VIII.
H. (Henri) Logeman translation
MINNEKUNST.
De minnelyriek was die kant van de troubadourspoëzie die de grootste betekenis zou krijgen voor de ontwikkeling der ridder-romantiek en die in andere talen het meest nagevolgd zou worden. En door hun leven, zowel als door hun werken, traden de troubadours als leraars in een kunst der Minne op, gelijk apostels voor een aparte religie. In de eigelike typiese liefde der troubadours zijn verschillende elementen in een merkwaardige mengeling bij elkaar te vinden.
In de eerste plaats was die grotendeels te beschouwen als een soort hofdienst, en hun minneliederen een onderafdeling van de lofzangen die het hun plicht en hun vak was te leveren. Evenals de hofdichter van alle tijden had de troubadour in de eerste plaats er voor te zorgen dat de feestzaal van de lof van de heer des huizes weergalmde en dat zijn roem op de vleugelen van het gezang verbreid werd. En aan de Sirventes die hij ter ere van de graaf dichtte, beantwoordden de Canzonen tot lof van de gravin. Om haar roem bekend te maken—„son los enavantir”—is het dat hij zingt, zoals hij dikwels ronduit verklaart; of wel zegt hij heel naief dat „wanneer ik haar in mijn liederen prijs, doe ik dat niet uit liefde, maar wegens de eer en de verdiensten die ik daardoor hopen mag, gelijk de dichter dat nu eenmaal van een edele dame verwacht.” De „beloning” waar hij zijn dame om vraagt is heel dikwels volstrekt dat niet wat wij nu zouden denken, maar een zeer tastbare beloning in de vorm van paarden, wapenen, kleren, of een leen, of een plaats aan het hof. En offisieel hield om zo te zeggen de dame er een troubadour op na, opdat hij haar roem zou kunnen uitbazuinen. „Ik heb behoefte om bemind te worden om daardoor lof en prijs te krijgen,” zegt zij volgens de biografie der troubadours tot een dichter, „en ik weet dat gij mij het een zowel als het ander kunt verschaffen en ik ben iemand die de kunst verstaat om te belonen.” De „beloning” heeft echter zeker ook meer dan eens een persoonlik karakter gedragen. Wij hebben voorbeelden van gevallen dat een dame een troubadour overhaalt om haar zijn hulde te bewijzen inplaats van aan een andere dame, door hem juist die „beloning” te beloven welke de ander hem niet heeft willen gunnen. Van Raimon de Miraval heet het dat „alle dames om strijd trachtten hem voor zich te winnen, niemand verstond als hij de kunst hun roem te verschaffen; niemand kon gezegd worden „in de mode” te zijn die de Miraval niet als vriend had.” Zo kwam de troubadour er niet zelden toe een rol te spelen die men nu al licht met een zeer weinig vleiende naam bestempelen zou. Dezelfde Raimon nodigt in zijn gedichten ter ere van Azalais van Boissazon, gewoon de koning van Aragon en de graaf van Toulouse uit om haar schoonheid te komen bewonderen; de eerste kwam op haar kasteel aan en in de loop van vier en twintig uur, „kwam hij, zag en overwon”.
Zelfs zonder zulk een hofdichterschap brengt de vazal heel natuurlik zijn hulde, zijn gevoelens van toewijding en onderdanigheid van de leenheer op diens gemalin over,—waar n.l. de vrouw zelf niet het leen bezit. En het feodale erfrecht heeft juist ingevoerd dat de weduwen en dochters van de baronnen hem op kunnen volgen; vele der Dames die de troubadours bezongen, waren in dat geval: Eleanora bracht heel Zuid-Frankrijk mee ten huwelik en Ermengarde regeerde drie jaar lang over het graafschap Narbonne. Ten tijde der kruistochten bestuurden de vrouwen in elk geval dikwels een leen gedurende de jarenlange afwezigheid der mannen. Menig lied der troubadours tot lof der hoge dames is minder te beschouwen als een minnelied dan wel als de hulde van een onderdaan aan zijn meesteres, feitelik een soort vazallenhulde die zich ook geheel en al in de formules van het leenstelsel beweegt. De dame is de „domna”—domina,—gelijk de leenheer de dominus is, en de hulde van de troubadour heet „domnei”, „vrouwendienst”. De ridder knielt—als voor de leenheer—en zweert zijn dame trouw, hij wil haar „man”, d. w. z. vazal (homme lige) zijn en legt met samengevouwen handen zijn huldigingseed af en zij schenkt hem een kus, juist wat de leenheer doet, en misschien ook wel een ring, wat er ook dikwels bijhoort, wanneer men een vazal met een leen bekleedt. Van nu af „dient” hij haar en heet haar „vriend” (amico) als een tot het huishouden horende vazal, (in het oude Rome: de klient) daartoe heette te horen; cliënt is later ook het Latijnse woord voor vazal. Daarentegen belooft zij zich als de leenheer voor zijn trouw en gehoorzaamheid, „genadig” voor hem te tonen en hem zijn „beloning” niet te onthouden en hij „klaagt haar aan” wanneer hem onrecht geschiedt of zegt haar zijn dienst op gelijk een vazal dat doet. Nog bij Wolfram von Eschenbach noemt de ridder zijn dame „de Burchtheer van zijn hart” (Vogt) en in de Roman de la Rose wordt die leenshuldiging in alle bizonderheden uitgewerkt. Troubadours van lagere afkomst kwamen niet als vrije vazal tegenover de meesteres te staan, maar bleven ook hier in een ondergeschikte positie.
En de keus voor de vrouw des huizes van het troubadourshart was niet moeilik. Een kasteel was een soort garnizoen; de jonge lieden waren er in de grote meerderheid en van vrije vrouwen waren er dikwels niet veel anderen dan zij zelf,—vooral sedert men, gelijk wij zien zullen, begonnen was de jonge meisjes van het gezelschap der mannen af te zonderen—en zo liep zij daar rond als de vrouw van de commandant onder alle de dienstdoende luitenants van haar gemaal, omgonsd door de hulde en de verlangens van gans een jong geslacht. En het huwelik was toen minder dan ooit identies met liefde. Door de familieraad van twee adellike geslachten op touw gezet, was het eigelik niet veel meer dan een zaakje of een politieke manoeuver: goederen die bij elkaar gebracht moesten worden of de macht van een geslacht die versterkt moest worden door zulk een alliance; er werd over de hand van een vrouw beschikt door haar vader of door haar broeder, zonder dat iemand er aan dacht naar haar wensen te vragen. Het normale motief van de man tot het huwelik was voor zijn bezittingen een erfgenaam te krijgen opdat die niet verspreid zouden worden. Een staande uitdrukking in de ridderroman is dan ook deze: „en daar zijn eigendom zo groot was, nam hij een vrouw om bij haar een erfgenaam te verwekken”. De Kerk zelf erkende vier gronden om te trouwen: „om kinderen te verwekken, om ontucht te voorkomen, om elkaar met raad en daad te steunen en ten slotte om een verzoening te weeg te brengen, als wanneer de groten op aarde dikwels hun dochters aan hun ergste vijanden uithuweliken om vrede met hen te sluiten. Maar—heet het dan verder—er zijn er die een huwelik sluiten wegens geen een van die redenen, maar alleen om hun wellust bot te vieren, als wanneer een man een meisje opmerkt, dat hij begeert, en hij ziet dat hij haar niet zal kunnen bezitten zonder haar te huwen. Maar zij die alleen de lusten des vleezes willen voldoen, begaan doodszonde en gaan naar de hel.” Een huwelik te sluiten uit liefde is een misbruik van het Sakrament, en het is dan ook helemaal niet zoals het hoort wanneer de echtgenoten elkaar al te zeer beminnen; dat is een beschouwing die men steeds weer tegen komt, dat, wanneer man en vrouw meer van elkaar verlangen dan wat er nodig is om de huweliksplicht te vervullen en kinderen te telen, dit tot zonde leidt, zelfs een groter zonde dan liefde buiten het huwelik omdat het een misbruik van het Sakrament is.—Onder die omstandigheden sprak het als van zelf dat de burchtvrouwe de liefde niet zo maar terugwees die haar overal aan het hof van ridder en troubadour tegemoet stroomde, maar dat, al beantwoordde zij die niet geheel, zij er toch behagen in schepte, door die warme liefdegolven en de wierook uit zijn liederen omringd te zijn. Ook haar gemaal zal wel meer dan eens geglimlacht hebben bij de ongevaarlike, schuchtere verliefdheidjes van de ondergeschikten en hij zal het dus wel hebben laten gaan dat zij die gevoelens met een kus of andere kleine gunstbewijzen aanwakkerde,—over het algemeen was een kus of een aanhaling iets dat in 't geheel niet meetelde als men zich maar onthield van meer positieve echtbreuk. En bovendien, als de baron zich per slot van rekening van zijn kant niet ontzag, zekere vrijheden te nemen, dan kon hij zich niet te recht beklagen, wanneer zij het ook niet bij de kleine gunstbewijzen liet blijven.
En nu zou de ervaring uitwijzen—dat was de groote ontdekking der troubadours—dat de „aanbidding” door de jonge ridders van de burchtvrouwe of een voorname getrouwde vrouw, welke op die wijze niet alleen een soort gepaste hofdienst, vazallendienst was, maar ook een meer of minder wederkerige dweperij,—dat die „damesdienst” een allerbelangrijkste invloed had op de zeden en manieren der ridders, ja op geheel hun opvoeding. De Zuid-Franse hoven zouden nu de gehele opvoedende kracht van de vrouw leren kennen. Haar fijne constitutie, haar fijne takt, haar sterke behaagzucht maakten haar maatschappelik verreweg de meerdere van de ruwe man. In de regel was zij ook ontwikkelder dan de man en kon zij lezen en schrijven, spelen, zingen en dichten. En als zulke opvoedsters werkten—elk in hun kring—al de voorname dames die het Zuid-Franse leven dier kringen beheersten; de burchtgravin Ermengarde van Narbonne of Adelasia van Marseille of „la comtessa fina de Provensa”; van hen kon men zeggen, zo als het ergens heet van de Koningin van Koning Arthur: „Gelijk de leermeester het kind onderwijst, zo leert de Koningin alle mensen en voedt ze op... Er is niemand aan het hof die niet iets van mijn Vrouwe geleerd heeft.” De jongen leren zich te wassen en andere kleêren aan te doen wanneer zij binnen moeten komen, onhoofse boeren-manieren af te leggen, de dames beleefdheid te tonen, en zich gemakkeliker en gracieuser bij de conversatie te bewegen dan het hun vroeger mogelik was. Om strijd trachtten zij zich bij de toernooien en op de jacht op de voorgrond te stellen, goed voor te snijden en fraai te dansen. Alles ter wille van de dames,—gelijk een sproke het uitvoerig vertelt,—maar met een ander vrij wat natuurliker woord in plaats van „dames”. De troubadours maken zich de verkondigers van het evangelium der civiliserende macht van de vrouw. Het refrein van hun minneliederen is: „De dames vermogen de onbeschaafde boeren tot fatsoenlike mensen te maken; menigeen is nu netjes en hoofs die zonder hen tegenover een ieder lomp en ongemanierd zou zijn geweest. Ik zelf ben door de invloed ener vrouw beleefder en bescheidener tegen de goeden geworden, en trotser tegenover de slechten.” En de mannen krijgen te horen hoe zij de vrouwen hun eerbied kunnen bewijzen: zij moeten niet te paard zitten en de dames te voet laten gaan, zij moeten ze niet met slijk bespatten; bij de maaltijd moeten ze de lange mouwen der dames ophouden, terwijl zij zich wassen; en het is 't beste om in het gezelschap van dames onder de mantel altijd een broek aan te hebben om door een plotselinge beweging geen aanstoot te wekken. Naieve maar noodzakelike beginselen der kunst om dames te behagen.
Maar in elk geval moet elke jonge ridder zich een bepaalde dame kiezen om te „dienen”—haar kleine diensten te bewijzen, galant kleine geschenken te geven, een, voor wie hij bij de toernooien vecht, op wie hij verliefd moet zijn en die hij in zijn lied moet prijzen. „Hij had een dame nodig om te dienen en trachtte er een te vinden”, staat er dan ook in de biografieën der troubadours, en in een Provençaalse roman lezen wij hoe een jongeling nog niemand bemind heeft, maar hij leest en weet dus dat nu de tijd voor hem gekomen is waarop het nodig is dat hij verliefd wordt; daar hij nu zo veel van de Vrouwe van Bourbon heeft horen spreken, kiest hij haar en gaat op reis om kennis met haar te maken. Is dan de dame niet meer vrij, maar reeds te voren van een dienende ridder voorzien, dan wendt zij zich tot een vriendin en vraagt of die de haar zelf aangeboden diensten over wil nemen en dat wordt dan—altans in een der biografiën van de troubadours—vrij gemakkelik onder elkaar gearrangeerd;—de troubadour biedt de andere dame, die nog vrij is, zijn diensten en zijn liefde aan.—
Maar... getrouwd met een ander moet de dame zijn, indien de verhouding aan haar doel zal beantwoorden. Zijn eigen vrouw daarvoor te kiezen of een jong meisje dat men misschien eens tot vrouw zal kiezen, dat komt in het geheel niet te pas; want het huwelik waarin de vrouw maatschappelik en ekonomies van de man afhankelik is en waarbij haar gunst haar plicht als echtgenote betekent—kon, onder die omstandigheden minder dan ooit, tot de vorming van de man bijdragen. En liefst moet de dame ook sosiaal boven de dienende ridder staan; anders is de dienst de ware niet. Voorname, hoge heren deugen daar dan ook volstrekt niet voor, wat een der troubadours de Koning van Aragon in een strijd met tenzonen verklaart; die willen alleen maar hun begeerten stillen en beginnen altijd dadelik met van de dame de hoogste gunst te verlangen, zonder zich tot een lang, ootmoedig dienen te vernederen; en zij houden ook dadelik op zodra hun ogenblikkelike opwelling voorbij is of wanneer ze tegenstand ontmoeten. Maar wanneer de dame vrij tegenover de ridder staat, en boven hem, zonder enige verplichting tegenover hem, integendeel eigelik aan een ander gebonden, zodat elke kleine gunst een teken van genade wordt, een offer van haar kant en wanneer een element van werkelik toegeven van haar kant gevaar medebrengt en tot geheimzinnigheid aanleiding geeft en tot een romanties verbergen (b.v. het gebruik van schuilnamen),—ja, dan heeft zulk een verhouding pas wat het van zulke groote waarde maakt voor de ontwikkeling bij de mannen van alle goede eigenschappen, d. w. z. juist dat wat de troubadours al meer en meer opstellen als de ware ridderlike en hoffelike liefde.
Deze verhouding tussen een ridder of een troubadour en de voorname getrouwde vrouw—een verhouding die over de gehele scala zich bewegen kan van een gezelschapsspelletje of een gewone flirtage tot de diepste hartstocht—moge onze tijd immoreel schijnen,—voor die tijd betekende het een grote zedelike stap vooruit. Waar de mannen vroeger gewoon waren volgens de opwelling van het ogenblik hun begeerte dan op de ene, dan op de andere vrouw te werpen en terstond aan die lusten moesten voldoen, werd de ridder er nu toe gebracht zich aan een enkele vrouw te wijden, haar trouw te zijn en zijn begeerte om zo te zeggen, volgens haar wensen, op rantsoen te zetten. De troubadour stelde zijn ware liefde op in tegenstelling met het woest begeren,—met de „losengiers”, waarmee men oorspronkelik blijkbaar alleen de gewetenloze verleiders bedoelde, die niets anders vragen dan een ogenblikkelik tevreden stellen der zinnen („hoe meer ze doen alsof ze u van ganser harte liefhebben, des te zekerder is het er hun alleen om te doen u te onteren”)—en met de brutale echtgenoten—„op wat voor rechten tegenover hun vrouwen durven die zich te laten voorstaan? Laat die zich zelf eens bekijken, met baarden als bokken, vuil als raven, behaard als een beer, leder gelijk en rimpelig als een buffel.” Feitelik was de liefde der troubadours een grote schrede in de richting van monogamie; zijn gevoelens—verzekert hij ons—blijven trouw en zij zullen blijven duren; zelfs een ongelukkige liefde wil hij niet verruilen voor een eenvoudig tevreden stellen der zinnen bij een vrouw die hij niet liefheeft. En tegenover hen welke die tedere verhouding profaneren en de naam ener vrouw bezoedelen alleen om met hun „zegepraal” te koop te loopen, prijst de troubadour: „discretie als een erezaak”; daarin ligt feitelik de charme en het romantiese van de verhouding. Daarom zegt men dan ook dat de dame zich nooit met burgerliken af moet geven; wanneer die mensen in de herberg zitten, dan flappen ze er uit wat ze achter hun tanden moesten houden. In tegenstelling met hen die dadelik het hoogste wensen, verklaart de troubadour zich tevreden te stellen met beloften, met een glimlach, met een handdruk (met „een draad van haar handschoen”), hoogstens een kus, en wil hij slechts trapsgewijze en langzaam in de gunst van zijn aangebedene stijgen. En het is juist hieraan—zegt hij—dat men het verschil merkt tussen wat herderinnetjes en lichte vrouwen bieden (garçonnières—femmes folles) en de geciviliseerde liefde waarbij de vrouw met enige eigenwaarde, zelfs indien zij lief heeft, hoogstens eerst na een tijdje en na een soort voorbereiding, zich langzamerhand overgeeft, maar nooit in eens. Waar het per slot van rekening op neerkomt, is de overweging die men in een roman vindt, waar een dame ziet hoe veel moeilikheden een van haar aanbidders te overwinnen heeft, voor hij zijn doel bereikt, waarop zij verklaart dat dit niets erg is, want „had hij zonder moeite zijn doel bereikt, dan zou de vrouw niet zo hoog bij hem aangeschreven staan:—car se sans peine joie avoit,—de dames bon marché seroit.”
Dat is juist de kern van de zaak. De nieuwe maatschappelike „Sitte”, de nieuwe geslachtsmoraal omgeeft de geslachtseer van de vrouw met meer bolwerken dan de naïeve zeden van vroeger gekend hadden. Haar positie werd hierdoor niet alleen veiliger, maar ook tegelijkertijd minder vrij dan te voren.
In de wereld der baronnen, een maatschappij van en voor mannen, was de vrouw geminacht en onderdrukt geweest. Daar was zij de slavin van de man, die hem bij de maaltijd bediende en bij het toilet, die zijn haar wies, hem bij het bad wreef en afdroogde, zijn vermoeide ledematen masseerde en zelfs als 't nodig was het werk van een staljongen voor hem deed. Gelijk een odaliske bediende zij hem ook met haar liefde en wij hebben gezien, hoe zij het bijna altijd is in de volkspoëzie die de man om liefde vraagt. De man is haar „seigneur”; als hij binnentreedt, staat zij op, zij eet pas nà hem, hij tuchtigt haar met slagen,—in een Franse ballade slaat de Koning de Prinses „zo dikwels met een riem dat heel haar blanke lichaam rood zich kleurt”, evenals in een Deens lied uit de Middeleeuwen Lave Stisön zijn vrouw een leidsel met ijzeren punten laat voelen. Aan de andere kant worden de meisjes dikwels als jongens opgevoed, zij leren rijden, jagen, de wapens hanteren en beweegt de vrouw zich vrij en spreekt vrijuit met de man, konventionele begrippen over vrouwelikheid staan hun niet in de weg en naar de Chansons de geste en het Nibelungenlied te oordelen, spreken ze en handelen ze, waar ze macht en vrijheid hebben, vrijwel gelijk de mannen doen.
Maar onder invloed van het Kristendom, dat de vrouwelikheid bij de vrouw op de voorgrond bracht en in navolging van de zeden in Byzantium en het Oosten, vormde zich nu pas, in tegenstelling ook met het idee van het mannelike, het begrip van de vrouwelikheid en daarmede nieuw zaad voor de plaats der vrouw in de maatschappij,—zij krijgt ook meer bescherming aan de ene kant, maar wordt minder vrij aan de andere. Door haar opvoeding wordt zij nu meer op de achtergrond gehouden, zij komt nu minder in aanraking met jonge mannen en haar wordt meer dan vroeger een schoone, fiere terughouding ingeprent. Als jong meisje ziet men haar op de grote kastelen slechts uiterst zelden—Siegfried was meer dan een jaar aan het hof te Worms, voor hij een glimp van de vorstendochter Krimhilde te zien kreeg, om wie hij daarheen getrokken was—; en in elk geval is zij altijd van een duenna vergezeld, en ook als jonge vrouw is zij altijd met een dame van gezelschap en loopt zij op Oosterse wijze in een mantel gehuld en de handen verborgen; en men heeft haar geleerd niet naar de mensen om te zien en de mannen niet vast in de ogen te kijken, nooit met onbekenden te spreken en over 't algemeen trots en kortaf te zijn, „niet uit hoogmoed, maar om de kwaadwilligen op een afstand te houden”. Een vrouw die bemind wil worden—zegt een Provençaals leerdicht—moet zich gedragen gelijk een ridder een havik op zijn hand houdt, zo voorzichtig dat hem geen veertje gedeerd wordt. Het voorbeeld van een eerbare vrouw is Maria, zoals die op de Madonnabeelden en in de Marialegenden wordt voorgesteld. Zij liep zo schoon en rechtop—zeggen reeds oude Marialegenden—met het hoofd licht gebogen; nooit keek zij om of groette zij man of vrouw.—Zulk een afzondering en afsluiting van het geslacht wekt altijd de nieuwsgierigheid op, maakt voor beide partijen de aantrekkingskracht der liefde groter en het liefdegevoel fijner en sterker. Tussen de geslachten komt zo het romantiese van het op een afstand-zijn; het verlangen van Siegfried naar de onbekende schone wordt grooter met de moeilijkheden om met haar in aanraking te komen en Krimhilde bloost in het vrouwenvertrek, terwijl zij ieder uithoort over de vreemde ridder, over wie zij aan het hof van haar broeders zo veel heeft horen vertellen. En hoe meer „verhinderingen” de schuchterheid der vrouw, of haar opvoeding, of de maatschappelike begrippen van wat al of niet past, of wat de voorzichtigheid bij het huwelik gebiedt, de begeerte van de man in de weg doen staan,—hoe meer „tussen-stadia” van kleine, geleidelik stijgende gunstbewijzen er komen tussen het opwekken van de begeerte en de bevrediging ervan, des te meer wordt het liefdeleven voor beide partijen gecompliceerder natuurlik, maar ook verfijnder.
De opvatting der troubadours over de liefde, zoals die nu, naar wat wij gezien hebben, uit de gehele atmosfeer aan de Franse hoven was ontstaan, werd nu niet alleen versterkt, maar kreeg ook een geheel nieuwe kleur door de lektuur van het oude leerboek van Ovidius over de „Minnekunst”—de Ars Amandi—een werk dat met de grootste attentie en ijver door de gehele Middeleeuwen gelezen werd als een school voor de fijnste en rijpste Levenskunst der antieke kultuur.
Een aestetiese lekkerbek en libertijn leert in dit gedicht de viveurs en de lichte vrouwen van Rome—meestal getrouwde vrouwen bij de volkomen gedesorganiseerde familieverhoudingen van de tijd—hoe de min tot een kunst gemaakt kan worden, zodat er zo veel mogelik zinnelik en geestelik genot van te halen valt,—hoe die van een eenvoudig ruw paren worden kan tot een hoog zinnengenot zowel als een sympatiek behagen en een prikkeling van de fantasie,—hoe die tot een „roman” kan worden, een spel voor alle zielekrachten. Ongelofelik cynies is in dit opzicht wat Ovidius leert. De mannen vertelt hij hoe altijd het grootste genot daar in steekt om de vrouw van een ander te beminnen,—ongewoon eten smaakt nu eenmaal 't best en de moeielikheden, de risico en het ongepermitteerde maakt het genot des te pikanter,—hoe ze in 't geheim te werk moeten gaan, de dienstmaagd als tussenpersoon moeten gebruiken en moeten leren te vleien, om te kopen en geschenken te geven,—hij kent allerlei foefjes hoe men zich royaal kan voordoen, zonder eigelik veel op te dokken. Door er bleek en mager uit te zien en het hoofd te laten hangen, moet men de schone aan het verstand brengen dat men van verdriet verkwijnt; met sprekende blikken en heimelike brieven moet men haar belegeren—de Liefde is een soort oorlog en men moet vol weten te houden en geen moeite schuwen. Men moet haar luimen volgen, tot alle diensten bereid zijn, haar schoenen uit willen trekken, of een spiegel voor haar ophouden; alle moeite, alle gevaren, alle uitstel moet men als kruiderijen beschouwen die, wanneer het eindelik komt, het genot van het bezit slechts verhogen. En men moet er zich in schikken haar gunst met andere te delen en het oog sluiten voor wat men vlak voor zijn neus ziet gebeuren; alleen kan het zo nu en dan zijn nut hebben zelf eens de schijn van trouweloosheid op zich te laden, om haar ijverzucht op te wekken.
Maar ook de Romeinse vrouw krijgt dergelijke voorschriften van Ovidius te horen: hoe zij de zorgvuldigste bewaking kan ontduiken... hoe zij moet zorgen er knap uit te zien... hoe zij door allerlei kleine koketterietjes de man tot zich moet trekken en daarna door een glimlachje of een knikje of een handdruk het vuurtje moet laten gloeien, maar haar aanbidder toch zo lang mogelik op een afstand moet houden—haar waar op prijs moet stellen en de waarde van haar liefde moet verhogen door zich te laten smeken, hoe zij moeilikheden op moet werpen en de minnaar steeds angst voor haar man moet laten voelen, altijd moet trachten uit te stellen en hoe zij, zelfs als zij zich overgeeft, op het ogenblik zelf dat zij zich laat omhelzen, dit niet moet doen zonder een schijn van weigeren en van tegenspartelen.
En al die geraffineerd-verderfelike opvattingen goten zich in de liefdeleer der troubadours uit,—in de onschuld huns harten namen zij die wijsheid van de oude klerk Ovidius als een boek van wereldlike sermoenen in zich op. Veel van al dat verderfelike werd bijna weer rein en onschuldig toen zij het in hun naïef, rein gemoed opnamen; maar van meet af werd de erotiese troubadour-poëzie en de ridderromantiek toch gemengd met een niet geringe dosis van Ovidiaans Epikurisme en cynisme. Bij alle troubadours, zelfs bij zulk een weinig geleerd man als Guillaume van Poitou, treft men talrijke reminiscenties van Ovidius. De lezer van wat voorafgaat heeft vele trekjes in de liederen der troubadours kunnen herkennen als aan de „Ars Amandi” van Ovidius ontleend: Bernard de Ventadour, zagen wij, wilde op zijn blote knieën de schoen van zijn dame uit mogen trekken, Peire Rogier de misstappen van de zijne niet geloven, al zag hij het met zijn eigen ogen. Terwijl het voor Ovidius nog maar een verleidings-kunstgreepje was om er bleek en uitgeteerd uit te zien, werd het voor de troubadours een kwestie van geloof: de ware minnaar ziet er bleek en slecht uit, en hij die ongelukkig een rode gelaatskleur heeft, maakt allerlei excuses en verklaart dat de gloed die onder de as smeult het sterkst brandt. Van nog groter belang was het dogma dat de liefde geheim gehouden moet worden, niet alleen wegens de echtgenoot, maar ook met het oog op de lasteraars en ook omdat—zo als Salomo leert—„de gesloten wateren zijn zoet en 't verborgen brood is liefelijk.” Wij hebben samenspraken—op het voetspoor van Ovidius—tussen de troubadour en de dienstmaagd van de schone en het meisje raadt hem aan, ook als in Ovidius, zich in al haar grillen te schikken. Plichtschuldig passen de troubadours ook nu en dan het keukenmiddeltje van Ovidius toe, om zich trouweloos voor te doen ten einde de schone jaloers te maken; maar daarbij verrekenen zij zich tegenover de hoge dames en ze moeten er hard voor boeten: slechts op het aandringen van andere dames werd Pons da Capdueil weer door de Vrouwe van Mercoeur in genade aangenomen, en van Guillem van Balaun verlangde de vertoornde schone dat hij de diepte van zijn gevoel zou tonen door de nagel van een zijner vingers te snijden en haar die met een passend huldegedicht aan te bieden.—Zulke regelen voor de koketterie vatten de dames vromelik op als een uitdrukking van de fijnste, meest echte vrouwelikheid.
De minnekunst van Ovidius was nog meer geraffineerd en gesubtiliseerd geworden in de erotiese literatuur van de uitloopers der antieken. Bij de Sofisten en in de scholen der rhetoren werden alle kentekenen en de werking der liefde spitsvondig besproken—hoe de echte minnaar zich in die en die situatie gedraagt—aan welke van de twee geliefden de voorkeur te geven is, enz. In de Griekse romans van het einde der oudheid trof men dergelijke subtiele discussies ook weer aan. En door de gehele middeleeuwen heen kunnen wij ze volgen als tema voor de gesprekken in alle geestelike kringen. Nu komen ze weer in de tenzonen der troubadours te voorschijn. Een van hun twistpunten, n.l. welke van haar aanbidders een vrouw het meeste heeft begunstigd: hem die zij een blik heeft toegeworpen, een ander die zij op de voet heeft getrapt of een derde wie zij haar hand heeft gegeven,—is reeds in een Griekse roman gevonden, en de verhandeling van een Latijns rhetor, evenals een passage in het 6de hoofdstuk der Spreuken van Salomo door een foutieve lezing ook een bijdrage heeft geleverd.
Ook voor de psychologie der liefde is er in Ovidius en de antieke poëzie menige bijdrage voor de troubadours te vinden. Heel wat van de beeldspraak die het plotseling ontstaan der liefde en haar merkwaardige macht verklaren moeten, schijnen van het ene land naar het andere getrokken te zijn. Dat die liefde b.v. een vlam is die plotseling oplaait, of dat de blikken der schone als pijlen de ogen van de aanbidders doorboren en zijn hart wonden. „Dit meisje is als een jager—heet het in de Indiese hoflyriek—haar wenkbrauw is de boog die zij spant, haar zijdelingse blik is als de pijl. Mijn hart is de Antilope die zij treft”. Volgens de Phaedrus van Plato zijn de Anacreontici, de dichters uit de Alexandrijnse periode en de Griekse romans vol van beelden over de blik die als een pijl door het glas der ogen het hart wondt. En uit die werken gaan ze in de middeleeuwse kerkelike verhandelingen over: „De ogen”, lezen wij in zulk een stuk van ongeveer 1100, „zijn de boodschappers van de losbandigheid. De ziel wordt door de ogen gevangen; door hen dringt de liefdepijl het hart binnen”; en in Latijnse gedichten twisten het oog en het hart er om, wie van de twee de schuld is van de zonde der mensen. Of wel: de minnaar en zijn hart worden door de oude dichters voorgesteld als gevangen en aan banden gelegd; Amor heeft hem geschoten of is naar binnen geslopen en heeft zijn hart geroofd en speelt er nu mee als met een bal. Al die beeldspraak vindt men bij de troubadours terug, soms met een licht middeleeuws tintje, als wanneer er eerst een boodschap naar de Harte-burcht gestuurd wordt en vol vertrouwen wordt die nu voor de vijand geopend,—maar nu kunnen ze er die niet meer uit krijgen. Aangezien „Amor” in 't Provençaals vrouwelik is, smolt de God der liefde Amor, bij de troubadours samen met de godin der liefde Venus. In de klassieke literatuur zijn er schilderingen van het slot en de tuin van Venus te vinden (bij Claudianus) en van haar zelf waar zij op een rechtsgeding het liefdepleit beslist en het oordeel uitspreekt (Pervigilium Veneris). En in overeenstemming met deze en dergelijke middeleeuws-teologiese allegoriën schilderden de troubadours het Slot der Liefde, met zijn verschillende poorten en trappen en zalen—alles met een bepaalde allegoriese betekenis—en de Godin der Liefde zelf met een kroon van goud en pijlen van goud en lood. Een hele beeldspraak en mythologie der liefde is op die manier van de oudheid via de troubadours en Petrarca als staande uitdrukkingen in de moderne lyriek der minneliederen overgegaan.
Meer psykologies schilderen de klassieken de liefde als een ziekte. De minnaar mist alle eetlust, wentelt zich slapeloos op zijn legerstede heen en weer; koortsachtig wisselen bleek en rood op zijn wangen af, warm en koud, opgeruimdheid en neerslachtigheid in zijn rusteloos binnenste. Zo schilderen Propertius in zijn Elegiën en Ovidius in zijn Amores, de hartstocht; zo wordt ook in de Griekse romans de verliefdheid van de jongeling aangegeven en die van Dido bij Virgilius. En het ongewone en het onbegrijpelike van het liefdeleven wordt door dichters en rhetoren breed uitgemeten; hoe het beeld van de geliefde in het hart van de minnaar nederdaalt of hoe de beide geliefden elkaar hun hart geschonken hebben en zo elk van de beide de ander letterlik in verre landen met zich mede draagt; hoe de minnaar als de mug is die om de vlam fladdert, ofschoon hij zich voortdurend brandt, of haar schoonheid hem als een magneet steeds tot zich trekt.—Al zulke motieven gaan ook in de troubadours-poëzie over. In een rijmbrief aan zijn geliefde vertelt Arnaut de Marueil in alle bizonderheden hoe hij 's nachts op zijn sponde ligt te woelen, het dek van zich af gooit, op staat maar toch weer gaat liggen... en hoe hij overdag buiten zich zelf rond loopt, de mensen niet groet en niet antwoordt, niet wetend waar hij is of wat hij doen zal. Zo leert de troubadour van de klassieken te trachten zich zelf gade te slaan en te vertellen wat er in zijn ziel omgaat. En de naïeve blik van de Middeleeuwen wordt duizelig en raakt heelemaal in de war als hij die innerlike wereld leert kennen, waar alles zo heel anders toegaat dan in de tastbare buitenwereld. De fantasie der Middeleeuwen, geheel vervuld van de kristelike mysteriën, van de merkwaardige stenen en dieren waar reizigers uit het Oosten of schrijvers van de boeken over de onnatuurlike natuurlike historie over wisten te vertellen, vindt in de liefde een nieuwe wereld van wonderen. En nu tracht men de Alexandrijnse Neoplatonici in uitvoerigheid bij de schildering van de wonderen der Liefde te overtreffen. Gelijk de maagd Maria zwanger werd zonder dat haar jonkvrouwelike schoot geopend was, zo glijdt het beeld van de geliefde dwars door de ongebroken ruiten van het oog in het hart. De koude van haar ijs steekt zijn ziel in brand, gelijk men immers brandend vuur uit het kristal krijgen kan dat uit de koude sneeuw gevormd is. Gelijk de salamander, leeft de minnaar midden in de vlam der liefde, gelijk het goud, wordt hij daarin gelouterd en gelijk de basilisk van vreugde sterft, wanneer die zijn eigen spiegelbeeld ziet, zo is met hem gedaan wanneer hij zich zelf in de spiegel van haar blik verliest. De liefde maakt overmoedig en bang, trots en gedwee, verstandig en dwaas; de minnaar lijdt, maar de pijn is hem zoet; hij is ziek maar hij wil niet gezond worden; gevangen, maar hij wil niet vrij zijn.—
Dit alles stamt in de minneliederen der troubadours uit de antieke kultuur. Maar deze volkomen naturalistiese conceptie van de liefde is toch bij de troubadours doortrokken van een geheel daaraan tegenovergestelde moreel-religieuse opvatting, die met de gehele dwepende gevoelsreligiositeit samenhangt die wij in het Europa van de 11de en 12de eeuw hebben zien opkomen.
Bewust staat de troubadourspoëzie in dezelfde verhouding tegenover de godsdienst als de Sirventes tegenover de Kerk. De zanger zal ons vertellen dat, als hij God maar half zo trouw was als aan zijn Dame, hij zeker van het Paradijs zou zijn. Na haar dood is hij overtuigd dat zij daar tronen zal, door rozen en leliën omgeven en door de Engelen met hymnen begroet, „want dàt weten wij toch: wie de wereld prijst, prijst ook God”. Midden in een lied op de kruistochten zal de troubadour erkennen dat hij, wat hèm zelf betreft, geen moed heeft zijn schone dame te verlaten, en een ander, die werkelik zich heeft weten los te rukken, zingt dat God zich wel zeer zal mogen verbazen en hem bizonder dankbaar moet zijn dat hij om Zijnentwil dat besluit heeft kunnen nemen en uitvoeren. En het erotiese leven der ridders stoort zich al bitter weinig aan de kerk en haar moraal. Wanneer de bisschop van Angoulême graaf Guillaume van Poitou een opmerking maakt over zijn uitspattingen, wordt hij vrij cynies op zijn plaats gezet.
Maar per slot van rekening zijn de minneliederen der troubadours diep doordrongen van Kristelikheid. Evenals Ovidius de liefde als een kunst leerde uit te oefenen en daar praktiese regels voor gaf, zo had het Kristendom zich aangewend, alles in het leven aan een morele behandeling te onderwerpen. Voor de ware kristelike opvatting mocht niets natuur zijn en zijn natuurlik leven leiden, alles werd van uit het standpunt beschouwd van deugd of ondeugd, en werd geschoold, gedresseerd volgens de idealen der moraal. Zo werd ook de liefde door de geestelik gevormden onder de troubadours tot een morele plicht gemaakt en een deugd en werd die gevormd en gekleurd in de kristelike geest.
Wel is waar was er ook voor de Kerk een gapende afgrond tussen de kristelike caritas en de amor dei aan de ene kant en de voluptas of libido, de geslachtsliefde, aan de andere. Maar dat er in alle hogere liefde een machtig element zit van die zelfopoffering en van een zich met alle gevoelens geven,—iets dat voor de religie der liefde als het eerste en het hoogste staat wat men in de mens wekken moet, dat kan door geen theologie weggecijferd worden. En overal waar het gevoel in het Kristendom op de voorgrond komt, zoals juist bij de sentimenteel-smachtende richting in de tijd der kruistochten, sprak daar de kristelike „amor” een taal, zeer verwant met die van de troubadours wanneer die het over hùn „amor” hadden. Wanneer men bij een van de kerkvaders zinnen leest als deze: „Niemand kan zalig zijn zonder liefde. Diè mens is het onzaligste die tenminste niet iets bemint, buiten zichzelf. De ware manier van beminnen is liefhebben zonder mate. Hij die liefheeft, voelt geen moeite of heeft die moeite zelfs lief. Hij die liefheeft, niet hij, die niet liefheeft zal beloond worden”—dan kon dit alles even goed uit de liederen der troubadours bijeen gehaald zijn. Bij Bernhard van Clairvaux en de Kloosterschool van de H. Victor bij Parijs en soortgelijke Duitse mystici was de liefde tot de naaste een schrede tot de liefde Gods en deze „Gottesminne” werd in gloeiende kleuren en smachtende tonen geschilderd die dikwels uit de zeer aardse liefdepoëzie van Salomo's Hooglied genomen was. Aan de andere kant verheft de troubadour zijn aardse liefde tot een half-religieuse extase: hij vergeet de gehele wereld in haar zoete blik, hij is dronken, niet van wijn maar van liefde—zo zingt ook een Spaans-Arabiese troubadour—de glimlach van mijn geliefde maakt mij gelukkiger dan als vierhonderd engelen mij toegelachen hadden; als ik het schone lichaam van mijn geliefde zie, geloof ik God zelf te zien en omgekeerd: Wanneer ik in de kerk bid, zie ik U voor mij.
Gelijk de liefde van de Kristen voor God er een is van beneden naar boven, vol van vrees en beven, vol van onderwerping en ootmoedige aanbidding, zo is het ook met die van de troubadour tot zijn Dame. Even verschillend van de antieke liefde van Hero en Leander of Daphnis en Chloë of van de Germaanse opvatting als van die van Sigurd en Brynhilde—twee geliefden die als gelijken tegenover elkaar staan,—dwingt de liefde in de minne-poëzie der troubadours de man op zijn knieën, de vrouw dienende en haar aanbiddend,—tegenover de trots afwijzende of genadig nederbuigende vrouw, presies gelijk de Kerk de krijgsman, de baron, op de knieën dwong voor de gekruisigde zoon van de timmerman en de Moedermaagd. Evenals de Kristen, gelijk wij in het tweede hoofdstuk zagen, bevend en schuldbewust, met gebogen hoofd voor God staat en slechts hij die vreze voelt gered kan worden, zo zingt de troubadour: „hij die geen vreze voelt, heeft niet uit heel zijn harte lief” en vertelt hoe hij angstig en bevend in de tegenwoordigheid staat van zijn aangebedene en hoe hij de blik niet op waagt te heffen of zijn liefde uit te stamelen. Het is de minnaar een genot zich klein te voelen: tegen over de geliefde is hij als een kind, wiens grootste verdriet is van de moeder weggenomen te worden, een kind dat de roede vreest; „ik moet voor haar staan en op mijn vreugde wachten, gelijk de kleine vogeltjes op de dag wachten,” zegt een Duits minnezanger. Het is hem, als de kristen, een genot zich te vernederen. „Met gevouwen handen, met een touw om de hals en met een bevangen hart bid ik U om genade, o goede, genadige Vrouwe! en bid ik God van wie alles komt, om barmhartigheid in uw ziel te storten.” „Gij kunt mij verkopen of wegschenken of mij doden,—ik ben helemaal uw eigendom.” Evenzo noemen de heiligen der Kerk zich „de slaven Christi” en als die het water drinken waarin zij de melaatsen gebaad hebben, is dit een uiting van dezelfde perversiteit die zich in een zachte vorm vertoont waar een Duits minnezanger de kom leeg drinkt waarin de aangebedene haar handen gewassen heeft. Maar waar de vrouw der Middeleeuwen lief heeft, komt diezelfde drang tot zelfvernedering te voorschijn. Heloïse schrijft aan Abélard: „Ofschoon de naam van echtgenote heilig heet en meer bindend, is het mij toch altijd zaliger uw geliefde genoemd te worden, of als gij niet boos wordt, uw boel of uw bijzit, zodat mij als ik mij zo voor u verootmoedig, ook groter tederheid van u ten deel zal vallen... Mij zou het dierbaarder zijn en een groter eer uw deern genoemd te worden dan de Keizerin van Augustus.” Een en ander hieruit is misschien genomen uit de brief van Briseis aan Achilles in de Heroides van Ovidius, maar het gevoel is echt middeleeuws overspannen. In de middeleeuwen kende men de schone gelijkheid tussen de twee mensen niet; lief te hebben is knielen en aanbidden. „Meesteres! ik vouw mijne handen en aanbid u,” barst Bernard de Ventadour uit.
Wat de liefde der troubadours vooral op verschillende wijzen gekleurd heeft, is de sterk zich ontwikkelende Mariaverering, evenals die omgekeerd ook onder de invloed der troubadours staat. Gelijk Maria in de hymnen, wordt in hun minneliederen de Vrouw verheerlikt als de bron van alle schoonheid en goedheid, als de Kamer der Vreugde, het Schrijn der Eer, de Welriekende Bloem en wat dies meer zij. Ook het schoonheidsideaal heeft trekken aan de Mariabeelden ontleend.
Van de Minnaar, gelijk van de Kristen, wordt strijd geëist, zelfverlochening en lijden, voordat hij gehoor verdient te krijgen op zijn smeken. Reeds Ovidius wilde het genot kruiden door tegenspoed en beproevingen. Voor de ridder was het bovendien altijd aanlokkend, hoe groter gevaar, hoe meer moeilikheden waren er met de liefde verbonden; een ridder—heet het—moet vóór alles „paresse” ontgaan en strijd en beproevingen zoeken. Nu wordt er in de kristelike geest verkondigd dat de minnaar gelouterd moet worden en dat lijden de liefde dieper doet worden. Het is uit het boek van Job of uit het „boek der wijsheid” van Salomo, dat de troubadours het beeld hebben van het goud dat in het vuur gelouterd wordt. Zij voelen zich als de martelaars der liefde, genieten van hun ontbering en hun tegenspoeden en rekenen zich dit als een verdienste aan; met Bernard de Ventadour zeggen ze: „Weinig heeft hij lief die zich niet aan zwaarmoedigheid overgeeft. De schone tranen der liefde zijn meer waard dan haar glimlach. Mijn wee is mij een zoete pijn.” Dit is het zuivere ascetiese sentimentalisme.
Gelijk de Kristen eindelik zich op de beproeving verheugt, daar zijn verdienste in vindt, weet dat die een pant is voor een latere beloning, zo ook de liefhebbende minnaar. Door zijn liefdesmart verdient de minnaar de dank van „Merce”,—de genade. Als de Madonna moet zijn Dame zich ten slotte in barmhartigheid tot hem nederbuigen.