Tooneel II.
Edward B. (Edward Bernard) Koster translation
Venetië. Een Straat.
Lancelot Gobbo komt op.
Lancelot:
Natuurlijk zal mijn geweten 't goed vinden dat ik van dien Jood, mijn meester, wegloop. De booze staat naast me, en brengt me in de verzoeking, en zeit tegen me: "Gobbo, Lancelot Gobbo, beste Lancelot, of beste Gobbo, of beste Lancelot Gobbo, neem je beenen op, ga d'r van door, loop weg." Mijn geweten zegt: "Nee; pas op, brave Lancelot; pas op, brave Gobbo;" of, zooals ik daarnet zei: "brave Lancelot Gobbo; loop niet weg: schop weg van je dat idee van wegloopen." Maar kijk, die allerdapperste booze gelast me mijn biezen te pakken. "Via!"[25] zeit de booze; "Weg!" zeit de booze, "in 's Hemels naam, neem een flink besluit," zeit de booze; "en loop weg." Maar jawel, mijn geweten, hangend om den nek van mijn hart, zegt heel verstandig tegen me: "Mijn brave vriend Lancelot, als zoon van een braven vader,"—of liever van een brave moeder;—want welbeschouwd was er een luchtje aan mijn vader,—d'r was iets met hem aan den knikker,—hij was niet zuiver op de graat: nu, mijn geweten zegt: "Lancelot, ga niet op de loop," "ga op de loop" zegt de booze: "ga niet op de loop," zegt mijn geweten weer. "Geweten," zeg ik, "je geeft me een goeden raad;" "booze," zeg ik, "je geeft me ook een goeden raad." Als ik me door mijn geweten laat leiden, moet ik bij mijn meester den Jood, die (God vergeef 't me) een soort van duivel is, blijven; en om van den Jood weg te loopen, moet ik mij laten leiden door den booze, die, met zijn welnemen, de duivel in eigen persoon is. Waarachtig, de Jood is de vleeschgeworden duivel, en op mijn geweten, mijn geweten is een hardvochtig stuk geweten om mij te durven aanraden bij den Jood te blijven. De duivel geeft den vriendelijksten raad: ik zal drossen, duivel, mijn hielen zijn tot uw orders, drossen zal ik.
De oude Gobbo komt op met een mand aan den arm.
Gobbo:
O, zeg eens, Meneertjelief; kun je me asjeblieft den weg wijzen naar Meneer den Jood.
Lancelot (Ter zijde):
Goeie Hemel! dat is mijn bloed-eigen vader, en doordat-i meer dan erg kippig oftewel stekeblind is, kent-i me niet:—ik zal ereis probeeren hem er in te laten loopen.
Gobbo:
Meneertjelief, zeg me asjeblieft den weg naar Meneer den Jood.
Lancelot:
Ga bij den naasten draai rechts af, maar bij den allernaasten draai links af; maar aan den allerallernaasten draai sla je nergens af, maar je draait indirekt[26] het huis van den Jood binnen.
Gobbo:
Allemachies, dat zal een moeielijke weg zijn om te vinden. Kan u me ook zeggen of eene Lancelot, die bij hem woont, bij hem is of niet?
Lancelot:
Bedoel je den jongeheer Lancelot?—(ter zijde) Let nu goed op, nu zal ik de poppen laten dansen.—Bedoel je den jongeheer Lancelot?
Gobbo:
Geen Jongeheer, Meneer, maar een armemans zoon: z'n vader is, al zeg ik 't zelf, een heele eerlijke arme man, maar die, Goddank, toch kan rondkomen.
Lancelot:
Goed, laat z'n vader wezen wie die wil, we hebben 't nu over den jongeheer Lancelot.
Gobbo:
Uw gehoorzame dienaar, en Lancelot, Meneer.
Lancelot:
Maar ik bid je, ergo, ouwe man, ergo, ik smeek je, heb je 't over den jongeheer Lancelot?
Gobbo:
Over Lancelot, met uw heerschaps welnemen.
Lancelot:
Ergo over den jongeheer Lancelot. Praat niet over jongeheer Lancelot, vader; want de jongeheer is (volgens lot en beschikking, en dergelijke vreemde gezegden, de drie zusters,[27] en dergelijke geleerdhedens) overleden; of, zooals men het in ronde woorden zou zeggen, naar den Hemel gegaan.
Gobbo:
God beware me! die jongen was heelemaal de staf van mijn ouwen dag, zoo heelemaal mijn steun.
Lancelot:
Zie ik er uit als een knuppel of een dakpaal, of een steun?—Ken je me ook, vader?
Gobbo:
Ach heeremetijd, neen, ik ken je niet, Meneertje; maar ik bid je, zeg me toch, is mijn jongen (God mag z'n ziel genadig wezen!) levend of dood?
Lancelot:
Ken je me niet, vader?
Gobbo:
Ach, Meneer, ik ben stekeblind; ik ken u niet.
Lancelot:
Neen, en ook al hadt u je oogen, dan zou je me misschien toch niet kennen: dàt is eerst een knappe vader die zijn eigen kind kent. Komaan, ouwe man, ik zal je nieuws van je zoon vertellen. (Hij knielt.) Geef me je zegen: de waarheid komt toch aan 't licht; moord kan niet lang verborgen blijven, maar wel van wien iemand de zoon is; maar in 't eind komt de waarheid toch aan den dag.
Gobbo:
Sta asjeblieft op, Meneer. Ik ben er zeker van dat u mijn jongen Lancelot niet bent.
Lancelot:
Laten we er asjeblieft geen gekheid meer over maken, maar geef me uw zegen: ik ben Lancelot, je jongen die was, je zoon die is, je kind dat zal zijn.
Gobbo:
Ik kan niet gelooven dat u me zoon bent.
Lancelot:
Ik weet niet wat ik daarvan zeggen moet; maar ik ben Lancelot, de knecht van den Jood, en ik ben er zeker van dat uw vrouw, Grietje, mijn moeder is.
Gobbo:
Waarachtig, haar naam is ook Grietje; en ik zweer d'er op, dat als jij Lancelot bent, je mijn eigen vleesch en bloed bent. Mijn Hemel, de jongen zou EdelAchtbare kunnen wezen! Wat heb je een baard gekregen! Je hebt meer haar aan je kin dan mijn karrepaard Dorus aan z'n staart.[28]
Lancelot:
Dan groeit Dorus z'n staart bepaald tegen z'n rug op; want ik weet zeker dat hij meer haar in zijn staart had dan ik op mijn gezicht, toen ik hem 't laatst zag.
Gobbo:
Heere, Heere, wat ben je veranderd! En kan je 't nogal goed met je meester vinden? 'k Heb 'n cadeautje voor 'm meêgebracht. Hoe sta je nu met hem?
Lancelot:
Goed, goed; maar, nu ik er mijn zinnen op gezet heb weg te loopen, heb ik voor mij geen zin stil te zitten voordat ik een eind heb geloopen. Mijn meester is op en top een Jood: hem een cadeau geven! Geef hem een strop: ik word uitgehongerd in zijn dienst; je kunt al m'n vingers met mijn ribben tellen. Vader ik ben blij dat je gekomen bent: geef je cadeau liever aan 'n zekeren menheer Bassanio, die bizonder mooie livreien geeft. Als ik hem niet mag dienen, dan zal ik zoover loopen als God me grond geeft.—O wat 'n mooi buitenkansje! daar komt hij zelf aan;—naar hem toe, vader: want ik ben een Jood, als ik den Jood langer wil dienen.
Bassanio komt met Leonardo en ander gevolg op.
Bassanio:
Dat kun je wel doen:—maar laat er zóó'n haast achter gezet worden, dat 't souper op z'n laatst om vijf uur klaar is. Laat deze brieven bezorgen; laat de livreien maken, en vraag of Gratiano dadelijk bij me aan huis komt.
(Een Bediende af.)
Lancelot:
Naar hem toe, vader!
Gobbo:
God zegen UEdele!
Bassanio:
Dank je zeer. Wou je wat van me hebben?
Gobbo:
Dat is mijn zoon, Meneer, een arme jongen—
Lancelot:
Géén arme jongen, Meneer, maar de bediende van den rijken Jood; en ik wou wel graag, Meneer, zooals mijn vader 't u zal expliceeren—
Gobbo:
Hij heeft, on zoo te zeggen, Meneer, heel veel senie om bediende te zijn bij—
Lancelot:
Ja, om het nu maar eens in één woord te zeggen, ik ben bediende bij den Jood, en ik verlang, zooals mijn vader 't u zal expliceeren—
Gobbo:
Zijn meester en hij zijn met UWEdele's welnemen lang geen koek-en-ei met elkaar—
Lancelot:
Om kort te gaan, het is de heuzelijke waarheid dat de Jood, omdat-i me gemeen heeft behandeld, mij dwingt, zooals mijn vader, die een oud man is, naar ik hoop u zal parlementeeren—
Gobbo:
Ik heb hier een schoteltje duiven, dat ik UEdele wel zou willen cadeau doen; en mijn verzoek is—
Lancelot:
Kort en goed, het verzoek comprommeteert[29] mezelf, zooals UEdele zult te weten komen van dezen braven ouwen man; en, al zeg ik het zelf, al is-i 'n ouwe man, toch mijn vader, de arme man.
Bassanio:
Laat één voor allebei spreken.—Wat wil je?
Lancelot:
U dienen, Meneer.
Gobbo:
Dat is juist het defectieve[30] van de zaak, Meneer.
Bassanio:
Ik ken je goed: 't verzoek is toegestaan. Je meester Shylock sprak mij nog vandaag, Je aanbevelend; als 't een aanbeveling Mag heeten weg te gaan bij 'n rijken Jood Om knecht te zijn van zoo'n arm edelman.
Lancelot:
Het oude spreekwoord[31] is net mooi verdeeld tusschen mijn meester Shylock en u, Meneer: u hebt Gods genade, Meneer, en hij heeft genoeg.
Bassanio:
Heel goed gezegd.—Ga, vader, met je zoon:— Neem afscheid van je vroeg'ren heer, en zoek Mijn woning;—geeft hem een livrei (tot zijn gevolg) Met meer garneersel dan zijn kameraads.
Lancelot:
Kom, vader.—Ik kan geen dienst krijgen, o nee! En ik heb heelemaal geen tong in mijn mond!—Ziezoo; (zijn handpalm bekijkend) als er nu toch één mensch in Italië is die een mooiere palm heeft! Ze zou op den Bijbel durven zweren dat ik goed geluk zal hebben!—Kijk ereis aan; is me dat een levenslijntje! Daar zit me een bagatelletje vrouwen in: ach! vijftien vrouwen is zoo goed als niets: elf weduwen en negen maagden is maar 'n eenvoudig vooruitzicht voor één man; en dan, driemaal van 't verdrinken gered te worden, en in levensgevaar te zijn aan den rand van bedje van veeren:—dat zijn geen kleine buitenkansjes! Nu, als de fortuin een vrouw is, dan is 't op zoo'n manier een beste meid.—Kom, vader. Ik zal als een haas van den Jood afscheid nemen.
(Lancelot en de oude Gobbo af.)
Bassanio:
Ik bid u, vriend Leonardo, denk hierom: Als alles is gekocht, en goed bezorgd, Kom snel dan weer, want ik onthaal van nacht Mijn meest geachte vrienden: haast u, ga.
Leonardo:
'k Zal alles naar mijn beste krachten doen.
Gratiano komt op.
Gratiano:
Waar is uw meester?
Leonardo:
Zie, daar gaat hij heen. (Leonardo af.)
Gratiano:
Signor Bassanio!
Bassanio:
Gratiano!
Gratiano:
'k Heb een verzoek aan u.
Bassanio:
't Is toegestaan.
Gratiano:
Weiger 't mij niet. Ik moet met u naar Belmont.
Bassanio:
Dan moet gij ook; maar hoor eens, Gratiano. Gij zijt te wild, te ruw, te boud van taal; Die eigenschappen staan u goed genoeg, En zijn geen fouten in ons oog; maar waar Gij niet bekend zijt, zie, dáár lijken zij Wat te vrijmoedig. 'k Bid u, doe uw best Om met wat koude droppen zedigheid Uw vuur'gen geest te maat'gen; opdat ik Ginds niet miskend word door uw wild gedrag, En zoo mijn hoop verbeur.
Gratiano:
Signor Bassanio, Als 'k mij niet steek in 't kleed van deftigheid, Met eerbied spreek, en nu en dan slechts vloek, Met het getijboek bij me zedig kijk, Ja zelfs bij 't bidden aldus met mijn hoed Mijne oogen dek, en zucht, en amen zeg, En al de regels volg der hoff'lijkheid, Als iemand, die, zijn grootje ten plezier, Een ernst'ge houding goed heeft bestudeerd, Wees dan mijn vriend niet meer.
Bassanio:
Wij zullen zien.
Gratiano:
Behalve dan van nacht. Beoordeel mij Niet naar van nacht.
Bassanio:
Neen, dat zou jammer zijn. 'k Vraag u veeleer on u te dossen in Uw wildste vreugde-pak, ik krijg bezoek Dat zeer naar pret verlangt. Maar vaar gij wel, Ik heb nog iets te doen.
Gratiano:
En ik moet naar Lorenzo en de rest; Maar bij het avondeten zie 'k u weer. (Allen af.)