Kapitein Sand.
Reading edition
De eerste indruk door deze verschrikkelijke ramp op de passagiers van den Pelgrim teweeggebracht, was een mengsel van medelijden en schrik. Zij dachten slechts aan den ontzettenden dood van kapitein Hull en zijn vijf matrozen. Dit ijselijk tooneel had zich nagenoeg onder hunne oogen afgespeeld zonder dat zij iets hadden kunnen doen om hen te redden! Zij waren zelfs te laat gekomen om de bemanning der walvischsloep, hunne ongelukkige verwonde, maar nog levende makkers op te nemen, en den romp van den Pelgrim te stellen tegenover de geduchte slagen van den walvisch! Kapitein Hull en zijne matrozen waren voor altijd verdwenen!
Toen de schoenerbrik op de plaats van het onheil was aangekomen, viel Mevr. Weldon op de knieën, met de handen ten hemel opgeheven.
“Laat ons bidden!” zei de vrome vrouw.
De kleine Jack knielde weenende bij zijne moeder. Het arme kind had alles begrepen. Dick Sand, Nan, Tom en de andere negers stonden overeind met gebogen hoofd. Allen herhaalden bij zich zelven het gebed dat Mevr. Weldon tot God richtte, terwijl zij aan zijne oneindige goedheid hen beval, die zooeven voor hem verschenen waren.
Daarna, zich tot haar metgezellen richtende, zei Mevr. Weldon:
“En nu, mijne vrienden, laat ons van God de kracht en den moed afsmeeken om ons te helpen!”
Ja! zij konden niet genoeg de hulp afbidden van Hem die alles vermag, want hun toestand was hoogst ernstig!
Het schip dat hen droeg, had geen kapitein meer om hen te commandeeren, geen bemanning meer om het te besturen. Het bevond zich te midden van de onmetelijke Stille-Zuidzee, op honderden mijlen van eenig land, overgegeven aan wind en golven.
Welk noodlot had toch dien walvisch op den weg van den Pelgrim geleid? Welk grooter noodlot nog had den ongelukkigen kapitein Hull, gewoonlijk zoo verstandig, aangespoord om alles op het spel te zetten, teneinde zijn lading aan te vullen? En welke ramp, vreeselijker dan deze, kon er opgeteekend worden in de jaarboeken van de groote visscherij, waarbij geen enkel matroos van de walvischsloep had kunnen gered worden!
Ja! het was een vreeselijk noodlot!
Inderdaad was er geen enkele zeeman meer aan boord van den Pelgrim.
Toch! een enkele! Dick Sand, maar het was slechts een leerling, een jongeling van vijftien jaar!
Kapitein, bootsman, matrozen, men kon zeggen dat de geheele bemanning nu in hem alleen vereenigd was.
En aan boord bevond zich een passagier, een moeder en haar zoon, wier tegenwoordigheid den toestand nog moeielijker maakte.
Verder waren er ook eenige negers, goede menschen, moedig en ijverig, ongetwijfeld bereid om iedereen te gehoorzamen die in staat zou zijn hen te commandeeren, doch ontbloot van de eenvoudigste begrippen van het zeemansvak!
Dick Sand stond daar onbeweeglijk, de armen over elkander geslagen en den blik gewend naar de plaats waar kapitein Hull, zijn weldoener en beschermer, voor wien hij een kinderlijke liefde gevoelde, verzwolgen was. Daarna doorzochten zijn oogen den horizont om naar eenig vaartuig uit te zien, dat hij hulp en bijstand verzocht zou hebben en waaraan hij althans Mevr. Weldon had kunnen toevertrouwen.
Hij zou daarom toch den Pelgrim niet verlaten hebben, neen, voorzeker niet, zonder alles gedaan te hebben om hen naar een veilige haven te brengen. Maar Mevr. Weldon en haar kleine jongen waren dan in veiligheid geweest en hij zou niet meer te vreezen gehad hebben voor die twee wezens, aan wie hij zich met lichaam en ziel gewijd had.
De oceaan was verlaten. Sedert de verdwijning van den walvisch had geen enkel voorwerp de onmetelijke vlakte verstoord. Niets dan water en lucht rondom den Pelgrim. De jeugdige leerling wist maar al te goed, dat hij zich buiten den gewonen weg der koopvaardijschepen bevond en dat de andere walvischvaarders nog ver weg ter visscherij verwijlden.
Evenwel was het zaak den toestand onder de oogen te zien en de dingen in het ware licht te beschouwen. Dit deed Dick Sand, maar vroeg daarbij aan God, uit het binnenste zijns harten, hulp en bijstand.
Welk besluit zou hij nemen?
Op dit oogenblik verscheen Negoro op het dek, dat hij na de ramp verlaten had. Niemand had kunnen zeggen wat zulk een raadselachtig wezen bij dit onherstelbaar ongeluk gevoeld had. Had hij het onheil mede aangezien zonder eenig teeken te geven en zonder een oogenblik van zijn stomme rol af te wijken. Met de oogen had hij al de bijzonderheden van het ongelukkig voorval verslonden. Maar indien men op zulk een oogenblik op de gedachte gekomen was hem waar te nemen, zou men er zich althans over verwonderd hebben dat geen enkele spier van zijn hardvochtig gelaat zich vertrok. Zeker is het dat hij deed alsof hij niets gehoord had toen Mevr. Weldon allen opriep om voor de gezonken bemanning te bidden.
Negoro begaf zich naar het achterdek, naar de plaats waar Dick Sand onbeweeglijk in gedachten verzonken stond. Hij bleef op drie schreden van den leerling af staan.
“Moet je me spreken?” vroeg Dick Sand.
”’k Moet kapitein Hull spreken,” antwoordde Negoro koel, “of als dat niet kan, den bootsman Howik.”
“Je weet wel dat beide zijn omgekomen!” riep de leerling uit.
“Wie commandeert dan nu aan boord?” vroeg Negoro onbeschaamd.
“Ik,” antwoordde Dick Sand zonder de minste aarzeling.
“Gij!” zeide Negoro, de schouders optrekkende. “Een kapitein van vijftien jaar!”
“Een kapitein van vijftien jaar!” antwoordde de leerling, op den kok toeloopende.
Deze ging achteruit.
“Vergeet niet,” zei toen Mevr. Weldon, “dat er hier slechts één kapitein is.... kapitein Sand, en ’t is goed dat iedereen wete dat hij zich zal doen gehoorzamen!”
Negoro boog, terwijl hij op spottenden toon eenige woorden mompelde die men niet hooren kon en hij daarna naar zijn verblijf terugkeerde.
Men ziet, Dick had een besluit genomen.
Intusschen was de schoenerbrik, door de werking van de bries die begon op te steken, de uitgestrekte bank schaaldieren reeds voorbijgestevend.
Dick Sand nam den toestand van het tuig op. Daarna daalden zijn oogen op het dek neder. Hij had daarbij het gevoel dat, zoo er voortaan een geduchte verantwoordelijkheid op hem rustte, hij de kracht moest hebben haar op zich te nemen. Hij dorst hen aanzien de overlevenden van den Pelgrim, wier oogen nu op hem gericht waren. En terwijl hij in hunne blikken las, dat hij op hen kon rekenen, zeide hij hun in twee woorden dat zij zich op hunne beurt op hem konden verlaten.
Dick Sand had in alle oprechtheid zijn geweten onderzocht.
Mocht hij al in staat zijn om met behulp van de armen van Tom en zijn kameraden naar omstandigheden voldoende te kunnen manoeuvreeren, toch bezat hij natuurlijk nog al de kundigheden niet die noodig waren om zijn bestek door berekening te bepalen.
Ware Dick Sand vier of vijf jaar ouder geweest, zoo zou hij het schoone, maar moeielijke zeemansvak in den grond gekend hebben! Hij zou zich hebben weten te bedienen van den sextant, het instrument waarmede kapitein Hull de sterrenhoogte nam! Hij zou op den chronometer den middelbaren tijd van Greenwich afgelezen en met behulp daarvan en den bekenden uurhoek, de lengte gevonden hebben. De zon zou elken dag zijn raadgeefster geweest zijn! De maan en de planeten zouden hem gezegd hebben: Daar op dat punt van den Oceaan bevindt zich uw schip! Het uitspansel waar langs de sterren zich bewegen als de wijzers van een volkomen juist uurwerk, dat uitspansel zou hem de uren en de afstanden geleerd hebben! Door de sterrenkundige waarnemingen, zou hij op een mijl na de plaats hebben leeren bepalen, zooals zijn kapitein zulk elken dag deed, waar de Pelgrim zich bevond, zoowel als den afgelegden weg en den weg die nog afgelegd moest worden!
En nu moest hij geheel op gegist bestek varen, dat wil zeggen: zich alleen op de log en het kompas verlaten, waarvan hij de miswijzing in rekening kon brengen.
Evenwel verloor hij den moed niet.
Mevr. Weldon had zeer goed begrepen, wat er in het moedige hart van den leerling omging.
“Heb dank, Dick,” zeide zij tot hem met vaste stem. “Kapitein Hull is niet meer! Zijn geheele equipage is met hem omgekomen. Het lot van het schip is in uw handen! Dick, je zult het schip met allen die het draagt, redden.”
“Ja, mevrouw,” antwoordde Dick Sand, “ja, met Gods hulp zal ik het beproeven.”
“Tom en zijn kameraden zijn brave menschen die je volkomen kunt vertrouwen.”
”’k Weet het en ’k zal er zeelieden van maken. We zullen samen manoeuvreeren en met goed weer zal het best gaan, maar met slecht weer,—welnu, met slecht weer, zullen we alles doen wat we kunnen en we zullen u redden, mevrouw Weldon, u en uw kleinen Jack, allen. Ja, ’k voel dat ’k het doen zal....”
En hij voegde er bij:
“Met Gods hulp!”
“En nu, Dick, zou je juist kunnen zeggen, waar we ons op ’t oogenblik bevinden?”
“Zeer gemakkelijk,” antwoordde de leerling, “’k Heb niets anders te doen dan de kaart te raadplegen, waarop kapitein Hull gisteren nog het bestek heeft afgezet.”
“En zou je den goeden koers kunnen aangeven?”
“Ja, ’k zou den steven naar het oosten kunnen wenden, nagenoeg naar dat punt van de Amerikaansche kust waar we moeten aanlanden.”
“Maar, Dick,” hernam Mevr. Weldon, “je begrijpt, niet waar, dat deze ramp onze eerste plannen kan en zelfs moet wijzigen? Er is nu geen sprake meer van den Pelgrim naar Valparaiso te brengen. De dichtstbij gelegen haven van de Amerikaansche kust is nu zijn bestemming.”
“Ongetwijfeld, mevrouw,” antwoordde de leerling. “Maak u vooral maar niet ongerust! We kunnen niet missen de Amerikaansche kust die zich zoo ver zuidelijk uitstrekt te bereiken.”
“Waar is zij gelegen?” vroeg Mevr. Weldon.
“Daar, in die richting,” antwoordde Dick Sand, het oosten met den vinger aanwijzende.
“Welnu, Dick, ’t komt er niet op aan of we Valparaiso of een ander punt van de kust bereiken. Het voornaamste is dat we aan land komen.”
“En ’t zal geschieden, mevrouw Weldon, ’k zal u op een veilige plaats ontschepen,” antwoordde de leerling met vaste stem. “Bovendien geef ik de hoop niet op om, als we dichter bij land komen, eenige vaartuigen te ontmoeten die den kusthandel drijven. Kom! mevrouw Weldon, de wind loopt naar het noord-oosten! God geve dat hij daar blijve, dan zullen we flink vooruitkomen, want we zullen alle zeilen bijzetten.”
Dick Sand had dit alles gezegd met het vertrouwen van den zeeman, die weet dat hij een goed schip onder zich heeft, een schip waarvan hij volkomen meester is. Hij ging aan het roer en riep zijn metgezellen om de zeilen behoorlijk te stellen, toen Mevr. Weldon hem er aan herinnerde dat hij vooral goed de plaats moest kennen waar de Pelgrim zich bevond.
Dit was inderdaad iets dat geen uitstel gedoogde. Dick Sand begaf zich naar de kajuit van den kapitein en haalde daar de kaart waarop het bestek den vorigen dag juist was aangegeven. Hij kon dus Mevr. Weldon toonen dat de schoener-brik zich op 43° 35′ breedte en op 164° 13′ lengte bevond, want sedert vier-en-twintig uren was zij nagenoeg stationnair gebleven.
Mevr. Weldon had zich over deze kaart heengebogen. Zij zag de bruine tint die de aarde, rechts van den uitgestrekten Oceaan moest voorstellen. Het was het kustland van Zuid-Amerika, dat als een onmetelijke slagboom, van Kaap Hoorn af tot aan de stranden van Columbia toe, tusschen de Stille Zuidzee en den Atlantischen Oceaan geworpen is. Bij de beschouwing van deze kaart, waarop een gansche oceaan was afgebeeld, kwam onwillekeurig de gedachte bij haar op dat het zeer gemakkelijk zoude zijn de passagiers van den Pelgrim naar hun vaderland terug te brengen. Dit is een zinsbedrog dat zich steeds bij iedereen voordoet die niet bekend is met de schalen waarnaar de zeekaarten vervaardigd worden Werkelijk scheen het Mevr. Weldon toe dat het land in het gezicht moest zijn, zooals het op dit stuk papier was.
En evenwel zou de Pelgrim te midden van dit witte stuk papier, op zijn juiste schaal afgebeeld, kleiner geweest zijn dan het allerkleinste der infusiediertjes! Dit mathematische punt, zonder waarneembare afmetingen, zou als verloren beschouwd zijn, zooals het werkelijk het geval was, in de onmetelijkheid van de Stille Zuidzee!
Dick Sand zelf had niet denzelfden indruk als Mevr. Weldon ondervonden. Hij wist dat het land ver verwijderd was en dat honderden mijlen niet voldoende waren om den afstand, die het van hen scheidde, te meten. Maar zijn besluit was genomen: Hij was een man geworden door de verantwoordelijkheid, die op zijn schouders rustte.
Het oogenblik om te handelen was gekomen. Men moest van deze bries uit het noord-oosten, die aanwakkerde, gebruik maken. De tegenwind had eindelijk voor een gunstigen wind plaats gemaakt en eenige “cyrrhus” wolken, hier en daar aan de kim opkomende, wezen aan dat hij althans gedurende eenigen tijd zou aanhouden.
Dick Sand riep Tom en zijn kameraden.
“Mijne vrienden,” zoo sprak hij hun toe, “ons schip heeft geen andere equipage meer dan u. Zonder uwe hulp kan ik het niet besturen. Ge zijt wel geen zeelieden, maar ge hebt goede armen: Stelt ze dan ten dienste van den Pelgrim, dan zullen we hem kunnen besturen. Ons aller heil is er mede gemoeid dat alles goed gaat aan boord.”
“Mijnheer Dick,” antwoordde Tom, “ik en mijn kameraden, wij zijn uwe matrozen. Aan goeden wil zal het ons niet ontbreken. Alles wat mannen vermogen, door u aangevoerd, zal gedaan worden.”
“Goed gesproken, oude Tom,” zei Mevr. Weldon.
“Ja, goed gesproken,” hernam Dick Sand, “maar we moeten voorzichtig zijn en ’k zal niet alle zeilen laten bijzetten, om niets in de waagschaal te stellen. Een beetje minder snelheid, maar meer veiligheid in acht te nemen, wordt ons dringend door de omstandigheden geboden. ’k Zal u aanwijzen, mijne vrienden, wat iedereen te doen staat. Wat mij betreft, ik blijf aan ’t roer, zoolang ik door vermoeidheid niet genoodzaakt wordt het over te geven. Eenige uren slaap van tijd tot tijd zijn voldoende om me weer in orde te brengen. Maar gedurende dien tijd, moet een van u me vervangen. Tom, ’k zal je wijzen hoe men op het kompas stuurt. ’t Is niet moeielijk en met een weinig oplettendheid, zult ge spoedig goed kunnen sturen.”
“Zoodra u maar wilt, mijnheer Dick,” antwoordde de oude neger.
“Komaan,” antwoordde de leerling, “blijf bij mij, aan het roer tot van avond en als ik door den slaap overmand mocht worden, zul je me al spoedig eenige uren kunnen vervangen.”
“En ik,” zei de kleine Jack, “kan ik onzen vriend Dick ook niet een handje helpen?”
“Ja, lief kind,” antwoordde Mevr. Weldon, terwijl zij Jack in hare armen drukte, “jij zult ook leeren sturen, en ’k geloof zeker dat, zoolang jij aan ’t roer zult staan, we goeden wind zullen hebben!”
“Zeker! Zeker! moeder, ’k beloof het u!” antwoordde de kleine jongen in de handen klappende.
“Ja,” zei de jeugdige leerling glimlachende, “het spreekwoord: ‘de goede scheepsjongens weten een goeden wind te houden,’ is bij onze zeelieden zeer bekend!”
Daarna wendde hij zich tot Tom en de andere negers: “Mijne vrienden,” zei hij, “we zullen volbrassen. Doe maar wat ik je zeggen zal.”
“Tot uw dienst,” antwoordde Tom, “tot uw dienst, kapitein Sand.”