I. Twee levenmakers.
Reading edition
't Was in 't laatst van November.
De dagen waren al kort. En ze leken nog korter, doordat de lucht meestal met donkere wolken was bedekt.
Mevrouw Veenhof zat in de slaapkamer op een stoel, waarop ze even neergevallen was. Ze had hard gewerkt, want Dina, de meid, was er niet. Die bracht een bezoek aan haar jarige moeder, een paar uren buiten de stad. Nu had mevrouw het werk alleen moeten doen en daardoor gevoelde ze zich moe.
„Hé, dat Johan en Nelly nog niet thuis zijn! De school is nu toch wel uit”, dacht ze.
Ze keek op de klok.
„Kwart over vier! Ik dacht, dat het later was; 't is al zoo donker. Maar nu zullen de kinderen er toch wel gauw zijn. Wacht, hoor ik ze daar niet?”
Haastige voetstappen klonken op de straat voor de woning. Daarna ging de deur open en klapte met een luiden slag weer toe.
De deur van de huiskamer piepte eventjes.
„Moe!” riep een meisjesstem.
Mevrouw Veenhof lachte en hield zich stil.

„Moe!” riep de stem nog eens. En toen nog eens en nog eens:
„Moe! Moe!”
„Waar zou ze zijn, Nel?” vroeg een jongensstem.
„Ik weet het niet, Jo! Toe, roep jij eens!”
Toen schreeuwde een luide, hooge stem: „Moe, waar is u?”
„Ik zal ze maar niet laten zoeken”, dacht mevrouw.
„Hier”, riep ze, „in de slaapkamer!”
Maar och, och, wat speet het haar, dat ze dat gezegd had.
„Bom, bom, bom, bom!”
Met een vreeselijk lawaai stormden Jo en Nel de trap op.
„Je schoenen, je schoenen!” riep mevrouw.
„Schoon”, riepen de kinderen, „honderd maal geveegd!”
„Ja, ja, dat zie ik. Kijk eens, de stukken modder vliegen achter jelui uit. Ondeugende kinders, dat je bent....”
Meer kon ze niet zeggen. Want Nel pakte haar van den eenen kant aan en Jo van den anderen.
„Waarom is u weggekropen? Nu zullen we u eens eventjes mores leeren!”
„Maar ik....”
„Nee, u mag niet tegenspreken; u is wel weggekropen; u wou ons foppen! Foei!”
En de ondeugden trokken aan de lachende moeder, en duwden haar, dat het schande was. Maar de moeder zelf vond het geen schande. Nee hoor, ze had de grootste pret. Ze liet wat met zich sollen, maar toen zei ze ineens:
„Dag Jo, dag Nel!”
Hé ja, dat hadden de wildzangen vergeten.
„Dag moe”, zeiden ze. En meteen gaven ze moe, wat haar toekwam.
„En nu gaan we naar beneden, hoor! Wel foei, wat heb je me moe gemaakt. Vandaag heb ik nog wel zoo hard moeten werken! Jelui had je arme moeder wat moeten sparen.”
„Gaat die arme moeder nu straks met ons naar het station?” vroeg Jo.
„Ja, arme moeder?” vroeg Nel.
„Ik geloof, dat het beter is, dat ik thuis blijf.”
„Dat meent u toch niet?” riepen twee stemmen verschrikt.
„Dat meen ik nu wèl”, zei moe. „Ik voel me niet erg lekker; ik ben moe en huiverig.”
„Och toe, laten we pa van den trein halen! Wat zal die anders wel zeggen?”
„Hij zal wel thuis komen, kinderen. Echt waar, 't is beter, dat ik binnen de deur blijf.”
„Dan mogen wij ook niet”, zuchtte Nel. „En we hadden er nog wel op gerekend. Als u uw diksten mantel aantrekt....”
Mevrouw dacht even na. Ze begreep wel, dat het voor de kinderen een heele teleurstelling was, als ze hun vader niet van den trein mochten halen.
„Dan moet het maar gebeuren”, zei ze eindelijk. „Ik zal er me goed instoppen.”