← Table of contents
Dubbele Twee

VIII. „Dubbele twee.”

Reading edition

Jo en Nel voelden zich al gauw thuis in Breedega.

Ze konden het met de andere schoolkinderen best vinden. Maar groote vrienden werden ze met hun buurtjes: Klaas en Kee. Na veertien dagen zag men Jo nooit zonder Klaas en Nel nooit zonder Kee. En heel vaak waren ze met d'r vieren.

Illustration from Dubbele Twee: Leesboek voor het vierde leerjaar

Een van de grootste schooljongens had een aardigen naam voor hen gevonden.

„Kijk”, zei hij op een keer, „daar komt „dubbele twee” ook weer aan.”

Alle kinderen, die 't hoorden, lachten.

En na dien tijd noemden ze ons viertal altijd „dubbele twee.”

Het was een gepaste naam, nietwaar?

Klaas leidde Jo overal rond. Na korten tijd kende de stedeling niet alleen het dorp, maar ook de omgeving. Vooral de bosschen en het water vond hij mooi. En de weilanden ook met al die kleurige bloemen, en de akkers....

Och, eigenlijk vond hij alles mooi. En hij vond het erg aardig, dat Klaas hem zooveel liet zien en hem zooveel vertelde.

Maar Klaas fopte hem ook wel eens!

Op een middag waren ze een weiland ingegaan. Daarin liep het schaap, dat toebehoorde aan den vader van Klaas. Maar dat vertelde de guit niet.

„Wacht”, dacht hij, „nu zullen we eens een grap hebben.”

Hij en Jo liepen een heel eind de weide in. Eindelijk waren ze dicht bij het schaap gekomen. Het dier herkende Klaas en kwam naar de jongens toe.

Toen deed Klaas, alsof hij vreeselijk bang werd.

„Help, help”, schreeuwde hij, en meteen zette hij het op een loopen.

Jo werd zoo verschrikt, dat hij z'n vriend op een draf volgde.

Illustration from Dubbele Twee: Leesboek voor het vierde leerjaar

„Loop”, schreeuwde Klaas; „als het je pakt....”

Jo rilde en versnelde z'n vaart.

Het schaap liep achter de jongens aan.

„Bê, bê”, riep het. Net of 't zeggen wou: „Maar wacht dan toch eens eventjes.”

„Loop, daar komt het aan”, schreeuwde Klaas. Och, och, wat repten de jongens hun beenen. 't Was precies, of Jo nu veel harder kon loopen dan z'n vriend. Hij raakte voor, al meer en meer. Maar hij had geen tijd om eventjes om te zien.

Daardoor merkte hij niet, dat Klaas stil bleef staan, en toen lekkertjes in het gras ging liggen.

't Leek grappig, zooals Jo vluchtte. Klaas moest er hartelijk om lachen. Kijk eens aan, hij liep maar door.

Eindelijk meende Jo, dat hij 't gevaar ontkomen was.

Hij draaide zich om en—, daar begreep hij niets van. Hij zag z'n vriend liggen en 't schaap stond naast hem.

„Ben je gevallen”, schreeuwde hij. „Bijt het ook?”

Klaas stond op en danste als een dolle om het schaap heen. Allerlei vreemde geluiden stootte hij uit.

Illustration from Dubbele Twee: Leesboek voor het vierde leerjaar

„Wat mankeert dien jongen toch?” dacht het dier zeker. Het werd bang en maakte, dat het weg kwam.

„Hoera”, schreeuwde Klaas, „de vijand vlucht.”

Toen rolde hij opnieuw onderst-boven en lachte, dat zijn wangen paars werden.

„Ik heb 't gewonnen, de vijand is verslagen”, riep hij.

Eindelijk stond hij op en ging naar Jo toe.

„Hè”, zei Jo, „ik was zoo bang, dat het je kwaad zou doen. Viel je?”

„Ja”, antwoordde Klaas met een ernstig gezicht. „Maar heb je wel gezien, dat ik het aandurfde? Ik ben nergens bang voor.”

Jo kreeg grooten eerbied voor zijn vriend. Maar toen hij later merkte, dat die hem zoo mooi gefopt had, dacht hij: „Wacht maar, mannetje. Leer om leer; pak je mij, ik pak je weer.”

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings