← Table of contents
De Werken van William Shakespeare

Note 14 — XI. Shakespeare’s laatste levensjaren en dood. Zijn nalatenschap.

Reading edition

Hetzelfde moet gezegd worden van een gipsafgietsel, waarvan men beweert, dat het op het gelaat van den gestorven Shakespeare kan of moet gevormd zijn. Naar bericht wordt, werd het in 1848 door den schilder Louis Becker, die ijverig verzamelaar van kunstwerken en zelf zeer handig was in het maken van gipsafgietsels, bij een uitdrager in Mainz onder ouden rommel gevonden en aangekocht. In 1849 gaf Becker het afgietsel aan Prof. Richard Owen te Londen in bewaring; hij vertrok naar Australië, maakte er deel uit van de expeditie van Wills en Burke, en vond er met dezen in 1861 den dood. Het berustte tot 1865 onder Owen; toen het bericht van Becker’s dood in Engeland aankwam, gaf hij het aan den broeder des schilders, Dr. Becker, terug. Naar Owen’s oordeel beantwoordt het afgietsel, met het oog van den ontleedkundige bezien, zeer goed aan het beeld, dat men zich van Shakespeare vormen kan; er kleven in den baard eenige roodachtige haren; deze werden door hem als echte menschenharen erkend. Het afgietsel is verder onbetwijfelbaar van een lijk afgevormd en draagt aan de achterzijde in den rand het jaarcijfer 1616, dat blijkbaar in het nog weeke gips is gegrift; de cijfervormen zijn inderdaad die der zeventiende eeuw. Het is met olie gedrenkt en heeft dus waarschijnlijk voor het maken van een afgietsel gediend. Dr. Becker heeft het aan Herman Grimm ter onderzoeking voorgelegd en uit de woorden van dezen moge men afleiden, welken indruk het afgietsel op den beschouwer maakt14. “Ik geloofde, bij den eersten blik er op, nooit een edeler gelaat gezien te hebben. Wat ik in de hand hield, was voor eeuwen van het gelaat eens dooden afgevormd, en toch riep het zijn laatste oogenblikken dadelijk voor den geest. In den baard hield het gips nog eenige van de roodachtige haren vast, die het medegenomen had, en als pas geplooid deed zich de linnen doek voor, die om den hals gewonden was; nauwelijks gesloten schenen de oogen. En welke holten waren het, waarin zij lagen; welk een zuiver, edel beloop van den gebogen neus; welk een wondervolle vorm van het voorhoofd! Ik gevoelde, dat dit een mensch geweest moest zijn, in wiens brein edele gedachten woonden. Ik vroeg. Men zeide mij de achtervlakte van het afgietsel te beschouwen. Daar was in den rand, in cijfers der zeventiende eeuw ingegrift † Ao Dm̄ 1616. Ik wist van niemand anders, die in dit jaar stierf dan van den eenen, die in hetzelfde jaar geboren werd, waarin Michelangelo stierf, 1564—Shakespeare”15.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings