← Table of contents
De Koopman van Venetië

Tooneel IX.

Edward B. (Edward Bernard) Koster translation

Belmont. Een Kamer in Portia's Huis.

Nerissa komt op met een dienaar.

Nerissa:

Vlug, bid ik u, schuif daad'lijk weg 't gordijn; De Prins van Arragon zwoer reeds den eed, En nadert aanstonds om zijn keus te doen.

Hoorngeschal. De Prins van Arragon en Portia komen op met hun stoet.

Portia:

Aanschouw, daar staan de kistjes, eed'le Prins, En kiest gij dat waarin 'k besloten ben, Dan wordt terstond ons huw'lijksfeest gevierd; Maar als gij faalt, dan moet gij zonder meer Onmiddellijk van hier vertrekken, Prins.

Arragon:

'k Ben tot drie dingen door mijn eed verplicht: Ten eerste maak ik niemand ooit bekend Welk kistje ik koos: dan, als ik falen mocht In 't juiste kistje, zal 'k zoolang ik leef, Geen maagd ten huw'lijk vragen: eindelijk, Als ik mocht falen in 't geluk der keus, Ga ik, onmidd'lijk u verlatend, heen.

Portia:

Op die verplichtingen zweert ieder, die Een kans waagt voor mijn waardelooze zelf.

Arragon:

'k Ben ook daartoe bereid. Bekroon, fortuin, Mijns harten hoop!—Goud, zilver, waard'loos lood. "Wie mij kiest, geve en wage al wat hij heeft." Gij moet meer glanzen, eer ik geef of waag. Wat zegt het gouden kistje? Ha! laat zien: "Wie mij kiest, wint wat menigeen begeert." Wat menigeen begeert. Die menigeen kan zijn De dwaze menigte, die kiest op 't oog, Die niet meer weet dan wat haar zotheid ziet, Niet naar 't inwend'ge speurt, maar als de zwaluw In de open lucht bouwt aan den buitenmuur,[37] Juist in 't bereik en op den weg van 't lot. Wat menigeen begeert, dat kies ik niet, Wijl 'k niet gelijk wil staan met het gemeen, Mij niet wil scharen bij de ruwe hoop. Welnu, naar u dan, zilv'ren schatfoedraal; Zeg mij nu ook het opschrift dat ge voert: "Wie mij kiest, krijgt zooveel als hij verdient." 't Is goed gezegd. Want wie streeft naar het doel 't Geluk te paaien, en geëerd te zijn Zonder verdienste's merk! Dat niemand waag' Een onverdiende waardigheid te voeren. Dat rangen, graden, ambten niet zoo vuig Verworven werden! en dat zuivere eer Gekocht werd door verdienste van den drager! Wie dekte er 't ongedekte hoofd dan niet? Wie werd dan niet bevolen, die beveelt? Hoe meen'ge lage boer werd dan geoogst Van 't echte zaad der eer! en hoeveel eer Gelezen uit het kaf en puin des tijds Om nieuwen glans te krijgen! Kom, mijn keus: "Wie mij kiest, krijgt zooveel als hij verdient." Ik neem verdienste:—Geef den sleutel dus, En thans ontsluite zich 't geluk voor mij.

Portia:

Gij hebt te lang getalmd voor 't geen gij vindt.

Arragon:

Wat zie 'k? een gek die met zijn oogen knipt, En mij een briefje biedt? 'k Zal 't lezen.—O, Hoe ongelijk zijt gij aan Portia, Aan wat ik hoopte en wat ik waardig was! "Wie mij kiest, krijgt zooveel als hij verdient." Verdiende ik niets meer dan een zottenhoofd? Is dat mijn loon? Heb ik niets meer verdiend?

Portia:

Rechter te zijn en tevens delinquent Is tegenstrijdig, niet vergund.

Arragon:

Wat zie ik? "Zevenmalen in den haard Ben 'k gelouterd; 'k evenaar 't Oordeel dat geen keus vervaart: Hem die met een schim zich paart, Heeft 't slechts schim van lust gebaard. Gekken zijn er, naar mijn aard, Overzilverd en niets waard. Neem wie gij maar wilt tot bruid, Mijn hoofd heeft u dat verbruid, Ga dus heen, met u is 't uit." En hoe langer 'k hier verkeer, Dwazer word ik, meer en meer. Met één zotshoofd kwam ik aan Maar met twee ga 'k hier vandaan.— Lief, vaarwel. Ik houd mijn eed, En verdraag gedwee mijn leed.

(Arragon af met zijn stoet.)

Portia:

Zoo was de kaars voor 't motje wreed. O, die voorzicht'ge zotten! bij hun keus Blijkt al hun wijsheid niets meer dan een leus.

Nerissa:

't Is waarheid wat ons de oude spreuk verhaalt: Hangen en trouwen wordt door 't lot bepaald.

Portia:

Kom, schuif 't gordijn nu dicht, Nerissa.

Een Bode komt op.

Bode:

Waar is Milady?

Portia:

Hier, wat wil Milord?[38]

Bode:

Mevrouw, aan uwe poort is afgestapt Een jong Venetiaan, die u vooruit De naad'ring van zijn meester melden komt, Van wien hij tastbare eerbewijzen brengt: Rijke geschenken, waar vol hoflijkheid Hij zich mede aanbeveelt; en 'k zag nog nooit Zulk een aantrekk'lijk liefdesafgezant; Zoo zoet een dag kwam nimmer in April, Als voorboô van het kost'lijk zomertij, Als deze bode vóór zijn meester komt.

Portia:

Ik bid u, nu niet meer, 'k ben half bevreesd Dat ge aanstonds hem tot bloedverwant benoemt, Gij slaat zoo'n Zondagstoon aan bij zijn lof. Kom, kom, Nerissa, want het maakt mij blij Dien vluggen liefdeboô te zien bij mij.

Nerissa:

Cupido, geef, dat het Bassanio zij! (Allen af.)

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings