XXI. Twee neuzen te zoek.
Reading edition
Toen de kinderen den IJseldijk een poosje op- en afgerend waren, gingen ze naar het Katerveer. Ze voeren ook even over de rivier heen.
„Nu staan we op de Veluwe,” zei meester.
„Leuk,” dachten de kinderen. „Nou zijn we daar ook geweest.”
En meteen stormden ze weer naar de pont.
Even later waren ze teruggekeerd in Overijsel.
In een speeltuin dronken ze chocolade en toen speelden ze er een paar uren. En Jo verwisselde er van kleeren en gaf terug, wat hij geleend had.
Ziezoo, nu was alles weer in orde!
„Vooruit”, riep meester eindelijk, „naar Zwolle terug. We moeten de groote kerk nog zien.”
Het gebeurde en alle kinderen stonden verbaasd over den mooien preekstoel. En nog meer over de wonderbaarlijke trap, die er was.
„Brr”, zei Nel, „'t lijkt wel een afgrond. Ik zou door zoo'n koker niet graag omhoog klimmen.”
„Dat mag je ook niet eens”, zei Kee. „Nietwaar, meester?”
„Ik denk ook van niet. En als de koster 't hebben wou, dan stond ik het nog niet toe. 't Is veel te gevaarlijk, en ik wil jullie mee terug nemen naar Breedega, hoor!”
„Geloof maar niet, dat wij achterblijven”, riep Nel.
„Dus bevalt het je nog al in Breedega?”
„Nou, òf!”
De tijd schoot intusschen op.
„Kinderen, we moeten naar huis terug”, zei meester. „Als we nu nog een paar straten bezien, komen we op tijd aan 't station.”
Allemaal verlieten ze de kerk en gingen in de richting van de spoorlijn. Na een klein half uur bereikten ze het station.
Gelukkig, de trein stond gereed. Maar er was tijd genoeg, om een plaatsje te zoeken.
„Haast u maar niet”, zei een conducteur. „'t Duurt nog wel een minuut of tien voor we vertrekken.”
Meester telde z'n kindertjes eens na. Hij wist wel, dat er niet een ontbrak, maar toch.... Je kon nooit weten!
Dus telde hij.
Wat was dat? Twee te weinig?
Nog eens geteld!
Opnieuw telde meester twee neuzen minder, dan er moesten zijn.
Hij schrok.
„Juffrouw, telt u ook eens! Er ontbreken twee kinderen, geloof ik.”
„Dat zult u wel mis hebben. Ik heb altijd goed opgelet, maar niemand bleef achter, of ging vooruit.”
De juffrouw telde.... Twee te weinig!
Het zweet brak den meester uit.
„Wie mist er?” riep hij. „Die moet den vinger opsteken! Och nee...., toe kinderen, kijkt eens goed rond!”
Nu zocht en telde iedereen.
„Meester, Nel is er niet,” schreeuwde Jo zoo hard hij kon.
„En Kee ook niet,” riep Klaas.
De oogen van meester en juffrouw gleden over het groepje kinderen heen. Geen Nel.... geen Kee!
„Meneer, 't wordt tijd om in te stappen,” zei de conducteur.
Meester wist niet, wat hij doen zou.
„Kinderen, stapt in,” riep hij eindelijk. „Vlug!”
Heel ordelijk ging alles toe. Zelfs de drukste jongen was nu onder een pijpedopje te vangen. Want iedereen dacht: „Hoe zal dat afloopen?”
„Juffrouw, nu gaat u met deze kinderen naar huis,” zei meester. „Ik ga de stad in om Kee en Nel te zoeken. Als ik ze gevonden heb, stuur ik dadelijk een telegram. En dan komen we met den laatsten trein terug.”
„Klets, klets,” deden de portieren.

„Past er op; klets, klets!”
De conducteur zette z'n fluitje aan de lippen....
En wie kwamen daar op het aller-laatste oogenblik nog aanstormen....?
Nel en Kee!
„Gelukkig!” riep meester.
„Gelukkig!” zuchtten een heele boel monden.
„Vlug wat!” riep de conducteur. Hij ontsloot een portier, meester en de twee meisjes stapten in, en....
Daar gilde het fluitje, daar steunde de locomotief, en daar reed de trein heen.
„Waar komen jullie van daan?” vroeg meester. Hij was kwaad.
Kee begon te stotteren: „Meester...., we...., we....”
„Vooruit, zeg op!”
„We.... we.... zijn in een.... winkel geweest....”
„In een winkel! Schaam je je niet? Begrijp je niet, hoe ongerust we waren? En jij.... jij....”
Meester begon ook te stotteren.
„En wat moest je in dien winkel? Snoepen?”
„Nee, meester,” klonk het zacht en half schreiend.
„Ja, nou zit je allebei met tranen in je oogen. Nou heb je spijt; maar je had eerder moeten nadenken. 't Is geen manier van doen. Maar je hebt nog niet geantwoord: wat moest je in dien winkel?”
„We hadden..... hadden..... nog..... niets..... voor moeder..... en toen..... toen..... hebben we.....”
„Nou, nou, houd maar op, ik hoor het al,” zei meester.
Een poosje nog bleef het stil en drukkend in den wagen.
Toen zei meester: „Nu praten we er maar niet meer over....., omdat het voor jullie moeders was..... Vooruit kinders, zingen!” Hij zelf zette in en weldra stroomde een krachtig gezang uit de openstaande portierramen.