← Table of contents
De Koopman van Venetië

Tooneel I.

Edward B. (Edward Bernard) Koster translation

Venetië. Een Straat.

Solanio en Salarino komen op.

Solanio:

Wel, wat voor nieuws op den Rialto?

Salarino:

Daar kwam het bericht—en het wordt niet tegengesproken—dat een rijk geladen schip van Antonio in de zeeëngte is vergaan; ze noemen 't daar de Goodwinsbank,[39] geloof ik; een zeer gevaarlijke en noodlottige ondiepte, waar de karkassen van menig kloek schip begraven liggen, naar men zegt, als ten minste mijn babbelende tante Gerucht een vrouw van haar woord is die niet liegt.

Solanio:

Ik wou wel dat ze hierin een even leugenachtige babbelkous was als er maar ooit een gember knabbelde[40] en haar buren wilde laten gelooven dat zij huilde om den dood van haar derden man. Maar het is waar,—zonder omhaal en rompslomp, en zonder den koninklijken weg van de taal te verlaten—dat de goede Antonio, de brave Antonio,—O, had ik maar een titel die goed genoeg is om zijn naam gezelschap te houden!

Salarino:

Kom, maak er een eind aan.

Solanio:

Ha!—wat zegt ge daar?—Welnu het slot van de historie is dat hij een schip heeft verloren.

Salarino:

Moge dit ook 't slot van zijn verliezen blijken!

Solanio:

Laat ik bijtijds amen zeggen, opdat de duivel mijn gebed niet moge dwarsboomen, want daar komt hij aan in de gedaante van een Jood.

Shylock komt op.

Wel, Shylock, wat is er voor nieuws onder de kooplui?

Shylock:

Niemand wist zoo goed als gij, neen niemand, van mijn dochters vlucht.

Salarino:

Ja, dat is waar; ik voor mij kende heel goed den kleermaker die de vleugels maakte waarmeê ze gevlogen is.

Solanio:

En Shylock wist ook heel goed dat de vogel vliegree was; en dan ligt het zoo in hun aard om van de ouden weg te gaan.

Shylock:

Zij zal er voor vergaan!

Salarino:

O zeker, als de duivel haar rechter mag zijn.

Shylock:

Mijn eigen vleesch en bloed in opstand!

Solanio:

Weg er mee, oud carogne! Komt het op zoo'n leeftijd nog in opstand?[41]

Shylock:

Ik bedoel dat mijn dochter mijn vleesch en bloed is.

Salarino:

Er is een grooter verschil tusschen jou vleesch en het hare dan tusschen git en ivoor; en tusschen jou bloed en het hare dan tusschen rooden en Rijnwijn. Maar zeg eens, weet ge ook of Antonio een verlies op zee heeft geleden, ja of neen?

Shylock:

Daar heb ik een ander koopje meê: een bankroetier, een verkwister, die zijn gezicht ter nauwernood op den Rialto durft vertoonen; een bedelaar, die in zoo'n mooie plunje op de markt placht te komen.—Laat hij maar oppassen met zijn kontrakt: hij was gewoon mij een woekeraar te noemen;—laat hij maar oppassen met zijn kontrakt: hij was gewoon geld uit te leenen uit Christelijke hulpvaardigheid;—laat hij maar oppassen met zijn kontrakt.

Salarino:

Maar ik ben er toch zeker van dat ge, als hij het niet nakomt, zijn vleesch niet zult eischen? Waar zou dat goed voor zijn?

Shylock:

Om visch meê te vangen; en als er niets anders meê werd gevoed, dan zou het mijn wraak voeden. Hij heeft mij te schande gemaakt en mij voor een half millioen benadeeld; hij heeft gelachen om mijn verliezen, gespot met mijn winsten, mijn volk gesmaad, mijn handel gedwarsboomd, mijn vrienden koel en mijn vijanden warm gemaakt,—om welke reden? Omdat ik een Jood ben. Heeft een Jood geen oogen? Heeft een Jood geen handen, organen, afmetingen, zintuigen, neigingen, hartstochten? Wordt hij niet gevoed met hetzelfde voedsel, gewond door dezelfde wapenen, bedreigd door dezelfde ziekten, genezen door dezelfde middelen, warm en koud gemaakt door denzelfden winter en zomer als een Christen? Als gij ons prikt, bloeden wij dan niet? Als gij ons kittelt, lachen wij dan niet? Als gij ons vergiftigt, sterven wij dan niet? En als gij ons verongelijkt, zullen we ons dan niet wreken? Als wij in al het andere op u gelijken, dan zullen we u ook daarin evenaren. Als een Jood een Christen verongelijkt, welken ootmoed betoont die dan? Wraak. En als een Christen een Jood verongelijkt, wat voor deemoed moet die dan volgens Christelijk voorbeeld betoonen? Immers wraak. De boosheid die ge mij leert zal ik toepassen; en er zal veel moeten gebeuren als ik uw lessen niet overtref.

Een Bediende komt op.

Bediende:

Mijne Heeren, mijn meester Antonio is thuis, en wenscht u beiden te spreken.

Salarino:

Wij zijn links en rechts geweest on hem te zoeken.

Solanio:

Daar komt er nòg een van de natie; er is geen derde zoo te vinden of het moest zijn dat de duivel zelf Jood werd.

(Solanio, Salarino en bedienden af.)

Tubal komt op.

Shylock:

Wel, Tubal, wat voor nieuws uit Genua? Hebt ge mijn dochter gevonden?

Tubal:

Ik heb meermalen hier en daar van haar gehoord, maar ik kan haar niet vinden.

Shylock:

Och kom, kom, kom! En een diamant weg, die me te Frankfort twee duizend dukaten heeft gekost. Vóór dezen viel de vloek nog nooit op ons volk; ik heb het vóór dezen nooit zoo gevoeld:—er zat een waarde van twee duizend dukaten in,—en dan nog meer kostelijke, kostelijke juweelen.—Ik wou liever dat mijn dochter dood voor mijn voeten lag met de juweelen in haar ooren! Liever dat ze voor mijn voeten op de baar werd gelegd, met de dukaten in haar kist!—Geen nieuws van hen?—Daar blijft het dus bij:—en ik weet niet eens hoeveel er bij dat zoeken is uitgegeven: O jou—verlies op verlies! De dief weg met zóóveel, en zóóveel om den dief te vinden, en geen voldoening, geen wraak; en geen onheil in de lucht of het komt op mijn schouders neer; geen zuchten of ik slaak ze: geen tranen of ik stort ze.

Tubal:

Maar andere menschen hebben toch ook wel onheilen. Antonio heeft, naar ik in Genua hoorde,—

Shylock:

Wat, wat, wat? Een onheil, een onheil?

Tubal:

—een galjoen dat van Tripoli kwam verloren.

Shylock:

Goddank! Goddank! Is het waar? Is het waar?

Tubal:

Ik sprak sommigen van de matrozen die aan de schipbreuk waren ontsnapt.

Shylock:

Dank u, goede Tubal.—Goed nieuws, goed nieuws! ha! ha!—Waar? In Genua?

Tubal:

Naar ik vernam verteerde uw dochter te Genua in één nacht tachtig dukaten.

Shylock:

Je stoot me een dolk in mijn lijf. Ik zal mijn goud nooit terugzien. Tachtig dukaten op één avond! Tachtig dukaten!

Tubal:

Er kwamen verscheidene schuldeischers van Antonio met mij te Venetië aan, die zweren dat hij geen andere keus heeft dan failliet te gaan.

Shylock:

Daar ben ik erg blij om. Ik zal het hem zuur maken, ik zal hem martelen; ik ben er blij om.

Tubal:

Een van hen liet me een ring zien, dien hij van uw dochter had gekregen voor een aap.

Shylock:

Vervloekt zal zij zijn! Ge martelt me, Tubal: het was mijn turkoois; ik kreeg hem van Leah toen ik nog niet getrouwd was: ik zou hem niet voor een wildernis vol apen gegeven hebben.

Tubal:

Maar Antonio is bepaald geruïneerd.

Shylock:

Ja, dat is zeker, dat is vast en zeker. Ga, Tubal, huur me iemand van 't gerecht, bespreek hem veertien dagen vooruit; ik zal zijn hart hebben als hij zijn kontrakt niet nakomt; want als hij Venetië uit was, zou ik kunnen handel drijven zooals ik verkoos. Ga, Tubal, en wacht me bij onze synagoge; ga, mijn beste Tubal; bij onze synagoge, Tubal.

(Beiden af.)

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings