← Table of contents
Dubbele Twee

III. Een verrassing.

Reading edition

Mevrouw Veenhof kon in de stad maar niet herstellen.

't Werd Februari; 't werd Maart; doch ze bleef maar zwak.

„U moet naar buiten, mevrouw”, zei dokter Thijssen. „Als de mooie dagen komen, moet u naar den zandgrond. Naar de bosschen om frissche lucht te happen.”

Dat zei hij ook tegen meneer Veenhof.

En weet je, wat die deed?

Hij sprak er met z'n broer over.

Meneer Veenhof en z'n broer waren kooplieden. Samen dreven ze handel en op hun winkelramen stond: „Gebroeders Veenhof.”

„Als de dokter het zegt, moet het gebeuren”, zei de broer.

„Maar m'n vrouw kan toch niet alleen gaan!”

„Wel, ga dan met je heele huishouding. Huur een woning in Overijsel of in Friesland. Dan kun jij daar voor onze zaak werken, terwijl ik hier in Amsterdam blijf.”

„Dat zou kunnen”, zei meneer Veenhof. „Daaraan had ik niet gedacht. Ik ga vandaag gauw een paar advertentie's schrijven, waarin ik een woning te huur vraag.”

Denzelfden dag deed hij het ook nog en twee weken later was de zaak voor elkaar.

Op een middag kwam meneer thuis.

„Waar zijn Jo en Nel?” vroeg hij.

„Die doen even een boodschap, maar ze komen gauw terug. Heb je ze noodig?”

„Ja”, zei meneer en hij lachte.

„Wat kijk je vroolijk, man”, zei mevrouw.

„Ik ben ook vroolijk.”

„Waarom? Toe, vertel het me eens.”

„O, ongeduldige vrouw! Nee, je moet wachten tot Jo en Nel teruggekeerd zijn.”

Nu, die kwamen spoedig.

„Dag, pa!” zei Jo.

„Dag, pa!” zei Nel.

„Dag, jongens!”

„Zijn jelui daar eindelijk”, zei mevrouw lachend.

„Eindelijk, moe? We hebben hard geloopen.”

„Maar ik heb op jullie gewacht. Pa heeft een nieuwtje en dat moest jullie ook hooren. Ik mocht het niet eerder weten. En 't is zeker goed nieuws; kijkt maar eens, hoe pa lacht.”

„Wat is het, pa?” vroeg Nel haastig.

„Ja, kind, als je dat eens wist!”

„Hoe gauwer u 't vertelt, hoe gauwer ik 't weet.”

„Wel, wel, hoor me zoo'n heks eens aan. En als je 't weet, wat doe je dan?”

„Hoe kan ik dat nou zeggen, plaaggeest!”

Nel ging op pa's knie zitten en trok hem eens aan z'n knevel.

„Als u 't niet gauw zegt....”, dreigde ze.

Pa deed precies, of hij schrok.

„Nee, nee”, zei hij, „maak geen Chinees van me. Ik zal je alles vertellen. We.... gaan.... Nou, raadt eens! Moe eerst!”

„Eten”, zei moe.

„Ja, dat ook; maar dat bedoel ik niet.”

„Naar de bioscoop”, riep Jo.

„Mis, mannetje. Nou jij nog, kleine heks!”

„Een uitstapje maken naar Haarlem.”

„Ook niet. Dan zal ik 't maar zeggen. Jelui bent toch niet slim genoeg om het te raden. We gaan.... verhuizen.”

„Verhuizen?” vroeg Nel.

„Verhuizen?” riep Jo.

„Verhuizen?” herhaalde moe.

En alle drie keken ze pa verwonderd aan.

„Maar we hebben immers een best huis”, zei Moe. „Waarvoor zullen we al die drukte maken? Je meent het toch niet, man?”

„Zeker, zeker, ik meen het.”

„Dat spijt me; waar heb je dan een huis gehuurd?”

„Ja pa, waar? In welke straat komen we nu te wonen?”

„In de hoofdstraat, moe; in de hoofdstraat, kindertjes In de hoofdstraat van het dorp Breedega. Want we gaan naar buiten: ons moedertje moet heelemaal genezen.”

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings