XI. Dina en de muis.
Reading edition
Klaas en Jo konden het best met elkaar vinden, dat weten we; maar Kee en Nel niet minder. Die hadden te zamen al heel wat gewandeld en al heel wat bekeken. En ook hadden ze te zamen al grappige avontuurtjes beleefd.
Hoort maar eens.
Kee had een muis. 't Was geen echte; neen, 't was er een van hout en ze had oogjes, die kralen waren. Die muis had vroeger kunnen springen, maar dat kon ze nu niet meer.

„'t Lijkt precies”, zei Nel; „hoe kom je er aan?”
„Van vader gekregen, toen ik jarig was.”
„Schrok je niet, toen je ze kreeg?”
„Wel nee, ik ben niet bang voor een muis.”
„Nou, ik wel hoor! En Dina dan; die is er zoo bang voor, als.... als...., nog erger dan ik.”
Toen kwam Nel wat grappigs in den zin.
„Zeg, weet je wat we moesten doen?” riep ze.
„Nee; wat dan?”
„Dina bang maken. Dan zetten we de muis in de keuken op de tafel en als Dien dan komt....”
„Ja, laten we dat doen”, zei Kee.
En weet je, wat de beide schelmen nu deden? Ze bonden een zwarten draad om den kop van het houten muisje, en zetten het zoo op de tafel. De draad ging onder 't openstaande raam door naar buiten. En daar, beneden het kozijn, lagen Nel en Kee te luisteren.

Korten tijd daarna kwam Dina de keuken binnen. Ze liep naar de tafel en....
„O!” schreeuwde ze opeens.
En meteen sprong ze wel drie meter achteruit.
„Wat is dat? Een muis? Foei, foei!”
Het muisje bleef onbeweeglijk zitten. Daardoor werd Dina een beetje moediger.
„Kss, kss, kss”, riep ze.
Maar het diertje ging niet op de vlucht.
„Wat een brutale muis”, dacht Dina.
Ze nam den stoffer en zwaaide er mee. 't Gaf niets.
Toen sloeg ze er mee op den vloer, maar de muis bleef zitten.
Eindelijk trommelde Dina zelfs op het vuilnisblik, maar niets baatte.
„Kss, kss, kss,” riep ze nog eens.
Nel en Kee hadden pret voor zes. Maar Dina begreep er niets van. Ze sloeg de rokken stijf om haar beenen en toen deed ze een stap vooruit, en toen nog een halven stap.
„Kss, kss, weg dan toch,” riep ze.
De muis keek haar met glinsterend zwarte oogjes stilletjes aan.
„Naar dier, vooruit, of ik sla je dood,” riep Dina.
Ze wist zelf wel, dat ze het toch niet durfde doen. Maar ze dacht: „Nou zal ze wel schrikken.”
Maar het muisje schrok niet.
Dina deed nog een stap vooruit, en toen...... rrtts......
Daar sprong de muis een heel eind weg.
„Help, help, mevrouw, mevrouw.... een muis....!”
Dina vloog de keuken uit, de gang door, de kamer in.
„Een muis”.... hijgde ze, „een muis....”
„Kom, kom, ze bijt je niet,” zei mevrouw. „Waar is het diertje?”
„In de keuken, mevrouw..... het zat op de tafel..... En het sprong in eens op me aan en wou me bijten....”
Dina's beenen trilden nog van den schrik.
„Ik zal eens even gaan kijken,” zei mevrouw.
„Wat is mevrouw toch dapper,” dacht Dina. Ze liep achter haar meesteres aan naar de keuken toe.
En toen ze daar kwam....
Daar stond mevrouw te lachen, en Nel lachte, en Kee lachte....
En de beide meisjes riepen: „Sliep uit, sliep uit!”

„O jullie deugnieten,” zei Dina. „Ik zal....”
Maar ze was nog niet eens uitgesproken, toen ze schreeuwde:
„O, nòg een, nòg een! Kijk eens....!”
Op een drafje liep ze naar buiten, en Nel....?
Wel die liep achter haar aan en schreeuwde even hard:
„Help, help, een muis!”
Want terwijl ze Dina stond uit te lachen, holde er eensklaps een muisje over den vloer.
En dat was nu geen houten, maar een van vleesch en bloed.
„Help, help, een muis....” schreeuwden de twee heldinnen buiten de deur.
Maar mevrouw Veenhof en Kee bleven rustig staan en lachten en riepen: „Sliep uit, sliep uit!”