XI. Shakespeare’s laatste levensjaren en dood. Zijn nalatenschap.
Reading edition
Uit dit alles is men wel gerechtigd af te leiden, dat de omgang met de zijnen Shakespeare’s geest niet kon bevredigen. Het beheer van zijn uitgestrekte bezittingen, het werken in zijn grooten tuin, het gadeslaan van de schoone natuur, waar hij van der jeugd af gemeenzaam mee was, het spreken met menschen van allerlei rang en bedrijf, de omgang met enkele bekenden of vrienden zullen den lust van zijn leven hebben uitgemaakt. Dat hij in zulk een omgeving zich nog met het schrijven van tooneelwerken heeft beziggehouden, is inderdaad niet aan te nemen, en dit is wel een gegronde reden te achten voor het vermoeden, dat hij zich niet vóór 1613 in zijn geboorteplaats voor goed heeft gevestigd.
Waarschijnlijk had Rowe dit van den tooneelspeler Betterton vernomen; doch hoe ook, aan de geloofwaardigheid van de mededeeling valt niet te twijfelen. Het lezen van Shakespeare’s geschriften kan ons hiervan de overtuiging geven, en dit te meer, daar wij weten, dat zij niet met moeite na herhaalde verbeteringen, hun vorm verkregen, maar hem gemakkelijk uit de pen vloeiden, zooals zijn twee vrienden, door wie zij zijn uitgegeven, verklaren. Wanneer wij zien, hoe hij op geestige wijze den spot drijft met valsch haar en met blanketsels, met eigenwaan en zwetsen, hoe nauwkeurig hij de eigenaardigheden en zwakheden der menschen weet af te beelden en ten toon te stellen, hoe hij uitwerkt, dat de wereld vaak door vertoon bedrogen wordt, dan kunnen wij nagaan, dat hij ook in den dagelijkschen omgang met de eigenaardigheden en zwakheden der menschen op vermakelijke wijze geschertst en gespot zal hebben. En tevens kunnen wij zeker wezen, dat hij de scherpte zijner opmerkingen met een goedhartigen lach wist te temperen. Wij zijn ook gerechtigd aan te nemen, dat hij in het beoordeelen van menschen en zaken de juiste maat wist in acht te nemen en de billijkheid te betrachten, want wij zien in zijn werken, hoe hij niet alleen het onderscheid tusschen goed en kwaad in het licht stelt, maar ook de verborgen roerselen van ’s menschen handelingen bloot legt en de noodlottige gevolgen van eenzijdigheid en overdrijving doet uitkomen. Hij kende de wereld; hij had zich in het groote en woelige Londen bewogen, dat zoo velen zijner vakgenooten als in een draaikolk medesleepte en zinken deed; ook hij had waarschijnlijk,—zijn geschriften zelf geven grond tot dit vermoeden,—een tijd gehad, dat hij aan de verlokkende stem der verleiding gehoor gaf, doch hij had zich leeren beheerschen; hij wist wederstand te bieden, zijn doel steeds in ’t oog te houden en een veilige haven te bereiken. Van zoo iemand, wien niets menschelijks vreemds was, is het niet te verwonderen, dat zijn beoordeeling van de menschen en hun handelingen juist en billijk, maar tevens, zoodra hier aanleiding toe bestond, zachtmoedig was. Zoo toont hij zich in zijn werken, en zoo was hij ongetwijfeld ook in den omgang met zijn vrienden. Bij het aandachtig en omzichtig lezen zijner geschriften kan men menigen karaktertrek van hem ontdekken en tot de uitkomst geraken, dat hij een beminnelijk mensch moet geweest zijn, wiens omgang, zoowel door zijn veelzijdige kennis en zijn opmerkingsgeest, als door zijn liefde voor dichtkunst, muziek, schilder- en beeldhouwkunst belangrijk, onderhoudend en aangenaam was. Men moet zich natuurlijk wel wachten, de uitingen zijner personen voor het persoonlijk gevoelen des dichters te houden. Shakespeare bezat in de hoogste mate het vermogen, dat de dramatische dichter hebben moet, van zich als het ware te vereenzelvigen met de personen, die hij ten tooneele voert; hij laat in hetzelfde stuk Othello, Jago en Desdemona, of Lear, Edgar, Edmond en Cordelia, of Heetspoor, prins Hendrik en Falstaff, ieder zoo spreken, als met zijn natuur overeenkomt. Maar al blijft hij in den regel verscholen achter de personen van het stuk, meermalen toch legt hij hun uitingen in den mond, waarin meer de lyrische, dan de dramatische dichter spreekt en ongetwijfeld zijn eigen meening wordt uitgedrukt. Wel weet hij ook hier maat te houden en zorg te dragen, dat het geheel er niet onder lijdt en de voortgang van het stuk er niet door belemmerd wordt, doch zeldzaam zijn zulke uitingen niet; onder andere mag de beroemde plaats, waarin Portia op het oefenen van genade aandringt, er onder gerekend worden. Zoo is het dan mogelijk, bij het nauwkeurig en met oordeel lezen van Shakespeare’s werken, menigen karaktertrek van hem op te merken en hem niet alleen als dichter, maar ook als mensch nader te leeren kennen. Men zal dan bevinden, dat de dichter, die door zijn gezonde levensbeschouwing en door zijn diepe menschenkennis het oordeel over goed en kwaad kan scherpen, het gevoel er voor kan verfijnen, tot maathouden in alle dingen kan aansporen en de zedelijke kracht des menschen kan verhoogen, ook om zijn persoonlijke hoedanigheden en zijn karakter een gids voor het leven verdient genoemd te worden.
Ongetwijfeld heeft geen zinsnede in het testament zoo de aandacht getrokken als die, waarin hij aan zijn vrouw zijn op één na ’t beste bed vermaakt. Men heeft geoordeeld, dat zij hiermede erg kaal werd afgescheept. Doch ten onrechte. Hij behoefde voor zijn vrouw niet te zorgen; door de wet, die aan Shakespeare beter bekend was dan aan velen van zijn verklaarders, ontving zij genoeg. Van al de huizen en landerijen, die zijn volle eigendom, zoogenaamd freehold, waren, trok zij levenslang een derde der inkomsten, en de woning New Place, met schuren en ruimen tuin, het huis in Henley street, de landerijen onder Old Strafford en elders leverden haar zeker meer dan het noodige op. Shakespeare verlangde, dat zijn goederen bijeen bleven, en waakte op de in Engeland gebruikelijke wijze tegen alle versnippering; hiertoe werden ook zijn huisraad en zijn kostbaarheden aan zijn oudste dochter en haar echtgenoot vermaakt. Het beste bed, dat meest voor bezoekers bestemd werd, werd waarschijnlijk een zoo belangrijk deel van den inboedel gerekend, dat het als familiebezit van het overige huisraad niet gescheiden werd en steeds van vader op zoon overging. Was dit inderdaad het geval, dan was het op één na ’t beste bed geen gering legaat te achten, vooral niet, als niet enkel het bed, maar ook het ledikant bedoeld is, want deze meubels waren dikwijls keurig afgewerkt en met snijwerk versierd. Bovendien werden in dien tijd allerlei voorwerpen aan nabestaanden vermaakt, zooals ketels, stoelen, mantels, hoeden, tinnen kroezen, vergiettesten, veeren kussens. In het jaar 1642 achtte zekere John Shakespeare van Budbrook, nabij Warwick,—geen familie van den dichter,—zich behoorlijk van zijn plicht der dankbaarheid jegens zijn schoonvader te kwijten, door aan dezen “zijn beste laarzen” te vermaken.
Of Shakespeare’s weduwe bij haar kinderen, Susanna en Dr. Hall, is blijven wonen, en of deze misschien reeds vroeger, bij huns vaders leven, in New Place hun intrek hadden genomen, is onbekend. Zij overleefde haar man zeven jaren en stierf 6 Augustus 1623, in den ouderdom van zeven-en-zestig jaren; zij werd dicht bij haar echtgenoot, in het koor der kerk, begraven.
Hoeveel zorg Shakespeare ook gedragen had, dat zijn bezittingen bijeenbleven en zijn geslacht in zijn geboortestreek zou voortleven, zijn pogingen zijn ijdel gebleken. Zijn dochter Susanna overleefde haar echtgenoot John Hall, die in 1635, zestig jaar oud, stierf; zij overleed, zes-en-zestig jaar oud, in 1649. Elizabeth Hall, in Sh.’s testament genoemd, is het eenig kind harer ouders gebleven; zij was in 1626 met Thomas Nashe gehuwd, die in 1647 stierf; zij hertrouwde in 1649 met een weduwnaar, John Barnard doch bleef kinderloos, en stierf in 1670.—Zijn dochter Judith, gehuwd met Thomas Quiney, een wijnhandelaar, wien het in de wereld aanvankelijk goed, doch later, van 1630 af, lang niet voordeelig ging, heeft haar drie kinderen, allen zoons, overleefd; de oudste, Shakespeare genoemd, stierf binnen ’t jaar, de twee anderen, toen zij 20 en 19 jaren oud waren; zijzelf overleed in Februari 1662. In minder dan vijftig jaren na Shakespeare’s dood was zijn laatste afstammeling gestorven.—Alleen in de afstammelingen zijner zuster Johanna, wier echtgenoot, William Hart, weinige dagen voor Shakespeare gestorven was, bleef zijn geslacht leven.—Van Elizabeth Hall, gestorven als weduwe Barnard, weten wij zoo goed als niets. Wat er na haar dood met de vroegere eigendommen van den grooten dichter gebeurde, behoeft hier niet nagegaan te worden; alleen zij vermeld, dat zoowel het huis van Shakespeare’s vader, waar de dichter menig jaar zijner jeugd heeft doorgebracht, als het erf met de grondvesten zijner eigen woning, New Place, thans aan de gemeente Stratford behooren, het eerste sinds geruimen tijd, het laatste door de goede zorgen van Mr. Halliwell, sedert 1862.
Behalve het borstbeeld bezitten wij nog een afbeelding van Shakespeare in de kopergravure van Martin Droeshout, welke geplaatst is voor de folio-uitgave zijner gezamenlijke tooneelwerken, van 1623; zij is ook in de volgende drie folio-uitgaven van dezelfde plaat afgedrukt. Er staat een vers tegenover van Ben Jonson, waarin verklaard wordt, dat de graveur met de natuur een strijd had aangegaan om het leven te overtreffen, en dat, als hij even goed Shakespeare’s geest had kunnen afbeelden, als hij zijn gelaat getroffen had, zijn prent alles zou overtreffen, wat ooit in koper gegrift was. Jonson verklaart dus, dat er gelijkenis bestaat. De graveur heeft zeker getracht het hooge fraai gewelfde voorhoofd, de schoone oogen, den regelmatigen neus, den fraai gevormden mond nauwkeurig na te bootsen, maar het is hem niet gelukt een goed geheel te leveren; ja, de afbeelding van het voorhoofd is zelfs geheel mislukt. Toch moet, zoo men het portret nauwkeurig nagaat en bij herhaling beziet, mijns inziens erkend worden, dat het, hoe gebrekkig de uitvoering ook zij, wellicht van het wezen des dichters trekken genoeg teruggaf, om Jonson’s betuiging eenigermate te rechtvaardigen. Vergelijken wij het met het borstbeeld van Stratford, dan vinden wij eenige overeenstemming, met name in het hooge, gewelfde voorhoofd, dat door kaalheid nog iets hooger wordt, in het lange haar, dat over de ooren gekruld is, en nog in enkele andere bijzonderheden; doch het borstbeeld verschilt zeer door den vorm van den neus,—misschien heeft de beeldhouwer daar toevallig wat te veel van het zachte gesteente weggenomen,—door de zeer regelmatig gebogen wenkbrauwen, die aan de geschilderde wenkbrauwen van vele poppen doen denken, door den vorm van den mond en in enkele andere opzichten. De verschillen laten zich wel verklaren; als de beeldhouwer aan de ingevallen trekken van het lijk leven heeft willen verleenen, het gelaat wat voller heeft gemaakt, den mond tot een glimlach gevormd, de oogen geopend en de wenkbrauwen iets opgetrokken, is het niet te verwonderen, dat het borstbeeld een anderen indruk maakt dan de gravure, al zijn beide naar één model genomen. Portretten, naar denzelfden persoon door verschillende, zelfs zeer bekwame teekenaars geschilderd, kunnen onderling groote afwijkingen vertoonen. En men vergelijke eens de portretten van Napoleon met het gipsafgietsel, op het gelaat van zijn lijk afgevormd!
Het borstbeeld en de gravure zijn de eenige afbeeldingen, van welke men zeker weet, dat zij Shakespeare moeten voorstellen. Er zijn verscheiden geschilderde portretten van personen met hoog voorhoofd, die voor afbeeldingen van Shakespeare doorgaan; het bekendste is het portret, eens in het bezit van den hertog van Chandos, thans in de nationale schilderijenverzameling (National gallery). Doch van geen enkel is de echtheid te bewijzen.
Met de beschouwing van den vorm en den toestand, waarin Shakespeare’s dramatische nalatenschap tot ons gekomen is, worde dit overzicht over zijn leven en werken besloten.
Verreweg het grootste gedeelte der titelbladzijde wordt ingenomen door de reeds besproken beeltenis, gegraveerd door Martin Droeshout. De titel staat er boven:
Mr. William Shakespeares
Comedies Histories & Tragedies.
Published according to the True Original Copies.
Beneden het afbeeldsel staat:
London,
Printed by Isaac Iaggard, and Ed. Blount. 1623.
Tegenover den titel staat het vers van Ben Jonson, “Aan den Lezer”, waarin hij het portret als welgelijkend roemt, doch den lezer vooral naar het boek verwijst.
Op den titel volgt de nederig gestelde toe-eigening:
“Aan het hoogst edel en onvergelijkelijk broederpaar, William, Graaf van Pembroke, en Philip, Graaf van Montgomery”. Een paar zinsneden moeten aan deze opdracht ontleend worden: “Uwe edelheden hadden zooveel behagen in de afzonderlijke stukken, als zij gespeeld werden, dat reeds vóór zij het licht zagen, het boek vroeg, aan u te mogen toebehooren. Wij hebben ze slechts bijeenverzameld en den doode den liefdedienst bewezen, van aan zijn weezen voogden te verschaffen, geenszins uit verlangen om zelf voordeel of roem te verwerven, maar alleen om het aandenken van zulk een treffelijken vriend en kunstgenoot, als onze Shakespeare was, levendig te houden, door zijn tooneelwerken eerbiedig aan uw hoogstedele bescherming aan te bieden.”
Op deze toewijding volgt het woord tot den lezer
“Aan de groote verscheidenheid van Lezers.”
“Van den bekwaamste af tot hem toe, die slechts spellen kan. Hiermede zijt gij allen geteld; liever hadden wij, dat gij gewogen waart. Vooral daar het lot van alle boeken van uw bevattelijkheid afhangt, en niet slechts van die uwer hoofden, maar ook van die uwer beurzen. Komaan! het is nu in het licht, en gij zult,—dit weten wij,—op uw rechten staan: van te lezen en te beoordeelen. Doet dat, maar koopt het eerst! Dit is de beste aanbeveling voor een boek, zegt de boekverkooper. Dan, hoe verschillend ook uw hersenen of uw wijsheden zijn, neemt allen gelijke vrijheid en spaart niet. Oordeelt naar uw sixpencewaarde, uw shillingswaarde, uw vijfshillingswaarde, om in eens op te slaan; of hooger, als gij maar tot het juiste peil stijgt, en weest welkom! Doch wat gij ook doet, koopt! Oordeelvellen brengt geen handel vooruit en geen braadspit aan het draaien. En al zijt gij een overheidspersoon in schranderheid, en al zit gij op het tooneel, of gelijkvloers, in Blackfriars dagelijks over stukken ten gerichte, weet, dat deze stukken hun verhoor reeds gehad hebben en door alle hoogere beroepen heen zijn, en zij komen nu voor den dag, vrijgesproken, veeleer door een besluit van een hof, dan door deze of gene gekochte aanbevelingsbrieven.
“Het ware, wij erkennen het, zeer te wenschen geweest, dat de schrijver zelf in leven ware gebleven om zijn eigen geschriften uit te geven en na te zien. Doch daar het anders besloten was, en hij door den dood van dit recht verstoken is geworden, zoo bidden wij u, benijdt zijn vrienden de taak vol zorg en moeite niet, van ze bijeenverzameld en uitgegeven te hebben, en zóó uitgegeven te hebben, terwijl gij vroeger misleid werdt met verschillende gestolen, en door slinksche middelen verkregen afschriften, verminkt en misvormd door de streken en diefstallen van schandelijke bedriegers, die hen de wereld inzonden. Die zelfde werken worden u onder de oogen gebracht, geheeld en gaaf van leden, en ook al de overige, volledig in alle deelen, zooals hij ze tot stand bracht. Hij, zooals hij een gelukkig nabootser was der natuur, wist haar ook recht liefelijk uit te drukken. Zijn geest en zijn hand gingen samen; en wat hij dacht, uitte hij met zulk een gemakkelijkheid, dat wij nauwelijks een doorhaling in zijn papieren gevonden hebben. Doch het is onze zaak niet, daar wij zijn werken alleen bijeenzamelen en aan u geven, hem te prijzen. Dit is de zaak van u, die hem leest. En dan hopen wij, dat gij, naar uw verschillende bevattelijkheid, er genoeg in vinden zult, dat u aantrekt en boeit; want zijn geest kan evenmin verborgen blijven, als ooit verloren gaan. Daarom, leest hem, en weder, en steeds weder! En als gij hem dan niet liefkrijgt, voorwaar, dan verkeert gij blijkbaar genoeg in het gevaar van hem niet te verstaan. En hiermede laten wij u aan andere vrienden van hem over, die, als gij hen behoeft, uw gidsen kunnen zijn; behoeft gij hen niet, dan kunt gij uzelf tot gids zijn, en anderen. En zulke lezers wenschen wij hem toe.
“John Heminge. Henrie Condell.”
Het was niet noodig hier het geheele gedicht over te nemen; deze korte vermelding is wel voldoende om te doen zien, welk een schoone hulde door Jonson aan Shakespeare gebracht werd, en tevens, dat hij zoo gelukkig geweest is, verscheiden schoone, kernachtige uitdrukkingen te bezigen, die onmiddellijk treffen en in het geheugen blijven. Geen wonder, dat zij meermalen aangehaald worden. Om deze beter te doen uitkomen, zijn zij hier in een beknopt bestek vereenigd; en om ze woordelijk terug te kunnen geven, is dit in ongebonden vorm geschied.
Van de overige lofdichten is dat van Leonard Digges opmerkenswaardig, wiens profetie van den blijvenden roem van Shakespeare zoo heerlijk vervuld is.
Op deze eerste folio-uitgave volgde in 1632 de tweede, welke eenvoudig een afdruk is der eerste, met enkele wijzigingen, gedeeltelijk toevallige, gedeeltelijk opzettelijke, welke laatste als verbeteringen bedoeld, maar, op zeer enkele na, niet als zoodanig te beschouwen zijn. Evenals in de eerste uitgave, zijn de Blijspelen, Historiestukken en Treurspelen afzonderlijk gepagineerd; Troilus en Cressida opent nu de rij der treurspelen.—De lofdichten zijn met een drietal vermeerderd, waaronder een zestienregelig vers van John Milton, die toen in zijn vier-en-twintigste jaar was, opmerking verdient; waarschijnlijk is dit het eerste gedicht, dat van hem het licht zag. Het moge hier in een eenigszins vrije en twee regels kortere vertolking een plaats vinden;
“Behoeft mijn Shakespeare’s hoogvereerd gebeent’ Een jaren arbeids eischend grafgesteent’? Behoeft een pyramide ’t heilig stof Te omhullen tot verhooging van zijn lof? Behoeft gij, zoon des Roems, gij, roem der Faam, Zoo zwak een tolk tot eeuw’ging van uw naam? Neen, in den eerbied, die uw grootte erkent, Schiept gij uzelf een duurzaam monument; Daar onweerstaanbaar, of Apollo zong, Uw godentaal ons in de ziele drong, En elk, zichzelf ontvoerd door uwe vaart, Tot marmer wordt, wie duiz’lend op u staart;— Opdat hij zulk een praalgraf zich verwierf, Wat koning is er, die niet gaarne stierf?”
De derde folio-uitgave verscheen eerst in 1664; zij is voor een groot deel als een herdruk der vorige te beschouwen en bevat dezelfde stukken, en wel met doorloopende paginatuur, doch zij laat, de nummering der bladzijden weder met 1 beginnende, een geheele reeks van stukken volgen, die ten onrechte aan Shakespeare toegeschreven zijn en dus op goeden grond door de eerste uitgevers, Heminge en Condell, niet in de verzameling zijner werken opgenomen werden. Onder deze onechte stukken bevindt zich ook de “Pericles”. Wijl Shakespeare alleen in de tweede helft eenige tooneelen bewerkt heeft, werd ook dit stuk door Heminge en Condell, die verklaarden alleen echte stukken te willen geven, zeer terecht uitgesloten. Zij hebben dit inderdaad bedoeld en trouwhartig getracht een gedenkteeken van Shakespeare’s leven te stichten; maar hun zorgvuldigheid heeft, zooals boven reeds van Timon van Athene en Koning Hendrik VIII gebleken is, niet geheel gelijken tred gehouden met hun goeden wil, zoodat het gezag hunner uitgave niet in alle opzichten onbetwistbaar is.
In 1685 verscheen een vierde folio-uitgave, die een herdruk is van de derde, en nagenoeg alleen door een nieuwere spelling van deze verschilt.
Alleen aan de eerste dezer vier folio-uitgaven is inderdaad gezag toe te kennen; in de volgende vindt men steeds meer drukfouten, terwijl de overige afwijkingen slechts zelden verbeteringen zijn en zelfs dan, wanneer dit wel het geval is, op een toevallig gelukkige gissing en niet op grondig onderzoek berusten. De eerste folio-uitgave heeft ons van vele stukken den oudsten en besten tekst, dien wij bezitten, geschonken, en ook verscheiden andere voor den ondergang bewaard. Grooten dank is men hiervoor aan ’s dichters vrienden en kunstgenooten, Heminge en Condell, verschuldigd.
Natuurlijk is een exemplaar der eerste folio-uitgave alleen bij zeldzaam voorkomende gelegenheden, en dan voor zeer hoogen prijs, te erlangen. Toch is het bij nauwkeurige beoefening van des dichters werken in vele gevallen noodig, den oorspronkelijken tekst te raadplegen. Gelukkig, dat deze bij herhaling met de uiterste zorg is nagedrukt en dat in den laatsten tijd ook de photographie te hulp is geroepen om den oudsten druk met volkomen getrouwheid te vermenigvuldigen; hij is thans voor hoogst matigen prijs in ieders bereik.
Vraagt men nu, of Heminge en Condell een inderdaad zuiveren en betrouwbaren tekst gegeven hebben, dan moet het antwoord, helaas! ontkennend luiden. Wat zij ook verzekeren, zij konden meestal niet meer beschikken over de oorspronkelijke handschriften, die ongetwijfeld, na het maken van verscheiden afschriften, ten behoeve der vertooningen, vaak verloren waren gegaan. Misschien ook zijn er bij den brand van den Globe-schouwburg (blz. 47) enkele vernietigd. Zij moesten zich dan behelpen met afschriften, die niet zelden door kappingen ter bekorting, welke geenszins oordeelkundig aangebracht werden, verminkt waren. In sommige gevallen moesten zij zelfs de toevlucht nemen tot de oude quarto-drukken, waarvan zij, in het voorbericht hunner uitgave, zooveel kwaads gezegd hadden; de oude afschriften, bij het tooneel in gebruik, waren dan ongetwijfeld versleten, zoodat een afdruk in de plaats was gekomen. Meermalen moet dus de door hen geleverde tekst aanmerkelijk afwijken van wat Shakespeare oorspronkelijk geschreven had, of ten minste onvolledig zijn. Hun bewering, dat de tooneelwerken naar de oorspronkelijke handschriften afgedrukt zijn, is alzoo bepaald onwaar, en niets anders dan een middel om het publiek zand in de oogen te strooien, en dit tot koopen, waarop zij zoo sterk aandringen, uit te lokken. Men moge dit streng afkeuren, doch waardeere, dat zij het beste gegeven hebben, dat zij hadden.—In een ander opzicht hebben zij waarheid gesproken; zij verklaren in de toewijding van het werk aan de graven van Pembroke en Montgomery, dat zij niets gedaan hebben dan bijeenverzamelen. Men moet erkennen, dat er inderdaad geen spoor van toezicht op het drukken hunner schatten te bespeuren is; het nazien van drukproeven schijnt door hen nagelaten te zijn; zij hebben alleen aan de pers afgestaan, wat zij wilden uitgeven. Misschien, waarschijnlijk zelfs, is het voor het verkrijgen van een goeden tekst gelukkig geweest, dat hun zorg zich niet verder heeft uitgestrekt. Want hadden zij fouten opgemerkt en op hun wijze trachten te verbeteren, dan zou allicht een willekeurige gissing, gelukkig of ongelukkig, in de plaats getreden zijn eener lezing, die, hoe ongerijmd ook, zich vaak zoo na mogelijk hield aan de letters of woorden, die in het oorspronkelijk handschrift of in oude afschriften of afdrukken stonden en nauwgezette latere onderzoekers op het spoor kunnen brengen om de echte lezing te ontdekken. Vallen wij hun dus over hun geringe zorg niet hard; herinneren wij ons, dat zij, uit liefde voor Shakespeare, zijn werken bijeenverzameld en zooveel meesterstukken aan de vergetelheid ontrukt hebben. Laat ons veeleer zeggen, dat hun, die veel hebben liefgehad, veel vergeven wordt.
De eerste, die de taak aanvaardde, om uit de slordige uitgaven van des dichters werken een beteren, zuiverder tekst af te leiden, was Nicholas Rowe, in 1709. Dat hij slechts ten deele slaagde in de moeilijke onderneming, kan niet bevreemden, vooral niet, als men weet, dat hij niet de oorspronkelijke, maar de vierde folio-uitgave tot grondslag aannam. Als de eerste, die den echten tekst van Shakespeare trachtte te herstellen, moge hij hier met eere genoemd worden. Velen hebben na hem hetzelfde doel zoeken te bereiken. Doch het is hier de plaats niet, om hun pogingen aan een nauwgezet onderzoek te onderwerpen. Met welk een uitslag zij bekroond zijn geworden, moge men afleiden uit de woorden van een der uitstekende Shakespeare-beoefenaars van den lateren tijd, Alexander Dyce. Deze oordeelt, dat, indien als door een wonder de oorspronkelijke handschriften van Shakespeare voor den dag kwamen, deze het bewijs zouden leveren, dat in vele gevallen de echte lezing hersteld is, ofschoon de onwetendheid en aanmatiging der tooneelspelers, de slaperigheid der afschrijvers en de zorgeloosheid der uitgevers als het ware hebben samengezworen om haar verloren te doen gaan.
Heeft in Engeland na Rowe de beoefening van Shakespeare’s werken steeds veld gewonnen, ook elders is dit het geval geweest. In Duitschland gaf de groote Lessing het voorbeeld van waardeering, en weldra volgde daar uitgave op uitgave, vertaling op vertaling. Vroeger of later vond hetzelfde in andere landen plaats, en tegenwoordig is, naast den Bijbel, geen boek, ’t zij in ’t oorspronkelijke, ’t zij vertaald, zoo algemeen en zoo in allerlei vorm, over de geheele aarde verspreid, als de kostelijke nalatenschap van Shakespeare.
In Nederland is de beoefening en waardeering zijner werken tamelijk laat aangevangen, en de eerste proeven van welgeslaagde vertalingen vindt men in de “Bloemlezing uit de Dramatische Werken van William Shakespeare” van Mr. L. Ph. C. Van den Bergh, welk boek in 1834 het licht zag. Doch een beter tijd brak weldra aan; meer en meer werd de groote dichter in zijn waarde erkend; verscheiden uitgaven, vertalingen en navolgingen, ’t zij van gedeelten zijner werken, ’t zij van geheele tooneelstukken leggen hier getuigenis van af. Men zal niet verwachten, dat deze uitgaven en vertalingen hier opgenoemd en nader besproken worden; genoeg zij het op deze verdienstelijke ondernemingen gewezen te hebben. Alleen mag een woord van hulde aan den uitmuntenden Jurriaan Moulin niet achterwege blijven, die als nauwgezet en talentvol vertaler allen ten voorbeeld kan zijn. Te midden van velerlei beslommeringen bracht hij Othello, Macbeth, De Storm en gedeeltelijk ook Romeo en Julia op voortreffelijke wijze in het Nederlandsch over en hield zich daarbij zooveel mogelijk aan den vorm van het oorspronkelijke; bovendien geven de aanteekeningen, waarmede hij de stukken toelichtte, overal blijk van de grondige studie, die hij van des dichters werken gemaakt had.
Verder mag hier de vermelding niet achterwege blijven, dat voor eenige jaren door A. S. Kok een volledige vertaling van Shakespeare’s dramatische werken, de eerste in Nederland, ondernomen en in 1880 ten einde gebracht werd. Reeds vroeger had hij een paar stukken in het Nederlandsch overgebracht en wel, evenals Moulin, in den vorm van het oorspronkelijke. Voor de vertaling van het geheel verkoos hij, zich grootendeels van proza te bedienen en slechts hier en daar, voornamelijk waar Shakespeare gerijmde verzen schreef, den gebonden vorm te bezigen. Sommige stukken zijn dus nagenoeg geheel in proza vertaald, bij andere wisselt proza met gerijmde verzen af.
Naar mijn overtuiging is er bij groote dichters, en met name bij Shakespeare, een zoo innig verband tusschen den inhoud en den vorm hunner scheppingen, dat de vertaler, wil hij met zijn arbeid ongeveer denzelfden indruk geven als het oorspronkelijke, verplicht is, niet alleen den inhoud getrouw over te brengen, maar ook den vorm zooveel mogelijk te behouden.
Bij mijn vertaling is dit beginsel voortdurend in het oog gehouden. Bovendien meende ik, dat voor de kennis en waardeering van den mensch en dichter Shakespeare niet alleen zijn dramatische werken, maar ook zijn gedichten van groot belang zijn; ook deze zijn hierom in deze uitgave begrepen.
Zoo is dan van 1884 tot 1888 voor het eerst een volledige vertaling van des dichters werken, die den vorm van het oorspronkelijke zorgvuldig trachtte te bewaren, aan het Nederlandsche volk aangeboden. De bijval en goedkeuring, bij mijn onderneming van den aanvang af ondervonden, zijn mij niet alleen een machtige steun en spoorslag geweest, om de taak, die ik mij had opgelegd tot den einde toe te volbrengen, maar schonken mij ook het vertrouwen, dat mijn gave welkom zou zijn. Die verwachting is niet beschaamd geworden. Na de eerste uitgaaf vond ook een tweede, geïllustreerde, haar weg tot het publiek en thans wordt door een met zorg herziene volksuitgave mijn vertaling in het bereik gebracht van hen, die zich tot dusverre den aankoop moesten ontzeggen. Moge zij velen bewegen, lezers en vrienden van den grooten dichter te worden en meer en meer blijken, geen onwaardige hulde te zijn aan den machtigen geest, die zoo vele meesterwerken schiep!
Ten in the hundred lies here ingrav’d; ’Tis a hundred to ten his soul is not sav’d: If any man ask, Who lies in this tomb? Oh! oh! quoth the devil, ’t is my John-a-Combe.
Ten in the hundred lies under this stone And a hundred to ten to the devil his gone,
Who is this lyes under this hearse? Ho, ho, quoth the devil, tis my Dr. Pearce.
Good frend for Jesus sake forbeare, To digg the dust encloased heare. Bleste be the man that spares thes stones, And curst be he that moves my bones.