← Table of contents
De Ridderromantiek der Franse en Duitse Middeleeuwen

VII.

H. (Henri) Logeman translation

DE KUNST DER TROUBADOURS.

L'Art de Trobar werd gevoeld als een kunst en was dat dan ook, die uitgevonden was door mannen van kennis, die door studie aangeleerd kon worden en beoefend moest worden met zorg en verstand. Reeds de oudste troubadour van wie wij liederen hebben, spreekt van zijn werkplaats, beroemt er zich op zijn handwerk te verstaan en alle troubadours spreken van het smeden en vijlen of van het optimmeren van hun gedichten. Van het begin af was het al een sisteem van regels die gevolgd moesten worden om goed te „trobar”, door die regels komt de kunst hoe langer hoe meer in het nauw, totdat de gedichten er in verstikken. Naast de volks-poëzie en de salon-poëzie die allen kunnen verstaan en bijna een elk kan maken, komt de troubadourkunst te staan als iets dat slechts de uitverkorenen kunnen hanteren en dat zich slechts tot een zeer enge kring van kenners richt, dat slechts wil „grat de las melhors” en zich absoluut niet bekommert om bijval van de „desconnoissedors”.—Maar die kunst is in voortdurende ontwikkeling en het komt er voor elke dichter op aan tot haar vervolmaking het zijne bij te dragen. „Trobar” is uitvinden en in tegenstelling met de „jongleurs” die overal de gedichten van anderen komen voordragen, of die, waar zij zelf dichten, dit anoniem en onpersoonlik doen, geheel in de oude sporen, laat de troubadour er zich op voorstaan zelfstandig op te treden en trots tekent hij zijn gedichten met zijn naam. Nieuwe melodieën, nieuwe versvormen, een nieuwe inhoud moet elke troubadour op de been brengen. Het is dit streven naar orginaliteit dat de poëzie steeds meer gekunsteld maakt. „Ik wil een nieuw lied zingen,” begint er een troubadour, „met grote moeite, opdat het op geen ander lijke, want een lied dat aan andere doet denken is niet goed en niet schoon.” En een ander: „Ik vind het altijd vervelend te vertellen dat ik ween en van liefde zucht, want dat liedje kent de hele wereld van buiten. Ik wil nieuwe verzen schrijven met lieflike melodieën, maar wat kan ik nu nog bedenken dat niet reeds gezegd is? Wat moet ik dan doen? Ik zal de oude dingen op een nieuwe manier moeten zeggen, zo zal mijn gedicht er uitzien alsof het nieuw was.” In tegenstelling dus met de traditionele en de volkspoëzie, stelt de troubadourskunst—evenals de hofpoëzie der skalden in het Scandinaviese Noorden—het aristokratiese en individuele op de voorgrond, dwingt de kunst in conventionele, kunstige vormen, maar spoort binnen die perken de enkelingen toch aan, hun eigenaardigheden niet te verbergen en te trachten elkaar te overtreffen.

De poëzie der troubadours is nu in de eerste plaats een lied, begeleid door de viool of de harp. „Een liedje zonder muziek is gelijk een molen zonder water”, heet het uitdrukkelik en de troubadours waren vooral komponisten. In plaats van de eenvoudige, eentonige muziek van het volkslied met zijn symmetriese herhalingen van de melodie, geven zij er een dat veel kunstmatiger is, waarschijnlik onder invloed van de kerkmuziek. Maar van die muziek der troubadours hebben wij eigelik niets meer over dan de afspiegeling er van in hun verskunst. Als een stroom van harmonie, een volheid van rijm en rhythme is die verskunst aan komen storten en heeft een ieder met zich medegesleept. Het rhytme, meestal levendig jambies, laat niet, gelijk de volkspoëzie, versregels van de zelfde soort, regel aan regel op elkaar volgen, maar laat lange en korte afwisselen, en geeft strofen van zeer verschillende lengte en bouw. Met versregels van 2 à 3 lettergrepen tot 10 à 12, met strofen van 3 à 4 regels tot 20 toe, gaf de troubadour-poëzie het aanschijn aan zulk een enorme massa combinaties, dat die na de eentonige rhytmiek van het kerkgezang en de volkspoëzie, werken moest als de openbaring van een geheel nieuwe tonen-schoonheid. Misschien bestaat er verband tussen deze strofenbouw en die der Oudheid en der Arabieren, maar in elk geval betekende de kunst der troubadours een hele revolutie in de uiterlike vormen der Europese poëzie en werd het uitgangspunt van de rijkdom in versvormen der gehele moderne lyriek.

Maar nog meer werd de welluidendheid een geliefkoosd hulpmiddel voor de Provençaalse kunst. De natuur had die taal in dit opzicht goed bedeeld: de brede open vokalen hadden het een zekere volheid gegeven, de konsonanten, zo krachtig in vergelijking met Frans en Italiaans, en de harde konsonantengroepen (tg, tz, rn, enz.) verleenden het ook veel karakter. En bovendien heeft de taal een grote rijkdom aan rijmen, aangezien zo veel verschillende Latijnse uitgangen in het Provençaals zijn samengevallen,—amati, amatis, amatus,—dit is alles tot amatz geworden. Van deze natuurlike rijkdom aan rijmen van de taal, heeft de troubadourskunst alle mogelike voordeel getrokken. De volkspoëzie had zich vroeger tevreden moeten stellen met vokaalrijmen, assonance; maar de kunstlyriek eist volle rijmen en voert die nu in om door de gehele latere Europese dichtkunst gevolgd te worden. En er komen nog meer gekunstelde rijmen op,—de zogenaamde „rimes riches” worden ingevoerd, waar dezelfde klankkombinatie, maar met verschillende betekenis (art = kunst en = brandt) op elkaar rijmen, zo wel als moeilike, zeldzame rijmen, of rijmen bestaande uit vele lettergrepen of zelfs vele woorden; als spelend vormen zij rijmen van dezelfde eind-konsonanten, maar verschillende daar aan voorafgaande vokalen (ars, urs, ors, ers) of uit verschillende grammatiese vormen van hetzelfde woord bestaande. Of wel worden de rijmen gekruist inplaats van op elkaar te volgen en worden ze ver van elkaar af geplaatst; soms moet het oor dan 5 à 6 regels wachten voor het komt. Op die wijze worden lange rijm- en rhytme-strofen gevormd met grote afwisseling. Daar staat tegenover dat het oor ook voortdurend gebombardeerd wordt met hetzelfde rijm, en dat de strofen rhytmies aan elkaar gesmeed worden, doordat b.v. de rijmen van de ene strofe naar de andere overgaan, door het hele gedicht heen, of doordat de nieuwe strofe met het woord begint waarmede de vorige eindigde. Door zulk een kunst, door zulke gekunsteldheidjes worden nieuwe dichtvormen verkregen. En midden in de regels speelt men met woorden van dezelfde stam: „A Lunel lutz una luna luzens”, of met woorden van dezelfde klank maar verschillende betekenis: „ongle—oncle”. Men heeft ook oor er voor om de vorm naar de inhoud te richten. Zo worden b.v. in een speciale dichtvorm: „descort”, het disharmoniese heen en weer geslingerd-worden van een liefdeziek gemoed tussen zaligheid en wanhoop, door het steeds veranderende rhythme der strofen getekend. Slechts bij uitzondering horen wij een troubadour verklaren dat hij een vrolike melodie aanslaat, „omdat anders niemand naar zijn lied luisteren zou, zo treurig is de inhoud.”

En evenals de versvorm zijn de taal zelf en de stijl het voorwerp van een artistiek aristocratiseren. „In mijn hart draag ik de vijl,” zingt een troubadour, „waarmede ik schone woorden vijl en ik zet ze in schone rijmen, omdat ik een schoon wezen bezing.” Niet van alle landstreken wordt het dialekt geaccepteerd als een „natural e drecha parladura”: als Frans goed is voor epiek en de pastorale, is het dialekt van Limousin beter voor de lyriek. Niet alle woorden vallen in de smaak; onfijne, platte woorden zijn uit hun poëzie verbannen, „want hij die bemint, moet zijn goede opvoeding tonen niet alleen in handelingen maar ook in woorden.” Men gaat zich op de grammatiese korrektheid toeleggen en men begint grammatica's te schrijven. Veelal verheft men bewust de stijl boven de gewone prosa door de massa rethoriese en poëtiese figuren die dikwels uit het Middeleeuws Latijn of de klassieken stammen of uit de bijbel. Men heeft antitesen en metaforen, vergelijkingen en personificaties in de antieke kunststijl: de pijlen en het vuur der liefde, haar koude vlammen en zoete smart, de gepersonifieerde Amor, of zinswendingen als: „Gelijk de magneet... aantrekt, zo...” enz. Het is invloed van de bijbel wanneer een vorst „de ceder der vrolikheid” genoemd wordt of een dame: „de toren der eer”. De gehele rhetoriese woordenvoorraad uit het Middeleeuws Latijn komt weer te voorschijn: de roos der schoonheid, de lelie der reinheid, de bloem der welvoegelikheid, der eren kroon, de spiegel der vreugde, de alsem der bitterheid.

Velen onder de troubadours maken hun stijl met opzet donker en moeilik te verstaan—wat vooral op te merken valt waar de poëzie zich boven het gemeenzame verheffen wil: in de Alexandrijnse tijd zowel als in de laat Romeinse Keizertijd, aan het Perziese hof zowel als bij de Noorse Skalden. „Le trobar clus” (gesloten) is het aestetiese program voor een bepaalde richting onder de troubadours. De geleerde Arnaut Daniel imponeerde zijn tijdgenoten zowel als de nakomelingschap (b.v. nog Dante) door zijn kunstige stijl, ofschoon er spotters waren die beweerden dat niemand zijn poëzie begreep. Hij vormt nieuwe woorden, bouwt lange, ingewikkelde zinnen, geeft omschrijvingen in raadselachtige bewoordingen, en zit vol woordspelingen en geleerde toespelingen: „jaagt hazen met ossen en zwemt tegen stroom in”,—zoals hij zelf zegt over zijn jacht op verrassende en ver gezochte beelden. Het is Latijnse rhetorenstijl wanneer Spanje omschreven wordt „als het rijk dat de Ebro doorstroomt”, de meest onnodige onzer oude Scandinaviese poëtiese omschrijvingen worden overtroffen wanneer een moeder met „de zuster van mijn oom” werd aangegeven; en wanneer „de liefde die hem in het harte regent, hem warm houdt, hoe zeer de winter ook buiten woedt”, dan is dit niet anders dan een proefje van Perziese hoflyriek. Een ander aanhanger van deze „estilh clus”, Guiraut de Bornelh, gaf dat later op en zeide toen in een polemiek over die kwestie dat men volgens hem beter deed zo te dichten dat men door een ieder verstaan kon worden; „per slot van rekening is dat ook het moeilikste.” Maar zijn tegenstander beweert: „neen! dan zouden allen gelijk worden. Indien de dichtkunst tot een ieder komt, vermindert die in waarde, gelijk alles wat binnen het bereik van Jan en Alleman komt; goud is duurder dan zout, omdat het zoveel zeldzamer is, en zo wordt ook die dichtkunst het hoogst geschat, die het moeilikst toegankelik is.”

Deze fijne kostbare kunst is het nu waar het Zuid-Franse adellik leven zijn ziel in uitstort en waaraan het eigen vorm geeft. De troubadours eindigen de meesten van hun gedichten met een „tornada”—een kleine „staart”—cauda—die het rhythme en 't rijm van het gedicht nog eens herhaalt als in een refrein en tegelijk de bedoeling in het kort samenvat en aangeeft voor wie het bestemd is,—voor een bepaald persoon of voor een hele klasse van hoorders. Feitelik is de poëzie der troubadours oorspronkelik direkt uit het leven ontstaan en heeft dan ook zijn bepaalde praktiese taak in dat leven, zij is gelegenheids- en tendens-poëzie zo goed als enig andere. Al die schermutselingen die vroeger met mond en zwaard of per brief tussen de baronnen en de burchten plaats grepen of tussen de kerk en de wereldlike macht, alle vleierijen van de Heer, of bespotting van zijn vijanden die in de hal weerklonken hadden, alle woorden van liefde of laster die in de binnenkamer gefluisterd waren,—dit alles zou nu de vleugelen van de zang en de muziek te hulp roepen om zich beter te bewegen en verder door te dringen. Wat vroeger in 't Latijn geschreven was, werd nu door de troubadours in een lichte, populaire vorm gegoten. De Provençaalse kunstpoëzie is veelal te beschouwen als een voortzetting van de Latijnse lofzangen, of grafliederen die de geesteliken aan de hoven op hun hoge meesters gedicht hadden, of van de strijdschriften die een notaris of een kanselier in de dienst van hun Heren geschreven hadden, van de preken ten gunste van de kruistochten van een Bernhard van Clairvaux of, omgekeerd, van de Latijnse hekeldichten der vaganten tegen Rome en de geestelikheid.

Een „Sirventes” betekent letterlik een dien-dicht (sirven = dienen, servir), door een hofdichter tot lof van zijn heer of tot bespotting van diens vijanden en in zijn politieke dienst geschreven, maar langzamerhand is het in 't algemeen de vorm geworden voor alle persoonlike religieuse en morele polemiek en vindt de gehele kritiese en strijdlustige Zuid-Franse geest in het „sirventes” zijn uiting.

Bertran de Born, heer van Hautefort in Périgord, was de eerste, de voornaamste man van de politieke „Sirventes”. Gelijk de Arabiese zonen der woestijn, of de jambici der Griekse eilanden of de oude sagahelden van IJsland was hij, in één persoon verenigd, een strijder met het zwaard en met het woord; het is Eris, de strijd zelf, die tot gedicht wordt als bij Amrilkais of Gunlaug Ormstunge of Archilochos. Bertran en zijn broeder bezaten te samen een klein familiegoed, maar zij hadden het voortdurend met elkaar aan de stok; eerst was Bertran een tijdlang door zijn broer weggejaagd, maar had toen op zijn beurt hem verdreven en de burcht dapper tegen een groot vijandelik leger verdedigd. Onverstoord zong hij onderwijl door: „Nu brandt en verwoest men mijn land, kapt men mijn bos en mengt mijn zaad met stroo; al mijn vijanden grijpen mij aan, als ik twist tussen de baronnen zaaien kan, zal ik ze ook wel weer bij elkaar kunnen brengen.” Met vurige strijdlust mengt hij zich in het oproer der Aquitaanse baronnen tegen Richard Leeuwenhart, die toen als prins de stadhouder van de Engelse koning in Zuid-West-Frankrijk was. Bertran blijft onvermoeid de jongere broer Hendrik en de vazallen tegen „die schrok-op uit Poitou” op zetten, „Richard ja-en-neen”, zoals hij hem noemt, en hij belooft zelf onder de muren van Perigueux te komen waar Richard toen resideerde en zijn hersens in te slaan, als hij zich durft vertonen. Hij hoont de lafaards maar spreekt degenen moed in die een hartig woordje helpen kan, de een houdt hij voor de gek als hij een vernedering ondergaan heeft, een ander weet hij te bewerken door zijn afgunst op te wekken, komt met hatelike toespelingen aan, geeft de mensen allerlei bijnamen en is al even erg als Loki wanneer het er op aan komt de mensen te plagen en tegen elkaar op te zetten. Talairand is een echte „Lombard”,—als andere woedend opspringen, rekt hij zich even uit en gaapt... „Willem van Gordon, jou mag ik wel, jij hebt ten minste een tong in je mond, maar de twee burggraven beschouw ik als gekken en deugnieten... Aan het slot van Clairvaux hebben ze een nieuw gedeelte gebouwd, dat de nieuwe koning zeker niet behagen zal, als hij het ziet; maar het schittert zo heerlijk dat hij het zeker in 't oog zal krijgen.” Hij eet zich op van gramschap wanneer hij bemerkt hoe hij zijn sporen voor niets verslijt,—„wat zijn ze allemaal laf, die baronnen, ze moesten allemaal zich maar de kruin laten scheren of zich aan handen en voeten laten beslaan als een paard.” Maar het jubelt in hem wanneer hij de baronnen zich ziet wapenen en burgers zich gaan verschansen en het wapengekletter dus weldra over de vlakte te horen zal zijn... Intussen was de jonge prins Hendrik gestorven en had Bertran hem een groot rhetoriese elegie gewijd, geheel en al in de pompeuse hoogdravende stijl van de Latijnse „planctus” die abten en bisschoppen bij de dood der vorsten op bestelling schreven. Hij verzoende zich met Richard maar kreeg niet minder stof voor zijn Sirventes in de twisten tussen de Engelse koningen en Philip Augustus van Frankrijk,—hij doet wat hij kan om de vorsten tegen elkaar op te zetten en tegelijk had hij nog even voor eigen rekening een twistgeschrijf op rijm met koning Alphons van Aragon.

Al die polemiese geschriften zijn eigelik maar half poëzie,—het zijn onze krantenartikelen,—een oproep, een opruiing, of een uitdaging. Maar er is iets bepaald demonies bij Bertran, wanneer hij zingt: „Al is er overal om mij heen vrede,—een duim breed grond is mij genoeg om te vechten... Mij is de vrede gehaat, tot strijd alleen mijn zin nu staat; mijn hart is aan strijd alleen gewijd”, of wanneer hij als dronken is van verlangen naar het voorjaar, niet wegens het nieuwe groen of het gezang der vogelen, maar eerder wegens de mannen en paarden die hij dan ten kamp bereid zich zal zien opstellen, mensen en beesten die hij zal zien vluchten, muren die kraken en de paarden der gevallenen die over de velden snellen: „eten noch drinken noch slaap verkwikt mij zo zeer als wanneer ik de kreet „Vooruit!” hoor, en de paarden hinniken, en er hulpgeroep weerklinkt en de gevallenen daar liggen met de bewimpelde speren nog in hun zijde.” En zijn haat van edelman tot boer en burger breekt in hevig leedvermaak uit, „het doet mij goed wanneer ik die ellendige geldmannen die met de adel twisten, in het ongeluk zie... wanneer ik ze naakt zie lopen bedelen... Een boer is een zwijn, als hij rijk wordt, verliest hij zijn verstand; daarom moeten wij zijn trog steeds leeg trachten te houden. Hij die er zijn boer niet onder houdt, versterkt hem in zijn slechtheid... Niemand moet hem beklagen als men hem zijn arm of been ziet breken of wanneer hij aan het noodzakelikste gebrek heeft... Dat overmoedige gespuis is niet te verdragen. God zende hun alle ongeluk!”

Een andere soort van „Sirventes” is de moraliserende. De grote man daarvoor is Peire Cardenal. Van voorname geboorte, „vrolik, schoon en jong”, maar bezield door een levendig gevoel van recht dat onder leugen en onrecht leed, maakte hij zich tot een soort van Don Quichot van het recht, en zijn kunst tot een ridderdegen die tegen alles en een ieder gericht was. Dan eens zijn het de geesteliken daar hij het op voorzien heeft: dat zijn gieren en roofvogels die rot vlees ruiken en op allen aanvliegen die op 't punt staan te sterven om hun een testament af te persen; het zijn de Isengrims die zich in een schapenvacht hullen. Dan weer zijn het de grote Heren: Waar een machtig man op straat loopt, wordt hij door kwaadaardigheid en hebzucht vergezeld, daar draagt het onrecht de banier en hoogmoed loopt vooraan... Indien men een baron alles gaf, van Turkije tot Normandië toe, zou men toch geen vrede met hem krijgen... Indien men in zulk een machtig man op een stuk of twee, drie plaatsen een gaatje prikte, zou er toch niets anders dan een stroom leugens gelijk een waterval uit zijn hart komen storten. Dan is het de beurt van de vrouwen: als men een vrouw een daalder in de hand stopt voor de waarheid en een cent voor de leugen, dan wint de cent het. Of wel moeten alle mensen tegelijk het ontgelden: die zijn als de muntstukken waar een kruis en de lelies buiten op staan, maar waar geen zilver in zit als men het smelt; hun goedheid is van dien aard dat, indien stenen brood waren en water wijn en de bergen zijden spek, dan gaven ze toch nog niets weg; op een smal reepje leder—de helft van de duim van mijn handschoen—zou ik alle rechtvaardigheid kunnen schrijven die in de wereld is. Op die wijze brengt ook bij hem de hartstocht altijd weer nieuwe grille beelden voort—als bij Dante—en houden nieuwe burleske invallen de toehoorders in spanning, als bij de bedelmonniken. En ten slotte treedt onze Paladijn onversaagd tegen God zelf op en klaagt dat die zijn macht niet gebruikt heeft om de duivel en het kwade te verpletteren, maar nu de mensheid met de hel straft voor het kwaad dat zij bedreven hebben waar God zelve de oorzaak van is. „Welk een machtig heerser God ook is, toch zal hij van al dat onrecht rekenschap af moeten leggen.”

En het rumoer van die Sirventes klinkt veelstemmig over geheel Zuid-Frankrijk. Krasse kruistochtliederen en even krasse liederen tegen Rome en de geestelikheid. Liederen als van een hoveling bij de dood van vorsten met lofgezangen over de afgestorvene en schimpwoorden over zijn vijanden. Troubadours die elkaar niet in hun gedichten ontzien, waarin dikwels kritiek over alle kollega's voorkomt: het zou beter zijn als hij met een psalmboek liep in plaats van de liefde te bezingen; wat hij dicht, klinkt zo somber als de woorden van een oude waterdraagster en zelf lijkt hij wel een gedroogde lederen waterzak. Marcabrun, een vondeling uit Gascogne heeft tot specialiteit uit pure nijdasserigheid alle vreugde en liefde belachelik te maken en cynies te vertellen hoe hij zich door alle omstandigheden des levens heen weet te draaien, altijd op zijn eigen voordeel uit is, het spesiale terrein van anderen af te jagen en zich altijd een achterdeurtje open weet te houden,—wat toch niet heeft kunnen verhinderen, dat hij door een edelman gedood werd wegens zijn giftige lastertong. Amusanter is de Monnik van Montaudon,—de humorist onder de dichters der Sirventes. Van voorname geboorte, was hij reeds heel jong in de monnikspij gestoken, maar liep uit het klooster weg en kreeg, zo als beweerd wordt, de permissie van zijn supérieuren om als troubadour de wereld door te trekken, op voorwaarde dat hij een deel van zijn verdiensten aan het klooster afstond. Zijn jolige gedichten noemen alles op waar hij van houdt,—een lekkere zalm bij het noenmaal, of op een weide naar het gezang der vogels te liggen luisteren en in 't geheim een bezoek van zijn geliefde te krijgen; zowel als alles wat hem tegen staat—een echtgenoot die zijn vrouw al te zeer bemint, of een ridder die voor de wereld veel drukte maakt, maar thuis peper maalt. De vrouwen vervolgt hij met geestig sarkasme,—hoe vlijtig zij de „schilder”-kunst verstaan, zodat de kleuren op hun wangen de schilderijen der kapel in de schaduw stellen en hoe de safraan enorm in prijs gestegen is; en in gezellige samenspraken disputeert hij met God over de ondeugden der vrouwen en hoe die het best te kureren zijn en God verwijt hem dat hij weer in 't klooster gegaan is: hij amuseerde èn de mensen èn God toch veel meer toen hij als troubadour rondtrok!

Een heel bizondere arena voor de strijdlust der troubadours was een soort versduellen die men tenzonen noemt. Het is een zeer oude populaire dichtsoort; zo wel de Tyrolers („schnadahüpferl”) als de Noorse boeren kennen die, evenals de Toskaanse en Siciliaanse herders. Natuurlik genoeg werd dit dichtgenre, zo uitnemend passend in de gezellige samenkomsten in Provence, aan een artistieke behandeling onderworpen. Oorspronkelik is het zeker wel werkelik een twistpunt geweest tussen twee personen dat op die manier op staande voet door de zangers in zulk een verskamp werd beslecht. Maar hoe meer gewicht er langzamerhand aan de vorm gehecht werd, des te minder kon er sprake zijn van improvisatie en zo volgde de eene strofe de andere met een tussenruimte op. En zo werd het langzamerhand ook niet altijd een persoonlike kwestie die berijmd werd; dikwels was het de een of andere algemene vraag die bedebatteerd werd. Wanneer in een gezelschap een zeker punt aangeroerd was dat tot meningsverschil aanleiding had gegeven in de loop van het gesprek, dan kon het gebeuren dat een dame twee aanwezige troubadours uitnodigde, zich tot de voorvechter van een der twee tegenovergestelde opvattingen te maken, of wel nodigde de een zijn kollega uit een der twee opvattingen te verdedigen, terwijl hij dan de andere tot de zijne maakte en bij de volgende samenkomst kwamen zij dan goed voorbereid en „voerden de liederen-kamp op.” En het gebeurde dan veelal dat men de beslissing overliet aan degene die de vraag aanhangig had gemaakt of wel werd er door vrije keuze een jury gekozen b.v. van voorname dames. Veel zeer mooie gedichten van dien aard zijn bewaard, ofschoon, misschien, in vele gevallen feitelik die beide rollen door een en dezelfde troubadour gedicht zijn. Men disputeert b.v. over de goede eigenschappen der verschillende volkeren. Of men het recht heeft de liefde ener vrouw te weigeren, alleen omdat zij oud wordt. Of een dame de edelste of de voornaamste van haar aanbidders de voorkeur moet schenken,—de Dauphin van Auvergne houdt zich grootmoedig aan het eerste, zijn burgerlike tegenstander bescheiden aan het laatste. Wat of erger is: schuld te hebben zonder die te kunnen betalen of te beminnen zonder wederliefde te krijgen;—Eble verklaart dat met alle respect voor ongelukkige liefde is het toch erger wanneer men door zijn krediteuren vervolgd wordt en zich niet in zijn mooie kleeren op de markt durft vertonen; waarop Guillem Gasmer opmerkt dat men zijn schuldeiser met fraaie woorden kan paaien, maar dat men van liefdesmart niet zo gauw afkomt.

Dergelijke wedstrijden hebben aan vele hoven gebloeid. Maar eigenaardig voor de Zuid-Franse hoven is de in 't oogvallende plaats die kwesties van de Liefde in deze debatten innemen. Niet alleen dat de dichters der Sirventes de groten „tot hoge daden” aan moeten sporen, „de kwaden moeten beschamen” en zonder vreze „herauten der waarheid moeten zijn”, zowel als, waar ze zeer trots op zijn, door hun lied de roem van hun weldoeners het eeuwige leven schenken,—als dichters van Canzonen hebben de Troubadours een niet minder hoge roeping—de verkondiging van de religie der Vreugde, van een gelukkig samenleven en van de Liefde.

In het element der vreugde leef ik gelijk de vis in het water, zingt Arnaut de Maruelh; elke keer dat de zoete lentelucht weer mijn hart tot nieuw leven wekt, voel ik, dat ik tot vreugde geboren ben. Ik verheug mij over het gezang der vogels en over de bloemen—jubelt Bernart de Ventadour—over mij zelf, maar nog meer over mijn Vrouwe, aan alle kanten ben ik door vreugde omgeven, maar deze overtreft alle anderen. Veel meer dan de vogels heb ik reden om te zingen, ik die alle dagen slechts voor zang en vreugde leef en aan niets anders denk. „Joi” en „Gaug” (vreugde), „Joi e deport”, die woorden gaan als leitmotif door de gehele dichtkunst der troubadours. In scherpe tegenstelling met het tragiese patos der heldendichten en de sombere plechtigheid van de kerk, komt nu het nieuwe jolige lied met zijn koloratuur en zijn trillers. „Joi e deport” betekent dat gevoel van de edelman die zich „vrij weet van materiele en geestelike beslommeringen” en dat heerlike gevoel moet de troubadour opwekken en levendig houden. Een vrij geboren natuur—zingen ze—kan niet in droefenis in beslommering leven, hij moet alles liefhebben wat heerlik is en schoon—schone wapenen, een vrolik tijdsverdrijf, hoofse gezelligheid; niets van dit alles is uit den boze en dat zal ook niet door God gestraft worden, gelijk diegenen geloven die jeugd en vreugde in miskrediet willen brengen omdat ze zelf niet weten wat vreugde en milddadigheid betekenen (Guiraut de Bornelh). De vreugde is de wortel van alle goeds, „se (zonder) joi non e valors”, de vreugde maakt de mens dapper, goed, beminnelik en bemind. Het is die opgewekte stemming bij de hogere klassen, Euphorie, welke de Duitse troubadours „hohe muot” noemen of „riche muot”; „geen enkele keer heb ik hem in treurige stemming gezien” leest men in een lofzang over een gestorven vorst.

Maar „joi” is ook nog iets anders, het zwelgen van de lyricus in zijn gevoelens, zijn roes over de innerlike rijkdom van zijn ziel. Het zelfde sentimentalisme dat bij St. Bernhard in het gevoelskristendom en het entoesiasme voor de kruistochten uitsloeg,—dat is het wat bij de troubadours tot de gevoelens van gelukzaligheid wordt en tot hun eroties dwepen. Tegenover de baronnen die slechts aan hun goederen denken en strijd, en aan alles wat ze op kunnen nemen en aanraken, verkondigt de troubadour paradoxaal de vrijheid en rijkdom van het innerlike leven: daar buiten is het najaar en alles verwelkt, daar is het winter en alles bevriest, maar in mij staat de lente in de knop en bloeit het als in de zomer. Eén glimlach van mijn geliefde is mij meer waard dan al het goud van Arabië, in mijn liefdesgeluk zou ik met de koning van Engeland niet willen ruilen. Maar daar staat tegenover als een niet minder merkwaardige paradoks, dat ongelukkige liefde erger is dan tandpijn en onaangenamer dan schulden te hebben. En toch—toch is de ontbering van een teleurgesteld minnaar de dichter dierbaarder dan het ruwe toegeven aan de zinnen, wat de meesten onder liefde verstaan.

De lente is de tijd van de vreugde en het sentimentele dwepen. De liederen van Bernart de Ventadour zijn verliefde hymnen aan de lente,—wanneer het vlas op de velden groent, de viooltjes onder de struiken te voorschijn kijken en de beekjes helder over het zand kabbelen, wanneer blad en bloem op alle takken knop zetten en nacht en dag de vogel zijn gezang laat horen. Het zoet gezang van de nachtegaal houdt hem in minnegedachten wakker en als de leeuwerik zijn vleugels 's morgens naar de zonne uitslaat, zodat hij zich geheel vergeet en door al 't zoete dat hij voelt de aarde nader komt, dan is het hem als zou zijn eigen hart van zoet verlangen barsten... Gelijk men niet nalaten kan de tong tegen een holle kies te drukken—zingt Guiraut de Bornelh—zo kan hij ook niet anders dan zijn hart naar de jonge bloemen wenden, wanneer hij de takjes bloeien ziet en de zoete stem der vogels liefdedronken in de struiken hoort. En is in 't eind van Maart de sneeuw gesmolten en de warmte weer teruggekeerd, de weide groen, terwijl de vogels dan weer zingen, dan wordt hij uitgelaten als een wild dier en licht ter been gelijk de ree. De weiden en de heldere beekjes, de hagedoorn en de wilde roos, de leeuwerik en de nachtegaal—dat is de stralende, vriendelike lenteschoonheid die de troubadour liefheeft, en gewoonlik verleggen ze dan ook hun scène's naar die soort tuinen, waar de ridderkastelen nu veelal van omgeven zijn. De dichter siddert als een blad, is blij als een vogel, en hij wordt door de blik van de geliefde verwarmd, gelijk de natuur door de stralen van de zon.

De lente is de bevrijding na de koude donkere winter, wanneer de wegen onbegaanbaar zijn en men in de sombere, kille kamers met stenen vloeren zit te rillen of door de rook verstikt. Nu kunnen de ridder en de troubadour weer de wijde wereld intrekken. Een verlangen naar vrijheid en een drang naar buiten weerklinken in hun liederen. „Het leek hem onaangenaam, lang op één plaats te blijven,” heet het over één, en dat geldt van velen. Bij alle weer, onder moeite en gevaren, rijdt hij te paard overal heen—zo als Raimbaut de Vaqueiras het in een gedicht schildert—met de bossen en de wegen als herberg. En onderweg dicht hij: „Ik wil een gedicht maken over niets,” begint hij, „het is gedicht terwijl ik te paard zat te slapen,” hij voelt zich behekst, weet niet of hij waakt of droomt; zijn hart is op 't punt van verlangen te barsten, maar daar geeft hij geen sikkepitje om; wie zijn geliefde is, weet hij niet, maar toch bemint hij haar zéér, maar toch kent hij er een die schoner is, alleen weet hij maar niet waar hij haar vinden kan... In zulk een stemming van opgeruimde onverschilligheid en vage verliefdheid dwaalt de zanger om van het ene hof naar het ander. Zijn hart verheft zich (zoals het bij de Duitse minnezangers heet) naar het licht, gelijk de valk in zijn vlucht, of de arend zwevend in de lucht, het is hem alsof hij over de wereld vloog en alles bezat, alsof hij gelijk het wilde dier in de grote bossen kon rondspringen. Alles wat er aan vreugde in hem woont, dat ontkiemt, groeit en groent; „zijn hart schiet blad en bloem en houdt zich groen, geheel het jaar.”

Fladderen, omhelzen, zingen en liefhebben,—dat is het levensprogramma van de rondtrekkende zangers. Vrij leven en laten leven is het wat zijn lied aanprijst. In de ruwe en sombere wereld der baronnen en monniken brengt hij licht en warmte. Indien hij altijd milddadigheid als hoofddeugd voorop zet, is het zeker dat hij in de eerste plaats voor zich zelf pleit; zijn lied is dikwels niets dan een bedelpartij en afzetterij en de Seigneur die door hem als een Alexander geprezen wil worden—Alexander de Grote is altijd het toonbeeld van mildheid—moet niet spaarzaam zijn met paarden en kleeren voor zijn zangers, en open tafel houden „zonder portier”. Maar larguezza—„milte” heet het in het Duits—was werkelik het voornaamste en meest tastbare bewijs, dat de bekrompen ziel van de edelman week was geworden en zich om andere dingen bekommerde. De begerige klauw die altijd gereed stond om te grijpen, moest nu leren zich te openen en te geven. Hier gaat tot zekere hoogte de dichtkunst der troubadours met de kerk in dezelfde richting; ook voor de kerk kwam het er op aan—en niet alleen uit egoïsme—om de geest van hebzucht en eigenbelang uit de harten te verbannen, ze van de aarde en mammon los te maken. „Donar”—te geven, met geld te strooien, te leven en te laten leven—daaruit bestaat voor de troubadour het leven der Ridders; of dat geld aan prachtige kleeren en vrolike feesten gaat of aan weldadigheid, dat is hem hetzelfde. Hij prijst de oorlog omdat die dwingt de hand te openen, de groten noodzaakt niet alleen te nemen maar ook te geven. In een tenzone verdedigt een roofridder er zich mede dat hij niet neemt om schatten op te hopen, maar om voor anderen uit te strooien. De moralisten der kerk herinneren daarentegen aan Cicero's waarschuwingen tegen die soort van mildheid, die neemt wat men geeft en geselt de ridders die uit ijdelheid alles wat zij bezitten weggeven, en gochelaars en jongleurs met mantels en sieraden overstelpen, terwijl de armen buiten het kasteel van kou sterven en de portier ze als vee wegjaagt met een „scheer je weg, slungel, mijn Heer wil naar de zangers luisteren!” Maar de troubadours prijzen daarentegen de ridder die in 1174 bij Beaucaire 30.000 sous het venster uit liet werpen en 30 paarden liet verbranden, alleen om zijn „larguezza” te tonen of Robert Kortbroek die alles aan gochelaars en de een of andere slet weggaf, zodat men hem eens op een morgen zo van alles beroofd vond liggen, dat hij alleen nog maar een hemd aan had en zo niet naar de kerk kon. „Liever ja zeggen, dan neen!”—dat is de formule, waarin de troubadour in 't kort de royaliteit van de ridders samenvat.

In feest en gezelligheid te leven, in een beminnelik, hoofs samenzijn met zijns gelijken—dat was alles een soort sosiaal idealisme dat de dichtkunst der troubadours tegen de ouderwetse baronnen opstelde, die aan niets anders dachten dan vechten met hun buren, hun goederen af te ronden, hun boeren uit te zuigen en zoveel mogelik land en vee te verzamelen. De vaste kastelen—klagen de troubadours—met hun grachten en muren zijn de haardsteden van onrecht en geweld, daar is slechts plaats voor wapengekletter, niet voor feesten en milddadigheid. De ruwe baronnen geven niets om zang of dans of spel, lente en bloemen laten ze koud, als de moestuin maar goed vrucht levert. Overal, van het koninklik hof af, wordt er alleen maar met goederen en vee gehandeld als bij kooplieden. Zelfs een kemphaantje als Bertrand de Born beweert, dat zulke Heren die alleen maar aan jacht denken en hoe ze hun mannen er onder kunnen houden, en nooit aan vrolike feesten,—dat die geen begrip hebben van ridderlikheid en een hof waar geen feesten of dames te vinden zijn is toch maar niets dan—een paar baronnen bij elkaar! „Oorlog en wapenspel—geld uitgeven en de vrouwen het hof maken”—assautz e tornei—donar e domnei—al die dingen horen even goed bij het ridderleven. En door didaktiese poëzie direkt („ensenhament”) zowel als indirekt door alles wat zij verheerliken of veroordelen, maken de troubadours zich tot de vertolkers van hofkultuur en „hoofsheid”. Het zijn niet alleen uiterlikheden als nette manieren, waar het op aankomt, maar die kleinigheden bij de dagelikse omgang die wellevendheid heten en beminnelikheid. De zachte blik, gracieuse manieren, de vriendelike groet, een kwik antwoord of een geestigheid, dat zijn de dingen die de troubadours bezingen bij hun seigneur of hun meesteres. En zij houden hun hoorders vóór, dat vriendelike woorden en een beleefd antwoord geen geld kosten en ze vrienden doet maken en dat die gift het beste is, welke gegeven wordt zonder dat men er om vraagt, dat een beleefde leugen honderd maal meer waard is dan een grove waarheid en dat men, evenals de schilders, een fraai kleurtje mag zetten op wat men vertelt, zonder zich al te veel van de waarheid te verwijderen.

Maar de hoogste potentie van die hoofsheid en gezelligheid en het lyries-sentimentele dwepen is voor de troubadours de Min. „Moge ik Gode nooit zo ongevallig worden,” zingt Bernart de Ventadour, „dat hij mij laat leven, een last voor allen, wanneer ik niet langer lief zal hebben.” Midden in de nacht wordt hij wakker, overweldigd door zijn vreugde, geheel in dweepzieke overpeinzingen verzonken, maar moet op eenmaal beginnen te dichten, ofschoon hij niet weet over wat en wien. Het is hem alsof zijn hart van verlangen smelten zal, zijn ogen worden nat, en nog nat van tranen schrijft hij honderden groeten de wereld in aan de schoonste en de liefelikste. In zulk een jeugdig liefde-verlangen verkeren de troubadours. „Vrouwenjagers” noemen de mannen van de kerk hen. Toen de goede Koning Karel de Grote—zo heet het—over alles heerste, toen deelde hij Provence, dat vol is van wijn, bos en vlietend water, aan speellieden en minstreels uit, die zulk een los leven leidden.

Dan eens hebben zij onderweg een avontuurtje met een herderinnetje en dat wordt dan tot een pastorale, dan weer met een burgervrouw, bij wie zij al hun galanterie ten toon spreiden, maar die—zo als er een in een humoristies gedicht vertelt—daar niets van weten wil; maar heel sterk ontvlamt het gemoed der troubadours door de schoonheden die zij aan de hoven ontmoeten. „Menig oog heb ik gekust en menig oor,” zingt er een tot een dame, „alleen omdat zij uw oog en oor geleken.” En wanneer een ander door zijn aangebedene afgewezen is, zingt hij dat hij zich nu natuurlik een andere vriendin aan moet schaffen, maar opdat zij niet bij zijn eerste achter mag staan, moet hij bij haar de verschillende eigenschappen terug vinden die hij bij zijn bekenden getroffen heeft en zo vindt de zanger de gelegenheid om aan al die dames een komplimentje te maken: haar frisse kleur en de zachte blik moet zij van u hebben, o schone Sembeline en het is een heel ding dat ik van u niet alles neem, want aan geen enkele goede gave hebt gij gebrek; Vrouwe Elise vraag ik om haar vrolike opgewekte manier van spreken, dan wordt zo waar mijn schone nòch dom nòch stom, de Burggravin van Montausier geve mij haar hals en handen; naar Rochechouart rijd ik om het haar van Vrouwe Agnes, zelfs Isolde had niet zulk prachtig haar; Vrouwe Audiartz zal haar schone figuur en middeltje af moeten staan, enz. enz.

Met een levend schoonheidsgevoel en verfijnde zinnen ontwikkelen de troubadours nu dit schoonheidsideaal van de vrouw dat de gehele volgende Ridderromantiek eigelik niet anders doet dan variëren of uitwerken. Zekere trekken kunnen aan Ovidius ontleend zijn of aan andere antieke kunst, andere aan de Byzantijnse Madonnabeelden, andere duiken misschien reeds bij de oudere Latijnse dichters der middeleeuwen op, maar veel is toch van de troubadours zelf. Het lichtgouden, gekrulde of golvende haar, de fijne, liefst donkere, van elkaar afgescheiden wenkbrauwen, de kleine mond met kristallen of ivoren tandjes, regelmatig en vlak op elkaar,—dat zijn de gewone trekken reeds in de Latijnse gedichten van de 11de eeuw. Maar de troubadours leggen meer de nadruk op de ogen en de blik, op de glimlach en het teint—de schilderachtig-gracieuse en erotiese zieleschoonheid. De kleine, smalle ogen worden meer naar de uitdrukking dan naar de kleur beoordeeld; die moeten stralen als sterren, ze moeten lachend zijn, zacht, vol liefde en lust,—een Latijns dichter van de 12de eeuw spreekt van de ogen als: ridentes, blandientes, innuentes, laquentes, offerentes, expetentes, attrahentes, capientes. De mond heeft „zwellende” lippen die kussen uitlokken (küssenlîch, noemt Wolfram het), die glimlacht zoet, lacht liefelik—mollia spondens risus noemt 't reeds een geestelike dichter van ongeveer 1100. Maar vooral prijst men de kleur der huid,—de stralende glans er van: clara clartatz, wit als het wit van de hagedoorn of het ivoor, of gelijk een wilde roos, wanneer het wit zwak met rood gemengd is. Heel wat barbaarser heet het in de Noord-Franse romans dat het voorhoofd als in hout of steen of ivoor gevormd is, en dat het rood of het wit van de huid afsteekt gelijk vermilioen op het zilver van een wapenschild.

Dan komt de beurt aan de slanke, witte hals,—de huid is zo teder—beweert een Duits dichter—dat, als zij drinkt, men de wijn blozend door haar keelgat kan zien stromen. De kleine stevige borstjes zijn als twee noten,—zo klein dat men ze met de hand gemakkelik omvatten kan, of als kegels gedraaid. De schouders zijn recht en buigzaam als het riet. De lange armen, de mooie blanke handen met de fijne gladde vingers, de nagels als een spiegel zo schitterend. Het middeltje dun, de buik rond, iets of wat vooruitstaand, de heupen breed. In Wolfram's gemaniëreerde taal is Antikonie zo slank als een haas, die op het spit uitgestrekt is; haar mierentaille (wij spreken nog van een wespentaille) wekt de begeerte der mannen op. Gewoonlik wordt echter meer in het algemeen de figuur geprezen als „ben estans” (Duits: wol getan) of „covinens” d. w. z. welgeproportioneerd. Zeer bizonder houdt men van wat slank en fijngebouwd is; „graile” (gracil) en „delgat” (delicat) zijn veel voorkomende termen. De kleeren moeten goed zitten, maar, zo schrijft een troubadour aan zijn dame, uw figuur is zo wel gevormd dat zelfs het slechtste snit nog goed aan u zou staan en al de kleermakers uit Katalonje, van Parijs en Keulen zouden er niets aan te verbeteren hebben. Maar ook verder vertellen de troubadours nog veel er over, hoe levendig, vrolik, lenig, gracieus en behagelik het lichaam van de aangebedene is; daar hebben ze een massa woorden voor: gais, cortes, avinens, plasens, coinde, isneus, die de zinnelike liefde schilderen en die men bij de Duitse minnezangers veel minder sterk aantreft. „Haar ledematen zijn zo zacht”, heet het, „als verder alleen konijnen zijn”. Het lichaam is zo blank, fris, zacht, glad, als ametyst; het is „amoros”—„minneclich”—„plaisant”—en vraagt omhelsd te worden. Ook haar naar honig riekende adem en de zoete melklucht van de huid worden later veel geroemd.—In poëtiese wendingen wordt de algemene indruk van haar optreden aangegeven. Schoner dan de Maartse zon, of regen in April, en de schaduw in de zomer,—zingt een Provençaals dichter. Als een waslicht is zij tussen vetkaarsen,—heet het in 't Noord-Frans, de glans van haar schoonheid verlichtte het gehele slot met haar klaarte; haar te zien is als te luisteren naar muziek.—In haar tegenwoordigheid—zegt een Duits dichter—vergeet men alles wat het gemoed bezwaart.

Nog meer dan het uiterlik van de vrouw is haar innerlik wezen en haar aantrekkelikheid die door de troubadours verheerlikt wordt. Haar geestige antwoorden en haar schone zang; zij kent de kunst van spreken en zich aangenaam voor te doen—van „plazers far e dir”;—zij is aangenaam gezelschap—„d'avinen companha”, zij is beminnelik in haar optreden—amorosa en totz son semblans; zelfs bij de besten wekt zij een duizendvoudig behagen. Een hele rij leerdichten wijden de troubadours ook aan de maatschappelike opvoeding der vrouw. Een voorname dame had de adellike Garin le Brun verzocht zulk een leerdicht voor haar te schrijven en zo ontwikkelt de troubadour dan ook in zijn verzen, alle regels voor de echte vrouw van de wereld: Hoe zij altijd schoon linnengoed aan moet hebben, kleine schoenen aan moet trekken, opdat haar voet zelf klein zal schijnen, en hoe zij met kleine stapjes de kerk in moet treden. Hoe zij bij haar thuis ontvangen moet: de verschillende mensen wel is waar naar hun rang en stand behandelen, maar toch tegen een ieder beleefd zijn—hoe zij een gesprek netjes moet kunnen afbreken, als het haar niet bevalt, maar zonder boos te antwoorden—zich aan de omgeving aan te kunnen passen, maar niet al te intiem met vreemden worden. Verder, hoe zij in haar kleeren en manieren die zekere drang om te behagen ten toon mag spreiden die het wezen der koketterie uitmaakt: de rokken netjes opnemen, zodat men het voetje te voorschijn ziet komen, de schouders gracieus, bij het gaan, bewegen, het kleed nauw laten sluiten, zodat dit het lichaam niet als in een zak verbergt, maar dat de lijnen te zien zijn, en als zij een fraaie hals heeft, een uitgesneden kleed moet dragen. Heel naief zijn hieronder die aanwijzingen waar de voorname dame zich aan houden moet, ook overgenomen uit de „Ars Amandi” van de „Klerk” Ovidius en die geschreven waren om de geblaseerde viveurs van Rome weer wat appetit in de dames van de demi-monde te geven.

En rondom deze dames fladderen nu de troubadours met hun erotiese verlangens. Zij kregen rijkelik hun deel in het losse en niet altijd binnen de perken blijvende minne-leven van de Zuid-Franse hoven, waar de oude biografen der troubadours van weten te vertellen en hun Canzonen van zingen, in allerlei soorten en toon der liefde, van de grove gevoelens der jonkers tot een vluchtige koketterie of schuchtere dweperij van een knaap.

Bernart de Ventadour—uit de stand der horigen, opgevoed tot troubadour bij de genadige burchtheer—is de zanger van de bescheiden page-liefde. Hij bezong en prees de gemalin van zijn weldoener, werd door haar voornaamheid verblind, en, zo als het bij zijn leeftijd paste op haar glimlach verliefd, maar schijnt toch ook de gunst van zijn „schoon-te-schouwen” verworven te hebben (onder dat pseudonym verheerlikte hij haar), in elk geval genoeg om het de burggraaf bedenkelik te doen voorkomen, zodat de zanger vertrekken moest... waarna hij de andere hoven afreisde en andere voorname schoonheden aanbad—vooral Koningin Eleonora, aan wier hof in Normandië hij zich een tijd lang ophield,—maar nu en dan zond hij uit de verte liederen naar zijn „Bel Vezer”... totdat hij op zijn oude dag, zo als zo veel van zijn kunstbroeders, troost zocht in een klooster.

Hij weet wel—zingt hij—dat zijn aangebedene Heerseres hem genadig is. Had zij hem niet onlangs nog, toen hij een tijdje op reis ging, gezegd dat zijn zang haar behaagde? Als hij er nu aan denkt, dan schijnt de zoete lucht die hem uit de plaats waar zij woont, tegemoet waait, als een vleugje uit het Paradijs;—moge elke ziel in de Kristenheid zulk een grote vreugde voelen als die nu mijn is!—Als hij haar nu toch maar eens alleen kon treffen, terwijl zij sliep,—of deed alsof zij sliep—dan zou hij pas goed van haar schoonheid kunnen genieten—haar „bel cors ab fresca color” bewonderen en die kus van haar mond stelen, waar hij niet om durft vragen, dan zou hij die mond kussen zo dat men de sporen nog lang zou kunnen zien.

Maar nu—jubelt hij—nu heeft zij mij een kus geschonken, mij met haar mond gewond, zo dat slechts nòg een kus mij kan genezen, evenals—volgens Ovidius—hij die door de lans van Peleus gewond is, slechts door nog een steek er van genezen kan worden. En zo vol is zijn hart van jubel dat hij bijna bezwijmt—midden in de natte wintersneeuw ziet hij bloemen en groene weiden, in zijn groot gevoel van liefdegeluk zou hij midden in de winterwind in zijn hemd kunnen lopen.

Maar—bescheiden en diskreet moet hij zijn, dat weet hij. Als hij alle mensen die hen beiden gadeslaan maar betoveren kon... ze tot kinderen maken, zo dat hij zonder hun ogen te vrezen, zo vertrouwelik met zijn aangebedene om kon gaan als hij maar wenste. Of als zij een geheime taal uitvonden die de anderen niet verstonden? In elk geval kan zij verzekerd zijn dat hij niet kinderachtig-pochend het zalige geheim er uit zal flappen, maar de kunst verstaat om te liegen en zich anders voor te doen dan hij is. En hij zal zich ook met weinig tevreden stellen. Wat zou hij niet gaarne 's nachts als een zwaluw haar kamer binnen zweven! hoe graag zou hij er niet bij zijn wanneer zij zich uitkleedt! demoedig knielende haar schoen uittrekken, indien zij zich verwaardigen zou haar voetje uit te steken.—Zelfs haar gunst met anderen te deelen, moet hij zich laten aanleunen. Hij weet nu eenmaal dat zij anderen liefheeft, soms twijfelt hij wel eens in hoever hij moet doen alsof hij niets merkt, of dat hij haar dienst moet verlaten. Maar het is toch beter met de helft van haar liefde genoegen te nemen, dan niets te krijgen. Als zij toch maar niet zo wispelturig was. Gelijk de tak zich naar de wind buigt, zo is hij bereid al haar bevelen te gehoorzamen. Maar hij voelt dat haar schone ogen en vriendelike blik hem toch voor den gek houden. Gelijk een schip op de golven, wordt hij tussen hoop en vrees geslingerd. Soms tracht hij zich dan ook opeens uit die onbeloonde liefde los te scheuren. De bladeren die in de herfst van de bomen vallen, doen hem op zulk een ogenblik behagelik aan, het komt zo geheel met zijn stemming overeen. Zij die vroeger zo vriendelik tegen hem was, laat hem nu niet meer roepen, „het harte barst van smart,—er blijft niets anders over dan te sterven.” Geheel mijn hart, geheel mijn eigen zelf bezat zij. Nu moet ik verwelken, gelijk Narcissus van Ovidius bij de bron, ik wil niets meer met vrouwen te doen hebben, ze nooit meer vertrouwen, ik zal wegtrekken in den vreemde, ik weet zelf niet waarheen.

Hield de burchtvrouwe van Ventadour haar zanger aan het lijntje door hem zo nu en dan eens een kus te geven—meer zal het wel niet geweest zijn—de toewijding van Peire Rogier voor de hoog ontwikkelde Burggravin Ermengarde van Narbonne was met nog minder tevreden. Een jonge knappe kanunnik was hij, maar hij was troubadour geworden en had zich lang aan het hof van Ermengarde opgehouden. Hij vertelde dat hij volkomen tevreden is met haar grappen en haar glimlach, meer komt hem niet toe, nooit heeft hij ook „facta” van zijn meesteres gevraagd, maar alleen haar te aanschouwen, maakt hem rijk en gelukkig. „Zo zal ik beminnen wat ik niet bezit, en ik heb er zo veel eer en plezier van, alsof dat waar was, wat het in werkelikheid niet is.” En heel vriendelik en onderdanig leert hij de mensen (naar de Ars Amandi van Ovidius) dat zij nooit aan kwaadsprekerij moeten geloven, en zelfs wanneer zij met hun eigen ogen hun geliefde een fout zien begaan, moeten zij zonder aarzelen niet hun ogen, maar wel haar woord geloven. Een even ootmoedige maar gloeiender onderdanigheid ligt er in de liefde van de burgerlike troubadour Peire Raimon voor een onvermurwbare adellike dame te Toulouse. „Op mijn knieën zal ik tot haar gaan,” zingt hij, „en wenend haar genade vragen; als zij mij slechts de eer wou aandoen mij knielend haar welgevormde, gracieuse gestalte te laten beschouwen.” Maar dikwels slaat de demoedige platoniese hulde van de arme zanger, waar de gelegenheid zich biedt, in de hartstochtelikste wensen over. De arme klerk Arnaut de Maruelh verklaart wel is waar in zijn liederen dat de vrolike beminnelikheid van de gravin en „de liefelike woorden waarmede zij mijn harte vult” hem genoeg zijn en dat hij zich tevreden stelt met haar in zijn dromen te kussen en te omhelzen, een liefdegenot dat geen echtgenoot hem kan weigeren, maar nu en dan waagt hij het toch zuchtend te wensen dat zij hem een kus moge schenken en „andere beloningen late volgen” en spreekt stoutmoedig de hoop uit dat hij haar eens 's nachts in zijn armen zal mogen sluiten en haar ogen en mond kussen, „zodat honderd kussen er voor ons tot één worden.” En andere troubadours wensen haar, in de duidelijkste woorden, „zonder hemd” te omhelzen, beiden onder één deken.

Een heel wat vrijer karakter en meer jonkerachtig, heeft de liefdelyriek bij een vorstelik amateur-troubadour als graaf Guillaume de Poitou, hertog van Aquitanië. Elegant en vrolik, beroemd wegens zijn liefdesavonturen en zijn kunst om de mensen te onderhouden, maar ook wegens een zeer lichtzinnige kruistocht, die een heel treurige afloop had,—wat hij later in vrolike liedjes op alle kastelen ging bezingen. Beminnelik geeft hij op van wat hij kan,—hij weet wat dapperheid is, eer, poëzie, weet het onderscheid tussen dwaasheid en verstand, en wanneer men in een gezelschap hem in een liefdetwist vraagt als scheidsrechter op te treden, dan weet hij altijd het juiste oordeel te vellen; zelf verstaat hij de kunst om met de vrouwen allerlei soort spelletjes te doen,—wat hij dan in grove dubbelzinnigheden uitwerkt, terwijl hij God, St. Julianus en zijn opvoeders voor alle goede gaven dankt die hij gekregen heeft.—In een ander gedicht, bijna een kleine novelle van Boccacio, vertelt hij van een even amusant als onfatsoenlik avontuurtje dat hij met twee burgervrouwtjes gehad heeft die hij in de bergen van Auvergne ontmoette.—Met een echte huzarenhumor vraagt hij een vriend hem raad te willen geven: hij bezit twee edele paarden, als hij die nu maar flink kon dresseren, zou niemand beter bereden zijn dan hij; maar hij kan ze niet aan elkander wennen, en nu moet hij kiezen,—natuurlijk meent hij vrouwen. En nu vertelt hij van hun beider eigenschappen, en vraagt of hij Agnes of Arsène moet houden. Nu zijn dergelijke gedichten niet zeer troubadour-achtig. Maar in andere komt de verliefdheid van de ziel meer op de voorgrond, in overeenstemming met de lente en het jong genot, met het schoonheidsgevoel en sympatieke liefdegevoelens: In de zoete dagen van de lente, wanneer de bomen groenen en de vogelen zingen, toen ging het met onze liefde als met de knoppen van de hagedoorn, die in de regenachtige koude nacht nog dicht waren, maar door de zonnestralen openspringen,—evenals in Heine's „Im wunderschönen Monat Mai...” Nog herinner ik mij de morgenstond toen wij een eind maakten aan de twist, en zij mij haar liefde schonk en haar ring; God late mij zo lang leven dat ik mijn handen onder haar kleed moge steken... Ik zal een nieuw lied zingen vóór de wind komt en de regen en de koude. Mijn dame wil mij op de proef stellen, maar hoe meer zij mij tegenwerkt, des te meer krijgt zij mij in haar macht; Gij moet niet denken dat ik dronken ben of gek, maar ik kan zonder mijn lieve dame niet leven. Bij St. Joris! Ik moet sterven als zij mij niet in haar kamer of onder de groene takken kussen wil. Maar welk genot, schone dame, kan het ook voor u zijn mij uw liefde te onthouden? Waarom wilt gij u tot non maken? Wat zou het u baten als ik in het klooster ging? De vreugde der gehele wereld is de onze, indien wij elkaar slechts liefhebben... Indien zijn dame hem nu maar haar liefde wil schenken, belooft hij dat hij diskreet zo wel als galant zal zijn, zeggen en doen wat zij gebiedt, haar in hoge eer houden, haar wijd en zijd prijzen; en dat wil hij wel zeggen dat hij, die liefheeft zich voor menigeen moet weten te buigen, menige goede daad moet verrichten en op moet passen dat hij aan het hof niet „onhoofs” en als een boer spreekt.

Werkt hier nu een frisse natuurlike verliefdheid opvoedend op een ruwe jonker-natuur, omgekeerd breekt soms bij een ander vorstelik zanger als graaf Rambaut van Oranje brutaal de hartstocht van de man door de uiterlike „hoofse” galanterie heen, waar hij dageliks mede speelt. Cynies vertelt die hoe men de vrouwen behandelen moet om zijn wil met hen te krijgen, pochen en vleien, zelfs als het nodig is dreigen, en ze met de vuist in het gezicht slaan; ofschoon hij beweert zelf dom genoeg te zijn om altijd netjes en ridderlik tegen ze op te treden. Of Raimon van Miraval, de altijd verliefde en altijd ongelukkige edelman, die de wereld rondtrok en Loba van Pénautier bezong of Azalais van Lombres of „de Schone Albigenserin” te Castres. Midden in zijn holle, hoffelike frases komt opeens een stukje natuur doorbreken, wanneer hij brutaal een vrouw die hem afgewezen heeft, met beschuldigingen overstroomt dat zij zich voor geld gegeven heeft: „Ga uit, mijn lied, en zeg: hier is een vrouw te koop.” Elders vertelt hij waarom hij zich nu in de openbare trouweloosheid van zijn dame schikt; hij rechtvaardigt zich door te zeggen dat hij zich zelf ook vrijheden gepermitteerd heeft—en is zo iets niet beter dan in boosheid van elkaar te gaan?—Zijn eigen vrouw, die hij openlik veronachtzaamd heeft, wil hij echter zulk een „leer om leer” niet toestaan. Zij deed ook aan de dichtkunst en hield er een minnaar op na, maar dat vond manlief niet goed,—tot dat zijn kollega's hem door hun hekeldichten dwongen zich op dat punt wat liberaal te tonen.

Maar de vrolikste en grappigste van alle troubadours was Peire Vidal—een bontwerkerszoon uit Toulouse, die half als hofdichter, half als hofnar, van de ene plaats naar de andere toog, hongerende, zo als hij 't zelf uitdrukt, naar strijd en toernooi gelijk een monnik naar brood, maar vooral verlangende naar avontuurtjes met vrouwen. Met zijn schone stem en zijn vindingrijke geest, heeft hij blijkbaar menige conquête gemaakt en zijn gepoch is dan ook fantasties naief: „Dageliks bereiken mij duizende groeten uit Katalonje en Lombardije en het scheelt niet veel of de Koning sterft van afgunst over mijn geluk bij de vrouwen. Honderden vrouwen ken ik, die mij graag zouden willen hebben, als zij maar konden; ik poch niet, maar de vrouwen kus ik en de ridders sla ik tegen de grond. Stoutmoedig ben ik als Roland, galant als Montdidier; ik weet wat alles bij de kunst der liefde hoort en er leeft geen man die beminneliker is in het vrouwenvertrek dan ik, wreder dan ik onder het wapengekletter. Dikwels komen er boodschappen en groeten—met witte linten, met gouden ringen en alle echtgenoten vrezen mij meer dan vuur of ijzer.”—In de regel zullen de vrouwen die dwaze druktemaker wel voor den gek gehouden hebben. Dikwels klaagt hij er over dat zij alleen maar met hem koketteren of hij stelt zich jubelend tevreden met de gedachte dat hij een kus gestolen heeft, of dat de gravin met toestemming van haar gemaal er hem een geschonken heeft. Eens liet een gravin hem wegjagen omdat hij wat al te intiem wou worden, op een andere plaats werd zijn tong doorboord omdat hij zich ten onrechte op de gunst van een hooge dame had laten voorslaan. Naief, maar ook uiterst barok was de vorm van zijn liefde-hulde. Zijn dame, zegt hij, was hem meer waard dan honderd kamelen met goud beladen, zo wel als het hele rijk van de Keizer te Byzantium. Ter ere van een dame te Carcassonne—die hij onder de vrij compromiterende naam van wolvin, lupa, verheerlikte—moet hij zich in een wolfshuid gekleed hebben en het bos zijn gaan bewonen; de jagers hielden klopjacht op hem en brachten hem gewond naar het huis van zijn aangebedene, waar men de nar uitlachte. Ten slotte trok Peire Vidal op een kruistocht mede naar het Oosten en trouwde op Cyprus met een Griekse van wie men hem wijs gemaakt had dat zij een nicht van de Griekse Keizer was—naar aanleiding waarvan hij zich in keizerlike pracht kleedde en aanspraak maakte op de kroon.—

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings