich dus bij.
Tom werd toen van zijn post aan het roer afgelost, dat Dick Sand weder ter hand nam.
De bries wakkerde aan. De Pelgrim, die aan stuurboordszij een weinig overhelde, gleed snel over de oppervlakte der zee en liet slechts een vlak kielwater achter, dat voor de zuiverheid van zijn waterlinie getuigde.
“Nu zijn wij op den goeden weg, mevrouw Weldon,” zei Dick Sand, “en nu geve God dat we dien gunstigen wind behouden!”
Mevrouw Weldon drukte de hand van den leerling. Daarna ging zij, vermoeid van al de aandoeningen die zij in het laatste uur beleefd had, naar haar kajuit terug en verzonk in een soort van diepe sluimering die toch geen slaap was.
De nieuwe bemanning bleef op den bak van de schoenerbrik, gereed om de bevelen van Dick Sand uit te voeren, namelijk om de zeilen te wijzigen naar de veranderingen van den wind; maar, zoolang de bries dezelfde kracht en richting bleef behouden, zou er niets te doen zijn.
Maar, waar zat toch al dien tijd neef Benedictus?
Neef Benedictus hield zich met de loupe in de hand bezig met de studie van een geleed insect dat hij eindelijk aan boord ontdekt had, een eenvoudig insect tot de orthoptera behoorende (rechtvleugeligen), welks kop onder den prothorax verborgen is, een insect met platte bovenvleugels, een ronden buik en vrij lange vleugels, dat tot de familie der kakkerlakken en tot de soort der Amerikaansche kakkerlakken behoorde.
Hij had deze ontdekking gedaan, juist toen hij in de kombuis van Negoro aan ’t snuffelen was, en op het oogenblik dat de kok op punt stond het insect onmeedoogend plat te trappen. Vandaar boos worden van neef Benedictus, waarbij Negoro trouwens zeer onverschillig bleef.
Maar.... wist neef Benedictus welke verandering aan boord had plaats gehad van het oogenblik af dat kapitein Hull en zijn metgezellen op die noodlottige vangst van den walvisch waren uitgegaan? Ongetwijfeld. Hij was zelfs aan het dek, toen de Pelgrim in het gezicht kwam van de overblijfselen der walvischsloep. De equipage van de schoenerbrik was dus onder zijn oogen omgekomen.
Nu zouden wij hem van groote ongevoeligheid beschuldigen, als wij zeiden dat deze ramp hem niet had getroffen. Ongetwijfeld was ook zijn hart bewogen geworden door diep medelijden met zijn evenmensch. En evenzeer was hij ontroerd over den toestand waarin zijne nicht nu verkeerde. Hij had de hand van Mevr. Weldon gedrukt, als om haar te zeggen: “Vrees niets! Ik blijf bij u!”
Daarna was neef Benedictus naar zijn hut teruggekeerd, zeker wel om na te denken over de gevolgen van dit zoo droevig ongeluk en de krachtige maatregelen die genomen moesten worden.
Maar onderweg had hij den kakkerlak ontmoet, en daar hij tegen het oordeel van eenige entomologen in, beweerde dat de kakkerlakken van zekere soort, merkwaardig door hunne kleur, gewoonten hebben, zeer verschillende van de eigenlijke kakkerlakken, had hij zich dadelijk aan het werk gezet, vergetende dat er ooit een kapitein Hull geweest was, die het bevel over den Pelgrim voerde en dat die ongelukkig met zijn bemanning was omgekomen!
Hij was geheel in de studie van den kakkerlak verdiept en bewonderde hem niets minder, ja gaf er zich even veel moeite mede alsof dit afschuwelijk insect een gouden tor geweest ware.
Het leven aan boord had dus zijn gewonen loop hernomen, alhoewel ieder natuurlijk nog geruimen tijd onder den indruk bleef eener zoo grievende en onverwachte ramp.
Gedurende dien geheelen dag was Dick Sand overal, om te zien of alles op zijn plaats was en te zorgen dat hij gewapend was tegen alles wat er gebeuren kon. De negers gehoorzaamden hem goed willig en de volmaaktste orde heerschte aan boord van den Pelgrim. Men mocht dus hopen dat alles nu zonder hinder zou gaan.
Van zijn kant deed Negoro geen nieuwe pogingen om zich aan het gezag van Dick Sand te ontrekken. Hij scheen het stilzwijgend erkend te hebben. Zooals altijd in zijn bekrompen kombuis bezig, zag men hem niet meer dan vroeger. Trouwens Dick Sand had zich stellig voorgenomen hem bij de minste overtreding, bij het eerste teeken van verzet voor de rest van den overtocht in de boeien te zetten. Op een teeken van hem zou Hercules den kok bij den nek gepakt hebben. Dat had zeker niet de minste moeite gekost. In dat geval ware Nan, die goed koken kon, in de plaats van den kok opgetreden. Negoro moest zich dus bekennen dat hij niet onmisbaar was, en, daar men van nabij op hem lette, scheen hij geen vat op zich te willen geven.
De wind, die tot den avond toe aanwakkerde, maakte geen verandering in de zeilen van den Pelgrim noodig. Zijn stevige masten, zijn ijzeren tuig, dat in goeden staat verkeerde, hadden hem veroorloofd onder dezen gang zelfs een sterkere bries te verdragen.
Het is dikwijls ’s nachts de gewoonte zeil te minderen en inzonderheid de bovenzeilen, bovenbramzeilen, boven stagzeilen, enz. Dat is voorzichtig, in het geval dat een rukwind onverwacht in de zeilen viel. Maar Dick Sand meende zich van deze voorzorg te kunnen onthouden. De toestand der atmosfeer deed niets noodlottigs voorzien en daarenboven had Dick Sand besloten dezen eersten nacht op het dek door te brengen en het oog over alles te houden. Bovendien had het schip een snelleren gang en zoo spoedig mogelijk wenschte hij zich in minder eenzame streken te bevinden.
Wij hebben reeds gezegd dat de log en het kompas de eenige instrumenten waren, die Dick Sand te zijner beschikking had, om althans tennaastenbij den door den Pelgrim afgelegden weg te ramen.
Gedurende dezen dag liet de leerling om het half uur loggen en teekende de aanwijzingen op, die het instrument hem verschafte.
Wat den magneet aangaat, die ook den naam van kompas draagt, er bevonden zich twee aan boord. De een was geplaatst in het kompashuisje, onder de oogen van den man aan het roer. Zijn wijzer, op den dag door het daglicht verlicht en des nachts door twee ter zijde geplaatste lampen, wees ieder oogenblik aan welke richting het schip volgde.
Het andere kompas was een omgekeerde magneetnaald, bevestigd aan een dekbalk in de kajuit die vroeger door kapitein Hull bewoond werd. Op deze wijze kon hij, zonder het vertrek te verlaten, altijd weten of de goede koers gestuurd werd en of de man aan het roer, hetzij door onkunde of achteloosheid niet te veel gierde.
Trouwens is er geen schip, dat lange zeereizen moet maken, of het heeft minstens twee kompassen aan boord, zooals het twee chronometers heeft. Men moet deze instrumenten met elkander kunnen vergelijken en bijgevolg hun opgaven controleeren.
De Pelgrim was dus in dit opzicht voldoende voorzien, en Dick Sand drukte zijn onderhoorigen op het hart de grootste zorg voor deze twee kompassen, die hij zoo noodig had, in acht te nemen.
Maar ongelukkig had er in den nacht van den 12en op den 13en Februari, terwijl Dick de wacht had en aan het roer stond, een bedroevend ongeval plaats. Het kompas, dat in een koperen ring hing, die aan een dekbalk der kajuit bevestigd was, raakte los en viel op den vloer. Men ontdekte het pas den volgenden morgen.
Hoe kwam deze koperen ring te breken? Het was vrij duister. Het was evenwel mogelijk dat hij geoxydeerd was en door het slingeren en stampen van het schip van den balk was losgeraakt. Juist toch was de zee in den gepasseerden nacht onstuimiger geweest. Hoe het zij, het kompas was gebroken en kon niet gerepareerd worden.
Dick Sand was zeer teleurgesteld. Er schoot hem nu voortaan niets meer over dan het nachthuiskompas te raadplegen. Het breken van dit tweede kompas kon blijkbaar aan niemand geweten worden, maar het kon treurige gevolgen hebben. Dick nam dus alle mogelijke maatregelen om het tweede kompas voor ongelukken te bewaren.
Tot nog toe ging, behalve dat, alles goed aan boord van den Pelgrim.
Toen Mevr. Weldon zag hoe kalm en bedaard Dick Sand was, had ook zij haar vertrouwen teruggekregen. Wel had zij zich nooit aan wanhoop overgegeven en rekende zij boven alles op Gods goedheid. Ook versterkte zij zich, als oprechte en vrome katholieke, door het gebed.
Dick Sand had het zoo weten te schikken, dat hij gedurende den nacht aan het roer bleef. Hij sliep vijf of zes uur per dag en dat scheen hem voldoende te zijn, daar hij zich niet al te vermoeid gevoelde. Gedurende dien tijd werd hij door Tom of diens zoon Bat aan het roer vervangen, die, dank zijn raadgevingen, langzamerhand tamelijke roergangers werden.
Dikwijls hadden Mevr. Weldon en de leerling een gesprek met elkander. Dick Sand raadpleegde gaarne die schrandere en moedige vrouw. Iederen dag toonde hij haar het bestek op de kaart, dat hij bij schatting afzette, daarbij alleen rekening houdende met den gezeilden koers en den afstand.
“Ziet u, mevrouw Weldon,” herhaalde hij haar dikwijls, “met die vaste winden moeten wij de kust van Zuid-Amerika wel bereiken. ’k Zou het niet durven verzekeren, maar ’k geloof wel dat, wanneer ons vaartuig in ’t gezicht van land zal komen, het niet ver van Valparaiso zal zijn!”
Mevr. Weldon kon niet twijfelen of de koers was goed, vooral begunstigd door die noord-westenwinden. Maar wat kwam de Pelgrim haar nog ver van het Amerikaansche strand voor! Welke gevaren lagen er nog tusschen hen en het vasteland, al waren het alleen die, welke konden voortkomen uit eene verandering in den toestand van de zee en den hemel!
Jack had met de zorgeloosheid aan zijn leeftijd eigen, weldra zijn gewone spelen hervat. Hij liep weder op het dek, speelde met Dingo, en vond ongetwijfeld dat zijn vriend Dick zich minder dan vroeger met hem bemoeide, maar zijn moeder had hem aan het verstand gebracht, dat hij den leerling niet van zijn bezigheden moest aftrekken. Jack had genoegen met deze redenen genomen en stoorde “kapitein Sand” niet meer.
Zoo ging het met de zaken aan boord. De zwarten verrichtten met schranderheid hun werk en werden elken dag meer bedreven in de praktijk van het zeemansvak. Tom werd natuurlijk bootsman en ook zijn kameraden zouden hem ongetwijfeld voor deze betrekking uitgekozen hebben. Hij commandeerde de wacht, terwijl Dick sliep en met hem waren dan steeds zijn zoon Bat en Austin. Actéon en Hercules maakten de andere wacht uit onder commando van Dick Sand. Terwijl dus de een stuurde, waakten de anderen op het voorschip.
Hoewel deze streken eenzaam waren en een aanzeiling geenszins te vreezen was, nam de leerling gedurende den nacht de uiterste waakzaamheid in acht. Hij voer nooit zonder zijn lichten op te hebben,—een groen licht aan stuurboordszij, een rood aan bakboordszij,—en hierin handelde hij wijs.
In die nachten evenwel, die Dick Sand geheel aan het roer doorbracht, maakte zich somtijds een onweerstaanbare neerslachtigheid van hem meester. Zijn hand stuurde dan zuiver instinctmatig. Het was het gevolg eener afgematheid, waarvan hij niets wilde weten.
Nu gebeurde het in den nacht van den 13n op den 14n Februari dat Dick Sand, die zeer vermoeid was, eenige uren rust moest gaan nemen en door den ouden Tom aan het roer vervangen werd.
De hemel was met dikke wolken bezet, die tegen den avond onder den invloed van de koude lucht gedaald waren. Het was dus zeer duister en het was onmogelijk de bovenzeilen te onderscheiden. Hercules en Actéon hadden de wacht op den bak.
Op het achterschip werd het zwakke schijnsel van het licht van het kompashuisje zacht weerkaatst door het metalen bekleedsel van het stuurrad. De boordseinlantarens, die hun lichten zijdelings deden uitstralen, lieten het dek van het schip in diepe duisternis gehuld.
Tegen drie uur ’s morgens deed zich bij Tom een soort van helderziendheid voor, waarvan hij zich zelven niet bewust was. Zijn oogen, die al te lang op een lichtend punt van het kompashuisje gestaard hadden, verloren plotseling het gezichtsvermogen en hij verviel in een soort van werkelijke anaesthetische slaperigheid.
Niet alleen zag hij niet meer, maar al had men hem aangeraakt of hard geknepen, zou hij waarschijnlijk niets gevoeld hebben.
Hij zag dus de schaduw niet die over het dek gleed.
Het was Negoro.
Achteruit gekomen, plaatste de kok onder het kompashuisje een tamelijk zwaar voorwerp, dat hij in de hand hield.
Na toen een oogenblik den verlichten wijzer van het kompas waargenomen te hebben, trok hij zich terug zonder dat hij gezien was.
Indien Dick Sand den volgenden morgen het voorwerp had opgemerkt, dat Negoro onder het kompashuisje geplaatst had, zou hij zich gehaast hebben het weg te nemen.
En niet zonder reden, want het was een stuk ijzer, waarvan de invloed de aanwijzingen van het kompas veranderd had. De magneetnaald was afgeweken en in plaats van het magnetische noorden aan te wijzen, dat een weinig van het geographische noorden verschilt, wees zij het noord-oosten aan. Het was een afwijking van vier streken, anders gezegd van een halven rechten hoek.
Tom was bijna dadelijk uit zijn diepe sluimering ontwaakt. Zijn oogen wendden zich terstond naar het kompas... en hij geloofde, hij moest wel gelooven dat de Pelgrim de goede richting niet had.
Hij draaide dus het roer, teneinde den steven weder naar het oosten te richten.... Hij dacht het althans.
Maar, bij de afwijking van de naald, die hij niet kon vermoeden, wendde hij den schoener naar het zuidoosten.
Terwijl men dus niet anders dacht dan dat de Pelgrim bij gunstigen wind de goede richting had, vervolgde hij met een verschil van vijf-en-veertig graden zijn weg!