X.
H. (Henri) Logeman translation
DE ROMANTIEK DER KRUISTOCHTEN.
De kruistochten waren het die in de 12de eeuw 't meest op de voorgrond traden. De gehele maatschappij en het gehele geestesleven droegen er de stempel van: die stroom van mensen uit alle klassen der samenleving, die een eeuw of anderhalve eeuw lang, uit Europa naar het Oosten trokken, hetzij als een georganiseerd leger, hetzij in grote of kleine scharen van pelgrims. En die kruistochten betekenden een grote verheffing van het zelfbewustzijn dier tijden. Nadat de mensheid eeuwenlang moedeloos door eigen ellende naar de oude goede tijd terug hadden gekeken, voelden zij nu met vreugde dat er iets groots en iets nieuws in hun leven gekomen was, en de wereld in nieuwe banen geleid werd. Zelfs in die tijd, „nu de wereld oud geworden is”,—zo laten de kroniekschrijvers van de eerste kruistocht zich uit—zelfs nu is het gebleken dat er dingen gebeuren die „evengoed de moeite van het horen waard zijn als in de oudheid”—die zelfs „veel belangrijker zijn, en de mensheid tot groter eer, dan die zuiver wereldlike oorlogen van vroeger”, ja! „sedert de schepping van de wereld en het mysterium van het kruis is er niets gebeurd dat met deze tocht vergeleken kon worden, die een werk Gods was, en niet van de mensen”.
Een machtige beweging grijpt alle gemoederen, de gehele maatschappij. Overal breekt men af, alles komt op losse schroeven te staan. Wanneer de burchtheer een verre reis onderneemt, wordt op menig kasteel het land verpand, of het gaat al vast aan de erfgenamen over of wordt aan een voorlopige bestuurder overgedragen, de vazallenband wordt opgeheven, huweliken worden ontbonden en de vrouwen naar het klooster gezonden, of de vrouw die alleen achterblijft vergeet haar man en neemt een ander, zo goed als hij op zijn tochten genoeg los vrouwvolk vindt. Ook bij het volk lopen genoeg dwepers rond die het opstoken; ze trekken weg, in scharen, man, vrouw en kinderen, de dorpen met elkaar, en als sprinkhanen valt het volk in zwermen ergens anders op aan. Alle wegen zijn vol soldaten en pelgrims, allerlei mensen vullen de herbergen die propvol zijn, op schepen en in karavanen pakken ze zich samen, een mengelmoes van de beste en de slechtste elementen der maatschappij met de ergste misdadigers erbij, stromen allemaal naar het Oosten. Het afscheid van huis legt een pathos in vele gemoederen, dat ons nog uit de gevoelvolle liederen te gemoet klinkt waarin Provençaalse, Franse en Duitse ridders hun kastelen en goederen, vrouw en kinderen en al hun ondergeschikten een afscheid toe roepen; hun heimweezuchten van uit het Oosten of van op de zee; de verlangens der achtergebleven vrouwen naar hun „Seigneur”. Elke avond luiden de kerkklokken om de thuisgeblevenen tot het gebed op te roepen, voor hen die „over de zee” waren getrokken; „ik zing,” zo klaagt de Vrouwe van Fayel, „om mijn ziek gemoed te versterken, opdat ik niet sterve of krankzinnig worde van verdriet, wanneer ik niemand uit het heidense land terug zie keren, waar hij is, die mijn hart doet kloppen, wanneer ik hem maar hoor noemen,” en het refrein luidt: „God, wanneer ze roepen: op ten strijd!, help dan de pelgrims, want voor hem ben ik bevreesd; de Saracenen zijn zo wreed.” Maar, „op ten strijd! ginds over de zee,—oltrée!” klonk het refrein van de kruistocht-marseillaise die te land en te water de scharen achter zich aantrok. „O, kruis des Heilands, gij zijt onze mast op deze Wereld-zee,” zongen de pelgrims. „God de Heer zelf is onze Veerman, de goede werken zijn het touwwerk en het geloof het zeil, de Heilige Geest is de wind die ons op de rechte weg brengt en het Hemelrijk het Tehuis waar wij zullen landen!” Allerlei onuitsprekelike narigheid en ellende staan ze te land en op zee uit. Alle soorten van besmettelike ziekten als pest maken hunne rijen dun, als vliegen sterven zij in hopen van honger, en er lopen vreselike geschiedenissen van pelgrims die het leven er in moesten houden door menschenvlees te eten; op zee maken de zeerovers in hun galejen jacht op ze als gulzige haaien, en voeren velen in slavernij weg; in de woestijnen van Syrië worden ze met aanvallen der Bedouïnen bedreigd en door wilde dieren.—Wie kent de geschiedenis niet van Godfried van Bouillon, hoe die helemaal alleen met een vreselike beer moest vechten, en van Boudewijn die half door bloedzuigers opgegeten werd. Maar alles is vergeten wanneer ze zo gelukkig zijn hun doel te bereiken en ze de Heilige Plaatsen kunnen kussen, waar de voet des Heren getreden heeft, als ze aan het Heilige Graf kunnen bidden en water uit de Jordaan mee naar huis kunnen nemen. En de gehele atmosfeer daarginds is voor de gelovigen in hun verbeelding van mirakelen vervuld. Al de relikwieën die de bedevaartgangers vinden—van de heilige lans van Longinus tot een doorn uit Kristi kroon of een druppel van zijn bloed;—al de hemelse maar ook duivelse openbaringen waarmede de kruistochten gepaard gaan. Plotseling komen b.v. witte ruiters het in 't nauw gebrachte leger der Kristenen ter hulp, of wel bezoekt Satan in de gelijkenis van een slang 's nachts het leger der kruisvaarders.
Hand in hand hiermede gaat de gehele woeste strijdlust die de Europese soldatesca op de Saraceense „honden” botviert, nu er voor hen thuis geen plaats meer is. Met groot genoegen snijden de heren op de kruistochten de gevangene Turken de neus en lippen af en zenden die als trofeeën aan de Griekse keizer en toen Jerusalem ingenomen was, vlood het bloed door alle straten en werden overal in alle kerken de mensen vermoord. En gulzig wierp die roofgierigheid zich over alle rijke landen, „laat ons dapper voor Kristus strijden,” roept een deelnemer aan de eerste kruistocht uit, „indien God het wil, worden wij allen rijk.” Nu men dom genoeg geweest was zich door de Griekse Keizer voor de gek te laten houden, in plaats van Byzantium te nemen en te plunderen,—waar de zanger der kruistochten zich eigelik hevig over ergert—nu zouden de kamelen der Beduïnen of het huisraad en de kostbaarheden in de marmeren paleizen het des te meer moeten ontgelden. Onder de schitterende Oosterse zon is de kleurenpracht in de natuur zo wel als in de steden verblindend en de gehele atmosfeer van het Oosten verwekelikt en prikkelt alle zinnen tot genot; meer dan één ridder liet zich vangen door de Oosterse schoonheid der Saraceense vrouwen en hun ervaren liefdekunstjes. En al het Oosters-fantastiese waar men tot nu toe in Europa slechts een echo van kende, dat ontvouwde zich nu vlak voor de oogen der kruisvaarders. Hyena's en luipaarden, topazen en smaragden met hun zeldzame toverkracht, de automatiese en mechaniese kunstwerken waarmede de Saracenen hun woningen versierden—dat alles waar zij thuis slechts over gehoord hadden, zagen ze nu met hun eigen ogen. Nog vreemder waren de dingen, waar ze daar ginds over hoorden van de landen nog meer naar het Oosten, maar waar ze zelf niet kwamen—over het mystiese nieuwe rijk van Babylon, waar de Griekse keizer gezanten heen heette gezonden te hebben, over het land van de „Aartspriester Johannes”, nog verder Azië in, en over het Aardse Paradijs in Indië met al zijn rijkdom en merkwaardigheden. Een brief die de Griekse keizer van die mystiese „Aartspriester” gekregen moest hebben en die in talrijke afschriften over Europa verspreid werd, vertelde van de wonderen in zijn paleis, over het graf van de Apostel dat in de lucht zweefde en over de „fontein der verjonging”. En op de tapijten die de kruisvaarders van Syrië en Byzantium mede naar huis brachten, en die weldra overal in 't Westen de altaren der kerken en de muren der zalen versierden, gloeiden gele olifanten met groene snuiten de toeschouwers van een dieprode grond tegemoet, of pelikanen die hun borst aan 't bloeden pikten om hun jongen te voeden. Van die tapijten gingen draken en griffioenen en gevleugelde leeuwen en alle mystiese fabeldieren van het Oosten weldra op de portalen en de kapitelen der Romaanse kerken over.
Bij hun thuiskomst werden de kruisvaarders en pelgrims niet moe van te vertellen, en de thuisgeblevenen konden nooit genoeg te horen krijgen. Toen graaf Guillaume van Poitou van zijn mislukte tocht thuis gekomen was, trok hij van slot tot slot in Zuid-Frankrijk rond en maakte zich interessant door van zijn gevechten met de dieren van de woestijn te zingen en te vertellen hoe hij in zijn gevangenschap daar ginds de bewondering van alle ongelovigen had opgewekt. Ook graaf Bohemund van Tarente trok zo rond en terwijl hij troepen aanwierf voor een nieuwe expeditie, vertelde hij met de nodige fantasie van zijn heldendaden en zijn avontuur met de dochter van de sultan, die op hem verliefd werd en hem uit zijn gevangenschap bevrijdde. Jarl Ragnvald kwam met zijn mannen, na hun kruistocht, op de Orkney-eilanden en vertelde: eerst van de vrolike dagen te Narbonne waar de gravin Ermengarde de flinke mannen uit het Noorden zo gastvrij ontvangen had; toen, hoe zij aan de kust van Sicilië een enorm groot Saraceense Dromund (oorlogsschip) getroffen hadden, dat door een reus van een neger gekommandeerd werd, en dat zo vol was met goud en zilver, dat, toen het schip verbrandde, er een gloeiende stroom van metaal het water in stroomde; verder over de belegering van Askalon, het plezierige leven dat de kruisvaarders te Byzantium geleid hadden; enz. Over alles werden de teruggekeerden uitgevraagd en alles wat zij vertelden werd met huid en haar verslonden. „Zeg mij nu, meester Trougemunt,” heet het in een Duits lied (en Trougemunt betekent de zeer bereisde, die vreemde talen kent), „twee en zeventig landen kent gij; welke vogel heeft geen tong, en welke vogel zoogt er zijn jongen?”... en op alle vragen heeft Trougemunt een antwoord klaar, dat hij telkens met de trotse woorden inleidt: „Die gij daar vraagt, dat is een man, die goed bescheid u geven kan.”
En een hele literatuur van kronieken en reisverhalen schiet uit die kruistochten op; de tijd voelt zich zelf merkwaardig en de wereld groot en interessant. De verhalen die de deelnemers aan de eerste kruistocht zelf na hebben gelaten, maken nu nog een vrij betrouwbare, nuchtere indruk. Wij hebben een dagboek van een gewone verstandige kapelaan uit Noord-Frankrijk, op de tocht zelf geschreven, en een verslag van een kwezelachtige, dwepende Provençaalse monnik; wij hebben ook een heldendicht, of berijmde kroniek, „Het lied van Antiochia” dat reisverhalen reproduceert en verloren liederen van een zanger die op de kruistocht geweest is en die over het algemeen zijn avonturen schildert met hetzelfde nuchtere gevoel voor de werkelikheid en de zelfde strijdlustige wereldlikheid die men in de oude „chansons de geste” aan kan treffen. Maar in de latere berichten uit de tweede en derde hand overtreft de legendariese fantasie alles en de geest die de kruistochten zelf eerst langzamerhand kweekte, laat op zijn beurt weer zijn eigen licht en kleurenschakering op de kruistocht zelf terug vallen. In de geestelike kronieken—bijvoorbeeld in die rommelkamer voor allerlei overleveringen die Willem van Tyrus in zijn werk bij elkaar bracht—wordt het geheel tot een mirakel; God zelf voert de hele kruistocht aan en midden in de handeling staat de legaat van de Paus als de plaatsvervanger van Kristus; en terwijl de monniksfantasie de meest fantastiese leugens over de wereld der Mahomedanen op elkaar stapelt, schildert hij de kruisvaarders allemaal als even heilig-vroom en eendrachtig in de liefde. In het bizonder wordt Godfried, koning van Jerusalem, helemaal door de geestelike overlevering in bezit genomen en wordt hij tot het type van wat zij een echt kristelik ridder noemen. Zijn afstamming is in wonderen gehuld—hij stamt van de mystiese zwaanridder af, de kiem van de Lohengrin-figuur,—dromen voorspiegelen zijn toekomstige koningswaardigheid en zijn ganse jeugd wijdt hem voor zijn missie. „In wapenrusting als in hertogsdos was hij een heilige monnik.”
En feitelik werd de Frankiese leenstaat die daar ginds in het heilige land ingericht werd tot een soort geestelik koninkrijk en een kristelike ridderstaat,—het beloofde land niet alleen voor het ridderwezen, waar alles op oorlog en op oorlog alleen aangewezen was, en waarde feodale maatschappij zich in een zuiverder en meer aristocratiese vorm ontwikkelde, dan ergens elders in Europa, maar ook voor de Klerus zelf, waar de gehele geest ìn en ìn kristelik was. Hier had eerst het echte huwelik plaats van de ridderwereld met de geestelikheid—door de oprichting van de geestelike ridderorden, de zwarte Johannieters, de hospitaal-broeders, wier hoofdzetel mysties ontoegankelijk boven op een berg in Syrië lag—een machtig gebouwencomplex, „welks reusachtige pilaren en torens bestemd schijnen om het hemelgewelf te schragen”—of nog meer de aristokratiese tempelheren in hun witte kleêren met het rode kruis, de beschermers der pelgrims, wier residentie de „Tempel van Salomo” zelf was. Deze geestelik gewijde ridders die in kuisheid leefden, in een eeuwige strijd voor de Kerk en voor de zwakken en de vrouwen, werden de ideale helden der bewegingen voor de kruistochten.
Maar op de meer wereldlike gemene man werkten de kruistochten juist in volkomen tegenovergestelde richting. Bij elke mislukte kruistocht komt de terugslag in de vorm van een plotselinge en sterke val in de godsdienstige temperatuur. Het bleek telkens weer dat het gloeiendste geloof, de kerkelike inwijding, de wonderen Gods en de hulp van de hemel de keten van de natuurlike oorzaken toch niet konden breken en het onmogelike mogelik maken; het waren andere, natuurlike wetten die de zegepraal of de nederlaag bestemden. De scepsis der teleurstelling tegenover het bovennatuurlike breidt zich in vele kringen uit—bij de troubadours zijn wij die reeds tegengekomen—en tegelijkertijd neemt de belangstelling toe voor die grote nieuwe werkelikheid die zich voor de blik geopend had. De werkelike avontuurlike wonderen nemen alle attentie in beslag, in plaats van het hiernamaals. Menigeen trekt nog als pelgrim uit, maar schrijft bij zijn terugkomst reisverhalen, kronieken, natuurhistoriese werken, of dicht romantiese vertellingen. En de kennismaking met de Saracenen en hun hogere beschaving, gaf een hevige slag aan alle vooroordelen die de geestelikheid zo fanaties bij de Kristenen had trachten wortel te doen schieten. Die afgodendienaars waren, met hun geloof in één onzichtbare God, veel zuiverder Monotheisten en stonden veel verder van de afgoderij, dan de kristenen met hun heiligen- en relikwieën-cultus. En die trouweloze bloedhonden bleken niet alleen veel eleganter en ridderliker te zijn dan de kristen-baronnen, maar in hun praktiese mensenliefde—die de hospitalen en herbergen duidelik genoeg deden uitkomen—, in hun grotere verdraagzaamheid, hun rechtvaardigheidsgevoel en hun vorstelike grootmoedigheid, kwam een Nureddin of Saladin al heel gauw voor vele kristen-ridders meer of minder bewust, als een schitterend voorbeeld ter nabootsing te staan. Ginds in die Frankiese Staten van Palaestina en Konstantinopel had er een vermenging plaats, een „commercium et connubium” tussen kristenen en ongelovigen of Grieken, die op Europa terugsloeg en in vele adelskringen en onder de kooplieden vormde zich onbewust een zuiver humane moraal van menselikheid, ridderlikheid en eer, die uit de voogdijschap der kerk weggleed. Meer als iemand anders, werden de strijders der kerk, de tempelheren zelf, zo als bekend is door die ‚skepsis’ en het humanitarisme aangegrepen die daar in het kristelike Oosten in de lucht lagen. En thuis komt een emancipatie van de kerk duidelik te voorschijn in de nieuwe ridderpoëzie, waarin het weldra even goed mode wordt om tegen de vrome huichelarij en de zwartrokken te velde te trekken als om de „edele Saracenen” en „le courtois Saladin” te prijzen.
Voorlopig zijn het nu de oude „chansons de geste” en in Duitsland de oude nationale heldensagen die daardoor gemoderniseerd en aktueel gemaakt worden, doordat er allerlei kruistocht-motieven ingevlochten worden. Reeds vóór de eigelike kruistocht hadden de pelgrimstochten en de verbindingen met Byzantium het vermakelik avontuurlike epos in de wereld gebracht dat „Karel de Grote's reis naar Jerusalem” heet. Daarin trekt Keizer Karel met zijn Paladijnen op reis om te zien of Keizer Hugo van Konstantinopel werkelik een machtiger en prachtiger vorst is dan hij zelf. Eerst komen zij te Jerusalem waar men hen voor Jesus en zijn twaalf apostelen houdt; God doet wonderen voor hen en de patriarch schenkt Karel heilige relikwieën; daarop trekken ze naar het Griekse keizerhof, waar de Franken de hovelingen door hun optreden imponeren en nog meer wanneer ze werkelik trachten uit te voeren wat ze voor de grap en in dronkenschap hebben gepocht dat ze doen konden,—en het eindigt dáármede dat Karel en zijn helden in glans en glorie naar huis trekken, nu hun superioriteit zo duidelik gebleken is. Nu in de 12de eeuw wordt een avontuurlike tocht naar de even avontuurlike landen der ongelovigen een geliefkoosd en het meest aktuele tema voor de heldendichten. Zo wordt Karel de Grote b.v. als jonge koningszoon door zijn onechte broeders op zij gezet en vlucht naar de koning der Saracenen te Toledo, door wie hij tot ridder geslagen wordt, waar hij heldendaden uitvoert en Galienne, koningsdochter en tovenares, op hem verliefd wordt. Huon van Bordeaux wordt door de Franse koning op een gevaarlike reis naar Babylon gestuurd: daar moet hij het kasteel van de „Amiraal” binnendringen, voor diens ogen een zijner mannen neervellen, diens dochter drie kussen geven en verder de baard van de admiraal afknippen en die met drie van zijn kiezen naar het Franse hof brengen,—wat hij alles weet uit te voeren met de hulp van de Wonderhoorn van de kleine Alfenkoning, Oberon, zowel als van de heidense koningsdochter met wie hij, na vele beproevingen doorstaan te hebben, naar huis trekt. Even amusant en romanties vertellen een hele reeks Duitse speelmans-gedichten, die in de 12de eeuw aan het Beierse hof werden voorgedragen, van de tochten naar het Oosten van de Duitse vorsten: Koning Rother die de dochter van Keizer Constantinus schaakt—door een list wordt zij hem ontroofd, maar hij krijgt haar terug; Koning Orendel die van Trier naar Jerusalem zeilt om de koningin daar het hof te maken en die na een lange Odyssee en hevige gevechten met de heidenen, ten slotte met de hulp van hemelse mirakelen zijn tocht gelukkig ten einde brengt; Hertog Ernst die naar het land der Kraanvogelmensen komt en dat der dwergen, naar de Leverzee en de Magneetberg; de kruisvaarder Graaf Rudolf, die met de andere Franken twist krijgt en dan naar de Saracenen overloopt en die onder allerlei zware beproevingen in aandoenlike trouw door een Saraceense begeleid wordt die hem liefheeft en zich ten slotte laat dopen om dan met hem te trouwen. Deze laatste vertelling is uit het Frans en heeft duidelik een gelijktijdige historiese gebeurtenis ten grondslag, maar anders zijn vele van deze gedichten oude Germaanse sagen over een gevaarlike tocht van een held om een vrouw te zoeken, alleen gemoderniseerd door ze in de atmosfeer der kruistochten over te planten.
Zo ontstaan er in de tijden der kruistochten allerlei liederen en geschiedenissen in alle talen van een echtgenoot die lang buitenslands geweest is en reeds voor dood wordt versleten, maar die dan juist terug komt de dag waarop zijn vrouw met een ander bruiloft houdt. Dit patetiese motief is blijkbaar een weerspiegeling van een werkelike gebeurtenis; maar meer dan eens zal het ook het oude motief zijn van iemand die uit het dodenrijk terugkeert, dat nu een werkelikheidskleed aangetrokken heeft en in de atmosfeer der kruistochten gelokaliseerd is. Daar hoort b.v. het Anglo-Franse heldengedicht van Horn en Rimel bij, de Engelse roman van „Koning Horn”, de Duitse sagen en gedichten van „der edle Möringer” en het Deense volkslied van Hendrik van Brunswijk. Ook het omgekeerde motief heeft zich dikwels genoeg gedurende de kruistochten voorgedaan: de echtgenoot die in het Oosten een Saraceense gehuwd heeft b.v. uit dankbaarheid dat zij hem uit de gevangenschap verlost heeft, en die haar nu naar zijn burcht brengt, waar de vrouw—in elk geval in de geschiedenis van Baron v. Gleichen en zijn twee vrouwen—er grootmoedig in toestemt haar man met haar te delen.—
Dit is nu de direkte werking van die romantiek, maar de ridderromantiek wortelt ook dieper in de tijden der kruistochten. Een der deelnemers vertelt hoe het leger der kruisvaarders door Syrië trok: Fransen, Vlamingen, Beieren, mannen uit Bretanje en Provence, Engelsen, Schotten, Italianen, Spanjaarden en Grieken. „Als een Brit of een Duitser zich tot mij wendde, verstond ik hem niet en kon ik hem niet antwoorden. Ons verdeelde de verscheidenheid van de talen, maar de liefde tot God en onze naasten schiep weer broederschap tussen ons.” En zo is de gehele tijd der kruistochten zulk een elkaar ontmoeten der volkeren, en der verschillende kulturen. In het Anglo-Normandiese rijk dat Willem de Veroveraar en zijn opvolgers aan beide zijden van het Kanaal geschapen hadden, komen Fransen en Angelsaksen en Britten samen en leren elkaars kultuur kennen. Noord- en Zuid-Frankrijk ontdekken en verrijken elkander in dat opzicht. Byzantium en het gehele Oosten van de landen van de Islam openen zich voor goed voor West-Europa. En juist dan is het ook dat de geesteliken ijverig de bijbel en de legendenschat tot volkspoëzie omwerken, terwijl bovendien de nieuwe scholen en de kruistochten de klassieke literatuur voor meer dan één ontsluiten. Al die bonte stof die de tijd van alle kanten in zich opneemt, wordt met de stevigste appetijt opgenomen en ingezogen. Wij lezen van een Vlaams graaf, wiens grote genot was zich te omgeven met mensen „die hem sprookjes en sagen vertelden en verhalen uit de oude tijd deden. Als zijn vertrouwde vriend naar wien hij graag luisterde, had hij een oude ridder bij zich, Robert de Coutances, die hem vermaakte door wat hij over de Romeinse Keizers wist te vertellen en over Karel de Grote, over Roland en Olivier en Arthur, de Koning van Brittanië; verder Philip van Montjardin, die hem van de verovering van Jeruzalem vertelde en de belegering van Antiochië en de gebeurtenissen in het Oosten, en zijn neef Gautier de Cluse, die Engelse geschiedenissen kende, die van Gormund en Isembart en van Tristan en Isolde en van Merlijn en van Marcolf.” En in de dichterlike fantasie dier tijden voeren al die bonte voorstellingen een grote heksensabbat op. Zo men de romantiese geestestoestand—in tegenstelling met de klassiek-harmoniese—beschrijven kan als een, waarin de rijkdom der stof en zijn menigvuldigheid de eenheid der ziel in tweeën splijt, dan is de mentaliteit van de 12de eeuw meer romanties dan die van alle andere tijden. De gehele nieuwe stof en de nieuwe gevoelstonen, die uit de meest verschillende tijden en kulturen zich daar over uit storten, smelten in gelukkige ogenblikken werkelik samen—het antieke en het kristelike, het Oosterse en het Keltiese—tot nieuwe levende fantasie-gewrochten, nieuwe, vreemde, gemengde gevoelens, maar nog meer worden er zo slechts disparate elementen overal vandaan tot barokke alliages samengesmolten of schilderachtig-bont naast elkaar geplaatst. Hector gebruikt het schild van Samson en heeft de helm van Arthur op, zijn zwaard is gesmeed door Wieland en gehard door „Heer Vulcanus”. Moet iemand geprezen worden, dan is hij altijd sterk gelijk een Samson, schoon gelijk Absalon, wijs als Salomo, mild als Alexander, prachtig als koning Arthur, en een tovenaar als Virgilius of Merlijn. Tydeus—een van de „Zeven voor Thebe”—is waardiger de kroon te dragen dan Nebukadnezar, en de oude Otto, de raadgever van de Thebanenkoning, is een neef van Plato.
En verder: zo, in tegenstelling met de helder de zaken beschouwende, rustige, kalme klassieke geestesrichting, de romantiese geestestoestand beschreven kan worden als een toestand van innerlike onrust en spanning: een opgeschrikte, opgehitste fantasie, een sterk gespannen, golvend gevoel van verwachting, twijfel, ontbering, verlangen, dan is het bewustzijn van de tijd der kruistochten romantieser dan dat van enige andere tijd. Voor de rondtrekkende troubadour en de ridder op een kruistocht, voor de leeslustige geestelike of voor de Vlaamse graaf, waar wij juist van hoorden, moest de wereld zich in wijde, vage horizonten aftekenen, in schemerend, onzeker half-licht,—verwondering wekkende en verwachting, verlangen en wensen, voorgevoelens en dromen. Alles wat vreemd was, stond als in een afstand-mist maar ook afstand-glans, men trachtte er bij te komen, maar kwam er maar half bij, poogde het te vatten en vatte toch maar de helft. Een geestelike probeert zich tot de hogere beschavings-sfeer van Virgilius en diens personen op te heffen, wil fijn zijn en waardig en klassiek, maar wordt slechts pedant, geaffekteerd en gekunsteld, en plotseling, in een onbewaakt ogenblik, waar de dichter natuurlik is en zich zelf, verraadt hij opeens op de vermakelikste manier het naïeve en ruwe kultuurstandpunt van zich zelf en zijn publiek. Een ander haalt Keltiese sagen en mythen voor den dag of roept de antieke goden en godinnen op; maar Diana is een jagende vorstin, Echo een koningsdochter, Argus een honderd-ogige reus, aan wie een koning de taak op draagt een koe te bewaken, terwijl een ander die zeer op de hoogte is van de muziek graag de koe zou willen hebben... en evenzo wordt het Keltiese land des doods, waar de koningin door de Doodsgod heen gevoerd is, slechts als een naburig rijk opgevat, welks koning haar geschaakt heeft. Maar toch—dat naburig rijk heet „het land waar men nooit uit weer keert” en een zekere mist of glans van iets bovennatuurliks, ligt er voor de dichter over Keltiese zowel als antieke mythen; hij voelt dat er iets anders achter en onder steekt, dat alle gebeurtenissen en personen en namen een dubbele betekenis hebben, een wijder perspektief, waar ze op uitkijken—wat de toehoorders dikwels ook tegenover onze heldenliederen gevoeld hebben als die van Sivard en Brynhilde, en van Ribolt en Guldborg.
Dat tweeledige en dat perspektief—die afstand welke slechts het verlangen opwekt en de barokke disharmonie tussen stof en behandeling, voorbeeld en navolging—geheel die menigvuldigheid van voorstellingen en tonen... dit alles is het juist wat uitgedrukt wordt door het woord: Romantiek.—