Tooneel II.
Edward B. (Edward Bernard) Koster translation
Belmont. Een vertrek in Portia's Huis.
Bassanio, Portia, Nerissa en gevolg komen op.
Portia:
Ik bid u, blijf wat; toef een dag of twee, Voordat ge uw kans waagt; want, indien gij faalt, Mis 'k uw gezelschap; wacht daarom een poos. Daar is iets dat mij zegt, (maar liefde is 't niet,) Dat 'k u niet gaarn verloor, en 't is geen haat, Gelijk ge weet, die mij zoo spreken doet. Opdat gij me echter grondig kennen moogt, (Al heeft een maagd geen tong dan wat zij denkt[42]) Zou 'k willen dat gij enk'le maanden bleeft, Eer gij uw kans waagt, 'k Zou u kunnen leeren Hoe 't best te kiezen, maar 'k zou 'n meineed doen, En dat zal 'k nooit: het kan dus dat gij faalt; En als 't zoo is, dan wekt ge een zond'gen wensch, Dat ik een meineed deed. O, o die oogen! Zij hebben mij betooverd en verdeeld; Eén helft van mij is uw, en de andere uw,— 'k Bedoel mijn eigen; maar toch zoo ook uw,— 'k Ben gansch van u! De booze omstandigheên Beperken de eig'naars in hun wettig recht; En zoo, schoon uw, niet uw.—Indien 't zoo blijkt, Dan zij daarvoor het lot vervloekt, niet ik. Ik spreek te lang; maar 'k rek daardoor den tijd En houd hem op en maak hem lang van duur, Om 't kiezen te vertragen.
Bassanio:
Laat mij 't doen; Want zooals nu leef 'k op de pijnbank slechts.
Portia:
Hoe, op de pijnbank? Maar beken dan ook 't Verraad waarmede uw liefde gaat gepaard.
Bassanio:
't Is 't droef verraad slechts van onzekerheid, Dat mij bezorgd maakt voor 't bezit van u. Er ware eer vriendschap tusschen sneeuw en vuur, Dan dat mijn liefde met verraad bestond.
Portia:
Ja, maar ik vrees dat ge op de pijnbank spreekt, Waar men gedwongen alles zeggen kan.
Bassanio:
Beloof mij 't leven, 'k zeg de waarheid dan.
Portia:
Welnu, beken, en leef.
Bassanio:
"Ik heb u lief," Dàt ware mijn bekent'nis gansch geweest: O zoete folt'ring, als mijn folteraar Mij tevens 't antwoord ter verlossing leert! Maar laat mij 't nu beproeven met de kistjes.
(Het gordijn wordt weggeschoven.)
Portia:
Ga dan. Ik ben in een er van gevat; Als gij mij liefhebt, vindt gij mij wel uit.— Nerissa, en gij allen, staat van ver. Muziek weerklinke er onder 't doen der keus, Want, als hij faalt, dan eindt hij als een zwaan, Verkwijnend in muziek; opdat het beeld Volmaakter zij:—mijn oogen zijn de stroom, Zijn waat'rig doodsbed. Hij kan slagen ook, Wat is muziek dan? Dan is ze als 't geschal Wanneer een trouwe menigte zich buigt Bij 't kronen van een vorst: zij klinkt gelijk Die zoete tonen bij den dageraad, Het oor besluipend van den bruidegom Die droomt, hem roepend tot zijn huw'lijksfeest; Nu gaat hij, méér in liefde, in moed gelijk, Als jonge Alcides,[43] toen hij 't zeegedrocht De maagd ontwrong, die door het gillend Trooi Als cijns betaald was,[44] ik ben 't offer nu; Die daar ter zijde zijn Trojaansche vrouwen, Met oogen dofgeweend, bijeen om 't eind Te aanschouwen van den strijd. Ga, Hercules! Leeft gij, dan leef ook ik; mijn angst is groot, Veel grooter nog dan de uwe in dezen nood.
Muziek en zang, terwijl Bassanio in zichzelf over de kistjes te rade gaat.
Lied.[45]
Eerste stem.
Waar ontstaat der liefde schijn,
In het hart of in het brein?
Hoe hij verder wel gedij'?
O antwoord mij!
Tweede stem.
Voortgebracht door oogenlust,
Voedt hem 't zien; hij wordt gebluscht
In de wieg waarin hij rust.[46]
Luiden wij zijn doodsklok, kom;
Ik begin al,—Bim, bam, bom.
Koor.
Bim, bam, bom.
Bassanio:
Zoo is de schijn slechts zelden wàt hij schijnt, Door opschik wordt de wereld steeds misleid. In 't recht,—wat eisch zoo vuig en zoo gemeen, Die niet, door mooie woorden opgesmukt, Het kwade zal omhullen? In den godsdienst, Wat vloekb're dwaling, of een eerbaar hoofd Rechtvaardigt en bewijst haar door een tekst, Haar plompheid dekkend met een fraaien tooi. Geen ondeugd zoo onnoozel, of zij siert Zich uiterlijk met eenig merk van deugd. Hoe menig lafaard met een hart zoo zwak Als een pilaar van zand, draagt aan zijn kin Een baard als Hercules en gramme Mars,— Bij onderzoeking blijkt zijn lever wit;[47] Hij eigent zich slechts d'uitwas van den moed Om zich geducht te maken! Denk aan schoonheid, En zie hoe de opschik hier ook wordt bejaagd, Die dáárin wond'ren werkt in de natuur, Door 't lichtst te maken wie er 't meest van draagt; Zoo staat dat slangen-kroezig gouden haar, Dat met den wind zoo dartel spelemeit, Op een gewaande schoonheid,[48] vaak bekend Als vroeg're bruidsgift van een ander hoofd: De schedel die 't deed groeien ligt in 't graf. Daarom is de opschik slechts 't bedrieglijk strand Bij een geweld'ge zee, de pracht'ge doek Een negerin omhullend, in het kort, Schijn-waarheid, waar de list'ge tijd meê pronkt, De wijsten lokkend. Daarom, glanzig goud, Hard Midas-voedsel,[49] wil ik niets van u. Ook niets van u, gij slover, bleek en min, Van hand tot hand gaand: maar gij, schamel lood, Dat veeleer dreigt dan iets beloven wilt, Uw eenvoud roert mij meer dan schoone schijn, Hier kies ik dus. En moog 't gelukkig zijn!
Portia:
Hoe vliedt elke and're hartstocht in de lucht, Als angstig twijf'len, wanhoop snel-geducht, En sidd'rend vreezen en de groene nijd! O liefde, matig uw uitbundigheid, Giet dropsgewijs uw vreugde-stortvloed neer, Ik voel te veel uw zegen, nu niet meer, Ik vrees die overmaat!
Bassanio (het looden kistje openend.):
Wat zie ik hier? Het beeld van Portia! Welke halfgod kwam Haar zóó nabij? Bewegen de oogen zich? Of schijnen ze op de deining van mijn blik Zich te bewegen? Door d'ontsloten lippen Gaat geurige adem, zoete scheiding van Twee zulke zoete vrienden. In het haar Spon als een spin de schilder 't gouden web, Een groot're hinderlaag voor 't mannenhart Dan 't spinnenrag voor muggen; maar hare oogen!— Hoe kon hij schild'ren en toch zien? Mij dunkt Als hij er één gemaakt had, waar' 't in staat De twee van hem te stelen en zichzelf Te scheiden van zijn maat. Maar toch, zóó als Mijn lof dit schaduwbeeld verongelijkt Door 't te onderschatten, zóózeer steekt dit beeld Af bij 't oorspronkelijk.—Hier is 't geschrift, Dat heel de som van mijn geluk bevat. "Gij wien valsche schijn mishaagt, Die goed kiest en moedig waagt, Geeft het lot u wat ge vraagt, Later niet om meer geklaagd. Als gij hier tevreên meê zijt, En u dit geluk verblijdt, Wend tot háár u, die u beidt, En kus ze als bruid vol liefd'rijkheid." Een vriend'lijk vers.—Verlof, (hij kust haar,) hier staat geschreven Dat niet alleen 'k ontving, maar ook moet geven. Als een van beide kampers om een prijs, Die meent dat hij gestreden heeft naar eisch, Het juichen hoorend als uit éénen mond, En duiz'lend, twijf'lend oov'ral staart in 't rond, Niet wetend of hèm 't lofgegalm wel geldt; Zoo, driewerf schoone, is 't ook met mij gesteld, 'k Sta twijf'lend of ik waarheid hier ontmoet, Tot gij het staaft en 't mij erkennen doet.
Portia:
Gij ziet mij, Heer Bassanio, waar ik sta, Zooals ik ben. Schoon 'k voor mijzelve alleen Niet in mijn wensch eerzuchtig wilde zijn, En mij veel beter wenschen, 'k zou voor u Toch honderd maal mijzelve willen zijn, Tien duizend maal zoo rijk, en duizend maal zoo schoon. Om slechts in uwe schatting hoog te staan Zou ik onschatbaar willen zijn in deugd, In schoonheid, vrienden en fortuin. Maar 'k ben Bijeengeteld slechts niets; dat is, totaal, Een meisje zonder oef'ning, kunde en school: Gelukkig is zij echter niet te oud Om iets te leeren; nòg gelukk'ger is 't Dat zij er niet te dom van aard voor is; 't Gelukkigst is dat haar gedweeë geest Aan d' uwen ter besturing zich vertrouwt, Dien van haar heer, haar leidsman en haar vorst. Ik ben van u geworden, en het mijn' Is 't uwe thans: ik was zooeven nog Meest'res van dit mooi landgoed, van mijzelf, Van mijn bedienden; en terzelfder tijd Zijn 't huis, de dienaars en mijn eigen ik Van u, mijn meester. 'k Geef hen met deez' ring, En scheidt ge er van door schenking of verlies, Dan zij 't voorspelling van uw liefde's dood, Voor mij de grond van een gerecht verwijt.
Bassanio:
Mevrouw, gij hebt van woorden mij beroofd, 't Bloed in mijn aad'ren spreekt alleen tot u; En er is zoo'n verwarring in mijn geest, Als onder 't murm'lende en tevreden volk Zich voordoet na een rede, schoon van taal, Gehouden door een welbeminden vorst; Waar elke kleinigheid, bijeengevoegd, Een wildernis van louter vreugde wordt, Geuit, en niet geuit. Maar als de ring Mijn hand verlaat, verlaat ook 't leven mij: O, zeg dan vrij: "Bassanio is dood."
Nerissa:
Mijn meester en meest'res, het is nu tijd, Dat wij, die alles zagen, en wier wensch Met heil bekroond werd, roepen: "Veel geluk!"
Gratiano:
Mijn eed'le Jonkvrouw, Heer Bassanio, 'k Wensch u de vreugd, die ge u slechts wenschen kunt; Gij wenscht van mij de vreugde niet vandaan; En als UEed'len uw verbond van trouw Op plecht'ge wijs bezegelt, smeek ik u Op dien tijd ook gehuwd te mogen zijn.
Bassanio:
Van harte, zoo ge een vrouw slechts krijgen kunt.
Gratiano:
UEed'le heeft me er een bezorgd, heb dank. Mijn oogen zien zoo snel als de uwe, Heer: De meesteres zaagt gij, en ik haar maagd; Gij werdt verliefd, ik ook; want uitstel past Mij even weinig, eed'le Heer, als u. Uw lot hing van de gindsche kistjes af, Zoo ook het mijne, 't komt toevallig uit; Want in het zweet mijns aanschijns aanzoek doend, En liefdeseeden zwerend, tot mijn keel Er droog van werd, kreeg 'k op den langen duur,— Moog' die belofte duurzaam zijn—van háár
(op Nerissa wijzend)
De trouwbelofte, indien uw goed geluk Haar meesteres won.
Portia:
Is dat waar, Nerissa?
Nerissa:
't Is waar, Mevrouw, indien het u behaagt.
Bassanio:
En gij, Gratiano, meent ge dit oprecht?
Gratiano:
Ja, werk'lijk, eed'le Heer.
Bassanio:
Ons huw'lijkfeest wint door het uwe in eer.
Gratiano:
Wij zullen met hem voor duizend dukaten om den eersten jongen spelen.
Nerissa:
Om zulk een inzet?
Gratiano:
Wij zetten nog wel meer om dat te winnen.— Maar wie zijn dat? Lorenzo en zijn vrouw? Wat? met mijn ouden vriend Solanio?
Lorenzo, Jessica en Solanio komen op.
Bassanio:
Lorenzo en Solanio, welkom hier,— Gesteld mijn pas verworven stelling geeft Mij 't recht hiertoe. Ik heet, met uw verlof, Mijn vrienden en mijn landgenooten welkom, Geliefde Portia.
Portia:
Ik doe 't eveneens; Zij zijn van harte welkom.
Lorenzo:
Ik dank UEed'le.—Wat mijzelf betreft, 'k Was niet van plan geweest u hier te zien, Maar onderweg trof ik Solanio aan, En zijn verzoek, dat ik niet weig'ren kon, Bracht mij hierheen.
Solanio:
Zoo is het, eed'le Heer, En 'k heb er reed'nen voor. Signor Antonio Doet u zijn groeten. (Hij geeft Bassanio een brief.)
Bassanio:
Eer 'k den brief verbreek, Moet gij mij zeggen hoe mijn vriend het maakt.
Solanio:
Hij is niet ziek, tenzij hij 't is van geest; Ook niet gezond, tenzij van geest: zijn brief Zal u zijn toestand toonen. (Bassanio leest den brief.)
Gratiano:
Nerissa, heet die vreemde dame welkom. Uw hand, Solanio. Hoe is 't in de stad? Hoe vaart Antonio, de koopmansvorst? 'k Weet dat hij blij zal zijn om ons geluk; Wij zijn de Jasons,[50] wonnen 't gulden vlies.
Solanio:
Hadt gij het vlies slechts dat hem is ontgaan.
Portia:
Die brief moet smartelijk van inhoud zijn Wijl hij de kleur steelt van Bassanio's wang: Een dierb're vriend dood, wat kon anders zóó Den kalmen aard van een bezadigd man Verand'ren doen? Hoe, erger, erger nog?— Verlof, Bassanio: ik ben half van u, En dus komt mij de helft van alles toe Wat deze brief u brengt.
Bassanio:
O zoete Portia, 't Zijn enk'le woorden, zóó onaangenaam, Als ze ooit papier bevlekten! Schoone vrouw, Toen ik voor 't eerst u van mijn liefde sprak, Zei 'k u vrijmoedig, dat mijn gansch bezit Me in de aad'ren stroomde,—'k was een man van eer: En 'k sprak de waarheid: maar toch zult ge zien Hoezeer 'k, bij 't schatten van mijzelf op niets, Een snoever was, mijn lieve. Toen 'k u zei Dat niets mijn deel was, had ik moeten zeggen Dat minder 'k had dan niets; want weet, dat ik Mij heb verplicht aan een geliefden vriend, Hem aan zijn ergsten vijand heb verplicht Om mij de beurs te vullen. Zie dien brief; 't Papier is als het lichaam van mijn vriend, En ieder woord daarop een open wond Zijn levensbloed vergietend.—Maar, Solanio, Zijn al zijn kansen weg? Géén schip terecht? Uit Tripoli, van Mexico en Eng'land, Uit Indië, Barbarijë en Lissabon,— Ontkwam er geen den vreeselijken schok Van klippen, koopman-moordend?
Solanio:
Neen, niet één, En bovendien, al had hij 't geld gereed Ter afbetaling aan den Jood, hij zou 't Niet nemen, naar het schijnt. Ik zag nog nooit Een wezen met een menschenuiterlijk, Zóó tuk en happig op eens menschen val: Hij loopt bij dag en nacht den Doge na, En hij beticht de vrijheid van den staat, Indien men hem geen recht doet: twintig kooplui, De Doge zelf, en de magnifico's[51] Die 't meest vermogen, deden al hun best, Maar geen weerhoudt hem van den boozen eisch Van het verbeurde, 't recht en het kontrakt.
Jessica:
Toen 'k nog bij hem was, hoorde ik hoe hij zwoer Aan Chus en Tubal, mannen van zijn ras, Dat hij Antonio's vleesch veeleer verkoos Dan twintig maal de waarde van de som Die hij hem schuldig was; en 'k weet erbij, Dat, weig'ren wet, gezag en macht het niet, Het slecht dan gaat met d'arme Antonio.
Portia:
Is de bedreigde u dan zoo'n waarde vriend?
Bassanio:
Mijn waardste vriend, de vriendelijkste man, De bestgeaarde en onvermoeidste geest In 't hulp verleenen; iemand in wien de eer Van een aloud Romein zich meer vertoont, Dan wie maar in Italië leven heeft.
Portia:
Wat is hij schuldig aan den Jood?
Bassanio:
Voor mij drie duizend dukaten.
Portia:
Wat, niet meer? Geef hem zes duizend, en verscheur 't kontrakt; Verdubbel die, doe er 't vierdubb'le bij, Voordat een vriend zooals hij hem beschrijft Een haar verlieze door Bassanio's schuld. Ga eerst met mij ter kerk, en noem me uw vrouw, En daarop naar Venetië naar uw vriend; Want nimmer zult ge u vlij'n aan Portia's zij Met een ontruste ziel. Ik geef u goud Voor twintig malen deze niet'ge schuld; Is zij betaald, breng dan uw hartsvriend hier, Ik en Nerissa zullen midd'lerwijl Als weduwen en maagden leven. Vlug, Want gij moet op uw huw'lijksdag terug: Groet uwe vrienden: toon een blij gelaat: Zoo duur gekocht, stel 'k u op duren prijs. Maar lees mij thans den brief voor van uw vriend.
Bassanio (leest):
"Beste Bassanio, mijn schepen zijn alle vergaan, mijn schuldeischers worden wreed, mijn geldelijke toestand is zeer gedrukt, de vervaldag van mijn kontrakt met den Jood is voorbij, en daar ik, indien ik het nakom, niet kan blijven leven, zijn alle schulden tusschen u en mij afgedaan, als ik u slechts bij mijn dood mag zien. Maar doe, niettegenstaande dit alles, zooals 't u behaagt: als uw genegenheid u niet drijft te komen, laat mijn brief dat dan ook niet doen."
Portia:
Mijn lief, laat alles achterwege, en ga.
Bassanio:
Daar uwe mildheid mij dit niet belet Zoo haast ik mij; maar voor ik weer verschijn, Leg 'k nimmer mij te slapen op een bed, Geen rust zal aan mijn talmen schuldig zijn. (Allen af.)