XVI.
H. (Henri) Logeman translation
TRISTAN EN ISOLDE.
Uit vele van die populaire speelmanslais ontstonden romans. Van de liefde van Tristan en Isolde is er gezongen en gedicht in die oude lais, waardoor die paar gelieven uit Cornwall reeds aan de oudste Provençaalse troubadours bekend waren. En weldra stonden zij voor de middeleeuwen als omstraald door een nog hogere poëzie dan zelfs Floris en Blanchefleur of Aeneas en Dido in de oudheid. „Nooit,” heet het in de oudste versie, die men heeft kunnen opdiepen (Berol's bron), „hadden anderen elkaar zo lief en kochten de liefde zo duur.” Het noodlot had ze door één teug aan liefde en ongeluk gewijd, en zo stond het paar voor alle gevoelige harten met een dubbele aureool omgeven; hun liefde was misdadig, altans volgens de vromen van de Ridderromantiek, maar ze waren toch enigsins te verontschuldigen door het onwederstaanbare van hun schone passie en ze werden toch ook door al hun ellende gelouterd. Evenals St. Preux en Julie of Werther en Lotte voor hun tijdgenoten, waren Tristan en Isolde voor de middeleeuwen martelaars der liefde, onschuldige offers van de moraal der burgerlik kristelike maatschappij,—maar in de ogen van alle jongeren was hun lot toch eigelik benijdenswaardig, en stonden ze toch in geluk ver boven dat van de gewone burger.
Geen motief is zo dikwels in de romans gebruikt geworden als dit, maar er heeft een merkwaardig noodlot op de overlevering er van gerust. Van de oudste versies is er geen een over; de oudste die wij hebben zijn fragmenten van twee Franse berijmde romans die uit 't Anglo-Normandiese rijk stammen, die van Berol en van Thomas, uit de jaren 1160–1170; dan zijn er een paar latere Franse berijmde bewerkingen verloren gegaan, maar wij hebben een proza-roman uit de 13de eeuw over; in 't Duits bestaan er berijmde bewerkingen van Eilhart v. Oberge (1190) en Gotfried van Strassburg (ongeveer 1210) en twee vervolgen; vervolgens is er een Middel-Engels-gedicht, Sir Tristrem, een IJslandse sage en enkele late volksboeken. Met grote kunst heeft de Franse filologie echter aan Frankrijk van dit alles teruggegeven wat haar toekomt, door de vreemde versies in twee groepen in te delen, die respektievelik op Berol en Thomas terug gaan, en heeft uit wat aan de versies van elke groep gemeen is, de twee Anglo-Normandiese romans kunnen rekonstrueren om de paar fragmenten heen die wij er feitelik alleen maar van bezitten. Zij zijn—zoals wij zagen—omtrent van de tijd van Marie de France. Berol is meer populair en die staat waarschijnlik ook wel dichter bij 't oorspronkelike. Thomas is meer ridderlik. Terwijl 't vooral Eilhart is die ons Berol kan helpen reconstrueren, hoort zowel de roman van Gotfried, als die van Sir Tristrem en de IJslandse sage tot de groep afstammelingen van Thomas. De groei van de Ridderromantiek laat zich heel goed volgen als men de twee groepen Berol-Eilhart en Thomas-Gotfried met elkaar vergelijkt.
Dat er oorspronkelik een sage uit Cornwall of uit West-Schotland aan ten grondslag ligt, staat buiten alle twijfel. Ook is 't zeker dat er zich al heel vroeg om die oorspronkelike sage-stam andere motieven en anekdoten geslingerd hebben, tendele reeds op Keltiese grond, maar ook later in de Franse versies, uit de oudheid en het Oosten, uit Frankrijk zelf en uit Duitsland. Zoals het werk van Berol en Thomas eeuwen lang alle landen rond is getrokken, kan de stof door zijn hele kleur en toon maar tot zekere hoogte Kelties genoemd worden. Reeds de namen zijn kosmopolities. Iseut beschouwen sommigen als Germaans evenals andere vormen met Is-, misschien voor Ishilde, maar in elk geval is de naam al zéér spoedig als Kelties gevoeld; haar vader Gormond heeft zeker een Scandinaviese naam, ook Morolt lijkt Germaans. Blanchefleur, Tristan's moeder is natuurlik Frans, Isolde's dienstmaagd Brangién (= witborst) daarentegen Kelties. Marc, de oom is Kelties en betekent paard; dat heeft aanleiding gegeven tot het sprookje dat hij paardenoren had,—een trek die in vele volkssagen voorkomt, maar nu wordt ook de geschiedenis van koning Midas zijn ezelsoren en het geheim dat hij aan 't riet toevertrouwde op koning Marc overgedragen. Eindelik is Tristan oorspronkelik Kelties (Drostan, maar de gelijkenis met 't Frans „triste” heeft invloed op de naam gehad en een zeker elegies-tragies kleurtje over de Franse Tristan gelegd die Drostan uit Cornwall zeker miste). Die Drostan schijnt een held van 't zeer populaire „Schlau-kopf”-type geweest te zijn—gelijk Odysseus of Jakob uit de Bijbel—een slimme schelm, die door het noodlot vervolgd wordt, maar handig en gewikst zich door alles heen weet te slaan. Hij was de duizend-kunstenaar die zwemmen kon, vechten, draken doden, die kon springen zo hoog als niemand anders (in Cornwall wees men de rots waarvan hij zijn enorme beroemde sprong gedaan had); een man even uitstekend als jager als in de kunst het wild te bereiden, als harpspeler als in de kunst om vogelenstemmen na te bootsen. En de verhouding waarin hij tot de vrouw van zijn oom stond was slechts een van de wijzen waarop het noodlot hem vervolgde, maar waarop hij ook zijn listige streken kon vertonen.
Er is een voorhistorie over de afstamming en de jeugd van Tristan, maar die er later aan toegevoegd schijnt, op motieven zo wat van alle kanten bijeengeschraapt en in een ridderlike en sentimenteel-avontuurlike geest geschreven. Een ridder uit Wales of Bretagne houdt zich een tijd aan 't hof van koning Marc op, de beroemde legendariese koning van Cornwall of Engeland. De zuster van de koning wordt op hem verliefd—de naïeve monologen en koket-sentimentele gesprekken doen aan de Aeneas-roman denken—terwijl hij na een gevecht gewond is, wordt zij in 't geheim en onder tranen bij hem zwanger, dan vlucht zij met hem naar zijn eigen land. Maar daar valt hij nu in de strijd tegen zijn vijanden, die nu zijn goederen in bezit nemen en de wanhopende weduwe baart nu in smart de in smart ontvangen zoon, die bovendien bij de geboorte zijn moeder het leven kost. Tristan werd de erveloze knaap genoemd en zijn leven zal die naam der smarte waar maken. In 't geheim door een trouwe dienaar opgevoed, wordt hij door kooplieden met een schip ontvoerd, maar weet te ontvluchten en aan land te komen,—bij koning Marc, waar hij aan 't hof in grote gunst komt. Ten slotte wordt 't hem en de koning bekend wie hij eigelik is en de koning stelt zijn neef tot erfgenaam over zijn rijk aan; maar eerst trekt de jonge held er op uit om zijn vaderlik erfdeel terug te winnen, alleen echter om dat land aan zijn trouwe pleegvader over te dragen. In de volkssagen en de heldenpoëzie zijn er veel helden aan wier jeugd dit alles sterk herinnert, maar ook met de roman van Appolonius van Tyrus en die van Ruodlieb heeft onze geschiedenis menige trek gemeen.
En nu begint de eigelike roman daarmede dat Tristan, als hij weer naar 't rijk van koning Marc teruggekomen is, het heldenstuk uitvoert om in een tweegevecht de reus Morolt te doden, die uit Ierland gekomen was om het jaarlikse tribuut voor zijn zwager, de koning van Ierland en de Romeinse senaat op te eisen. Hier als ook nog elders is duidelik de kroniek van Geoffrey van Monmouth gebruikt en wel naar de Franse berijmde bewerking van Wace; het motief is bovendien algemeen genoeg in de heldenpoëzie. Het wordt een duel, volgens alle regelen van de kunst op een eiland gevochten. De reus wordt door een geweldige slag op zijn voorhoofd geveld—een stuk van Tristan's zwaard blijft hem in de schedel zitten—maar hij krijgt nog net de gelegenheid zijn overwinnaar een houw met een vergiftigd zwaard te geven en er stervend bij te voegen dat alleen zijn eigen zuster, koningin Isolde van Ierland, dit genezen kan.
Nu wordt Tristan ernstig ziek,—niemand kan zijn wonden helen, waar bovendien een onuitstaanbare stank uit opstijgt,—iets wat Gotfried overslaat omdat „zo iets niet goed past in de hoofse toon”. Gelijk gewonde helden dat in de Keltiese sage dikwels doen, legt hij zich op een schip en laat dat maar ergens heendrijven; het komt in Ierland terecht. Men ziet hoe weinig doorwerkt de stof is, hij wist n.l. zelf dat hij dáár alleen genezing zou vinden. Als degeen die de dood van Morolt op zijn geweten heeft, durft hij zich toch niet te kennen te geven; hij verkleedt zich nu weer als koopman, of—zoals de ridderlike versies 't liever voorstellen—als een harpspeler en komt zo in het paleis van de koning waar hij zich Tantris noemt en door de koningin verzorgd en genezen wordt. Uit dankbaarheid daarvoor geeft, volgens de ridderlike bewerking, Tantris aan 's konings dochter Isolde les in het harpspel, in de kunst lais te dichten, in het schrijven en in goede manieren (moralitas), zodat haar vader zijn gasten dikwels door zijn jonge dochter kon laten bezighouden. Steeds bevreesd dat hij herkend zal worden, vertrekt Tristan terstond als hij zich weer beter voelt, ofschoon de koningin de wellevende vreemdeling graag nog wat gehouden had.
Nu leefde Tristan weer aan het hof van Koning Marc. Maar de baronnen die jaloers op Tristan zijn dat hij de troon zou erven, brachten er de koning toch nog toe weer een vrouw te zoeken. Alleraardigst is een hier ingevoegd sprookjesmotief. Terwijl zij bezig zijn de Koning over te halen, fladderen een paar zwaluwen het venster binnen en een daarvan laat een goudgeel vrouwenhaar uit zijn bek vallen. De Koning raapt het op en zegt dat als hij dan toch trouwen moet, dan wil hij de jonkvrouw hebben aan wie dat haar toebehoort. En Tristan neemt op zich de schone met het gouden haar voor hem te gaan vinden, die niemand anders blijkt dan de prinses van Ierland. Maar de ridderlike bewerkingen verwerpen deze trek als een onwaardige uitvinding der speellieden; Tristan zelf had bij zijn thuiskomst de schoonheid van de jonge Isolde in zulke hoge tonen geprezen en bovendien wensten de baronnen Tristan juist naar Ierland te zenden omdat zij wisten dat er daar levensgevaar voor hem schuilde.
Zo trekt Tristan daar nu weer heen, te midden van het gevaar. Hij kwam op een gunstig oogenblik. Een draak hield juist vreselik op het eiland huis, elke dag moest er een jonge maagd aan hem geofferd worden en de Koning had laten weten dat hij die de draak wist te dooden, de prinses ten huwelik zou krijgen,—een in de Griekse en Germaanse sagenwereld zeer bekend motief. Tristan, gelijk gewoonlik als een koopman verkleed, trekt er incognito op uit en doodt het monster door een stoot in zijn muil—in het hart zegt Gotfried meer in overeenstemming met ridderlike opvattingen—snijdt zijn tong uit en steekt die in zijn broekzak—legt die op zijn borst, zegt Gotfried, maar—nu trekt het vergif zijn lichaam door en niet ver van de draak valt Tristan zelf in zwijm. De Seneskalk des konings, een slecht mens, komt langs het lijk van de draak, en eigent zich de eer toe die gedood te hebben, rijdt vol triumf naar huis en eist Isolde voor zich op. Zij is wanhopend over het vooruitzicht met die man te moeten trouwen en zij kan bovendien ook niet geloven dat hij zulk een heldendaad heeft kunnen volbrengen en zij gaat met haar moeder het gevelde dier bekijken. Daar vinden ze nu de vreemdeling met de tong van het ondier; zij nemen hem mee naar huis waar hij verpleegd wordt en dan komt hij met zijn trofee voor den dag en bewijst tot groote schande van de Seneskalk hoe die ze allen heeft willen bedriegen. Dit is duidelik een geheel op zich zelf staande sage die vrij onhandig in het gedicht ingevlochten is, het wordt ook in een apart Kelties gedicht gevonden over „De held en het hert met de witte poot”; misschien is het ook verwant aan de Griekse geschiedenis van Alkatoos, die op die zelfde manier zich door de tong van het monster als de geen doet kennen die het gedood heeft, inplaats van een ander die hem die eer wil roven. De sage is in haar grondtrekken zeer algemeen.
Maar intussen is het opgehelderd wie Tantris is. Eens zit hij naakt in het bad en Isolde staat er bij met hem te praten, terwijl zij er zich over ergert dat die man, zo schoon als hij is, toch niets dan een koopman is. Nu gaat zij naar zijn wapens kijken die daar hangen, en ziet het zwaard dat nog de sporen draagt van de houw die Morolt er mee gekregen heeft—op eens krijgt zij een ingeving, zij haalt het stukje dat in het hoofd van Morolt is blijven zitten en dat zij bewaard heeft,—kijk! Dat past presies en op 't zelfde ogenblik wordt het haar op eens duidelik dat Tantris natuurlik hetzelfde is als Tristan. En zij neemt dadelik het besluit hem, zoals hij daar in het bad zit, te doden. Een echt pikante situatie, die de ridderlike versies in detail uitwerken: die naakte held geheel in de macht van het jonge meisje. Tristan herinnert er haar aan dat hij haar zal moeten helpen, nu de Seneskalk beweert de draak gedood te hebben en haar hand eist. De jonge maagd voert een innerlike tweestrijd, zij moest de moordenaar van haar moeders broeder haten, maar haar „milde wîplichheit” zoals Gotfried zegt, waagt het niet toe te slaan. Nu komt de moeder er bij en wordt van de zaak op de hoogte gebracht; beiden zijn vol twijfel, als de een iets besluit, houdt de ander haar terug, ook Brangien stelt zich op de voorgrond en wil als Isolde's „cameriere” ook een duit meê in 't zakje doen. Tristan verlaat nu het bad en knielt „voor de schone rij der vrouwen”, die galant door de Duitser met de zon, de maan en de dageraad vergeleken worden. Brangien brengt er het drietal toe elkaar de kus der verzoening te geven,—het maakt vooral indruk als Tristan mededeelt dat het uit naam van de Koning van Cornwall is dat hij om de hand van Isolde komt vragen.
Isoldes vader gaat op dat huwelik in en met grote pracht en praal wordt de prinses, door Brangien begeleid, met Tristan over de zee gezonden. Er is tot nu toe geen sprake van liefde tussen die twee, wel zegt Gotfried iets van tedere gevoelens tussen hen, maar het wordt toch nog als iets dat van zelf spreekt beschouwd, dat Isolde met vreugde de Koningin van Koning Marc zal worden. In de voorgeschiedenis zijn er sprookjesmotieven en reminiscenties van allerlei heldensagen. De eigelike handeling begint pas waar Tristan en Isolde uit Ierland vertrekken, nadat Tristan voor zijn oom de hand van de Ierse koningsdochter gevraagd heeft.
Isoldes moeder heeft Brangien een minnedrank meegegeven die zij de jonggehuwden de avond van het huwelik moet doen drinken om hun huweliksgeluk te bezegelen. Van zulke minnedrankjes vertelde Ovidius,—Circe zowel als Medea hadden die gebrouwen. En nu heeft de tragiese vergissing plaats. Isolde heeft heimwee en is bedroefd. Tristan komt haar dikwels gezelschap houden en troosten. Eens wanneer het schip door windstilte genoodzaakt is geworden een haven binnen te lopen en de meesten aan land zijn gegaan, wil een van Isoldes maagden hun een glas wijn inschenken om bij de hitte hun dorst te laven. „Doch neen! het was geen wijn, ofschoon het dit wel scheen. Het was de eeuw'ge smarte, de eindeloze hartenood, en beiden bracht die ook de dood”, barst Gotfried uit. Te laat ontdekt Brangien wat er gebeurd is. „Die drank die wordt beider dood.” En inderdaad blijkt nu ook al ras dat „der Welt Unmusze”, de grote onruststichter der wereld, hun beider gemoed is binnen gedrongen. Gotfried laat ze eerst nog wat tegenstribbelen maar „de ogen en de harten naderen elkaar steelsgewijze,”—de liefde—die „kleurster” maakt ze beiden dan rood, dan bleek. Zij is het die per slot van rekening het initiatief neemt, maar echt op de manier van jonge meisjes, met allerlei omwegen: levensmoede gaat zij tegen hem aan leunen en laat haar hoofd op zijn borst nederzinken, zodat hij haar met zijn arm omvat. „Wat scheelt er aan?” vraagt hij. „„L'amer” is het dat mij wee doet”; en nu spekuleert hij er over welke drie betekenissen dat woord hebben kan. Bedoelt zij „de zee”? Is het „de bittere” wind? vraagt hij daarna, maar zij is het die de derde betekenis noemen moet:—het is „de liefde”. „Mijn beminde, zo is het ook mij gegaan,” zegt hij dan. Het is zeker een vrij oud spel over die woorden, waarschijnlik al uit 't Latijn. En dan wordt Tristan—gelijk Gotfried het zoet-sentimenteel beschrijft, in de trant van „Daphnis en Chloë”—door de geneesheer Liefde naar de legerstede van Isolde geleid en biedt Amor hun elkaar aan als medicijn voor hun ziekte.
En hier is het punt waar alles om draait. Een gewone vergissing, iets wat niemand gewild heeft, brengt de hele tragedie aan de gang. Iets dergeliks hoorde in de grote Heldenepiek niet thuis, noch in de Ilias, noch in de Völsungensage, noch in de Chanson de Roland; dit is een roman-truc,—vooral in de Grieks-Oosterse romans is het prototype van dergelike vergissingen door drankjes te vinden. Zulk een toeval kan niet als de hoogste tragiek werken, een die met noodzakelikheid uit de oorzakelike samenhang voortgekomen werkt, integendeel komt er zo iets in de eigelike zin van het woord pikants in ons gevoel van verdriet, omdat we voortdurend voelen dat het ongeluk per slot van rekening even goed niet had kunnen gebeuren en hoe onzinnig het eigelik is en hoe het zonder enige reden op de slachtoffers neer is gekomen. Maar voor het middeleeuws bewustzijn is zulk een toeval géén toeval, maar het mystieke noodlot. En juist daarom, omdat het geheel niets anders dan toeval is, valt er iets plechtigs, bijna iets heiligs over de liefde en de dood van Tristan en Isolde, het zijn geen menselike grillen of invallende gedachten die de verschillende personen in elkaars armen werpen of in het ongeluk voeren, maar mystieke machten in wier hand de wil slechts was is. Die tweezijdige houding tegenover de geschiedenis van Tristan en Isolde kan men in de Middeleeuwen overal opmerken. Voor Berol is het niets anders dan een gewoon tover-toeval; voor hem duurt de werking er van dan ook maar een bepaald aantal jaren. En tegenover zulk een opvatting komen de erotici van professie met een protest in de echte stijl der troubadours, dat men zo iets liefde zou durven noemen. In tegenstelling met de klassieken die de liefde als een soort ziekte beschouwden, een noodlot dat de mensen overvalt, leerden namelik de troubadours dat de liefde een vrijwillige kultus van de vrouw is, een uiting van een moreel willen en dus een deugd, een verdienste, en meer dan één ridderlik dichter legt er dan ook, zoals wij zien zullen, de nadruk op, dat hun paar geliefden zich niet door een minnedrankje de liefde aangedronken heeft, maar dat die het gevolg is van hun vrije neiging. Velen hunner staat echter vaag een zekere opvatting voor de geest, volgens welke die liefdedrank alleen maar een simbool is van de natuurmacht der liefde,—zo, vrij zeker, voor Thomas en Gotfried voor wie de werking ervan ook niet tot een bepaalde tijd beperkt is. Wanneer het naïeve bewustzijn de plotseling opkomende liefde en de omstandigheid dat er geen ontkomen aan is, verklaren kan als de werking van runen, of andere tovermiddelen of als die van een pijl door een godheid afgeschoten, dan moest dit alles voor het meer ontwikkelde bewustzijn eenvoudig tot poëtiese uitdrukkingen worden van een natuurmacht die, zich boven verstand en wil verheffend, zich door de liefde openbaart en juist daardoor dat gevoel boven wet en recht stelde. Deze opvatting schemert al in de minnepoëzie der ridderromantiek door en die ligt ten allen tijde aan de romantiek ten grondslag; de burgerlike samenleving en de kristelike moraal hebben ook voortdurend tegen die gevaarlike teoriën moeten kampen.
Nu nadert het schip juist deze burgerlike samenleving, gelijk Isolde haar bruiloft. Zij is ongerust omdat zij niet als maagd het bruidsbed kan bestijgen en daarom haalt zij er haar camerière toe over haar eigen plaats in de huweliksnacht in te nemen,—een onderschuiving die in vele verhalen, o. a. in meer dan een Deens volkslied, voorkomt. Heel naïef krijgen de lezers te horen hoe de koning ietwat onder de invloed van de wijn is en hoe Tristan terstond de kaarsen uitblaast. Maar wanneer het paar zo van de diensten van Brangien geprofiteerd heeft, vinden ze het toch onaangenaam dat zij in hun geheim ingewijd is, en ruw en gevoelloos wordt verhaald van de voorbereiding die Isolde treft om de trouwe dienares kwijt te raken. Zij zendt haar het bos in met moordenaars die haar moeten ombrengen. Maar die volbrengen het stuk niet. Brangien brengt hun n.l. in 't bos aan het verstand dat haar hele misdaad daarin bestond dat zij haar meesteres haar eigen bruidslinnen heeft laten gebruiken, wijl dat van de hoge vrouw gekreukeld was; de moordenaars keren terug en laten de koningin een hindetong zien voor die van het meisje en vertellen haar ook wat die in het bos gezegd heeft. Die fijne beeldspraak die zo heel Oosters-bijbels klinkt, doet Isolde zo aan dat zij hevig berouw begint te gevoelen en de moordenaars bekennen nu de waarheid. Brangien wordt teruggeroepen en is van nu af de vertrouwde en de hulp der gelieven.
Die nemen namelik kalm hun maatregelen om hun relaties achter de rug van haar man en zijn oom voort te zetten. En van nu af begint er een voortdurende kamp. De twee gelieven kunnen niet zonder elkaar leven, zij proberen dit ook in 't geheel niet; maar Tristan heeft vijanden aan het hof—vooral is er daar een kwaadaardige dwerg zoals de Keltiese sage die kent—die de verhouding ontdekken, die aan de goede koning verklikken en de geliefden in de val trachten te lokken, die zij lang weten te vermijden—Brangien staat tegenover de dwerg aan hun zijde—maar waar zij eindelik eens invliegen; dan wordt Tristan verbannen maar hij weet de zaak toch gaande te houden en wordt spoedig weer in genade aangenomen. Oorspronkelik zal de hele geschiedenis,—er werd al op gezinspeeld—door de sage volstrekt niet zo sentimenteel-tragies opgevat zijn, de grote virtuositeit van de slimme held bestaat juist daarin dat hij zulke stukjes klaar weet te spelen en het slachtoffer nog een lange neus op de koop toe weet te bezorgen, en wat de echtbreuk in het geval betreft, over deze „komedie” heeft de volksfantasie altijd de nodige anekdoten te vertellen gehad; vooral de Galliese humor heeft voor dat tema altijd grote voorliefde aan den dag gelegd. Het enige wat de Tristan-roman met de krasse verhalen over de bedrogen echtgenoot wist te doen, was ze in een sentimenteel licht te stellen, wat gelijk wij zagen ook de grote kunst van Marie de France was. De minnedrank komt dan ook goed te pas om de onschuldige gelieven in een beter daglicht te stellen; zij weten beiden dat zij geen verantwoording voor 't gebeurde hebben, en dat hun alles toegestaan is—en dat voelt de lezer ook. Maar hun liefde staat ook daardoor hoger dan de grove komiek der fabliaux doordat de echtgenoot niet opgeofferd wordt. In de sage zal deze koning der ezelsoren niet anders dan de goedgelovige nar geweest zijn, lichtgelovig tegenover Isolde en die zich ook even licht door de verklikkers laat ophitsen. Bij Berol verwijt koning Artus hem ook dat hij wispelturig is en veel te gauw toegeeft. Maar niet alleen de dichters, ook zij die hem bedriegen erkennen dat hij welwillend is en toegevend, en groot is de sympathie van allen voor de „einvalt” en „wegelôse” koning, zoals Gotfried hem noemt. „Slechts zijn grote liefde voor u,” zegt Brangien eens tegen haar meesteres, „maakte hem zo toegeeflik voor u, maar gij beloont hem slecht.”
In talrijke episoden krijgen wij het spel en het tegenspel te zien. De koning heeft Tristan van het hof verbannen en de geliefden versmachten van verdriet, nu zij van elkaar gescheiden zijn. Edoch, Tristan weet raad. Er stroomt een rivier langs—of oorspronkelik door—het vertrek van Isolde (zo eigenaardig en primitief was het Keltiese huis van bouw) en door middel van zaagsel dat tekens vormt en de rivier afdrijft, laat hij haar weten hoe zij elkaar zullen vinden,—een list die reeds in een oude Ierse sage voorkomt.
De dwerg is te weten gekomen dat zij elkaar 's nachts bij maneschijn aan de oever van een meertje in het bos zullen ontmoeten. Koning Marc is met een pijl en boog gewapend in een boom geklommen daar dicht bij om ze te beloeren,—in de oorspronkelike versies van de sage vindt men, naar het schijnt, nog geen lans of paard. Tristan komt eerst en ziet de schaduw van de koning in het water. Hij staat als op gloeiende kolen en durft niets te laten merken, maar is vol angst hoe alles aflopen zal wanneer Isolde ook komt. Maar, ook zij ziet de schaduw en nu beginnen ze door een gelukkige inval van beide kanten, en tot stichting van de koning in de boom, een aandoenlik gesprek over de laster waaraan hun onschuldige vriendschap blootstaat en Tristan smeekt de koningin zijn voorspraak bij de koning te willen zijn—vooral over een som gelds om zijn harnas terug te krijgen dat hij heeft moeten verpanden—; maar zij zegt dat zij dit niet durft,—zo alleen en vreemd als zij zich aan het hof voelt. De echtgenoot wordt zo aangedaan dat hij, zoals hij naderhand vertelt, bijna uit de boom was gevallen. De volgende dag neemt hij Isolde in verhoor en na een kleine komedie, waar zij prachtig toneel speelt, wordt zijn neef weer in genade aangenomen. Maar Brangien moraliseert over het mirakel dat God voor hen gedaan heeft—op een manier waarvan men eigelik niet weet of het Godsbespotting of naïef laks kristendom is—hij is een goed vader die geen hart heeft hen kwaad te doen die „buen et loyal” zijn.
Een ander maal heeft een dwerg meel tussen de bedden gestrooid; de koning, Isolde en Tristan slapen n.l. in hetzelfde vertrek en er wordt vermoed dat Tristan 's morgens het bed van Isolde bezoekt wanneer de koning vroeg opgestaan en uitgegaan is. Maar de gelieven hebben dat meel gezien en met een enorme sprong weet Tristan direkt uit zijn bed in dat van Isolde te komen. Maar ongelukkig was hij kort te voren door een wild zwijn gewond (volgens de meer ridderlike versie heeft hij zich juist adergelaten) en nu springt de wond open en komt er bloed op het laken van Isolde en zo wordt alles toch ontdekt, ofschoon hij heel onschuldig in zijn eigen bed ligt te snurken wanneer er anderen binnen komen. „Ach, God, welk een smart,” roept de dichter uit—„dat de koningin de lakens niet weggedaan had.”
Isolde moet nu een eed afleggen om door een godsgericht haar onschuld te bewijzen. Ten einde op de plaats des gerechts te komen, moet zij met haar gevolg een rivier over. Aan de oever staat een schurftige bedelaar en wanneer de koningin nu landen zal, vraagt hij haar uit de boot te mogen dragen. Zij omvat hem nu met haar armen en benen want zij heeft dadelik Tristan herkend; hij had haar ook laten weten dat zij maar goeden moed zou houden. En wanneer zij nu aankomt, kan zij kalm de eed afleggen dat zij nooit een andere man dan de koning haar Heer en Meester in haar armen heeft gehad en,—ja, dan ook nog die schurftachtige bedelaar van daar straks,—en doorstaat zij met glans de ijzerproef.—Reeds in de oude Indiese vertellingen en later in Griekse romans hadden loze geliefden dergelijke dubbelzinnige eden afgelegd. Daar ziet men alweer, roept naar aanleiding hiervan de antiklerikaal Gotfried tot de geestelikheid met haar „vrome bedriegerijen”,—daar ziet men alweer dat Kristus zich tot alles leent, hij is als een mouw die men kan draaien en wenden, presies zo als men wil, evengoed tot bedrog als tot waarheid!
Maar,—de koning kan, niettegenstaande dit alles toch niet blind blijven voor wat er tussen die twee gebeurt. Hij ziet het, zo als Gotfried het sentimenteel uitdrukt, aan hun blikken, hun groeten, hun handen die zij zo dikwijls tegen het hart drukken. Weer volgt er een breuk en wordt het paar veroordeeld. Bij Berol geschiedt dit op zeer ruwe manier. Tristan wordt naar de brandstapel geleid, maar als hij onderweg permissie heeft gekregen om een kleine kapel in te gaan om te bidden, weet hij met een koene sprong het raam uit te springen naar een steile rots en zich zo te redden, Isolde zal ook verbrand worden, maar op weg komt de stoet een troep melaatsen voorbij en hun geleider stelt de koning voor de zondares aan hen over te leveren. De melaatsen die in de middeleeuwen in voortdurende vleselike lust bleken te leven, konden haar nu allen bezitten en dat zou nog de beste spot voor zulk een verwende prinses zijn. Zonder zich een ogenblik te bedenken levert de koning haar uit en trots trekken zij met de wenende verder. Maar uit een hinderlaag komt Tristan op eens te voorschijn en verdrijft de schare; Berol, dichter van de beginnende ridderlikheid als hij is, zegt dat Tristan zich volstrekt niet verwaardigde zijn zwaard te trekken, zoals vroegere dichters hebben beweerd, zijn getrouwe vriend en makker ranselde er met een knuppel op los en dat was genoeg. Dan trekt hij met zijn geredde geliefde het bos in.
Thomas laat dit alles weg; alleen doet de koning beiden in de ban, Tristan voorziet zich alleen maar van wat geld; neemt zijn harp, zijn hoorn, zijn degen en zijn hond mede en vol verrukking gaan de twee gelieven zonder enig protest, hand in hand op weg.
Het bos is altijd het toevluchtsoord voor alle vogelvrij verklaarden geweest;—in Engelse liederen van Robin Hood als in de IJslandse ballingsschapsverhalen. Even als daarin wordt ook in „Tristan en Isolde” de vrijheidsromantiek in het Robinson-achtige natuurleven in het diepe bos gepoëtiseerd. De geliefden bouwen zich nu een verborgen loofhut, vertelt Berol, en Tristan gaat op jacht na zijn hond zo gedresseerd te hebben dat die het wild grijpt zonder te blaffen; hij kan ook al de vogelgeluiden na doen zodat die zich om hem verzamelen. Liefde tot de dieren komt hier, evenals bij Marie de France, sterk op de voorgrond als een schakel in de keten der ontwikkeling van de sentimentaliteit en het natuurgevoel. Bij Gotfried, misschien reeds bij Thomas—komt zelfs het Rousseau-achtige dwepen met de natuur van de hoveling hier en daar te voorschijn. De twee geliefden leven alleen van hun liefde, dat is de enige spijs en drank waar ze iets om geven, hun hof is de linde, de weide en het gezang der nachtegalen. Wat niet weg neemt dat Berol ze, eigelik heel gek, een prachtige „liefdegrot” in het diepst van het woud in laat richten, en hij zich geen moeite spaart om de marmeren muren, de glans der edelstenen en het bed van kristal te schilderen—alles in de trant van de „Chambre de beauté” der Trojaromans—maar hij legt er een diepe allegoriese betekenis in en vertelt vol aandoening dat hij zelf dikwels in zulk een liefdegrot geweest is, ofschoon hij nooit Cornwall bezocht heeft,—hij was dikwels op jacht gegaan maar dan, zonder enig wild te vangen, altijd in die grot terecht gekomen. Des morgens, vertelt hij nu verder, wandelde het paar wat rond, of zat naar het kabbelende beekje te luisteren en volgde de golfjes met hun ogen. Wanneer de zon hoger aan de horizont kwam, gingen zij onder de lindenboom zitten die bij hun grot groeide, en dan suisde de wind koel door het schaduwrijke loof, terwijl zij elkaar droeve liefde-verhalen deden uit Ovidius. Ook vermaakten zij zich met te spelen en op de jacht te gaan. Zo gingen ze eens op een morgen hand in hand op weg; alle vogelen in het bos begroetten hen met hun kunstigste trillers, lachend keken de bloemen hun in 't gezicht, de dauw fonkelde in het morgenlicht en koelde hun voeten. Het was alsof de gehele natuur ze vaarwel wilde zeggen. Zij zijn n.l. in een onrustige stemming; de vorige dag hebben ze hondengeblaf gehoord en ze zijn bang dat de koning in de buurt op jacht is.
En zo is het,—de koning jaagt; hij wil proberen de zwaarmoedigheid te verdrijven die op hem rust sedert zijn vrouw hem verlaten heeft, die hij nog steeds lief heeft. En in de namiddag, wanneer de gelieven in hun woning liggen te slapen, komt een der jagers daar toevallig voorbij, kijkt door een reet en ziet ze liggen... dadelik haalt hij de koning, die aan komt sluipen om de schuldigen te doden. Maar gelukkig liggen ze daar, geheel gekleed, met het blote zwaard tussen hen in, als de gepersonifieerde onschuld. Geen luchtje roert zich, geen blaadje beeft, door het bladerdak dringt een zonnestraal en verguldt het aangezicht van Isolde, „zo slapen de twee gelieven, die denken aan geen kwaad, zij hebben niemand dan zich zelf hier in 't land.” Het getrokken zwaard tussen de gelieven,—dat is het overoude teken van onschuld, dat men reeds in „Amis en Amiles” vindt, zowel als in de „Völsungensage”, maar hier is het òf een bloot toeval dat ze zo liggen, òf een list, omdat zij wel vermoeden dat de koning op jacht is. En de brave koning loopt er dan ook in! Reeds heeft hij zijn zwaard opgeheven, maar ontroerd laat hij het vallen, vol liefde blijft hij zijn schone Isolde weer aan staren; hij besluit zich weer even ongemerkt te verwijderen, maar hij wil ze een teken achterlaten dat hij er geweest is en hun geen kwaad wenst,—even als David wanneer hij Saul in 't hol heeft gevonden. Hij ziet hoe haar teêre huid door de zon gekleurd wordt en trekt een van zijn handschoenen uit die hij voor haar gelaat hangt; ook neemt hij een van haar ringen weg,—ach! haar vingers zijn zo mager geworden dat dit gemakkelik genoeg gaat—en doet een der zijnen daarvoor in de plaats aan haar vinger; ook wisselt hij zwaarden. Een dergelike geschiedenis van een goedige echtgenoot vindt men in de oude troubadour-biografieën en is ook in de moderne literatuur te vinden.
Maar nu houdt de werking van de liefdedrank op; de drie jaar gedurende welke die volgens Berol werken zou, zijn verlopen. Op een dag dat Tristan op jacht is, begint het hem te vervelen dat hij niets te doen heeft en geen heldendaden meer verricht. En Isolde krijgt nu berouw dat zij haar koninklike waardigheid en het rijke hofleven voor al deze ellende heeft laten varen en zij zijn het er over eens dat zij hebben „male usé notre jovente”. Nu zoeken zij een eremiet in de buurt op die reeds te voren getracht had op hun gemoed te werken,—zij beriepen zich toen op die minnedrank—ook nu nog verklaart Isolde dat zij geen berouw heeft, maar dat zij toch bereid zijn elkaar te verlaten. En de eremiet staat dadelik met een zeer ruim biechtvader-geweten paraat. God vergeeft alles zegt hij, hoe erg 't ook is, en luister nu eens, koningin, om de zonde te bedekken en de schande weg te nemen is een klein beetje „bel mentir” nu niet altijd zo heel verkeerd. En door zijn raad en medewerking wordt de zaak al heel spoedig zo geschikt dat Isolde weer tot haar vroegere eer en waardigheid komt, als zij verzekert dat er nooit iets anders dan gepaste vriendschapsgevoelens tussen hen beiden geweest zijn; maar Tristan moet het hof verlaten en ten strijde trekken. De Koning wil hem geld medegeven, maar dat weigert hij en na afscheid van Isolde genomen te hebben, trekt hij trots op weg; zolang Isolde hem kan zien, wendt zij het oog niet van hem af en zij heeft hem beloofd dat, zodra hij om haar zendt, muur noch toren haar terug zal houden.
Anders loopt het in de ridderlike versies, waar de werking van de minnedrank niet aan een bepaalde tijd gebonden is. Nog eenmaal worden de geliefden in genade aangenomen; fijn verklaart Gotfried hoe de Koning, door zijn eigen begeerte verblind, „weet en toch niet weten wil” wat er steeds tussen hen is; op die manier, vervolgt hij met een vrij slappe moraal, is het 's Konings eigen schuld dat het gaat zo als het gaat; bedriegen doen ze hem eigelik niet, zo open als alles in 't werk gaat. Maar eindelik vindt men ze eens op een warme zomermiddag in de tuin in een situatie, die geen de minste twijfel meer over laten kán en nu moet Tristan definitief weg. „Nos cors partir or convient,—mais l'amor ne partira nient,” zeggen zij tot elkaar.
Tristan gaat nu naar Bretagne—het is steeds in het „Keltiese hoekje” dat die historie zich beweegt: Wales, Cornwall, Ierland en Bretagne, met de golven van de Atlantiese zee als brug tussen dit alles—; en hier is het nu dat Tristan een andere Isolde huwt,—Iseut aux blanches mains. Hij wordt n.l. bevriend met Kaherdin, de zoon van de hertog, en spreekt dikwels diens zuster naar wier vertrek Kaherdin hem placht te brengen. Haar naam ontroert hem sterk, hij maakt haar 't hof en dicht op haar: „Isot ma drue, Isot ma mie—en vus ma mort, en vus ma vie”; hij denkt aan zijn eigen Isolde, maar zij denkt aan hem; „die arme vrouw” meent dat zij bemind wordt, wat Gotfried zeer gevoelvol schildert en veroorlooft zichzelf al meer en meer toenaderingen, en Tristan is eerst op haar gesteld omdat zij nieuw voedsel aan zijn weemoed geeft, maar ten slotte vindt hij troost en vergetelheid bij haar.—Of deze tweezijdige verbinding een overblijfsel is van een zonnemyte laat zich niet uitmaken; in „Eliduc” zien wij de held evenzo tussen twee vrouwen verdeeld; de een in Engeland, de ander in Bretagne en ook daar waren hun namen ongeveer dezelfde. In elk geval is het een verfijnd sentimenteel onderwerp en in de ridderlike versie van Thomas licht Tristan zijn zielestrijd in lange monologen toe, in de trant van die in de roman van Troje; maar het is een zeer origineel stuk psychologie, naïef-ruw niet alleen, maar smachtend als 't in zijn ongemengde oprechtheid is.
Isolde—zegt Tristan zich zelf—kan nu toch zeker niet meer zo naar mij verlangen; nu heeft zij immers haar man met wie zij de liefde leert kennen. Tot andere gedachten is zij zeker niet gekomen, dan zou ik 't wel gevoeld hebben, evenals zij 't gevoeld zou hebben als dit met mij 't geval was.—Hier hebben wij het geloof in een wisselwerking uit de verte tussen verwante zielen (dat reeds in de naïeve verhalen uit de volkssagen bekend is) hoe de thuisgeblevenen aan een achtergelaten haarlok of kleed kunnen zien hoe het de ander gaat;—een motief dat zeer vaak in de liefderomans opgenomen wordt als een soort mise-en-scène van de steeds zeer voorkomende bewering van de lyriese dichter dat hij met zijn geliefde „van hart verruild” heeft.—Maar,—gaat Tristan tegen zich zelf door—dàt zij bezig is van mij af te gaan, is zeker, anders zou zij wel om mij gezonden hebben. Als zij nu elke nacht door haar man omhelsd wordt, zal zij mij niet langer missen, en moet ze er langzamerhand toe komen hem lief te hebben. Ik wil dan ook maar trouwen en zien of ik bij die andere mijn lust kan vinden zonder haar werkelik lief te hebben. In een dergelijke wraak, merkt de schrijver hierbij op, zit eigelik liefde zo wel als toorn, hij doet wat hij eigelik niet wilde!
En zo huwt hij dan Isolde Withand,—maar als 't er op aan komt, kan hij het niet over zich verkrijgen bij haar te gaan. De gedachte aan zijn ware Isolde houdt hem terug en hij vindt er een geraffineerde zelfplagerij in, getrouwd te zijn en zich toch te onthouden. Hij verlangde steeds naar Cornwall en daarginds verlangde Isolde niet minder. Zij zit daar „lais” te zingen, en op haar harp te spelen; „zoet zingt de vrouwe, en de stem voegt zich naar het snarenspel, schoon zijn haar handen, haar lied is lief, zoet is haar stem en de tonen zacht.” Er stijgt een wonderlik weemoedige stemming uit die fraaie verzen op: „La dame chante dulcement,—la voiz accord a l'estrument,—les mains sunt beles, li lais bons,—dulce la voiz et bas li tons.” Eens krijgt zij een hond van haar vriend ten geschenke, met bellen om zijn nek; die heeft een vorst hem geschonken en wanneer die bellen weerklinken, vergeet men zijn verdriet, daarom zendt Tristan die aan zijn vriendin, opdat zij hem niet zal missen. Isolde is heel blij met haar hond, maar—als zij merkt dat zij door het gerinkel der bellen haar vriend vergeet, neemt zij haar hond de halsband af en werpt die in het water: zij wenst geen troost terwijl hij lijdt. Zulke vergetelheidbrengende feeëngaven waren blijkbaar een oud dichtermotief, maar de asceties sentimentele draai er aan is zeker aan de roman te danken. In Bretagne heeft Tristan ergens in 't woud een geheime grot die hij door grote meesters in de kunst van vergulde beelden van Isolde en Brangien heeft laten voorzien; dat zijn van die mekaniese kunstwerken als in de Troja-romans, die verspreiden heerlike geuren en daar gaat Tristan dikwels heen om het beeld van zijn geliefde te omhelzen en harer te gedenken. Dergelijke ietwat ongure geschiedenissen van vrouwenstandbeelden die mannen als levende vrouwen omhelzen, zijn uit de latere klassieke schrijvers in de Graalroman en de kronieken overgegaan en wijzen misschien op een zeker ruw volksgeloof met betrekking tot naakte antieke vrouwenbeelden.
Isolde Withand droeg haar jonkvrouwelike stand in het huwelik met berusting. Slechts door een toeval komt zij er toe haar broeder op de hoogte te brengen, waarbij de schrijver een motief uit een oud-Ierse sage gebruikt. Nu heeft Kaherdin een verklaring met Tristan, die zich voor zijn verdediging op de omstandigheid beroept dat hij een vriendin heeft die zo schoon is dat zelfs haar cameriere nog de zuster van Kaherdin overtreft,—bijna presies hetzelfde wat Lanval in de „lai” van Marie de France te zijner verdediging aanvoerde toen men hem zijn onverschilligheid voor vrouwen verweet. Maar dat gelooft Kaherdin niet voor hij 't ziet! En zo trekt hij met Tristan op naar Cornwall, waar deze laatste weer Isolde in 't geheim ontmoet, terwijl Kaherdin en Brangien weldra het tweede paar vormen. Dergelike verhalen komen er meer voor in de roman; veel van wat in deze motieven in de heldendichten en de vroegere litteratuur in 't algemeen voorkwam, van Renaud de Montauban, Grettir uit de IJslandse verhalen, Robin Hood en andere bannelingen die in 't geheim hun land bezoeken, wordt nu weder op Tristan overgedragen. Eens staat hij in haar tuin en bootst de klagende tonen van de nachtegaal na, zo zoet „dat er geen hart is, zelfs niet dat van een moordenaar, dat er niet door vermurwd wordt”, en zij hoort dadelik dat het haar vriend is. Een volgende keer komt hij, alsof hij een krankzinnige was, met het sap van allerlei wortels besmeerd, een knuppel in zijn hand en als een wildeman gekleed, in de grote zaal van koning Marc, waar hij in bedekte woorden maar alsof het die van een krankzinnige waren, er vermaak in schept, de koning van zijn liefde en die van de koningin te vertellen. „Geef mij uw koningin,” zegt hij, „ik zal haar naar een kristallen paleis boven de wolken brengen, waar de zon doorheen schijnt, waar de wind niet bij kan komen, naar dat slot zal ik mijn geliefde brengen”, en hij herinnert de koningin aan de geschiedenis van de draak, aan de beker waar zij beiden uit gedronken hebben... de koningin raakt helemaal in de war en begrijpt er niets van. Zij vlucht naar haar kamer, de „krankzinnige” weet daar ook zijn weg heen te vinden; daar wil hij haar omhelzen, zeggend dat hij haar eigen Tristan is,—maar zij deinst terug, in die vreemde kleedij en met zijn valse stem kan zij hem niet herkennen. Nu spreekt hij haar van nog meer, waar alleen zij beiden van af weten, uit hun samenleven in het bos, en vraagt dan zijn oude trouwe hond te zien. En die alleen herkent dadelik zijn meester, trekt zijn touw stuk, likt hem en blaft... iets wat weer aan de hond van Odysseus herinnert waar die terug komt... Nog veel meer sentimentele episoden komen in de latere prozaroman de verlangens en de smart der twee gescheiden gelieven schilderen. Daar wordt Tristan bovendien nog door jaloesie geplaagd, omdat hij meent ontdekt te hebben dat zijn Isolde nu Kaherdin, zijn zwager uit Bretagne liefheeft, nu is het geen aanstellerij, maar wordt hij echt krankzinnig van verdriet, en gaat in het bos bij een beek zitten wenen en zijn zwanenzang dichten. Nu wil Isolde zich op haar beurt van 't leven beroven, evenals Dido; opgeschikt als op haar kroningsdag sluipt zij de tuin in om „in schoonheid te sterven” op die heerlike zomerdag. Zij staat reeds wenend gereed om in het zwaard van Tristan te vallen dat zij tegen een boom aan heeft gezet, wanneer de koning, die haar gangen na heeft laten gaan, aankomt en haar plannen verijdelt...
Tenslotte wordt Tristan in Bretagne door een vergiftigd zwaard gewond: kruiden helpen niet meer en hij roept Kaherdin bij zich en smeekt hem Isolde aan haar belofte te willen gaan herinneren en dat het nu tijd is te komen. Hij kan haar maar 40 dagen tijd geven, daarna zal zij hem slechts als lijk vinden. En evenals een vergiftigde wonde eens de aanleiding was dat hij hulp zocht bij de koningin van Ierland Isolde, zo kan hij nu alleen maar redding vinden bij de dochter Isolde. Wanneer zij mee terugkomt zullen zij witte zeilen heisen, anders zwarte. Maar aan Isolde Withand mag alleen slechts gezegd worden dat het een ervaren vrouwelik geneeskundige is die ze halen. Ongelukkig heeft de echtgenote buiten gestaan en alles gehoord: „al te gruwelik zal zij zich wreken op hem die zij boven alles lief heeft”. Maar zij doet alsof zij niets weet en blijft zeer vriendelik.
Tristan ligt te verlangen,—laat zijn bed naar 't strand brengen en „houdt er alleen het leven nog maar in” om zijn geliefde terug te zien. Zij is dadelik op reis gegaan en is dan ook al dicht bij de kust van Bretagne. Maar er steekt een storm op, het schip dreigt te vergaan. Als zij nu haar vriend nog maar weergezien had, klaagt Isolde, zou zij gaarne sterven. Maar zo is de liefde, dat niemand van ons smart kan voelen of sterven zonder dat het de ander ook zo gaat. Als wij maar in elkaars armen konden sterven, in één kist neergelegd worden. Ofschoon, als ik nu hier in zee verdrink, zal Tristan zeker ook op zee sterven (steeds weer die gedachte aan hetzelfde lot voor de verwante zielen) en wie weet of dan niet een vis ons beiden verslindt en misschien vangt iemand dan die vis en herkent die onze lichamen en begraaft ons te samen!... Maar wat praat ik... als God ons nu maar te samen bracht, zodat ik hem òf genezen kon òf dat wij te samen in dezelfde doodsangst konden sterven.
Ondertussen ligt Tristan aan wal zich in ellende en verlangen op zijn sponde te wenden en te keren; het loopt op het uiterste. Listig komt nu zijn vrouw hem vertellen dat het schip in 't gezicht is,—wat ook werkelik waar is. Is het wel zeker, vraagt Tristan met ingehouden adem, en welke kleuren hebben de zeilen? „Helemaal zwart”. Nooit had Tristan groter smart gevoeld, hij keerde zich af; Isolde had dus niet willen komen. Drie maal fluisterde hij zuchtend haar naam en toen stierf hij.—Zonder twijfel zijn het de zwart en witte zeilen van de Griekse Theseus-sage die men hier terug vindt, ook zeker wel een andere antieke mythe,—van Paris die vóór Helena, de geneeskundige nymph Oenone bemind had en dodelik gewond bij haar om hulp komt vragen. En evenals het een „toevallige” vergissing is welke die twee in liefde samen bracht, zo is ook het slot van de tragedie het gevolg van een „toevallige” vergissing. Want dat het uit jaloesie zou zijn dat Isolde Withand zwart in plaats van wit zegt, is blijkbaar slechts een latere, ridderlik, sentimentele motivering; in de primitiefste vorm van het gedicht is het slechts de gril van een vrouw om iets anders dan anders te zeggen.
Juist in die versie van Eilhart, is het slot ook het eenvoudigst en het schoonst. Wanneer Isolde nu aan land komt en de klachten over de dood van Tristan hoort, roept zij alleen maar uit: „Wee mij! O Tristan! hij is dood!”; zij verbleekte niet en werd niet rood. Ook weende zij niet mee, maar haar harte deed haar zo zeer. Bij 't lijk ligt de andere Isolde luid te jammeren, onschuldig als zij (in deze versie) aan zijn dood is. Zonder tranen komt de ware Isolde naar binnen en zegt: „Vrouwe, sta op! Laat mij er bij. Geloof mij, ik heb meer recht om hier te wenen dan gij. Ik heb hem meer liefgehad.” En dan valt zij neer en sterft stil aan zijn zijde.
Maar op het graf aan Isolde werd een rozenstruik geplant, op dat van Tristan een wijnrank. Over de graven slingerden die zich samen en hoe er ook aan gekapt werd, die waren niet van elkaar af te houden. Een oude zeer verbreide volksoverlevering, die oorspronkelik misschien wel op de opvatting terug gaat van een werkelike verandering in planten van de afgestorvenen, maar die in elk geval het schoonste simbool er van is dat zij in het leven ook niet van elkander af konden.