← Table of contents
De Werken van William Shakespeare

III. Shakespeare’s jeugd.

Reading edition

Shakespeare’s vader, John Shakspere, was waarschijnlijk de zoon van Richard Shakspere, een pachter van Robert Arden, en in of bij het dorp Smitterfield, op één uur afstands van Stratford gelegen, woonachtig. John Shakspere was in 1552 in de stad zelf gevestigd en woonde er in de Henley-straat, waar hij, blijkens aanteekeningen in de stadspapieren, toen samen met Humfrey Reynolds en Adrian Quyney een mesthoop (sesquinarium) in de straat oprichtte. In 1556 werd er door zekeren Thomas Siche een schuldvordering tegen hem ingediend ten bedrage van 8 pond sterling; in dit stuk wordt hij “handschoenmaker,” glover, genoemd; dat hij bovendien graanhandel dreef, blijkt uit een klacht, door hem in hetzelfde jaar tegen zekeren Henry Fyld ingediend, die hem 18 quarten gerst schuldig bleef. Hij hield zich ongetwijfeld met het landbouwbedrijf bezig, zoowel met het verbouwen van granen als met het fokken van vee, en trachtte de opbrengst van zijn landerijen en weiden op allerlei wijze van de hand te zetten, zoodat hij in graan, in wol en vee handelde, en ook vleesch en leder ter markt bracht, en het laatste ook tot handschoenen verwerkte. Dat het hem in de wereld goed ging en dat hij een wakker, bruikbaar man was, blijkt uit de stedelijke documenten. In 1556 kocht hij twee huizen, elk met een tuin, het een in de Henley-straat, het ander in Greenhill-straat; in 1557 werd hij benoemd in een commissie tot wering van plaatselijke misbruiken en ook tot keurmeester van brood en bier. Het was waarschijnlijk in het laatst van hetzelfde jaar, dat hij trouwde, en wel met Mary Arden, de zevende en jongste dochter van den een jaar te voren overleden Robert Arden, denzelfden, van wien zijn vader pachter was geweest. Hij deed er een goed huwelijk mede, want de Ardens waren een welgestelde en in Warwickshire zeer geachte familie; zij bracht hem onder andere een huis met landerijen aan, Ashbies geheeten en onder Wilmecote (Wincott) gelegen. In 1558 werd hem een dochter geboren, die den naam Johanna ontving en waarschijnlijk jong gestorven is, in 1562 een dochter Margaretha, die slechts weinige maanden oud werd.

In April 1564 werd hem zijn derde kind, zijn oudste zoon, geboren; het doopboek van de kerk der Heilige Drieëenheid vermeldt als gedoopt:

“1564, April 26, Gulielmus filius Johannes Shakspere.” De geboortedag van “William, zoon (van) John Shakspere,” is onbekend; men heeft er 23 April voor gelieven aan te nemen, doch ongetwijfeld ten onrechte; men behoeft niet zonder bepaalde reden te onderstellen, dat het kind zoo jong gedoopt werd, en bovendien is dit in tegenspraak met het onderschrift, dat onder zijn buste in de kerk gebeiteld is. Men leest daar, dat hij stierf in het jaar onzes Heeren 1616, in zijn 53ste jaar, den 23 April: Obiit Ano Doi 1616, Ætatis 53, die 23 Apr. Ware hij juist op zijn verjaardag gestorven, dan zou deze bijzonderheid, en niet, dat hij in zijn 53ste jaar was, in het opschrift vermeld zijn. Zijn verjaardag valt dus zeker vóór 23 April. Overigens zij opgemerkt, dat al de dagteekeningen hier volgens den ouden stijl zijn medegedeeld en naar onze rekening tien dagen later zouden vallen; voor 26 April leze men, als men naar den nieuwen stijl rekenen wil, die in Engeland eerst 2 September 1772 ingevoerd werd, 6 Mei.

Het eerste levensjaar was voor den jeugdigen William bijzonder hachelijk, want een boosaardige epidemische en besmettelijke ziekte woedde te dien tijde in Engeland; zij had zich verbreid van Newhaven, waar de soldaten, die van den oorlog in Frankrijk terugkeerden, opgehoopt waren geweest. In 1562 en 1563 stierven er in Londen, in de city en de aangrenzende kerspelen 20136 menschen aan; in 1564 woedde deze “pestilentie” in Stratford allerhevigst: van 30 Juni tot 31 December sleepte zij er, volgens de opgave van Knight, 238 inwoners, een vijfde der bevolking, ten grave. Het huis van John Shakspere bleef verschoond; men vindt alleen vermeld, dat hij op 30 Augustus twaalf, op 6 en 27 September telkens zes, op 20 October acht stuivers tot ondersteuning der armen te betalen had.

In de eerstvolgende jaren bleef het Sh.’s vader voortdurend in de wereld goed gaan. In 1565 werd hij gekozen tot alderman en was dus een van de veertien uitverkorenen der gemeente, in 1568 werd hij voor een jaar high bailiff of mayor van Stratford, in 1571 voor een jaar chief alderman, wat hem het recht gaf voortaan Mr.—Master, Magister—genoemd te worden. Ook wat geldelijke aangelegenheden betreft, was hij ongetwijfeld voorspoedig; aangeteekend vindt men, dat hij in 1565 tweemaal borg was voor Richard Hathaway, en dat hij in 1575 het thans als des dichters geboortehuis bekend staande huis met tuin en boomgaard voor 40 pond sterling aankocht. Wat zijn gezin aangaat, werd hem in 1566 zijn tweede zoon, Gilbert, geboren, in 1569 zijn derde dochter, die weder den naam Johanna ontving, in 1571 zijn vierde dochter, Anna, die in 1579 stierf, in 1573 zijn derde zoon, Richard, die in 1613 overleed, in 1580 zijn vierde zoon Edmund, die later tooneelspeler werd bij hetzelfde gezelschap, waartoe zijn broeder William behoorde.

Vóór wij Shakespeare tijdens zijn verblijf als jongeling te Stratford verder nagaan, moeten wij even weder een blik werpen op de omstandigheden zijns vaders. Een paar jaar na zijn huisaankoop in de Henley-straat geraakte deze in financiëele moeilijkheden; in 1577 werden de bezittingen, die zijn vrouw hem aangebracht had, gedeeltelijk verkocht, gedeeltelijk in pand gegeven om geld te bekomen; bij den omslag voor de kwijting van stedelijke uitgaven werd hij voor een verminderd bedrag aangeslagen of geheel vrijgesteld; hij verzuimde de zittingen, die hij als magistraatspersoon had bij te wonen. Het kan zijn, dat de moeilijkheden slechts van voorbijgaanden aard waren, dat hij te veel ondernomen had en daardoor moeite had aan zijn verplichtingen te voldoen. Was dit het geval, dan duurden toch de moeilijkheden vrij lang of keerden telkens terug; ten minste in 1586 liep hij gevaar wegens schuld gegijzeld te worden en viel ook het besluit, dat hij ophield, alderman te zijn, daar hij sinds lang de vergaderingen niet meer bijwoonde; ja, het is zelfs waarschijnlijk, dat hij een poos in gijzeling heeft doorgebracht. Misschien ook, dat hij zich te veel met zijn landbouwondernemingen bezighield om zijn ambtsbetrekking waar te nemen, doch dan heeft hij niet de beste manier gekozen om er van ontslagen te worden. Het is mogelijk, dat hij niet geheel verarmd is, want van den verkoop zijner huizen in Stratford blijkt niets, maar in 1592 komt zijn naam toch voor op een lijst van personen, die de kerk niet bezochten, en wordt bij hem als reden opgegeven, dat hij wegens schuld, dus misschien uit vrees van buitenshuis gegijzeld of lastig gevallen te worden, afwezig bleef. Hoe dit zij, men mag wel aannemen, dat de vroegere welvaart verdwenen was en dat het hem moeilijk moest vallen, aan zijn oudsten zoon uitzicht op een goede positie in de maatschappij te verschaffen.

Heeft Shakespeare dus in zijn jongelingsjaren ongetwijfeld een goed deel van zijn tijd buiten doorgebracht, men behoeft geenszins aan te nemen, dat alle letterkundige oefeningen werden nagelaten. Boeken waren in die dagen schaarsch, en waar de vader in de schrijfkunst onervaren was, zullen er wel niet vele over den vloer zijn geweest. Maar geheel behoefden zij niet te ontbreken. Shakespeare had zeker nog enkele boeken, b. v. de Metamorphosen van Ovidius, uit zijn schooltijd overgehouden, en in zijn oudste stukken treft men te veel herinneringen uit Latijnsche schrijvers aan, om niet te gelooven, dat deze nog van tijd tot tijd ter hand werden genomen. Ongetwijfeld was er ook een bijbel aanwezig, en Shakespeare geeft genoeg bewijzen, dat hij dezen kent, om te doen vermoeden, dat hij er meermalen in las en de poëzie er van genoot. Maar van nog een ander boek mag men aannemen, dat het door hem gelezen, ja vlijtig beoefend werd: de kroniek van Holinshed; hij is er zoo goed in thuis, dat hij waarschijnlijk vroegtijdig met de lezing er van begonnen is, en dan kon de nabijheid van het groote, indrukwekkende kasteel van Warwick allicht aanleiding geven, dat hij zich met de geschiedenis van den geweldigen graaf, den grooten koningmaker, nader bekend wilde maken, en dus de geschiedenis van Koning Hendrik VI beoefende, het onderwerp, dat hij in eenige zijner eerste stukken ten tooneele gebracht heeft. Of hij in dezen tijd, van zijn schooljaren af tot zijn achttiende jaar, reeds gedichten gemaakt heeft, is niet te beslissen, maar is dit het geval, dan zal het bij enkele dichtproeven, waarvan ons niets bewaard is, gebleven zijn; dat hij aan eenig tooneelwerk zou gearbeid hebben, valt niet te denken, en evenmin heeft hij toen reeds Venus en Adonis ondernomen; tot het schrijven van grootere gedichten zal hij waarschijnlijk eerst gekomen zijn, toen hij zich in een anderen kring bewoog en taal en versbouw reeds meester was geworden; dat de bovengenoemde lectuur hem ongemerkt ter voorbereiding strekte voor zijn latere loopbaan, is al wat men vermoeden kan.

Vraagt men, of herinneringen uit zijn jeugd kunnen medegewerkt hebben, om hem later zijn loopbaan te doen kiezen, dan kan gewezen worden op de bezoeken, die reizende tooneelspelers van tijd tot tijd aan Stratford brachten. Er waren langzamerhand verscheiden vaste tooneelgezelschappen in Engeland ontstaan, die, om bij voorkomende gelegenheden niet als schelmen en vagebonden beschouwd en behandeld te worden,—en zulk een behandeling was toen ter tijd niet zacht,—de bescherming zochten van den een of anderen grooten heer, die door betaling eenigszins in hun behoeften te gemoet kwam en voor wien zij van tijd tot tijd speelden; wanneer zij dan het land afreisden en hier en daar hun voorstellingen gaven, waren de open brieven van den beschermheer, naar wien zij zich noemden, hun tot aanbeveling. Zoo waren er de troepen van de Koningin, van de Graven van Leicester, Warwick, Nottingham, Sussex, Essex, Derby, Hertford, Pembroke en Worcester, van de Lords Strange, Howard en Clinton, van den Lord Kamerheer, den Lord Admiraal, van Sir Robert Law. Verscheidene dezer gezelschappen traden ook te Stratford op. In 1569 kwamen daar de tooneelspelers der Koningin en van den Graaf van Worcester, in 1573 die van den Graaf van Leicester, in 1574 die van de Graven van Warwick en Worcester, in 1577 die van de Graven van Leicester en van Worcester, in 1579 die van Lord Strange en van den Graaf van Essex, in 1580 die van den Graaf van Derby, in 1587 die der Koningin. Bij zulk een gelegenheid werd er aan de spelers uit de stadskas een belooning uitgekeerd, die nog al uiteen kon loopen; zoo ontvingen in 1569, toen John Shakspere eerste magistraatspersoon was, de spelers van de Koningin (het gezelschap namelijk, niet ieder speler) negen shillings, die van den Graaf van Worcester twaalf stuivers; andere uitkeeringen vindt men geboekt van vijf, zes, acht, veertien, ja, van zeventien shillings: het waren de spelers van den Graaf van Warwick, die in 1574 de laatstgenoemde som ontvingen. Waarom deze belooningen uit de stadskas gekweten werden, wordt duidelijk uit de aanteekeningen van zekeren R. Willis, die in hetzelfde jaar als William Shakespeare geboren was en in een klein boekje, Mount Tabor, in 1639 de volgende herinnering uit zijn kindsheid medegedeeld heeft. “In de stad Gloucester (en zoo ik meen ook elders) is het gewoonte, dat, als spelers van tusschenspelen (interludes) in de stad komen, zij eerst hun opwachting bij den Mayor maken, om hem te melden, van welken edelman zij de dienaars zijn, en verlof te erlangen tot spelen in het openbaar; en als de tooneelisten den Mayor bevallen of deze zijn eerbied wil toonen voor hun heer en meester, bestelt hij hen om een eerste voorstelling te geven voor hemzelf, de aldermannen en verdere overheidspersonen der stad; en dit wordt de voorstelling voor den Mayor genoemd, waar ieder, die er gebruik van wil maken, kosteloos komt, terwijl de Mayor hun een belooning geeft naar zijn goedvinden, om zijn tevredenheid te betuigen”. Willis verhaalt verder, dat zijn vader hem medenam naar zulk een vertooning en, zelf op een der banken plaats nemende, hem tusschen zijn knieën liet staan, zoodat hij uitmuntend kon zien en hooren. Het stuk, dat de boozen der wereld voorstelde, vertegenwoordigd door een vorstelijk gekleed persoon, die eerst bezocht werd door drie vrouwen, Hoogmoed, Hebzucht en Weelde, en daarna weggesleept door twee oude mannen, den Jongsten Dag namelijk en het Oordeel, had blijkbaar een diepen indruk op den knaap gemaakt, daar hij zich de vertooning op zijn ouden dag nog in bijzonderheden herinnerde.—Men kan vermoeden, dat het in Stratford op gelijke wijze is toegegaan, en zich voorstellen, dat de Mayor, John Shakespeare, misschien zijn vijftienjarigen zoon naar de schouwburgzaal, de ruime zaal, die wel driehonderd toeschouwers kon bevatten, beneden het lokaal der Grammar School, heeft medegenomen en tusschen zijn knieën liet staan om het schouwspel, dat grootendeels, zoo niet geheel, een stomme vertooning of dumb show was, te genieten. Hoe dit zij, uit het boven medegedeelde blijkt, dat de jeugdige Shakespeare tot 1580, dus tot zijn zestiende jaar herhaalde malen in de gelegenheid was tooneelvertooningen bij te wonen; dat hij er gebruik van gemaakt zal hebben, valt wel niet te betwijfelen, want van zulke feestelijkheden zal in Stratford wel niemand weggebleven zijn, die kans zag er bij te komen en niet door puriteinsche gemoedsbezwaren werd weerhouden.—Nog een andere vertooning kan hij bijgewoond hebben op elfjarigen leeftijd. Toen, in 1575, was koningin Elizabeth de gast van haar gunsteling Robert Dudley, graaf van Leicester, op zijn prachtig slot Kenilworth, op vrij korten afstand van Stratford gelegen. Velen stroomden naar de prachtige feesten toe, want verscheiden vertooningen in de open lucht konden door tal van toeschouwers genoten worden. Waarom zou John Shakspere, die toen zeker nog in goeden doen was, er ook niet heengetogen zijn en zijn flinken knaap niet hebben meegenomen? Er is één bijzonderheid, die dit zelfs waarschijnlijk maakt. Meren kwamen bij de vertooningen te pas; Triton was er te zien, zoo wordt bericht, in de gedaante van een meermin en zwom naar haar koninklijke majesteit. Arion verscheen er op een dolfijn, en zong een lied, een wonderzoet gedicht en wonderliefelijk voorgedragen, met schoone begeleidende muziek, zoodat de beschrijver geen woorden kan vinden om al de voortreffelijkheid er van te schilderen, maar een beroep doet op de verbeeldingskracht zijner lezers. En nu sla men den “Midzomernachtdroom” op (II. 1. 148.) en leze er, wat Oberon tot Puck zegt:

“Mijn waarde Puck, kom hier; gij weet nog wel, Hoe ik eens op een voorgebergte zat, En een meermin er zag op een dolfijn, Die zulke schoone melodieën zong, Dat haar gezang de woeste zee bedwong, En meenge ster dol uit haar baan verschoot, Om ’t lied der maagd te hooren. Terzelfder tijd zag ik,—gij kondt het niet,— Cupido vliegen tusschen aarde en maan, Met pijl en boog; hij mikte, scherp en lang, Op een Vestale, tronend in het west, En dreef zijn liefdeschicht met zooveel klem, Alsof ’t wel honderdduizend harten gold; Maar ’k zag de vuurge schicht des jongen gods In ’t kuische licht der vochte maan gebluscht, De hooge priesteresse ging haar weg, In maagdlijke overdenking, ongedeerd.”

Is het te veel gewaagd, als wij vermoeden, dat de dichter bij deze beschrijving zich de feesten van Kenilworth voor den geest heeft gesteld en dat hij deze niet uit berichten of verhalen, maar wel degelijk uit eigen aanschouwing kende?

De overlevering weet nog een bepaalde reden op te geven, waarom hij Stratford vaarwel heeft gezegd. De jonge man, bij de geboorte zijner tweelingen nog geen een-en-twintig jaar oud, zou in het loszinnig gezelschap geraakt zijn van jongelieden, die zich meermalen aan stroopen schuldig maakten. Zoo zou hij meer dan eens met hen hebben meegedaan en in het park van Sir Thomas Lucy, van Charlcote bij Stratford, op herten gejaagd hebben. “Daarom werd hij”, volgens het bericht van Rowe, die ongetwijfeld de mededeelingen van den tooneelspeler Betterton volgde, “door dien edelman vervolgd en wel, naar hij oordeelde, te streng; en om zich over deze verongelijking te wreken, maakte hij een liedje op hem. En hoewel dit liedje, waarschijnlijk zijn eerste dichtproeve, verloren is gegaan, wordt het gezegd zoo bitter geweest te zijn, dat de vervolging tegen hem nog verscherpt werd en hij verplicht was zijn zaken en zijn gezin in Warwickshire voor eenigen tijd te verlaten en in Londen een schuilplaats te zoeken.”

Doch genoeg over de redenen, die Shakespeare drongen zijn vaderstad te verlaten; in Londen gaat hij de loopbaan betreden, die hem naar den tempel des roems heeft gevoerd. Van nu af kunnen wij zijn geschiedenis beoefenen met behulp van de documenten, die hijzelf ons in zijn werken heeft nagelaten.

A parliament member, a justice of peace, At home a poore scare-crowe, at London an asse; If lowsie Is Lucy, as some volke miscalle it, Then Lucy is lowsie, what ever befalle it: He thinkes himselfe greate, Yet an asse in his state We allow by his eares but with asses to mate. If Lucy is lowsie, as some volke miscalle it, Sing lowsie Lucy, what ever befalle it.

Notes in this chapter

Note 1 · In 1558 werd hij lid van de jury of the courtleet, alsook constable, in 1559 weder constable en ook affeeror; in 1561 weder affeeror en een Note 2 · In Florio’s vertaling van Montaigne, sinds 1838 op het Britsch Museum; deze handteekening is bijzonder duidelijk.Note 3 · Aangehaald in “Veel Gemin, geen Gewin” IV. 2. 96.Note 4 · Men moge hiervoor de Appendix van Schmidt’s Shakespeare-lexicon naslaan, en wel afdeeling III, Words and sentences taken from foreign languaNote 5 · Men zie hierover de mededeeling van F. A. Leo in het Shakespeare-Jahrbuch, Band XVI (1881), blz. 367.Note 6 · “Venus en Adonis”, strofe 51.Note 7 · “Venus en Adonis”, strofe 50.Note 8 · Men zie “Eene snibbe getemd”, I. 2. 81 en III. 2. 49.Note 9 · Men zie “Hamlet”, IV. 7. 86 en “Een Minneklacht”, strofe 16. De aanhalingen zouden gemakkelijk te vermenigvuldigen zijn. Een geestig opstel Note 10 · “Venus en Adonis”, strofe 113–118.Note 11 · In het testament van Richard Hathaway, die in September 1581 stierf, wordt echter Anne niet genoemd.Note 12 · Note 13 · Men vergelijke nog de aanteekening op I. I. 16 van “De vroolijke Vrouwtjes van Windsor”.Note 14 · Middelerwijl werden aan John Shakspere telkens nieuwe stedelijke betrekkingen opgedragen1. Dat hij hiertoe geschikt gerekend werd, moet ons Note 15 · Dat het doopboek den naam Shakspere schrijft, behoeft geenszins te verwonderen; het is de zuivere schrijfwijze van den naam, zooals hij in WNote 16 · Bij den welstand, waarin zijn vader verkeerde, en de betrekkingen, die hij bekleedde, is er geen twijfel aan, of den jongen William viel de Note 17 · Dat de gezonde, slanke, flink gebouwde knaap, met groote, heldere, bruine oogen, groote vatbaarheid om te leeren bezat en geenszins tot de aNote 18 · Wat ging William Shakespeare doen, waarop ging hij zich toeleggen, toen hij, waarschijnlijk op zijn veertiende, vijftiende of zestiende jaarNote 19 · Doch genoeg vermoedens; ik wil thans onderstellen, wat zeker gebeurd is, namelijk, dat de blonde, bruinoogige knaap den leeftijd van achttieNote 20 · Dit bericht van Rowe wordt van een andere zijde bevestigd. De Reverend Richard Davies, rector te Sapperton in Glocestershire (gestorven 1708Note 21 · Van het spotdicht, waarvan Rowe zegt, dat het verloren is gegaan, heeft Steevens het eerste couplet medegedeeld naar de aanteekeningen in ha
Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings