← Table of contents
De Ridderromantiek der Franse en Duitse Middeleeuwen

XXI.

H. (Henri) Logeman translation

HET EINDE DER RIDDERROMANTIEK.

Gelijk de glanstijd van de ridderadel, duurde ook de bloeitijd van de ridderromantiek slechts zeer kort. In het laatst der middeleeuwen was het de kerk, de universiteit en de burgergeest die het geestesleven zouden beheersen. Deze drie machten waren het die in de 14de en 15de eeuw de dood van de ridderromantiek veroorzaakten.

In de latere Graalromans zagen wij haar in de dienst treden van de kristelike mystiek en ascetiese monnikengeest. Lancelot en Guenievre doen ten slotte boete in cel en kluis; Perceval ligt „bevend als een blad” aan de zijde van zijn vrouw die hij voor God en de mensen getrouwd heeft, van pure vrees de vreugde des hemels te missen, als hij zich aan vleselike lust overgeeft; heilige mirakelen en de valstrikken des duivels omgeven de maagdelike Galaad bij zijn zoeken naar de Graal; en in het Duitse gedicht „De jonge Titurel” worden de Graal-tempel en de Graal-dienst tot een mysties symboliese idealisering van het nieuwe Gotiese kerkgebouw en de kristelike godsdienst. Handige geesteliken beginnen over het algemeen de wereldlikheid tot de Ere Gods te wenden, door de ridderromans en de minneliederen of de „ars amandi” te „moraliseren” en te „spiritualiseren” en ze tot geestelike allegorieën te maken; er worden „geestelike toernooien” en ridderromans geschreven over de reis naar de Hel en het Paradijs. Menig ridderlik dichter kreeg zelf scrupules: zowel Chrestien de Troyes als Hartmann von Aue schreven legenden als boetedoening voor hun ridderromans en meer dan een minnezanger eindigde op een kruistocht of in het klooster. In het gedicht van Konrath von Würzburg, „'s Werelds loon”, krijgt een ridderlik minnezanger bezoek van „Frau Welt” die hij steeds gediend heeft, haar schoonheid en beminnelikheid betoveren hem volkomen, maar als zij zich omkeert, ziet hij hoe haar rug geheel opgegeten is door vergiftige slangen, en vol walging maakt hij zich nu van haar af en neemt het kruis.

Nog werkzamer middelen dan allegorieën en waarschuwingen werden tegen de verwilderde kinderen der wereld gebruikt. De 13de eeuw is die van Innocentius III en Lodewijk de Heilige, van de orden der bedelmonniken en van de Inquisitie; de 14de eeuw is die der mystiek, van de zwarte dood, en van de geselbroeders en noch in de ogen van Lodewijk de Heilige, noch in die van Bonaventura, zou de roman van Lancelot genade kunnen vinden die Paolo en Francesca tot „de zoete zonde” verleidde. Vooral was het de schone jolige ridderkultuur van geheel Zuid-Frankrijk die vertrapt werd, toen het kruisleger van Simon de Montfort als een gesel Gods zich over de ketterse steden en het land der troubadourhoven stortte. „Ik was gewoon aan zang en vrolikheid, aan ridderlikheid en vriendelikheid, klaagt de troubadour,—de wereld was vrolik en de vrouwen mooi en lief en een ieder legde zich slechts toe op wat edel was en schoon. Maar nu is alles veranderd, ik word gelaakt en veroordeeld voor alles waar ik vroeger voor geprezen werd en nu zegt men dat gulden stoffen niet voor vrouwen passen en dat men de genade Gods vinden zal door witte pijen en zwarte kleêren.” Zeer plotseling verstomde de rijke fijne zangkunst of moest zich voor moraliserende leerdichten laten gebruiken, slechts een paar troubadours waren er voor te vinden om de liefdelyriek te gebruiken voor de verkondiging van een platonies-kristelike, mysties-spiritualistiese godsdienst der liefde,—zoals die zich later verder ontwikkelde uit de Italiaanse renaissance-lyriek, in Dantes „Vita nuova” en Petrarca's „Canzoniere”.

Intussen kwam de kerk zelf ook met een literatuur voor den dag die het publiek interesseerde. Van de ridderromans wendde men zich tot de „Legenda Aurea”, Bonaventura's „Beschouwingen”, Jacques de Vitry's verzameling van stichtelike „exempelen” en door de boetpredikanten die uit het volk voorkwamen en vóor het volk spraken, zowel als door de grote mysteries werd het kermispubliek toch meer en meer van de speellieden en de „conteors” afgetrokken.

Maar tegelijkertijd kreeg de ridderromantiek het hard te verantwoorden op de Universiteit,—door de geleerdheid en de scholastiek. Een geografiese en natuurwetenschappelike literatuur in de volkstaal zou weldra de ridderromans geheel overtreffen door haar verhalen over alle merkwaardige landen en volkeren, van alle wonderbare planten en dieren en mirakuleuze stenen. De romantiese fantasiehonger had zich langzamerhand ontwikkeld tot een werkelike dorst naar wetenschap en tot een ontwakende drang naar onderzoek, en allerlei soort „Mappemondes”, „Miroirs du monde”, bestiarieën en lapidarieën of de reisbeschrijvingen van een Marco Polo en Mandeville trokken weldra de belangstelling sterker tot zich dan de merkwaardigheden van de Alexanderromans of de Parzivalgedichten. Op dezelfde manier leidden de ridderromans tot een historiese literatuur die meer en meer de belangstelling van die romans af, en tot zich trok. Reeds de schrijver van „de roman van Troje” begon op zijn ouden dag een kroniek der Normandiese Hertogen te schrijven, en gebruikte de kleuren der ridderromantiek om te beschrijven hoe hertog Richard tot ridder geslagen werd of de liefdegeschiedenis te vertellen van Robert van Normandië en het schone burgermeisje dat hij aan de was had zien staan. In Villehardouin, in de werken van de Minstreel uit Rheims, en later in de kronieken van Froissart ontwikkelt zich een ridderlik romantiese kunst om de geschiedenis te schrijven, met schitterende beschrijvingen van de feesten der Bourgondiese hertogen en het hofleven der Engelse Plantagenets of van de heldenfeiten en de Oosterse lust naar avonturen op de kruistocht naar Konstantinopel. De overgang van roman naar historie komt duidelik aan den dag in een werk als de „Roman de Hem” van een Sarrasijn in de 13de eeuw. Feitelik is dit niet anders dan een uitvoerige beschrijving van een toernooi, dat de dichter bijgewoond heeft, hij beschrijft alle deelnemers onder hun werkelike namen, ofschoon in een gril zijner fantasie een paar Arthurridders er bij gehaald worden. In zijn inleiding prijst de schrijver ook bizonder die dame op wier bevel het gedicht geschreven werd, omdat zij niet is gelijk die dames die zich allerlei leugens „bij elkaar laten lappen die de geest alleen maar bederven”, maar die zulke „romans d'aventure” als „Cligès” en „Parcival” versmaden.

Maar het was toch vooral de didaktiek en de scholastiek die van de Universiteit komende, de ridderromantiek zouden verstikken. Er was, zoals wij al gezien hebben, reeds vroeg een scholasties element in de minnepoëzie der troubadours gekomen en in zelfstandige leerdichten zowel als overal in de ridderromans waren er stukken te vinden waar men een lesje in de ridderlikheid en de hoofsheid kon krijgen. Meer en meer verdroogt nu echter dat frisse gevoel in de lyriek en verdwijnt de levende fantasie uit de romans en in plaats daarvan komen morele allegorieën en een spitsvondige dialektiek in die lyriek, in de romans en nog meer in de zelfstandige leerdichten. Reeds in de jongste klassiciteit floreerden erotiese en morele allegorieën—het slot van Venus en de rechtbank van Venus, vrouw Philosophia die Boethius in zijn gevangenis komt troosten, of de bruiloft van Philologia en Mercurius bij Martianus Capella—en meer en meer ziet men die allegorieën in de theologie der middeleeuwen verschijnen, en daaruit dringt nu de zin om eigenschappen te personifieren en abstrakte begrippen af te beelden in de wereldlike ridderpoëzie door, in Noord- en Zuid-Frankrijk zo ook als in Duitschland. De Godin der Liefde zit in haar paleis omgeven door Vreugde, Schaamte, Hoop enz. en houdt een leerrijke voordracht voor hen. De dichter ontmoet op zijn wandeling allerlei allegoriese personen en heeft leerrijke gesprekken met hen. Of wel wordt de belegering van „de Burcht der Liefde” in alle stadia geschilderd. Het is vooral in Noord-Frankrijk—Parijs was immers de hoofdzetel van de Scholastiek—dat wij de moraal der ridderlikheid aanschouwelijk zagen maken door de allegorie, of het wezen der liefde in zijn bestanddeelen zagen oplossen die alle allegories gekleed waren. En wij zagen ook hoe in het leerboek over de „gepaste” liefde „De arte honeste amandi” van de Kapellaan Andreas, de regels van de ridderlikheid en de ridderliefde gesistematiseerd waren, als wetten werden geformuleerd en subtiel in scholasties-juridiese geest vertolkt; in een gedicht als „het Dierenboek der Liefde” van Richard de Fournival, maakt de minnaar van alle berichten uit de bestiaria over merkwaardige dieren gebruik om allegories de merkwaardige eigenschappen van de liefde en de aangebedene te beschrijven en zij antwoordt door nog weer andere morele vertolkingen van die dierenverhalen te citeren!

Maar de beroemdste en fijnste, meest poëtiese scholastisering van de ridderromantiek is toch de „Roman de la Rose” die een jonge geestelik opgevoede edelman uit Orleans omstreeks het jaar 1240 geschreven had. Daarin lezen we, hoe de dichter—in zijn droom—vrolik en met liefde in het hart, de stad uitwandelt om van het gezang der vogelen en het voorjaar te genieten, en bij een tuin komt die door een hoge muur omgeven is zodat men er niet in kan komen. Buiten op de muur zijn de ondeugden afgebeeld die er buiten moeten blijven: haat en laagheid, gierigheid en afgunst, droefenis en ouderdom; want dit is het rijk van de ridderlik-hoofse liefde, dat slechts open staat voor de edel geborenen, rijken, welopgevoeden en jongen. „Dame Oiseuse” is de portierster, d. w. z. dat alleen een leven in lediggang als dat van de hogere klassen daar toegang verschaft. Zij vraagt de dichter vriendelik de tuin in ogenschouw te willen nemen; het is haar zuster „Déduit” die hem heeft aangelegd. In de tuin gekomen, vindt hij zich weldra omringd door een uitgelezen gezelschap van spelende en dansende Dames en Heren, „Juffrouw Beleefdheid”, „Rijkdom”, die zijn vriendin „Vrolikheid” bij de hand geleidt, „Vrijgevigheid”, die als een ridder van Arthur's Tafelronde gekleed is, „Jeugd”, een lief klein meisje van 12 jaar dat argeloos-onschuldig haar minnaar voor aller ogen kust, en eindelik „Amor” zelf, een jong ridder in een kleed met bloemen, die door zijn page „Zoete Blik” begeleid is en met „Vrouwe Schoonheid” danst, die prachtig is als de maneschijn, onstoffelik als de dauw, eerbaar als een bruid en wit als een lelie. Terwijl de dichter een roos achter een heg staat te bewonderen, schiet Amor een pijl op hem af die hem in zijn hart wondt, en knielend moet de dichter nu de Liefdegod als zijn leenheer huldigen. Om volkomen zeker te zijn, zet die bovendien nog een slot op zijn hart en steekt de sleutel in zijn zak, waarop hij zijn vazal een reeks voorschriften geeft, hoe hij zich bij de liefde gedragen moet,—vele er van kinderachtig, maar enkele toch ook fijn en schoon—, en om hem te troosten krijgt hij „Zoete Gedachte”, „Zoete Woorden” en „Zoete Blik” bij zich. Gewond sleept de dichter zich nu naar de roos en vergeet zijn wonde door daar op te blijven zitten staren en er de geur van op te snuiven; een vriendelike man (Bel-accueil) biedt aan hem te helpen als hij beloven kan de roos niet te plukken maar alleen zich met de aanblik en de geur er van tevreden te stellen, maar hij kan aan de verleiding geen weerstand bieden en wil over de heg springen,—als de „bewaker” (Dangier) te voorschijn komt en hem overvalt, met behulp van „Kwade tongen”, „Schrik” en „Schuchterheid”... Een hele liefde-geschiedenis, zoals men ziet, en een soort psychologie der verliefdheid in een allegorie ingekleed; de fijnste essens der riddererotiek, die zonder de geur te verliezen in de verschillende samenstellende delen ontleed is en op flessen gezet.

Maar midden in zijn verhaal was de dichter er uitgescheden, en een mensenleeftijd later of iets meer, was er een welvarende, geleerde burger van Parijs, Jean de Meung, die het handschrift in zijn bezit kreeg en het voortzette. En met hem kwam er een hele nieuwe geest in het werk, die van een grof verstands-realisme, dat de sierlike rozentuin lelik zou maken. Want terwijl de minnaar staat te jammeren, komt „Het Verstand” hem eens de les lezen. Liefde komt slechts uit een „passion desordonnée” voort en is een soort krankzinnigheid die de man uit natuurdrift overvalt, terwille van de voortplanting. En als zulk een natuurdrift moet die gehoorzaamd worden, maar als het niet wegens die blinde passie was, zou het verstand werkelik geen plezier vinden in die onbekookte praatjesmaaksters die men vrouwen noemt en die de poëten nog verheerliken!,—het is alleen maar hun opschik die ons zand in de ogen strooit, en al de sentimentaliteit waarmede de liefde zich omgeeft, betekent eigelik niets! Als priester der natuur treedt ook „Genius” op en verkondigt zijn: „Vermenigvuldigt u”. Alle vrouwen zijn voor alle mannen en het is al te dwaas te geloven dat Robicon voor Mariote geschapen is of Mariote voor Robicon. Meer en meer brengen de lange gesprekken die de dichter heeft met „Verstand”, met de „Vriend” en „Valse Schijn”, hem uit de atmosfeer van de rozentuin weg, maar op alle gebied is het romantiek en sentimentaliteit en de gekunsteldheid in de overspanning der hele ridderkultuur die aangegrepen wordt—alles in naam van kultuur en verstand, van utiliteit en verlichting en van een demokratiese burgerlikheid. „Laten wij nu toch eens even verstandig trachten te zijn!” daar komt het alles op neer. Geen adel en geen rijkdom,—de mensen zijn van nature gelijk; geen weelde in eten en klederdracht, geen preutsheid en geen affectatie, geen bederven van de natuur door opvoeding en konventie, niet al dat blanketten en maskeren van de naaktheid van het geslachtsleven, niet al die hoogdravendheid en gekheid van het ridderwezen,—laten wij natuurlik zijn en waar, en de werkelikheid onder de ogen zien.

En onder talrijke vormen laat de burgerlike geest in de zich ontwikkelende steden een dergelijke taal tegenover de ridderromantiek horen. Zeker, de burgers proberen de ridderromantiek zo wel als de ridderlyriek tot de hunne te maken en die bewust of onbewust te verburgerliken. De werklieden vormen een zangersgilde te Toulouse, te Gent en te Neurenberg en maken zo een handwerk op rijm van de minneliederen der troubadours met moraliserende, spitsburgerlike inhoud. En de ridderromans werden omgewerkt tot lompe, kinderachtige volksboeken, tot vermaak van het volk. Maar tegelijkertijd wordt de poëzie der ridders en hun romantiek voortdurend geparodieerd evenals de ridderadel met hoon en toorn aangevallen wordt. Van de latere riddergedichten waren er al vele die in zelf-ironie gespot hadden over de afstand tussen het hooggespannen ridderlike idealisme en de steeds meer en meer armer wordende werkelikheid in de ridderwereld. En in Chaucers nobele Sir Thopas of in de kleine Jean de Saintré in de Franse roman van de 15de eeuw worden de ronddolende ridders geparodieerd en gehoond, presies als later in de ridderepopeën der Italiaanse Renaissance-dichters. In Duitse gedichten willen ridders meê doen aan de dans met boerendochters, maar ze worden met spot de deur gewezen door de landelike schoonheden als zij ze het hof willen maken, en lopen een pak slaag op van de boerenjongens. Alle aanstellerij in de minnepoëzie der troubadours kan men in de gedichten der Florentijnse burgers geparodieerd vinden. En hoe meer de adel zelf ekonomies, moreel en militair in verval kwam, des te meer lachen de burgers ze uit. Het eclatante fiasco van de Franse adel in de honderdjarige oorlog doet een stroom van spot op hun hoofden nederdalen,—hoe de Duitse ridders in het laatste deel der Middeleeuwen eigelik tot gemene struikrovers gezonken waren, vindt men reeds midden in de 13de eeuw getekend in een allerliefste kleine novelle „Meier Helmbrecht” waar het eerlike werkzame leven van de boer in een heldere tegenstelling geplaatst is tot het vervallen ridderwezen, waar de ridders rijp zijn voor de dood van een struikrover aan de galg.

En dit verval van de adel, ekonomies, militair, politiek en moreel, brengt ook van zelf dat van de ridderromantiek mede. Wel is waar schoot die eerst nog veel meer en meer eksentriese loten. Zo overtrof b.v. de Duitse ridder Ulrich von Lichtenstein alle vroegere minnedichters in dwaasheid, toen hij een lid van zijn vinger afhakte en dat zijn aangebedene zond, of als „Vrouw Venus” verkleed, geheel Duitsland doortrok en bij alle toernooien ter ere van zijn dame streed—gelijk hij dit alles zelf in zijn autobiografiese roman „Vrouwendienst” verhaald heeft. De eindeloze Franse roman „Perceforest” uit de 14de eeuw en de Spaans-Portugese Amadis romans uit de 15de eeuw gaven nog eens en wel in de meest paradoxale ten spits gedreven vorm alle idealen van de ridderromantiek bij elkaar en alle lievelingsmotieven uit de ridderromans. Aan het Bourgondiese hertogelike hof trachtte men evenzo in de 15de eeuw de ridderlike glansperiode van de Tafelronde te doen herleven door prachtige toernooien, kunstmatige hoflyriek en ridderlike „voeux du faisan” over de kruistochten tegen de Turken. En toch,—evenals het niet de ridderlike politiek der Bourgondiese hertogen was die de zegepraal zou behalen, maar de zeer burgerlike politiek van Lodewijk XI, zo waren het niet de laatste verwaterde ridderromans en minnedichten in de stijl der troubadours, maar de burgerlike realistiese farce of novelle of Villon's burgerlik-realistiese lyriek waaruit de levende ziel van de 15de eeuw sprak. Terwijl de ridderromantiek zich over de andere landen van Europa uitbreidde en nog in de 15de eeuw nieuwe zelfstandige loten schoot, in de Scandinaviese ridderballaden, in Spaanse romances van de Cid, in de Engelse Arturroman van Malory, allerlei spruiten van de ridderromantiek die wij hier niet verder kunnen vervolgen,—waren hun sappen uitgedroogd in de landen zelf waar zij thuis hoort, de leidende landen wat de kultuur der middeleeuwen betreft: Frankrijk en Duitsland.

Zo nauw was de Ridderromantiek aan een bepaald maatschappelik en geestelik leven der middeleeuwen verbonden, dat die in haar oorspronkelike vormen met de middeleeuwen ten grave moest dalen. Maar in die romantiek, en verborgen onder wat daarvan aan plaats en tijd gebonden was, lagen algemene dichterlike kultuurwaarden die altijd tot het levende eigendom der mensheid zouden blijven behoren. Meer en meer is men toch ook van de opvatting teruggekomen dat de renaissance een volkomen breken met de Middeleeuwen zou betekenen. Evenals het middeleeuwse kristendom en de stedelike kultuur, maakt ook de ridderlike vorming een deel van de moderne kultuur uit. Indien men de inslag van de ridderlikheid door de schering van het maatschappelike geestesleven van een latere tijd of die van de ridderromantiek in haar latere literaire ontwikkeling heen wilde nagaan, zou dit betekenen dat een aanzienlik deel van de geschiedenis der moderne kultuur geschreven was. Het ridderlike krijgsmansideaal en het ridderlike begrip van eer zijn niet alleen nu nog springlevend in de militaire stand, maar maakt een vrij essentieel deel uit van onze burgerlike mannelike moraal en de middeleeuwse begrippen „Chevalier” en „gentilhomme” met de bijsmaak van eer en hoofsheid die deze woorden hebben, zijn langzamerhand tot het „cavalier” en „gentleman” van onze tijd geworden. En zo zijn, van een zuiver literair standpunt uit, de ridders van Ariosto, Tasso en Spenser, die de wereld rondtrekken en ter ere van hun Angelica, Armida of Gloriana strijden, de direkte afstammelingen van de ridders van Chrestien en Wolfram, maar ook de galante Alexander de Grote van Mlle de Scudéry, de Cid van Corneille, ja zelfs Hernani van Victor Hugo en Don Carlos van Schiller hebben nog het bloed in hun aderen van Arthur's ridders van de Tafelronde. En verder: de Provençaalse en Franse „Hoven van Liefde” waar de dames presideerden, werden voortgezet in de hoven van Margareta van Navarre en de Italiaanse literaire vorstinnen, zowel als in de Franse salons der 17de en 18de eeuw en de minneliederen der troubadours weerklinken in het Italiaanse sosiale leven als sonnetten van Petrarca, evenzeer als de spiritueel-sentimentele liederen van Charles d'Orléans bij het hof van Blois, en de liefdelyriek van Sidney en Spenser aan het hof van Elisabeth. Ja, zelfs de minneliederen van de Musset en Lamartine, van Klopstock en van Heine hebben nog veel in zich dat aan de „Liefdekunst” der troubadours herinnert. En tenslotte: de middeleeuwse liefderoman—met zijn sentimentaliteit, zijn romaneske intrigue-fantasie en zijn belangstelling om de grillige roeringen van het hart na te sporen—brengt ons tot Boccacio en Ariosto, Chaucer en Shakespeare, Margareta van Navarre en Racine en daaruit vinden wij die met zijn motieven en gehele toonscala in talrijke moderne romans, novellen en drama's terug. De episode van Troïlus en Briseïs in de roman van Troje werd als voorbeeld van de grillen van de liefde en het vrouwenhart eerst en veel dieper gebruikt door Boccacio en Chaucer, en later door Shakespeare; bij diezelfde drie grote dichters der renaissance werden de onschuldig lijdende en zich liefderijk opofferende vrouwen heerlik gepoëtiseerd in figuren als Griseldis of Imogen. De meest sentimentele van Boccacio's novellen en de meest romantiese van Shakespeare's blijspelen zijn op de Middeleeuwse intrigen gebouwd, maar met roerender toon en dieper zielestudie,—van Floris en Blanchefleur, Appollonius van Tyrus, Die Herzmäre en de roman van Lancelot. Ariosto's van liefde razende Roeland en de heldin Bradamante in panser en kuras,—Chaucer's „Fair Emily” op een schone Meimorgen, en Spencer's Britomartis die de wereld doortrekt om een ontvoerde geliefde te zoeken wier beeld zij in een spiegel gezien heeft,—Tasso's kokette en ijverzuchtige Armida... aan al dergelijke figuren kunnen wij zien hoe ze direkt uit middeleeuwse ridderromans stammen en op hun beurt weer leiden tot Racine's despotiese en jaloerse prinsessen, tot de desperate minnaars der romantiek en Tennyson's „fair Elaine”.

Het moderne geestesleven zou nog verder ten achter gestaan hebben in morele verfijning en maatschappelike vormen, de moderne poëzie zou heel wat armer geweest zijn aan sentimentaliteit en een eigenaardig soort romanfantasie, indien het adelike hofleven der 12de en 13de eeuw niet geleefd was en de gedichten der troubadours en de ridderromans nooit geschreven waren. Soms lijkt het zelfs wel eens alsof al onze hang naar het populaire en natuurlike en over het algemeen onze tijd van „feiten” en „een gezonde brutaliteit” nog heel wat zou kunnen leren van adel en ridderlikheid, fijne hoofsheid en zelfopofferende innigheid, van die oude verhalen van Eer en Liefde ten spijt van alle gezond verstand en langer dan het leven.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings