← Table of contents
De Ridderromantiek der Franse en Duitse Middeleeuwen

IX.

H. (Henri) Logeman translation

GEESTELIKE ROMANS.

Terwijl de Ridderlyriek zich zo aan de hoven van Zuid-Frankrijk ontwikkelde, ontstond de Ridderroman langzamerhand uit de sosiale en geestelike tijdsomstandigheden. Zijn voorganger is een Latijnse vertellings-literatuur die in de wereld der geesteliken opbloeit en ontstaat uit de kristelike sentimentaliteit en uit de overdreven avontuurlike fantasie van de tijd.

In de kloosters leefden toch de geestelik het meest op de voorgrond tredende mensen van hun tijd,—met de beste vorming en de grootste leeslust, mensen met alle tijd tot hun beschikking, van de morgengodsdienst tot de middag, tussen vesper en de kompleten en met genoeg volharding in zich om grote uitgebreide folianten te schrijven. Geheel de lange, stille dag werd er in de scriptoria en de cellen het ene gele blad na het andere omgeslagen en kraste de ganzeveder over het perkament. Op de boekenplanken in de leeszaal stonden de Heilige Schrift, de kerkvaders en de legenden naast kronieken van Franse en Duitse monniken, elk met hun historie en met alles wat de wijze klerken van Rome nagelaten hadden,—ja! zelfs kon men er vertalingen van Griekse romans vinden of van de Oosterse wijsheid der ongelovige Muzelmannen. Zij die Latijn lazen en schreven, hadden toegang tot al de schatten van het menselik weten, en bronnen van onder elkaar wijd verschillende wereldstreken en tijden—Keltiese Arthur-legenden en Griekse liefdesgeschiedenisjes, Oosterse anekdoten en Frankiese heldendichten—vloden nu in de tijd der kruistochten samen in de Latijnse folianten der monniken tot een algemene Europese literatuur. Zo kreeg de leeshonger en de dorst naar het fantastiese in het saaie kloosterleven een bonte massa stof om op te teren. Ook langs mondelinge weg kwam menige echo uit de buitenwereld naar binnen en werd trouw en dankbaar opgetekend. Kloosterbroeders, teruggekeerd van de tochten waarop zij uitgezonden waren, werden nieuwsgierig over alles uitgevraagd, ook pelgrims kwamen terug van hun reizen, propvol van indrukken en verhalen, menige ridder zocht op zijn oude dag een toevlucht in het klooster en had dan veel van zijn avonturen te vertellen, toen hij nog in 't volle leven verkeerde, verscheidene kloosters waren ook eigelik niets anders dan een soort herberg waar voortdurend de hoge heren met hun gevolg aan kwamen zetten. Aan de andere kant gaat ook de geestelikheid de wereld meer en meer in, om die door macht zo wel als door een sentimenteel-dwepend opruien te kunnen beheersen. Onder dit alles zien wij de kronieken en legenden der monniken levendiger worden en meer door menselike gevoelens bewogen, maar door de fantasie gekleurd, meer roman-achtig en ze komen er nu zelfs toe hele profane Latijnse romans te schrijven.

In plaats van vervelende droge annalen, die met even weinig geest als gevoel, jaar na jaar de gebeurtenissen aanstippen—zonder samenhang, zonder détails, zonder enige aandoening—groot en klein door elkander, alles wat de annalist maar ter ore komt,—beginnen in veel dier kronieken personen op de voorgrond te treden, gebeurtenissen worden in dramatiese scènes weergegeven en tot geschiedenissen aaneengeregen en de kroniekschrijver tracht deelneming te wekken, de spanning gaande te houden en aandoening te weeg te brengen; hij kleurt en idealiseert de geschiedenis, romantiseert, en sentimentaliseert die. In de schildering door een geestelike uit Mainz van het leven van Hendrik IV, zien wij b.v. de scène op de Rijksdag van Mainz waar de zoon des keizers met gehuicheld berouw zich voor de voeten van zijn vader werpt. De vader die zijn zoon's woorden en tranen maar al te graag geloofde, viel hem om zijn hals, weende en kuste hem en was even blijde als die andere vader in het Evangelie dat zijn zoon die gestorven was, weer opstond en zo de verlorene weer terug gevonden was. In 't kort, hij vergaf hem en schonk hem al zijn straf kwijt en zijn zoon met zachte vaderlike vermaningen terecht te wijzen scheen hem een voldoende straf voor zijn misdaad, want gelijk de blijspeldichter zegt: „een kleine boetedoening is den vader voldoende voor de grote misdaad van zijn zoon.” Op die wijze ziet men die historiese scène geheel en al in het licht van de terugkeer van de verloren zoon en van de scène bij Terentius waar de oude vader zijn ongehoorzame zoon vergeeft; in het licht van kristelike sentimentaliteit en antiek humanisme wordt de scène er als één uit een roman. Even romanesk is de kroniek van de Normandische monnik Ordericus Vitalis over de Normandiese vorsten. Het is overal de gewone menselike kant en de anekdotiese scènes die hij het liefst op de voorgrond zet; met bewondering schetst hij de statige Normandiese groten met hun prachtige feesten en schildert hij de familietwist tusschen Willem de Veroveraar en zijn zoon met de bijbelse kleuren van David en Absalon. Volkomen als een historiese roman vormt zich eindelik grotendeels de „Historie der Britten” van de Engelse klerk Geoffrey van Monmouth. (c. 1135) Op het voorbeeld van de Romeinse geschiedschrijvers, dicht de fantasie-rijke Brit uit Wales er op los: brieven en redevoeringen en alles zet hij in een retoriese stijl en hij schildert koninklike bruilofts- en kroningsfeesten, kerkelike ceremoniën en vrouwen met een huid, witter dan ivoor en pasgevallen sneeuw. Koning Uther wordt bij een banket op de gemalin van een zijner leenmannen verliefd en verteert van liefde, totdat Merlijn, de fantastiese tovenaar hem aan haar sponde brengt in de gedaante van haar gemaal—evenals Mercurius Jupiter bij de echtgenote van Amfitruo bracht. Koning Lear staat zijn rijk aan zijn dochters af en krijgt bitter hun ondankbaarheid te voelen. Een moeder verzoent twee twistende broeders—gelijk Iokaste tracht Eteocles en Polynices bij elkaar te brengen. Koning Arthur vervolgt een reus die de jonge Helena geschaakt heeft en het samentreffen met die reus herinnert in allerlei opzichten aan de strijd van Hercules met Cacus, de zoon van Vulcanus. De 11000 schone Britse vrouwen die schipbreuk lijden en in de handen van een wilde roverbende vallen, zijn ongetwijfeld verwant aan de H. Ursula en de 11000 Britse maagden die volgens de legende te Keulen de marteldood stierven. Zo spookt ook in de fantasie van deze vindingrijke Keltiese monnik die gehele massa stof rond waar de overlevering en de bonte boekenschat in de kloosterbiblioteken van Wales hem mede hebben gevuld.

Maar die romantiese kronieken—die van onze Deense Saxo is een van de prachtigste exemplaren van het soort—zouden niet achter de kloostermuren blijven. De ridderhoven smachtten gewoon naar amusante verhalen. Dat Geoffrey van Monmouth zijn „Historia Regum Britanniae” schreef, is waarschijnlik aan de uitnodiging daartoe te danken door de aartsdiaken van Oxford, van een Engelse prinses, en kort daarna begonnen ook verscheidene Normandiese geesteliken—gelijk er zo vele aan de hoven leefden als sekretaris of gouverneur bij jonge kinderen—het Latijn van Galfridus in Franse berijmde verzen over te zetten, naar het schijnt op verzoek van vorstelike Engelse dames. En gelijk een van die bewerkers, Mester Wace, verklaart, kon men nu op die manier op alle ridderkastelen die kronieken bij feestelike gelegenheden voorlezen, als eens een afwisseling voor die eeuwige heldengedichten. Zulke rijmkronieken,—Wace zowel als Gaimar, de andere bewerker van Geoffrey, hadden ook oude Latijnse kronieken in Franse verzen vertaald—missen de deftige retoriese stijl van de voorgangers, beschrijven de kampstrijden en feesten der Ridderwereld met trekken en kleuren daaraan ontleend in nog groter détail en—iets waar Gaimar uitdrukkelik opmerkzaam op maakt—vergeten niet 's konings privaatleven en zijn liefdegeschiedenissen breedvoerig uit te meten.

Vroeger dan deze rijmkronieken valt de Duitse „Keizerkroniek”, in Duitse verzen ongeveer 1135 waarschijnlik door een klerk aan het hof van Hertog Hendrik de Trotse te Regensburg geschreven. Die is geheel en al van uit een geestelik standpunt en voor een geestelik publiek opgesteld, maar overal zijn er romantiese episodes en kleine novellen ingevlochten—met de stof van de Romeinse geschiedschrijvers, van Duitse heldensagen, legenden en Oosterse vertellingen. Daar hebben wij b.v. de geschiedenis van Tarquinius en Lucretia geheel als een ridderhistorie: Vorst Collatinus leeft in een gelukkige echt met Lucretia maar rijdt toch dikwels in 't geheim naar Viterbo waar men toernooien houdt en vele hoofse dames wonen. De dames van Viterbo volgen de spelen van de muren af en de Romeinse ridders trachten zich zo goed mogelik voor te doen; in de pauses gaan ze met de schonen een praatje maken die het gesprek snedig en gevat blijken te kunnen voeren. Een van hen vraagt een ridder of hij liever de volgende nacht bij de schoonste vrouw zou willen doorbrengen of de volgende dag met de dapperste ridder vechten, en de ridder weet, zeer voorzichtig en galant zijn antwoord zo in te richten dat hij noch laf lijkt, noch onverschillig voor vrouwengunst. Of wij krijgen de geschiedenis van Crescentia, half legende, half een Grieks-Oosterse vertelling, naar het schijnt. Het is over een onschuldig belasterde Keizerin die verstoten is en een zwervend leven leidt vol avonturen, steeds door het noodlot vervolgd, maar die door bijstand uit de hemel per slot van rekening weer in eer en aanzien hersteld wordt. De stichtelike legendentoon doet ons zien dat wij ons in een geestelike atmosfeer bevinden, maar allerlei amusante détails tonen dat de klerk hier bij de speelman in de leer is gegaan.

In hun honger naar vertellingsstof versmaadden de klerken ook niet de nationale heldendichten ter hand te nemen en die tot kronieken te latiniseren of tot een stukje Virgiliaanse epiek. Er kwamen op die manier hoogst merkwaardige produkten tot stand. In het klooster te St. Gallen zat er reeds in de 10de eeuw een jong geestelike die als Latijnse stijloefening een der schoonste Duitse heldendichten—dat van Walther en Hildegunde—tot een Latijns epos in hexameters omwerkte met zinswendingen en vergelijkingen in de trant van Virgilius, zowel als geestelik-vrome uitbarstingen in de wild-barbaarse, heroiese poëzie van het gedicht ingeweven. Op dezelfde manier had in diezelfde eeuw een Franse monnik de heldendichten uit de cyclus van Karel de Grote tot een Latijns gedicht in een hoogdravende, duistere retoriese stijl omgewerkt. In de zogenaamde kroniek van Turpijn (begin van de 12de eeuw) zijn verschillende „chansons de geste” tot een poëties gestemd Latijns stuk proza omgewerkt; meer dan bij schilderingen van strijd en fiere helden, blijft het verhaal stilstaan bij de Majesteit van Keizer Karel en zijn hof te Aken of bij allerlei hemelse mirakelen en aardse wonderen en in 't algemeen is de toon kristelik-sentimenteel en religieus-fanaties. Een vermakelike metamorfose heeft het Rolandslied ondergaan, dat door een zekere priester Konraad aan het hof van de Beierse hertog Hendrik de Trotse in het Latijn is vertaald en daarna weer in Duitse verzen werd omgezet. Nergens kan men zo goed als hier het verschil in geest en toon bestuderen tussen nationaal heldendicht en geestelike rijmkroniek: de geleidelik en breed vloeiende vertellingsstijl van de laatste die niets overslaat, niets op de voorgrond schuift; de uitvoerige beschrijvingen der kostumes en ceremoniën, de lange redeneringen, steeds weer de mirakelen, het verlangen der Paladijnen naar het hemelrijk en de martelaarskroon—alles zo geheel anders dan wat in de sfeer van de „Chanson de Roland” thuis hoort.

Zelfs waagden ze het enkele gedeelten uit de bijbel tot romantiese, roerende en onderhoudende vertellingen om te werken, eerst in Latijnse verzen, tot stichting der geesteliken zelf, later in de volkstaal om het publiek van de kermissen zowel als van de kastelen tot de lezing van vrome lektuur te brengen, in plaats van een geschiedenis als Tristan en Isolde of van het Chanson de Roland. Een Engels geestelike vertelt, in de 12de eeuw, hoe de speellieden de hoorders tot tranen toe bewogen, door van de ongelukken te vertellen die de edele held Artus of Gauvain vervolgden, maar hij vindt dat men bij het voordragen van Christi lijdensgeschiedenis veel meer tranen zou moeten storten. Daarom prijst Ordericus Vitalis ook een geestelike die in de kapel van een Engelse graaf aangesteld was, en die dikwels baronnen en pages om zich heen verzamelde en ze „een grote massa voorbeelden vertoonde van lieden uit het oude testament zowel als uit de moderne Kristen-sagen, die de heilige strijd aangebonden hadden”, en op die manier schilderde hij o. a. heerlik de gevechten die Demetrius en George, Theodorus en Sebastiaan, Mauritius de hoofdman over honderd en het Thebaiese legioen zowel als de voorname hoofdman Eustachius hadden te bestaan om zich als „bloedgetuigen de hemelkroon waardig te maken”. Men bracht de daden der Machabaeën zowel als de schipbreuk van Jonas in rijm, schilderde de kamp van Salomo met een draak die alle bronnen van Jerusalem leeg dronk, en zijn schitterend hof met al zijn pracht en ceremonieën. Vooral werden de liefdesgeschiedenissen in detail geschilderd. Een Frans bisschop verhaalt in Latijnse verzen hoe de dochter van Jakob geschandvlekt werd, een ander hoe Amnon zijn zuster verkrachtte; een Duitse berijming van de bijbelse geschiedenis treedt in allerlei bizonderheden over de liefdesgeschiedenis van Jakob en Rachel, Sichem en Dina en vertelt gezellig, op de manier der „Brautwerbungen” in de Duitse heldengedichten, hoe het Eleazer ging toen hij naar Nahors toog om voor Isaak een vrouw te zoeken.

Al die aandoenlike kleine idyllen uit het leven van Maria en de kindsheid van Jesus, waar de apocryfe evangeliën van wisten te vertellen, werden in Franse en Duitse gedichten behandeld. In sentimentele verzen werd ook de Passie geschilderd. Op Goede Vrijdag, wanneer de menigte in de kerk zich voor het omsluierde kruis op het altaar verdrong, kon het gebeuren dat de priester naar voren trad en een berijmde versie van de Lijdensgeschiedenis reciteerde, en dat hij begon, net als de trouvères: „Hoort mij nu allen rustig aan, en laat de mond niet langer gaan—hoort wat ik zeg van Kristi dood...” Verder werden alle sentimentele legenden van de genaderijke mirakelen der Madonna allerliefst tot kleine berijmde schetsjes bewerkt. Een Latijnse verzameling van zulke legenden vond de Normandiese monnik Adgar in de biblioteek van de St. Paulskerk te Londen en hij begon ze in naieve Franse verzen na te vertellen—van het Jodenjongetje dat de Hemelkoningin uit het vuur redt, van de kankerlijder, een monnik, die zij van haar borst laat drinken, van de zondaars die zij uit de klauwen redt van de wereldlike rechtvaardigheid, zowel als van de duivel. En zo zijn er anderen die de Heiligen-legenden van hun bloemrijke, gezwollen stijl ontdoen en die wonderbaarlike en roerende geschiedenissen in een gewone, lichtbevattelike stijl de leken aanbieden.

Juist in de 11de eeuw stroomden er van Oost en West de meest fantastiese en sentimentele legenden Europa binnen. Van het Westen—uit de oude kristelike kerk der Kelten in Ierland en Engeland—haalden de Noormannen, na de verovering van Engeland, verschillende legenden die doortrokken waren van het avontuurlik-fantastiese van een zeevaarders-natie en met een aan dat ras eigene romantiese, onstoffelike mystiek. St. Patrick, St. Columbanus, de Heilige Brigitta—of hoe al die Keltiese heiligen heten—zijn als door een atmosfeer van mystiek omgeven; zij hebben visioenen en horen stemmen, de natuur spreekt tot hen, profeties kijken ze de toekomst in, een tijdlang worden zij zelfs in het Hiernamaals overgebracht en weten dan, bij hun terugkomst, de merkwaardigste dingen te vertellen, over de vurige helmond—en de zwarte vogels die klagend in het vuur rondfladderen, over de brug, scherp als een mes, die over de afgrond voert, over het verblindende licht en het zoete gezang dat de bezoeker uit Gods eigen huis te gemoet stroomde. Herinneringen aan de openbaring van Johannes hebben zich klaarblijkelik in deze visioenen met heidens-Keltiese myten vermengd. Of de legenden vertellen van de avontuurlike zeereis van de Ierse heilige Brandanus naar de woonplaatsen der zaligen en der verdoemden,—legenden die samengesmolten schijnen uit herinneringen aan oude Keltiese zeevaarders en Indies-Oosterse reisverhalen.

Uit het kristelike Syrië en Aegypte kwamen er omstreeks het jaar 1000, waarschijnlik over Byzantium en Zuid-Italië, een hele massa legenden, ontstaan uit de vurige en grenzenloze verbeeldingskracht van het Oosten: verhalen van de gruwelikste misdaden en de meest geraffineerde boetedoeningen, van daemonen en toverij, van de merkwaardigste ondervindingen, de smartelikste beproevingen, de wonderbaarlikste zelfopofferingen—van Theophilus die een verbond met de duivel aangaat en de zwarte kunst leert; van St. Gregorius die—evenals Oedipus in de oudheid—zonder het te weten met zijn moeder trouwt en die na het hevigste berouw het tot Paus brengt; van kuise schone jonkvrouwen die in hun onschuld en vroomheid de wapenen vinden om de draken des duivels te overwinnen, van het jonge meisje dat haar bloed geeft om de zieke koningszoon te genezen, over de zelfvernedering van berouwhebbende zondaressen; van de heidense prins Joasaph die, van alle nood en ellende in de wereld afgesloten, in een kasteel opgroeit, vol van alle heerlikheden, maar die toch door het een of ander toeval een begrip krijgt van wat ziekte, armoede en dood betekent en die daardoor zo in zijn binnenste geschokt wordt dat hij vlucht en bij een kluizenaar, Barlaam terecht komt die hem tot het Kristendom bekeert.

„Barlaam en Joasaph” is aan Syriese en Griekse romans ontleend, die het verhaal weer uit Indiese Buddha-legenden hebben. Lang vóór de kruistochten was veel van de rijke vertellings-literatuur van Byzantium en het Oosten naar Europa overgebracht en door geesteliken in het Latijn vertaald. De voornaamste stapelplaats waarover die uitvoer plaats had, was ongetwijfeld Zuid-Italië, dat nog half Grieks was, maar waar eerst de Saracenen zich nestelden, maar later de Duitse keizers hun heerschappij trachtten te bevestigen en waar eindelik de Noormannen in de 11de eeuw een rijk stichtten. Bij de geestelikheid en de adel was er uit de dagen der oudheid nog een niet geringe beschaving blijven bestaan en het voortdurende zich met elkaar mengen der volkeren bracht ook een grote kultuurinvloed op elkaar mede. De Hertogen van Napels zonden in de 10de eeuw de Aartspriester Leo met een missie naar Byzantium en daar verzamelde hij gedurende zijn verblijf alle boeken, en zo bracht hij o. a. een Griekse vertelling over Alexander de Grote mee naar huis, die hij later ten pleziere van de voorname Zuid-Italiaanse kringen, in 't Latijn vertaalde. Via Byzantium werd waarschijnlik ook wel de roman „Van de zeven wijze meesters” bekend—de geschiedenis van een prins wiens stiefmoeder hem eens vergeefs tracht te verleiden en hem daarna bij de koning aanklaagt; nu vertellen zeven wijzen elk op hun beurt een geschiedenis die alle daarop neerkomen hoe gevaarlik een overijlde bestraffing is, terwijl de geslepen koningin verhalen doet met een juist tegenovergestelde tendens. Deze vertellingen gingen met de omlijsting die ze zo op Oosterse wijze samen bond, in verschillende versies heel Europa door; ze vertelden van de verwonderlike scherpzinnigheid der wijzen en de vindingrijke slimmigheid der vrouwen waar het er op aan kwam hun echtgenoten te bedriegen, of wel hoe merkwaardig het noodlot met de mensen speelt. Uit Arabië kwam ietwat later de bekende verzameling van anekdoten en dierfabels die „Kalilah en Dimnah” heet; die werd eerst in het Hebreeuws vertaald en daaruit door een gekerstende Jood, Johannes van Capua, in 't Latijn.—Behalve Zuid-Italië is ook Spanje een brug tussen het Oosten en West-Europa. Daar woonde een andere bekeerde Jood, Petrus Alphonsus, die ongeveer in het jaar 1100 een reeks, grotendeels aan 't Arabies ontleende anekdoten en zedelike vertellingen in één Latijns boek bijeen bracht, dat hij „Disciplina Clericalis” noemde: het handelt over een vader die zijn zoon levensregelen geeft welke hij met talrijke geschiedenissen illustreert.

Uit 't Oosten is hoogstwaarschijnlik ook het motief van de „vriendschapsproef” gekomen; reeds vóór het jaar 1100 was het voor de geesteliken in veel Latijnse versies behandeld geworden, die later van grote betekenis voor de dichtkunst der Middeleeuwen zouden worden. Het zijn geschiedenissen van een sentimenteel elkaar trachten te overtreffen in grootmoedigheid en zelfopoffering, over het ten toon spreiden van grote scherpzinnigheid en een merkwaardig spel van 't lot—allemaal in de Oosterse dichtkunst zeer geliefde motieven. Iemand merkt dat zijn vriend op zijn vrouw verliefd is en staat haar grootmoedig aan hem af. Soms gaat dit zo in zijn werk, dat de echtgenoot niet dan na de stil versmachtende vriend zéér slim op de proef gesteld te hebben, hem zijn geheim ontlokt; hij vat de hand van de zieke terwijl hij alle vrouwen in huis eén voor eén voorbij het bed laat gaan, als zijn vrouw passeert, merkt de man dat zij het is, voor wie de zieke zucht. Later krijgt de vriend gelegenheid zich op zijn beurt op te offeren, de vroegere echtgenoot komt dan b.v. in levensgevaar, hij is van een zekere misdaad beschuldigd en juist zal hij naar het schavot gevoerd worden, wanneer de andere er bij komt en alle schuld op zich neemt. Of wel hij wordt melaats en kan alleen gered worden door een bad in kinderbloed; de ander bedenkt zich geen ogenblik en doodt zijn eigen kinderen om de vriend te redden. In meer dan een tekst lijken de twee zò sterk op elkaar dat de een de ander daardoor uit een gevaarlik avontuurtje redden kan. Die staat n.l. in liefdesbetrekking tot de koningsdochter, maar wordt verraden; nu moet hij door een Godsoordeel zijn onschuld bewijzen; zijn vriend neemt zijn plaats in en natuurlik valt het oordeel nu te zijnen gunste uit. In verband hiermede moet de een ook tegenover de koningsdochter de rol van zijn vriend op zich nemen en omgekeerd deze die van de echtgenoot tegenover zijn vriends vrouw, maar beiden houden zich zo trouw aan hun vriendenplicht dat niemands recht daarbij gekrenkt wordt. Het hartroerende, gevoelvolle in deze motieven hebben de geesteliken reeds in de 11de eeuw in Latijnse verzen, met de nodige retoriek en sentiment ontwikkeld. Helemaal romanties is het dat, wanneer de echtgenoot zijn vrouw aan zijn vriend heeft afgestaan en zij wegtrekken, hij dan zelf aan de oever ze na blijft staan turen, terwijl hij op zijn guitaar tokkelt en ze elegies klagend achterna zingt; hij hoort de echo zijn woorden herhalen en wanneer hij ze uit het oog verliest, slaat hij zijn guitaar in splinters.

Een andere in de geestelike wereld zeer verbreide vertelling was de klassieke roman van Apollonius van Tyrus. Die werd in de 3de eeuw geschreven, waarschijnlik oorspronkelik in het Grieks, maar reeds vroeg in 't Latijn vertaald door iemand die nog heiden was; reeds ten tijde van Karel de Groote heeft men in Franse en Duitse kloosters handschriften van de Latijnse vertelling gehad en in de volgende eeuwen kan men de roman zich in talrijke nieuwe afschriften verder zien verspreiden. In de 10de eeuw vinden wij de stof in Latijnse hexameters bewerkt, later gaat die in de Latijnse verzameling van verhaaltjes, de „Gesta Romanorum” over, en reeds in de 12de eeuw zijn er Provençaalse en Franse bewerkingen geweest. De oude vertelling had allerlei romantiese motieven in zich opgenomen, die in het Oost-Romeinse rijk aan het einde van het klassieke tijdperk verbreid waren: Een koning staat in een onnatuurlike verhouding tot zijn dochter en om de vrijers kwijt te raken, legt hij hun een raadsel voor. De wijze en voorname Apollonius lost het raadsel op. Maar daar dat juist een bekentenis van de bloedschande inhoudt, wordt hij, verre van de hand der prinses te krijgen, meer dan ooit door de koning vervolgd. Hij moet uit Tyrus vluchten, zwerft op de Aegeïsche zee rond, trouwt met een andere koningsdochter, bij wie hij een dochter krijgt. De familie raakt door een storm op zee van elkaar en alle drie hebben de merkwaardigste avonturen te doorstaan. De dochter komt in een bordeel terecht, maar zij weet haar kuisheid en onschuld te bewaren, de echtgenoote wordt priesteres in een tempel, Apollonius zwerft oud en droevig om op zoek naar vrouw en dochter die hij dan ook eindelik vindt en herkent. Al deze in die tijd zeer bekende motieven heeft de oude schrijver samengeweven om ze als grondslag te gebruiken voor uitvoerige schilderingen in de trant der Sophisten en rhetoren: nu eens een storm op zee en een overval door zeerovers, dan eens hoffeesten en godsdienstige ceremoniën; hier horen wij van een jongeling, die van liefde verteert, daar van een meisje dat door tranen of roerende smeekbeden een barbaar vertedert die haar kuisheid belaagt,—vol van lange redeneringen en klachten, vertwijfeling en herkenningsscènes.

Men begrijpt welk een enorme aantrekkingskracht zulk een roman had voor de Middeleeuwse geestelikheid. De afwisselende, avontuurlike gebeurtenissen te land en te water; de verschillende zinnen-prikkelende onderwerpen—bloedschande en bordeelscènes—; de medelijden-verwekkende ellende, roerend verdriet en aandoenlike vreugde; bewonderenswaardige kristelike deugd, door boosheid vervolgd. In stof zowel als in geest was er daarin veel dat verwant was aan de kristelike legenden. En bovendien voerde die roman de lezers in de gehele antieke civilisatie in: de omgang in de kringen van een koningshof zowel als de gehele geestelike habitus van de optredenden, hun manier van zijn en van spreken, wees op een oude hoogstaande kultuur.

Uit die van alle kanten toestromende stof poogden ten slotte de geesteliken zelfstandige romans samen te stellen. Een zeer merkwaardige vertelling in Latijnse hexameters, in de 11de eeuw geschreven door een Beiers geestelike, is ons in fragmenten overgeleverd. „Ruodlieb” verhaalt van een aankomende ridder die de wereld in trekt, en bij een bezoek aan een koning twaalf raadgevingen mede krijgt, en het vervolg van de geschiedenis toont nu hoe nuttig die waren en hoe alles misloopt als ze niet opgevolgd worden. Het idee van die raad die door een hele reeks avonturen zijn goed recht toont, stamt duidelik uit het Oosten, waar die meer dan eens in de literatuur te vinden is; dat is juist een van die echt-Oosterse handige manieren om verschillende geschiedenissen tot één geheel samen te binden en levensregels in te prenten. Ook veel van die enkele raadgevingen en vertellingen die ze illustreren, schijnen van Oosterse oorsprong. Vanwege het exotiese-vreemde heeft de schrijver een gedeelte van de handeling naar het koninkrijk Afrika verlegd en waar hij kan, brengt hij de kennis aan de man die hij uit 't een of ander medies-natuurkundig compendium geput heeft, over merkwaardige dieren of planten. Maar vooral is hij in aanraking gekomen met de ridderwereld en hij weet ook op de een of andere manier iets van het Zuid-Italiaanse of Arabiese of het Byzantijnse hof, want midden in de realistiese schildering van het naieve Beierse adelike leven der 11de eeuw, vinden wij niet weinig trekjes van fijne „hoofse” manieren die duidelik als voorbeeld opgesteld worden voor het publiek, tot hetwelk de schrijver zich richt. Daar worden hoffeesten geschilderd met prachtige klederdrachten en juwelen, de ceremoniële ontvangst der gezanten en banketten. Na de maaltijd gaan de dames en de jonge ridders in de slottuin naar de vogels kijken die de dames eten geven. Dan vraagt een der ridders om een harp en geeft een stuk ten beste, waarna het gezelschap gaat dansen; „gelijk de valk in een kring om de zwaluw heen zweeft, zo draait de ridder om haar heen met wie hij danst, maar als hij dichter bij komt, ontwijkt zij haastig”. Een ridder en een dame spelen met de teerling om vingerringen,—feitelik, zegt de dichter, spelen ze om zichzelf, en of ze winnen of verliezen, ze zijn toch allebei even gelukkig. Zij verbergen niet langer voor elkander hoezeer zij liefhebben. Als de moeder van het meisje het maar goed vond, zouden ze nog dezelfde dag trouwen, maar de zeden eisen nu eenmaal dat zij nog wat wachten. Maar de jonkvrouw kan zich nauweliks bedwingen.—Elders komt de schets van een kokette voor die achter haar deugdzame schijn een amourette met een geestelike verbergt; zij meent een ridder in haar netten te kunnen vangen, maar hij stelt haar brutaal te leur en aan de kaak.

Ruodlieb zelf is het ideaal van een jonge man. Zijn dapperheid wordt niet spesiaal op de voorgrond gesteld—ook dit wijst er op hoezeer 't werk door het Oosten en door de geestelikheid geïnspireerd is—maar wel zijn vroomheid, zijn goedheid en zijn beminnelike manieren. Schoon en innig wordt zijn thuis en de verhouding tot zijn moeder geschilderd (zijn vader is dood) en tot de ondergeschikten. Roerend is b.v. het afscheid,—de moeder gaat hem op de verandah na staan kijken, maar tracht haar tranen voor de dienstboden te verbergen, de knechts klimmen op de muur om de vertrekkende nog zo lang mogelik te zien; zwaar om het hart trekt hij zelf weg. Gevoelvol is ook in een reeks details de terugkomst geschilderd: de knecht die in de kerseboom geklommen is om te zien of hij nog niet komt,—de moeder die voor hem uithaalt en hem op de erezetel wil doen plaats nemen, wat hij met de eerbied van een zoon van zich af schuift, en dergelike trekjes meer.

Ruodlieb toont veel meer dan enig ander dokument hoezeer de geestelike Latijnse vertellingsliteratuur de voorbode was der 12de eeuwse ridderromans en die voorbereidde; in de tijd van de Otto's kenden bovendien zo veel Duitse edelen Latijn dat Ruodlieb misschien ook wel als lektuur berekend was voor de wereld der voorname leken.—

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings