Tooneel VII.
Edward B. (Edward Bernard) Koster translation
Belmont. Een vertrek in Portia's Huis.
Hoorngeschal. Portia en de Prins van Marocco komen op met hun beider stoet.
Portia:
't Gordijn nu weggeschoven, en ontdekt Het drietal kistjes aan den eed'len Prins.— Doe thans uw keus.
Marocco:
Het eerste, een gouden, dat dit opschrift draagt: "Wie mij kiest, wint wat menigeen begeert." Het tweede, een zilv'ren, dat als volgt belooft: "Wie mij kiest, krijgt zooveel als hij verdient." Dit derde, 't logge lood, met lomp vermaan: "Wie mij kiest, geve en wage al wat hij heeft." Hoe kan ik weten of 'k het juiste kies?
Portia:
In een van hen ligt mijne beelt'nis, Prins, En kiest gij dat, ik ben er de uwe door.
Marocco:
Een god bestuur' mijn oordeel! Laat mij zien. 'k Loop omgekeerd nog eens de spreuken door: Wat zegt dit looden kistje? "Wie mij kiest, geve en wage al wat hij heeft." Geve—Voor wat? voor lood? hij waag' voor lood? Dit kistje dreigt;—wie alles, alles waagt, Hij doet het hopend op een mooie winst: Een gouden geest bukt niet naar laag metaal; En daarom geef en waag ik niets voor lood. Wat zegt het zilver, maagdelijk getint? "Wie mij kiest, krijgt zooveel als hij verdient." Zooveel als hij verdient?—Marocco, wacht, En weeg uw waarde met een vaste hand. Als gij geschat wordt naar uw goeden naam, Genoeg verdient gij dan; maar dit genoeg Strekt zich misschien niet tot de jonkvrouw uit, Maar toch, bezorgd te zijn voor mijn waardij, Waar' slechts een zwak verkleinen van mijzelf. Zooveel als ik verdien! Nu, 't is de jonkvrouw: 'k Verdien haar door geboorte en door fortuin, Door mijn talenten en beschaafden toon; 'k Verdien haar door mijn liefde 't allermeest. Hoe als 'k niet verder dwalend, dit hier koos?— Laat nog eens zien de spreuk in goud gegrift: "Wie mij kiest, wint wat menigeen begeert." Nu, 't is de jonkvrouw, die een elk begeert: Uit alle hoeken komen zij der aard, Naar 't altaar hier, dit levend heil'genbeeld. Hyrcanië's[36] woestenij, de wildernis Van 't wijde Arabië zijn de paden thans Voor vorsten, wenschend Portia te zien: Het waat'rig rijk, welks overmoedig hoofd Spuwt in 't gelaat des hemels, stelt geen perk Aan vreemdelingen-moed; zij komen aan Als door een beek om Portia te zien. Een van de drie bevat haar hemelsch beeld. Of 't lood dit doet? Het zou verdoem'lijk zijn Zóó laag te denken: 't lood waar' te gemeen Haar lijkwa zelfs te omkleên in 't donk're graf. Of moet ik denken dat haar 't zilver bergt, Dat tienmaal minder is dan 't lout're goud? Zond'ge gedachte! Zulk een rijk juweel Werd nooit in min dan goud gezet. Men heeft Een munt in Eng'land, met een eng'lenbeeld In goud gestempeld, 't ligt er boven op; Hier ligt een engel in een gouden bed Geheel besloten.—Geef den sleutel aan; Dit kies ik, hoe ook de uitslag moge zijn!
Portia:
Daar, neem hem, Prins; en ligt mijn beelt'nis hier, Dan ben ik de uwe. (Hij ontsluit het gouden kistje.)
Marocco:
O hel! Wat zie ik daar? Een doodshoofd, met in 't ledig oog een rol, Die is beschreven, 'k Lees hier wat er staat: "Al wat glinstert is geen goud, Luidt een spreekwoord, wijs en oud; Menig waagde 't leven stout, Maar heeft slechts mijn schijn aanschouwd. 't Gulden graf meest wormen houdt. Waart gij even wijs als boud, Jong van lijf, van oordeel oud, Deez' rol ware u niet ontvouwd: Ga, de keus heeft u berouwd." Ja, berouwd, en moeite om niet: Dus welkom, vorst, nu warmte mij verliet.— Portia, vaarwel! mijn hart is vol geween; 'k Talm dus niet lang: zoo gaan verliezers heen. (Af.)
Portia:
Een vroolijk slot!—'t Gordijn gesloten: gaat. Zoo kieze me iedereen met zoo'n gelaat. (Allen af.)