Tooneel VI.
Edward B. (Edward Bernard) Koster translation
Dezelfde Plaats der Handeling.
Gratiano en Salarino komen gemaskerd op.
Gratiano:
Dit is de luifel, waar Lorenzo vroeg Dat men hem wachten zou.
Salarino:
Zijn uur is bijna om.
Gratiano:
En 't is een wonder dat hij 't uur verlet, Want minnaars loopen steeds de klok vooruit.
Salarino:
O! tienmaal vlugger vliegen Venus' duiven Om nieuwe banden te bezeeg'len, dan Om de eens beloofde trouw gestand te doen!
Gratiano:
Steeds komt dat uit: wie staat van 't feestmaal op Met d'eetlust waar hij mede zitten gaat? Waar is het paard, dat met het felle vuur, Waarmêe het door de lange renbaan reed Zijn stappen nog eens zet? Al wat bestaat Wordt greet'ger nagejaagd dan 't wordt genoten. Als een verkwistend jonker gaat de bark, Getooid met wimpels, uit de moederbaai, Omhelsd, geliefdkoosd door den wulpschen wind! Hoe keert ze als de verloren zoon terug, Met ribben losgebeukt en flarden zeil, Verarmd, ontredderd door den wulpschen wind!
Lorenzo komt op.
Salarino:
Daar komt Lorenzo:—later meer hiervan.
Lorenzo:
Geduld, mijn lieve vrienden, nu 'k zoo talm; Niet ik, de omstandigheden zijn de schuld. Zoodra gij uwe vrouwen stelen gaat, 'k Zal even lang op u dan wachten.—Komt; Hier woont de Jood, mijn vader.—Hola, daar!
Jessica verschijnt boven, in manskleeren.
Jessica:
Wie zijt ge? Zeg 't me voor meer zekerheid, Al zweer 'k ook dat uw stem mij is bekend.
Lorenzo:
Lorenzo, uw geliefde.
Jessica:
Lorenzo, zeker; mijn geliefde, ja, Want wien heb ik zóó lief? En wie dan gij, Lorenzo, weet of ik wel de uwe ben?
Lorenzo:
God en uw hart getuigen dat ge 't zijt.
Jessica:
Hier, vang dit kistje: 't is de moeite waard. 't Is nacht gelukkig, gij kunt mij niet zien, Want 'k schaam mij over mijn vermomming zeer; Maar liefde is blind, en minnenden zien niet De dwaze grappen die zij zelf begaan; Want konden zij 't, Cupido bloosde zelf, Zag hij mij zoo veranderd in een knaap.
Lorenzo:
Daal af, gij moet mijn fakkeldrager zijn.
Jessica:
Wat nu? Mijn schande nog verlichten ook? Zij is van zelf, gerust, al veel te licht. Dat kan slechts tot ontdekking dienen, lief, En 'k moet in 't donker zijn.
Lorenzo:
Dat zijt ge, schat, Juist door de lief'lijke kleedij van knaap. Maar kom terstond; De duist're nacht gaat heim'lijk op den loop, En op Bassanio's feestmaal wacht men ons.
Jessica:
Ik sluit de deuren, en verguld mij zelf Met meer dukaten; dan zal 'k bij u zijn.
(Zij verdwijnt boven.)
Gratiano:
Ze is een Godin, in trouwe, geen Jodin.
Lorenzo:
'k Mag sterven als ik haar niet hart'lijk min: Ze is schrander, als ik haar naar waarheid schat, Ze is schoon, indien mijn oog mij niet bedriegt, Ze is trouw, zooals zij 't ook bewezen heeft; Dus schrander, schoon en trouw, zich zelf gelijk, Vindt zij in mijn standvast'ge ziel een plaats.
(Jessica verschijnt beneden.)
Hoe? zijt ge er al?—Komt, Heeren, het is tijd; Wij worden door den optocht thans verbeid.
(Af met Jessica en Salarino.)
Antonio komt op.
Antonio:
Wie is dat daar?
Gratiano:
Signor Antonio?
Antonio:
Foei, foei, Gratiano! Waar zijn de and'ren toch? 't Is negen uur! De vrienden wachten u: Geen optocht nu; de wind is omgedraaid; Bassanio gaat onmiddellijk aan boord, Wel twintig boden zond ik naar hem uit.
Gratiano:
Gelukkig; niets lacht mij nu zóózeer aan Dan weg te zeilen en van hier te gaan. (Beiden af.)