Tweede afdeeling.
Reading edition
Over de bijzondere spelregels, waaromtrent verschil van gevoelen bestaat.
Daar de Redactie, om redenen in het Voorbericht en in § 27 en 28 opgegeven, voor de door haar te volgen schrijfwijze de in Noord-Nederland gebruikelijke spelling als uitgangspunt heeft aangenomen, en deze genoegzaam bekend mag geacht worden, heeft zij het overtollig gerekend het geheele spellingstelsel te ontvouwen. Deze Tweede Afdeeling bevat dus slechts eene opgave der verbeteringen, die haar wenschelijk zijn voorgekomen, benevens eene vermelding van de keuze, die zij gemeend heeft te moeten doen uit de onderscheidene spellingen, ten opzichte waarvan onder onze letterkundigen verschil van gevoelen bestaat.
De klinkers.
73. De verlenging der a en u in geslotene lettergrepen geschiedt buiten twijfel op de meest gepaste wijze door verdubbeling. De spelling aa en uu beantwoordt zoowel aan de uitspraak, als zij door de analogie gewettigd en door de etymologie niet gelogenstraft wordt. Zij verdient dus zeer zeker de voorkeur boven ae en ue. Aa stelt denzelfden zuiveren klank voor, die door a wordt aangeduid. Bij ae is men geneigd te denken aan de naar e trekkende uitspraak der landlieden in sommige streken van Zuid-Holland en Zeeland; de Vlaamsche a zou door ao moeten afgebeeld worden. Vergelijk Taalgids, IV, blz. 54–64.
74. De spelling blaauw, flaauw enz. stelt eene uitspraak voor, die niet de gewone is, in het oor der groote meerderheid onaangenaam klinkt, en stellig niet tot de beschaafde gerekend wordt. Het komt ons derhalve niet raadzaam voor, eene spelling te bestendigen, die te recht door velen wordt afgekeurd, en voor wier behoud geene andere reden is aan te voeren dan een gebruik, dat op geene taalkundige gronden steunt en daarom, als strijdig met de beschaafde uitspraak, geen recht van bestaan heeft; vergelijk § 66. Wij schrijven derhalve blauw, flauw, gauw, grauw, klauw, lauw, nauw, pauw, rauw, knauwen, krauwen enz. met au. Zoodoende heft men het geheel willekeurige verschil met de gebruikelijke schrijfwijze dauw en kauw op, die meer in overeenstemming is met de gewone uitspraak, welke veeleer ou dan aau doet hooren.
De verschillende oorsprong der e’s en o’s is de oorzaak van het onderscheid tusschen de zachte en de scherpe uitspraak. Eene vergelijking der Nederlandsche woorden, waarin e’s en o’s voorkomen, met dezelfde of verwante woorden, hetzij in onze eigene taal, hetzij in andere oudere of nieuwere Germaansche talen, leert, dat de e en o beide drieërlei oorsprong hebben: dat de e eene wijziging van i, a of ai, en de o van u (oe), a of au is. Verder blijkt, dat de lange heldere of opene e’s en o’s uit de enkelvoudige, oorspronkelijke klinkers a, i en u (oe) ontstaan, juist diegene zijn, waaraan algemeen, behalve natuurlijk in de gevallen waar verschil bestaat, de zoogenaamde zachtlange klank wordt toegekend; terwijl de ineengesmolten tweeklanken ai en au aan erkende scherplange e’s en o’s beantwoorden.
Door deze waarneming worden bijna alle verschijnsels, die men in de geschiedenis onzer e’s en o’s en in hare verwisseling met andere klanken opmerkt, volkomen opgehelderd. Zij verklaart vooreerst, hoe het komt, dat men die letters in verscheidene gewesten op tweeërlei wijze uitspreekt, en waarom de scherpe daar langer zijn dan de zachte en nog een zweem van een tweeklank hebben.—Vervolgens, waarom de zachtlange é met a en i en met de korte è, en de zachtlange ó met de korte ò afwisselt, b.v. in stad—steden, vagen—vegen, gift—geven, nicht—neef, spel—spelen, gebed—gebeden; ik kom—zij komen, lot—loten; en waarom de scherplange e’s en o’s met de tweeklanken ei (ai) en ou (au) verwisseld worden, b.v. in gereed en bereiden, breed en verbreiden, boom en bouwen, troost en vertrouwen.—Die waarneming eindelijk verklaart in vele gevallen, hoe het komt, dat een zelfde woord op tweeërlei wijze wordt uitgesproken, daar zij aantoont, dat men dan meestal twee verschillende woorden verward en voor hetzelfde gehouden heeft; b.v. beer (ursus) en beer (verres); deel (pars) en deel (asser); klooven (doen splijten) en kloven (imperf. van kluiven en meerv. van kloof); toonen (lichaamsdeelen) en tonen (klanken).
76. De Redactie, het een en ander in aanmerking nemende, heeft besloten den oorsprong der e’s en o’s als grondbeginsel der vocaalspelling aan te nemen. Zij meent hare redenen aldus kortelijk te kunnen samenvatten:
De ware uitspraak der e’s en o’s is niet op te maken uit de vroegere schrijfwijze, noch uit de uitspraak der hedendaagsche dialecten, omdat het blijkt, dat het in beide aan volkomene overeenstemming ontbreekt. Bovendien neemt het onderscheid tusschen den zachten en den scherpen klank dagelijks af, wordt daardoor steeds onzekerder en zal waarschijnlijk eenmaal geheel verdwijnen, gelijk het in sommige streken, en daardoor, streng genomen, in de zoogenoemde beschaafde uitspraak, reeds heeft opgehouden te bestaan. Daarentegen is de verschillende oorsprong der klinkers een onveranderlijk en onloochenbaar feit, hetwelk als oorzaak van het onderscheid in de uitspraak, grootendeels tot dezelfde uitkomsten leidt, en geheel tot dezelfde leiden zou, indien er nooit verwarring en verwisseling van klanken had plaats gehad.
Daar het niet te loochenen is, dat de onderscheidene dialecten ten opzichte van een aantal woorden uiteenloopen, zou men genoodzaakt zijn uit de verschillende tongvallen eene keus te doen. Wie of wat zal die keus bepalen? Aan welk gewest zal de eer te beurt vallen aan al de Nederlanden de wet voor te schrijven? Zal het Oost- of West-Vlaanderen, Brabant of Antwerpen, Zeeland of Maasland, Zutfen of Overijsel wezen? Daarentegen is de oorsprong der e’s en o’s een feit, dat voor alle gewesten en tongvallen hetzelfde is. Geen dialect, of het geeft onloochenbare blijken van onderlinge verwisseling van zacht en scherp; ook het Groningsche, waarin anders het verschil wel het duidelijkst uitkomt en men uit dien hoofde het minst verwarring zou verwachten. Zoo is het b.v. volkomen zeker, dat de klinkers in (ik) weet en (wij) weten oorspronkelijk verschilden, dat de e van het enkelvoud vroeger ai, die van het meervoud i was; en toch worden beide thans overal op dezelfde wijze uitgesproken, in het Groningsch scherp, als ei of ij, in ik weit, wij weiten; elders zacht, in ik weet niet anders dan in wij weten. Welke stad of landstreek zou aan de overige bewoners van Nederland hare verkeerdheden willen opdringen of omgekeerd die van andere willen overnemen! Neemt men echter den oorsprong der e’s en o’s als grondslag aan, dan behoeft er geene keus gedaan te worden, waardoor iemand zich verongelijkt kan rekenen; men is dan billijk jegens allen, ook jegens de velen, die geen onderscheid in de uitspraak meer maken, en die de onderscheiding der zachte en scherpe e’s en o’s als een last beschouwen.
Al mocht men eenparig besluiten de uitspraak van eene bijzondere landstreek of plaats als wetgeefster te erkennen, die maatregel zou ontoereikend bevonden worden. Vooreerst kunnen de bewoners van andere plaatsen die uitspraak niet leeren kennen, zonder zich daar een geruimen tijd metterwoon te vestigen, terwijl ieder, die wil, zich in zijn studeervertrek van den oorsprong der e’s en o’s kan vergewissen. Doch er is iets dat meer afdoet. In de schrijftaal komen een aantal woorden voor, die niet algemeen zijn, die op de eene of andere plaats niet gebezigd worden. Hoe zal men handelen met de woorden, die in het bevoorrechte dialect niet gebruikt worden? en hoe met dezulke, die in het geheel niet meer tot de volkstaal behooren en waarvan dus de ware uitspraak volstrekt onbekend is? Ten aanzien van zoodanige woorden zou het aangenomen beginsel ontoereikend zijn; en naar welk kenmerk dan te werk te gaan? Daarentegen geeft de oorsprong der e’s en o’s een kenmiddel aan de hand, dat uit zijnen aard op alle woorden toepasselijk is, dat voor de dialecten, op weinige uitzonderingen na, dezelfde uitkomsten geeft, en dat ten minste voor alle taalbeoefenaars, ook in de streken waar geen onderscheid meer gehoord wordt, toegankelijk is.
Het schrijven naar de uitspraak zou altijd gegrond blijven op feilbare waarnemingen van bijzondere individuen, wien het aan fijnheid van gehoor kan ontbreken. Het spellen naar den oorsprong der e’s en o’s is gegrond op het onderscheid tusschen a, i, u (oe), ai en au, klanken, die onderling zoozeer verschillen, dat daarbij geene vergissing en verwisseling kon plaats grijpen; het stelt bovendien de spelling meer onmiddellijk in verband met de afleiding, en kan zoodoende in vele gevallen het recht verstand der woorden bevorderen. Om den oorsprong der e’s en o’s te leeren kennen, moet men wel is waar dikwijls de verwante talen raadplegen; doch het zou eene geheel verkeerde beschouwing wezen, indien men het spellen naar de uitkomsten, die zij opleveren, wilde aanmerken als eene navolging van het vreemde. Dat raadplegen geschiedt alleen om te weten, hoe onze eigene taal in overoude tijden gesproken is; de onze kan op hare beurt aan andere talen dezelfde diensten bewijzen. Als wij b.v. aan beenen en boomen scherpe klinkers toeschrijven, is zulks niet, omdat het Hoogduitsch bein en baum zegt, maar omdat wij o.a. door het Hoogduitsch weten, dat onze eigene voorouders eenmaal bain en baum hebben uitgesproken; de spelling beenen en boomen berust derhalve inderdaad op verschijnselen in onze eigene taal. Vergelijk hier Taalgids, VI, blz. 153 v.
77. De Redactie erkent, dat de dubbele vocaalspelling niet zonder last is voor het practische gebruik; zij behoudt ze evenwel, omdat zij meent het bestaande niet te mogen afbreken en geene groote veranderingen, maar alleen verbeteringen in de toepassing van erkende regels te moeten voorstellen. Daarom heeft zij er niet aan gedacht om ze ook op de a en u toe te passen, en b.v. naast va-der, za-del, u-ren enz. jaa-ren, daa-den, wij vuu-ren enz. te schrijven, ofschoon daarvoor gelijke redenen bestaan als voor de spelling bree-de, boo-men enz. Aan die bedoeling is het mede toe te schrijven, dat zij het spellen overeenkomstig den oorsprong der e’s en o’s tot de stamlettergrepen wil beperken, maar ten opzichte van de achtervoegsels naar den klemtoon wenscht te werk te gaan. Volgens dit beginsel acht zij, dat de achtervoegsels, die òf steeds òf somtijds den vollen klemtoon hebben, met eene dubbele vocaal behooren geschreven te worden, terwijl een enkel letterteeken toereikend is in die, welke nimmer den vollen klemtoon bekomen. In het eerste geval verkeert het achtervoegsel -loos, hetwelk in goddelóós, zedelóósheid, zondelóósheid enz. den vollen klemtoon bekomt; vervolgens de bastaarduitgangen -eeren; -eel en -ees, die steeds den klemtoon hebben: regeeren, kasteelen, Japanneezen. Tot het tweede geval behoort -heid, mrv. -heden, dat nooit den vollen klemtoon heeft. Op die wijze eerbiedigt men het bestaande gebruik, waarin de schrijfwijze -eelen reeds is aangenomen, en die van -eezen meer en meer begint door te dringen. Men wijkt alleen af in de spelling -eeren; doch voor de dubbele vocaal in dit achtervoegsel hebben zich sedert lang vele stemmen doen hooren, gelijk zij dan ook reeds door Bilderdijk en zijne volgelingen erkend is. Inderdaad, wanneer men bedenkt, dat dit suffix altijd met een zwaren toon wordt uitgesproken; dat die uitspraak reeds van de oudste tijden dagteekent, blijkens het Middelnederlandsch, waarin men (gelijk nog heden in het Hoogduitsch) gewoonlijk -ieren schreef; en dat de ie destijds nog een tweeklank was: dan schijnt alles er voor te pleiten om in dezen het voorbeeld van Bilderdijk te volgen.
Een achtervoegsel -eet, welks bestaan door enkelen beweerd wordt, is bij de Redactie onbekend. In al de woorden, op -eet eindigende, die zij zich kan te binnen brengen, behoort de e tot den stam des woords, en kan alleen de t als achtervoegsel worden beschouwd. Deze is in paracleet, poëet, profeet, en ook in komeet en planeet, een overblijfsel van het Grieksche suffix -της, lat. -ta, waarmede meestal mansnamen gevormd worden; in compleet, concreet, discreet, secreet, van het Latijnsche suffix -tus, -ta, -tum, dat verl. deelw. vormt. Daar er geene suffixen -ητης, -etus enz. bestaan, is bij de woorden op -eet niet de regel voor de achtervoegsels, maar die voor de stammen van toepassing. De Redactie schrijft daarom met ééne e: poëten, profeten, concrete, complete enz.; en om gelijke redenen met ééne o; astronomen, oeconomen, horoscopen, telescopen, philanthropen, misanthropen, heliotropen, theologen, philologen, enz. waarin noom, scoop, anthroop, troop en loog verbasteringen van geheele woorden, niet van achtervoegsels zijn.
78. Slechts schijnbaar bestaat hier eene inconsequentie; in den grond wordt bij de stamlettergrepen hetzelfde beginsel gehuldigd als bij de achtervoegsels, alleen met beperking in de toepassing. Dat beginsel is de zooveel mogelijk juiste afbeelding der uitspraak. Immers de verdubbeling der letters moest aanvankelijk dienen om de scherpe e’s en o’s, uit tweeklanken ontstaan, te kenmerken als langer dan de zachte, die als wijzigingen van de enkelvoudige klinkers a, i en u (oe) korter waren. De verdubbeling bedoelde kennelijk het voorstellen van een langen, gerekten klank, en het is alleen ten gevolge van het onderling meer gelijk worden der zachte en scherpe e’s en o’s, dat het doel thans niet meer zoo in het oog loopt.
Aan de werking van den klemtoon is het toe te schrijven, dat het onderscheid tusschen zacht en scherp in sommige streken en in de beschaafde uitspraak geheel uitgewischt is. De klemtoon, wanneer hij rust op opene lettergrepen, brengt vanzelf mede, dat de daarin voorkomende vocalen alle even lang worden uitgesproken, onverschillig, of zij uit klinkers dan wel uit tweeklanken ontstaan zijn. Daarom wil het gebruik in opene eenlettergrepige woorden de verdubbeling van den klinker, al is die niet scherp, b.v. in thee, vloo, zoo. Daarentegen is de quantiteit in lettergrepen, die slechts den halven toon hebben, of geheel toonloos zijn, merkelijk geringer, ook wanneer zij tweeklanken zijn, b.v. in waarheid, waarlijk, arbeid, armoede; voor de zoodanige wordt de dubbele vocaal algemeen te zwaar geacht. Daarom wil het gebruik sinds lang eene enkele e in -heden, meerv. van -heid, ofschoon die e uit ei ontstaan en dus scherp is; daarom wil het de enkele i in -isch, niettegenstaande in dit achtervoegsel de klank gehoord wordt, die in gesloten lettergrepen steeds door ie wordt voorgesteld; daarom verliezen de achtervoegsels -eel, -ief, -iet en -iek eene e in kast-el-ein, subject-iv-iteit, Jezu-it-isme, f-abr-ik-ant.
De Redactie beoogt derhalve met het stellen van den boven ontwikkelden regel voor de spelling der achtervoegsels hetzelfde doel, dat men oorspronkelijk met de verdubbeling der e en o zocht te bereiken, namelijk eene zooveel mogelijk juiste afbeelding van de heerschende uitspraak. Door het stellen van dien regel zet zij alleen eene schrede verderop den weg, die reeds door het Gebruik gevolgd wordt, en handelt zij overeenkomstig den Regel der Welluidendheid.
79. Acht de Redactie den door haar aangenomen regel voor de achtervoegsels voornamelijk daarom verkieselijk, omdat hij gemakkelijk is, en door iedereen, ook zonder kennis van vreemde talen, kan worden toegepast, zij werd, wilde zij hier niet beginselloos te werk gaan, tot het stellen van dien regel als het ware gedwongen. Immers de grondbeginselen, die voor de stammen gelden, zouden op de achtervoegsels niet toegepast kunnen worden.
Vooreerst toch zou het meervoud van -heid, goth. haidus, mv. haidjus, hd. heit, mv. -heiten, volgens die beginselen twee e’s moeten hebben. Doch wie zou te bewegen zijn om het thans eenparige gebruik, dat reeds bij de Staten-overzetters gold, te verlaten, en voortaan aangenaamheeden, boosheeden, kinderachtigheeden en zoo vele andere -heeden met twee e’s te gaan schrijven? Die spelling wordt trouwens door niemand verlangd, en zou strijden met het beginsel door de Redactie aangenomen, namelijk geene veelomvattende veranderingen te beproeven, wanneer er geene dringende redenen voor bestaan en de gebruikelijke spelling te rechtvaardigen is.
De uitgangen -eeren en -eel zijn bastaardachtervoegsels; en de e’s, die daarin voorkomen, zijn niet alle van denzelfden oorsprong. Sommige zijn ontstaan uit korte klinkers, andere zijn samentrekkingen van twee lettergrepen. In het eerste geval zouden zij ééne, in het laatste twee e’s vorderen; doch het laat zich niet altijd bepalen, met welk eene e men te doen heeft. Wij hebben -eeren, mnl. -ieren, uit het Fransch bekomen; maar in het gebruik daarvan hebben wij onzen eigen weg bewandeld, ons om die taal verder niet bekommerende. De e van regeeren schijnt die te zijn van fr. régner; maar mnl. regnieren, waaruit regeeren ontstaan is, verbiedt ons aan eene onmiddellijke overneming van die e te denken; en die in concipieeren is toch wel niet de oi van fr. concevoir, noch die van farceeren de i van farcir. Het Fransch, waarin de e’s trouwens ook niet oorspronkelijk zijn, kan dus niet tot leiddraad strekken; men zou dan in allen gevalle tot het Latijn moeten gaan. Doch dit heeft vier uitgangen: -âre, -êre, -îre en -ĕre; daarin zijn â, ê, en î samentrekkingen van de lettergreep aja (skr. aya); maar -ĕre heeft eene e uit de korte i ontstaan. Dienovereenkomstig zou men communiceeren, doceeren, recenseeren, farceeren enz. met ee, maar defenderen, fingeren, absolveren enz. met e moeten spellen. Zou het verstandig wezen het publiek dezen nieuwen last op de schouders te willen binden en het te verplichten de Latijnsche conjugatie te gaan leeren? En hoe dan nog te handelen met woorden, waaraan geen Latijnsch werkwoord beantwoordt, b. v, met trotseeren, waardeeren, stoffeeren?
Bij -eel zouden de moeilijkheden niet geringer wezen. Aan de e in dit achtervoegsel beantwoordt wel is waar doorgaans eene korte Latijnsche e of i: doch in conditioneel, crimineel, inaugureel, origineel eene lange a. Deze is in criminalis en inauguralis weder de samentrekking van -aja-; maar wat is zij in conditionalis en originalis, waarnaast geene werkwoorden bestaan? En welke e hebben wij in houweel, tooneel, fluweel? Hier zou in elk geval wederom eene willekeurige beslissing, een doorhakken van den knoop, moeten plaats hebben. Doch er is eene andere oplossing mogelijk. Men vrage niet: wat willen enkele grammatici? maar: wat wil het volk? wat wil de taal, en wat heeft zij altijd gewild? Dan is het antwoord niet twijfelachtig. De taal handelt bij de vreemde achtervoegsels geheel anders dan bij de vreemde stammen, waarin zij zachte e’s en o’s laat hooren. Zij heeft de bastaarduitgangen, die den klemtoon hebben, steeds als lang beschouwd en er tweeklanken van gemaakt. Tot getuigen kunnen strekken abdij, soldij, tyrannij, azijn, dolfijn, venijn, paradijs, patrijs, saucijs, profijt, practijk, gelei, karwei, livrei, qualiteit, quantiteit, sociëteit, fatsoen, katoen, kapoen en kapuin, aluin, abuis, fornuis, advies, commies, enz., waarbij men in het oog moet houden, dat oe en ie voorheen tweeklanken waren. Dat de taal vroeger met -eeren en -eel evenzoo heeft gehandeld, blijkt uit den Middelnederlandschen vorm -ieren. Ook -eel werd wel als -iel uitgesproken, blijkens de gemeenzame taal in oude kluchtspelen; en gatenplattiel, karviel, nevens karveel, zijn nog in gebruik. Dat die tweeklanken alleen aan de werking van den klemtoon zijn toe te schrijven, blijkt uit profiteeren naast profijt, kopieeren naast kopij, praktizeeren naast praktijk, abuseeren naast abúís enz.; zij veranderen niet in tweeklanken, waar zij den klemtoon niet hebben. De Redactie was hier dus vanzelf naar den klemtoon verwezen, niet naar den oorsprong der e’s, waarop men ook bij vreemde stammen niet let. Immers men schrijft cement, lat. caementum, planeten, lat. planêtae, evengoed met eene enkele e, als ceder, lat. cĕdrus.
Het achtervoegsel -ees, fr. -ais en -ois, is lat. -ensis, na afwerping van -is en uitstooting van de n. Het Nederlandsch pleegt na de uitstooting eener n de voorgaande vocaal te verlengen, er zelfs een tweeklank van te maken; blijkens kiekhoest, bij Kiliaan, naast kinkhoest; muid, in IJselmuiden, naast mond, in IJselmonde; kluit naast klont; ook schreef men voorheen, evenals in het Hoogduitsch, Portugies. De verlenging der e geschiedt dus ook hier volgens den aard der taal en tevens in overeenstemming met den regel.
Het achtervoegsel -loos, goth. en onrd. -laus, ags. -leás, moet, ook volgens de afleiding, het beginsel dat bij de stammen geldt, evengoed als volgens den door ons gestelden regel voor de achtervoegsels, eene scherpe o (oo) hebben. Een achtervoegsel -loos, -loze, met de zachte o, dat los zou beteekenen, heeft nooit bestaan. De taal heeft de adjectieven loos, looze en los, losse zoowel in uitspraak als in beteekenis steeds uiteengehouden. De Redactie mag niet medewerken om de verwarring, in den laatsten tijd daarin gebracht, te bestendigen.
Neemt men derhalve alles op zijn strengst, dan heeft er tusschen de regels voor de stammen en die voor de achtervoegsels alleen strijd plaats bij de spelling van -heden, wat niemand met twee e’s wil, en ook niet behoeft te willen, dewijl de spelling met eene enkele e in de klaarblijkelijkste overeenstemming is met de wetten, die de taal voor de achtervoegsels heeft aangenomen.
80. Het aantal woorden, in wier spelling ten gevolge van het aangenomen beginsel eene verandering moet plaats grijpen, is betrekkelijk gering, en de meeste komen slechts zelden voor. Het zijn:
beer (verscheurend dier), mv. beren, onderscheiden van beer (varken, waterkeering, muurstut en heiblok), mv. beeren;
deel (plank en dorschvloer), mv. delen, onderscheiden van deel (gedeelte), mv. deelen;
deemoedig;
deesem;
dwepen;
eega;
heep (soort van handbijl), mv. hepen;
keel (in de bouwkunde en wapenkunde), kelen, hetzelfde als keel (lichaamsdeel);
keren (vegen);
kwee (vrucht);
meren (een schip vastleggen);
sleepen (voorttrekken), causatief van slepen (gesleept of voortgetrokken worden);
droog, droge, droger, drogen;
hoonen;
klooven (doen splijten), causatief van klieven (in den verouderden zin van splijten), onderscheiden van kloven, mv. van kloof en verl. tijd van kluiven;
koozen, liefkoozen;
kroon, mv. kronen;
sloof (voorschoot), mv. slooven, onderscheiden van sloof (sukkelaarster), mv. sloven;
toon (muziektoon), mv. tonen, onderscheiden van toonen (wijzen) en toon (teen), mv. toonen;
troon, mv. tronen;
vroolijk;
zoogen (laten zuigen), causatief van zuigen, onderscheiden van wij zogen, verl. tijd van zuigen.
Ofschoon het zeer waarschijnlijk is, dat de e in heer (dominus) en keeren (vertere) oorspronkelijk zacht was, is toch de afleiding en oudste vorm dezer beide woorden niet met genoegzame zekerheid bekend, om over de natuur der vocaal stellig te beslissen, veelmin om eene verandering voor te stellen in de spelling van zoo gebruikelijke woorden, wier schrijfwijze door de gewoonte als eene tweede natuur is geworden.
Neemt men in de weinige woorden, die verandering eischen, de vocaalspelling overeenkomstig de afleiding aan, dan is daarmede het geheele spellingstelsel der enkele of dubbele e en o met de etymologie in overeenstemming gebracht. De onderscheiding moge in de practijk en bij het lager onderwijs hare moeilijkheid blijven behouden, dat bezwaar is nu eenmaal niet op te heffen, want niemand zeker zal bij eenig nadenken ernstig verlangen altijd de dubbele of altijd de enkele e en o te gebruiken. Vergelijk ook § 26. Maar terwijl de practische moeilijkheid dezelfde blijft, wint men het onschatbare voorrecht, waarop geene andere Germaansche taal zich beroemen kan, dat de spelling dezer beide vocalen in onze taal overal aan den oorspronkelijken vorm der woorden getrouw is en aan de strengste eischen der wetenschap beantwoordt.
a. De Redactie was vroeger van meening, dat de e in begeeren zacht was. Zij grondde haar gevoelen op de i in ohd. giric, onrd. girug, enz., die zij voor kort hield, en welke in dat geval eene zachte e zou hebben moeten opleveren. Desniettegenstaande achtte zij het ongeraden de algemeen aangenomen spelling van een zoo dikwijls voorkomend woord te veranderen, omdat er over het woord en zijne verwanten een duister verspreid lag, dat zij toen nog niet vermocht op te heffen. Bij nader onderzoek echter is het gebleken, dat die ì, in sommige handschriften door een accent (í) gekenmerkt, de lange î is, die in den regel onze ij heeft opgeleverd, behalve vóór eene r, waar zij zich in ie (vroeger een tweeklank) oploste: vergelijk wierook voor wijrook van wij(d)en; gier (roofvogel), nhd. geier, ohd. gîr; schier in Schiermonnikoog, Schieringer, schierroek, enz., ohd. scîr enz. Doch kan î de stam van begeeren niet zijn, dan moet het gair wezen, dat in goth. gairuni, gairnjan enz. voorkomt en de echte tweeklank ai blijkt te zijn.
Hierdoor wordt al het duistere weggenomen. Niet slechts is de ie in gierig verklaard, maar ook de a in mnl. begaeren en nnl. gaarne, naast begeeren, geerne en gierig; en de vormen in de verwante talen blijken in overeenstemming te zijn. De e van begeeren is derhalve scherp, als zijnde uit ai ontstaan, zoodat er van de spelling met ééne e (begeren) geene sprake meer zijn kan.
b. Ook zal men op bovenstaande lijst de woorden knoop, kloot en zweep niet meer aantreffen. Bij nader onderzoek is het ons gebleken, dat in de oudere verwante talen tweeërlei vormen van knoop hebben bestaan, wat onder andere uit ofri. cnop en cnâp blijkt, waarvan de eerste aan onze zachte, de laatste aan onze scherpe o beantwoordt. De uitspraak met de scherpe o, waarop de gebruikelijke spelling knoopen berust, kan derhalve niet als eene verbastering worden beschouwd, zoodat er voor de Redactie, die als beginsel heeft aangenomen, niet buiten volstrekte noodzaak veranderingen te maken, geene reden bestaat om de spelling hier te wijzigen; ze blijft daarom knoopen vastknoopen, ontknoopen enz. schrijven.
c. Minder zekerheid bestaat er tot nog toe omtrent de oorspronkelijke vormen van kloot en zweep. Indien men echter die woorden voor één mag houden met ons kluit en mhd. sweif (staart), dan hebben ook hier vanouds tweeërlei vormen bestaan, en is de spelling klooten en zweepen even wettig als kloten en zwepen. Hoe men het ook neemt, de zachtheid der klinkers in beide woorden staat nog niet vast, zoodat deze zich in hetzelfde geval bevinden als heeren en keeren. De Redactie acht zich dus nog niet tot verandering gerechtigd, en blijft daarom klooten en zweepen schrijven.
81. Ofschoon de spelling wereld, eigenlijk wer-eld, de beschaafde uitspraak van dit woord niet juist uitdrukt, meent de Redactie haar als de naastbijkomende te moeten verkiezen; vergelijk § 41. Wareld toch is met de uitspraak nog meer in strijd, en bovendien ook met de afleiding; en hetzelfde geldt van waereld, daar men ae in onze taal steeds als de voorstelling eener lange a heeft aangemerkt en in België nog veelal als zoodanig beschouwt.
Om dezelfde reden is ook de spelling vaers voor vers te verwerpen.
82. Om de boven in § 79 ontwikkelde redenen is de Redactie voornemens de volle ie te bezigen in de achtervoegsels -ief, -iek en -iet, zoolang die den klemtoon behouden, ook dan wanneer ie op het einde der lettergreep komt, b.v. in motie-ven, substantie-ven, fabrie-ken, republie-ken, Israëlie-ten, Mennonie-ten. Die spelling is buitendien in overeenstemming met het gevestigde gebruik ten opzichte van -ier en -ies in officie-ren, tuinie-ren, commie-zen, valie-zen. Daarentegen acht zij ie te zwaar, en daarom eene enkele i voldoende, wanneer die achtervoegsels geheel toonloos worden, in mot-i-veeren, Jezu-ït-isme, fabr-ik-ant, muz-ik-ant, muz-ik-aal, republ-ik-ein. Vergelijk den Regel der Welluidendheid § 61 en 62.
83. Om dezelfde redenen schrijven wij in het meervoud oli-ën, trali-ën enz., van olie, tralie enz., dewijl ie in deze en dergelijke woorden geheel toonloos is; daarentegen knie-ën, spie-ën, drie-ën, waarin de eerste, en reliquie-ën, genie-ën, waarin de voorlaatste lettergreep den vollen klemtoon heeft. Dat men voorheen kniën, spiën spelde, is daaraan toe te schrijven, dat ie, uit iu (ioe) ontstaan, alstoen een tweeklank was, die nagenoeg tweelettergrepig, als ië, werd uitgesproken. Knie-en, spie-en zou toen derhalve geluid hebben als kní-e-en, spí-e-en. Thans echter is ie een zuivere (eenlettergrepige) klinker, gelijk b.v. ee, zoodat de oudere schrijfwijze niet meer in overeenstemming is met de hedendaagsche uitspraak; daarom knieën, spieën, evenals zeeën, tweeën; en zoo ook analogieën, harmonieën, melodieën, reliquieën en genieën, verschillend van geniën (géniën), meerv. van genius.
84. Ofschoon de i in het achtervoegsel -isch denzelfden helderen klank heeft als ie in -ief, -iek, -iet en -ier, geeft de Redactie aan de meest gebruikelijke schrijfwijze met de enkele i verreweg de voorkeur boven -iesch, omdat dit achtervoegsel steeds allen klemtoon mist, en i daarin zeer kort is. De onregelmatigheid is niet grooter dan bij het achtervoegsel -uw in schaduw, zwaluw, hetwelk evenzeer toonloos is en door niemand met twee u’s geschreven wordt. Vergelijk den Regel der Welluidendheid § 61 en 62.
Bij het beoordeelen van de regels in deze en de twee vorige §§ behoort men het onderscheid tusschen eene toonlooze lettergreep en een toonloozen klinker niet uit bet oog te verliezen. Toonloos is elke lettergreep, waarop in het geheel niet gedrukt wordt, waarop noch de halve, noch de volle klemtoon valt, b.v. de eerste in be-hóúd, ge-lóóf, ver-driét, de laatste in já-ren, há-mel, há-mer, kó-ning, gróót-vader, hòfhóú-ding. Toonlooze klinkers zijn, in den regel, klinkers of tweeklanken, die geheel dof zijn geworden, als het ware alle kleur missen, en meer van een geruisch dan van een eigenlijken klank hebben; b.v. de e in aarde, onl. irtha, in hamer, ohd. hamar, in hemel, onl. himil; de u in Gorkum uit Goring-heim; de i in het achtervoegsel -ig, goth. -ag en -eig. Enkele toonlooze klinkers echter ontstaan als vanzelve tusschen twee medeklinkers, b.v. in hatelijk, beminnelijk enz. voor haatlijk, beminlijk enz.
Ofschoon het verliezen van den klemtoon de oorzaak is, dat de klinkers en tweeklanken toonloos worden, heeft dat verlies toch niet altijd de bedoelde verandering ten gevolge. De tweede lettergrepen in py-ra-mide, mag-ne-tiseeren, mo-ti-veeren, ge-o-graaf, no-tu-len, en de laatste in o-lie, me-nie, tra-lie, Janua-ri, Ju-li, afgo-disch, nieuwmo-disch, scha-duw, zwa-luw enz. zijn toonloos, maar de daarin voorkomende klinkers, hoe flauw zij ook worden uitgesproken, behouden in eene beschaafde uitspraak hun eigenaardigen klank, en gaan niet in toonlooze klinkers over.
Er bestaan derhalve toonlooze lettergrepen zonder toonlooze klinkers.
85. Het letterteeken ij stelde, gelijk men weet, oorspronkelijk in gesloten lettergrepen, als mijn (miin), sijn (siin), de lange i voor, die in opene, als mine, sine, door de enkele i werd vertegenwoordigd. Het teeken j was dus in de genoemde en dergelijke woorden een gewijzigde vorm van de letter i, die gelijkstond met de tweede a, e, o en u in jaar, eed, room en vuur. Het verlengen door het aanvoegen van een staart geschiedde sieraads- of duidelijkheidshalve; zoo schreef men ook vj, vij, viij, enz. voor 6, 7, 8. Dientengevolge had j in strijd met § 47, a. twee verschillende waarden, die van vocaal in mijn (miin) en wijn (wiin), en die van consonant in jaer, joc. Toen in het Nnl. de lange i in de uitspraak gelijk werd aan den tweeklank ei, kwam de schrijfwijze ij geheel in strijd met de natuur van den klank, dien zij moest voorstellen, en die niet meer door ii afgebeeld kon worden; men behield evenwel de oude letterteekens ondanks de veranderde uitspraak. De Redactie meende in het Woordenboek die onregelmatigheid te moeten vermijden en te dien einde het letterteeken voor ij of IJ in zooverre te wijzigen, dat het onderscheid tusschen i j en den hier bedoelden klank duidelijk bleek. Het natuurlijkste middel daartoe ware geweest, de beide deelen aan elkander tot eene eenheid te verbinden, gelijk men in het schrijven gewoon is te doen. Doch de zwarigheden van typographischen aard, die zich hierbij voordeden, de vreemde en onbehaaglijke lettervormen, die ons voorgelegd werden, en die vooral bij het kapitale letterteeken aanstootelijk waren, hebben ons genoodzaakt van ons goede voornemen af te zien en den gewonen vorm van ij en IJ onzes ondanks te behouden.
86. Volgens § 47, a. moet men aan hetzelfde letterteeken niet buiten volstrekte noodzakelijkheid meer dan ééne waarde geven. Men handelt in strijd met dit beginsel, wanneer men thans nog kolijk, katholijk, fabrijk, muzijk enz. schrijft, en door die spelling aanleiding geeft, dat sommigen in die woorden werkelijk eene ij of ei laten hooren. Nu zij in de beschaafde uitspraak den i-, niet den ei-klank hebben, eischt de eerste grondregel koliek, katholiek, fabriek enz.; zoo ook poëzie, harmonie, melodie enz. Den dichter blijve het echter vrijgelaten naar goeddunken ook poëzij, harmonij enz. te schrijven, omdat in die woorden op ie, die den klemtoon op de laatste syllabe hebben, ook de uitspraak ij geoorloofd is. Zie § 40.
Zoo schrijve men ook koffie, lat. coffea, evenals men schrijft balie, falie, malie, tralie, olie, foelie, linie, kevie, merrie enz.
Nog sterker dan de spelling muzijk voor muziek enz. is af te keuren het gebruik van de ij in de plaats van de enkele korte i of y in tweeklanken als aij, eij, oij, uij, oeij, voor ay, ey, oy, uy, oy, of ai, ei enz. De ij heeft nooit als enkele i gegolden. Oudtijds had zij de waarde van ii, thans stelt zij een tweeklank voor, die als ei luidt; zoodat aij, hoe men het neme, niet anders opgevat kàn worden, dan òf als a + ie, òf als a + ij (a + ei). Eene spelling met aij enz. laat zich dus op geenerlei wijze, noch door de vroegere, noch door de hedendaagsche uitspraak, rechtvaardigen, zelfs niet in die eigennamen, waarin eene oude spelling behouden wordt. Gesteld dat iemand Van der Kruis heet, dan zijn van dien naam verschillende schrijfwijzen, mits met gelijkluidende letters, te verdedigen: Kruis, Cruys of Cruyss; doch Cruijs kon voorheen niet anders geluid hebben dan krui-is of kru-iis, en kan thans niet anders worden uitgesproken dan kru-ij-s (kru-eis); ij voor y is dus evenmin te rechtvaardigen als elke andere verwisseling van twee niet gelijkluidende letters, b.v. van r en l: cruij-s is even ongeschikt om den klank kruis te vertegenwoordigen als kluis of kruid zijn zou. Alleen de gewoonte van ij en y te verwarren maakt, dat kruijs minder ongerijmd schijnt.
87. In de namen der maanden, die oorspronkelijk genitieven zijn (Januarii, Junii enz.), is de i-klank van een geheel anderen aard en oorsprong dan in een der bovengenoemde woorden. Het komt der Redactie wenschelijk voor dien ook in de spelling van den uitgang -ie, welke hier en daar nog als ië luidt, te blijven onderscheiden, en naar Latijnsch gebruik Januari, Februari, Juni en Juli te schrijven. Deze spelling beantwoordt aan de uitspraak en is in overeenstemming met de door ons aangenomen regels voor het schrijven der bastaardwoorden.
88. De afleiding eischt de vervanging van ei door ij in de woorden malvezei, fr. malvoisie, en karwei (soort van zaad), fr. carvi, onderscheiden van karwei (werk), fr. corvée. Daarentegen zal om dezelfde reden de ij van sacristijn, fr. sacristain, ofschoon in sacristij (fr. sacristie) op hare plaats, voor ei moeten wijken. Derhalve malvezij, karwijzaad, sacristein, doch karweitje, sacristij.
Het woord dozijn, dat men lichtelijk voor het Fransche douzaine zou kunnen aanzien, moet zijne ij behouden. Niet uit het Fransch toch, maar uit het Latijn is het tot ons gekomen, gelijk onlangs te recht is aangemerkt. In de beschaafde uitspraak luidt het woord niet doezijn, maar dozijn, en sommige dialecten zeggen doziin, hetgeen op het Middeleeuwsch-latijnsche docenum wijst, en het woord op ééne lijn stelt met krijt, lat. creta; venijn, lat. venenum; tapijt, lat. tapete.
IJzen en ijselijk hebben, hetzij onmiddellijk, hetzij middellijk, hun bestaan te danken aan een woord, dat goth. agis, ohd. egiso luidde, en zouden uit dien hoofde, evenals zeil uit zegel, dweil uit dwegel enz., met ei behooren geschreven te worden, gelijk oudtijds werkelijk geschiedde. Daar echter het grondwoord eis (vrees, schrik) al vroeg vergeten werd, en men bij het schrikken niet zelden eene koude rilling voelt, begon men aan eene verwantschap met ijs te denken, en aan eizen de bepaalde beteekenis te hechten van koud worden, van schrik verstijven. In de uitdrukking: het is om van te ijzen, ziet het woord kennelijk op de kille huivering, die eene ontzettende aanschouwing of voorstelling veroorzaakt. Vandaar de verandering in de uitspraak en spelling. In die gewesten, waar ij nog als i klinkt, zegt men izen en iselik; en bij Kiliaan, Coornhert en anderen treft men de beide spellingen, met ei en ij, nevens elkander aan. Het een en ander bewijst, dat de »spraakmakende gemeente” naast het oude, nu vergeten, woord een nieuw met gewijzigde beteekenis gevormd heeft. Daar nu de spelling eizen, eiselijk niet zou kunnen strekken om op eenig thans algemeen bekend woord te verwijzen en zoodoende de beteekenis duidelijker te maken, vindt de Redactie geene reden om zonder eenig nut het algemeene gebruik te verlaten en, tegen de niet twijfelachtige uitspraak aan, een verouderd woord (althans een verouderden vorm) te hernemen, die bij het volk geheel vergeten is, en die bovendien een onbepaalder begrip vertegenwoordigt, dan het nieuwere woord of de nieuwere vorm. Zij schrijft derhalve volgens den Regel der Uitspraak ijzen en ijselijk.
89. Op grond van § 47, a en e verwerpt de Redactie de spelling van by, my, hy, zy, dwingelandy, razerny enz. met y, omdat deze letter in oorspronkelijk Grieksche woorden, als cylinder, Styx, Egypte, reeds den gewonen i-klank voorstelt, en haar alsdan buiten eenige noodzakelijkheid eene tweede waarde zou toegekend worden. Dat de ij-klank in bij, mij, hij slechts uit eene korte, niet uit eene lange i ontstaan is, kan in haar oog geene reden zijn om inbreuk op het bedoelde beginsel te maken, te minder daar in opene eenlettergrepige woorden, als thee, zoo, ook de e en o verdubbeld worden, ofschoon zij eigenlijk zacht zijn.
90. Vreemde woorden en eigennamen, die op heldere of lange klinkers eindigen, nemen in den tweeden naamval van het enkelvoud en in alle naamvallen van het meervoud eene s aan, voorafgegaan door het uitlatingsteeken (’). Dus Maria’s, Hebe’s, Garibaldi’s, Cicero’s, echo’s; niet Mariaas, Hebees enz. Daar de verdubbeling der i niet meer in gebruik is, zou men althans niet Garibaldiis, Paniniis, Rubiniis kunnen of willen schrijven; de analogie laat dus ook Mariaas, Hebees enz. niet toe. Buitendien is het dubbele letterteeken in strijd met de uitspraak van zulke woorden, waarin de eindvocaal nooit zoo lang wordt uitgerekt, als geschiedt met de klanken, die in Nederlandsche woorden in den regel door aa, ee enz. worden voorgesteld. De welluidendheid, zoowel als de analogie, maakt derhalve het gebruik van het uitlatingsteeken verkieslijker dan het verdubbelen van den klinker. Zie § 59, 61 en 62.
Ook is het onveranderlijk bewaren van den vorm der eigennamen wenschelijk, ten einde alle verwarring te voorkomen. Daarom schrijft de Redactie ook Bruining’s, of Bruinings’, naar gelang men den tweeden naamval of het meervoud van Bruining of van Bruinings bedoelt.
De regel is natuurlijk niet van toepassing op echt Nederlandsche gemeene zelfstandige naamwoorden, als ga (samentr. van gade), ra, vla (vlade). De a heeft in het meervoud dier woorden dezelfde zware of gerekte uitspraak als altijd in geslotene lettergrepen, b.v. als in aas, baas, geraas. Daarom schrijven wij niet eega’s, ra’s, vla’s, maar volgens den gewonen regel van het Nederlandsch, die in gesloten lettergrepen het verdubbelen van den helderen klinker voorschrijft: eegaas, raas, vlaas.
91. De Redactie spelt aar (korenaar), haar (hoofdhaar), meer (waterplas), door (van een ei), oor in oorsprong, oorzaak, niet air, hair, meir, doir, oirsprong, omdat de laatste schrijfwijze zoowel door de afleiding als door de uitspraak verworpen en door de duidelijkheid niet geëischt wordt, terwijl zij geheel op willekeur berust, daar er geene reden te bedenken is, waarom men niet liever in air (ader), hair (voornw.), meir (telw.), doir (voorzets.) enz. de verlenging door i zou aanduiden. Daarentegen meent zij de spelling heir (legermacht) en oir (erfgenaam) boven die van heer en oor te moeten verkiezen; het eerste omdat heir de beschaafde uitspraak, hoewel niet juist, toch beter vertegenwoordigt dan heer; het laatste als verbastering van het Fransche hoir. De spelling oor zou dit weinig gebruikelijke en weinig bekende woord onherkenbaar maken, en zeer zeker de duidelijkheid niet bevorderen.
De medeklinkers.
92. Tot de regels betrekkelijk de medeklinkers overgaande, meenen wij het eerst melding te moeten maken van het belangrijke vraagstuk omtrent de spelling der woorden, waarin tweeklanken op i voorkomen. Moet men zaaijen, zaaien, zajen of zaayen, hooijen, hooien, hoojen of hooyen spellen? De uitspraak beslist hier niet stellig genoeg. Men hoort in de genoemde woorden wel is waar eene j, maar slechts zeer flauw en op verre na niet zoo duidelijk als aan het begin van een woord, b.v. in jaar, jong, gelijk blijkt uit de vergelijking van vleier, vleijer met (een goed) hooi-jaar. Het gebruik beslist evenmin, daar alle vier de schrijfwijzen hare voorstanders hebben gehad en gedeeltelijk nog hebben; men denke slechts aan bajert, dojer en oojevaar of ooijevaar. Raadpleegt men de afleiding, dan wordt de zaak nog moeilijker. Indien men let op den oorsprong van zaaijen, draaijen, naaijen, en op de afgeleide woorden zaad, draad, naad, dan zouden za-jen, dra-jen, na-jen, de ware vormen zijn; zoo ook stroo-jen, goth. strau-jan, too-jen, goth. tau-jan, boej en boe-jen, lat. boja; daarentegen hooi-en, en kooi-en, om goth. havi (hawi) en lat. cavea. Voor andere woorden beslist zij in het geheel niet. Verandert d in i of in j? Heeft men ro-jen of rooi-en, van roden; do-jer of dooi-er, van doder; oojevaar of ooievaar, van oodevaar, te spellen? En welke letter moet schuijeren hebben, dat hetzelfde woord is als schuren? Regels op de afleiding gegrond zijn hier derhalve zoo goed als onmogelijk; zij zouden de spelling slechts uiterst moeilijk maken en tot nieuwe geschillen aanleiding geven.
In vreemde woorden, als bajonèt, sajèt, waar de klemtoon niet op de a valt, meent zij geenen tweeklank te moeten erkennen, te minder omdat de spelling baaionet, saaiet niet alleen er vreemd uitzien, maar ook tot eene verkeerde uitspraak aanleiding geven zou.
93. Er bestaat verschil van gevoelen omtrent de uitspraak en spelling van een paar woorden op -lei en -hande. Sommigen schrijven tweederlei, tweederhande, driederlei, driederhande, anderen tweeërlei, tweeërhande, drieërlei, drieërhande. Welke schrijfwijze is te verkiezen, die met of die zonder d? Daar de uitspraak hier evenzeer als de spelling weifelend is, hangt de beslissing af van de vraag, welke spelling door den aard en de samenstelling dier woorden gevorderd wordt.
De woorden op -lei en -hande, ofschoon thans als afleidingen te beschouwen, zijn eigenlijke samenstellingen of koppelingen van een bepalend woord, als één, twee, al, veel enz. met de zelfst. naamw. lei (ofr. ley) en hand, die beide vrouwelijk zijn, en hier soort of gesteldheid beteekenen. Eenerlei, eenerhande, allerlei, allerhande staat gelijk met van ééne soort of gesteldheid, van alle soorten of gesteldheden. Voorheen bezigde men ook goederhande voor van eene goede soort; en zoo ook goedertiere, quadertiere, allertiere, velertiere, menigertiere of -tieren, waarvan wij ons hedendaagsche goedertieren, met de bekende bepaalde beteekenis, hebben overgehouden. Bij de woorden op -lei en -hande heeft men dus afwisselend met een enkelvoud of met een meervoud te doen, naar gelang van het getal, dat het bepalende woord medebrengt, waarop echter, gelijk bij andere samenstellingen, die in afleidingen zijn overgegaan (vergelijk die op -halve en -wege), geen acht meer geslagen wordt. Men zegt in het meervoud evenzeer allerlei, voor aller leien, als in het enkelvoud eenerlei; daarentegen eenerhande, met hand in den ouden meervoudsvorm op e, evengoed als velerhande. Intusschen treft men altijd een vrouwelijken 2den naamval aan, waaruit volgt, dat de bepalende woorden steeds op -er moeten eindigen. Regelmatig zijn dus, wat het eerste lid betreft: eener-, geener-, eeniger-, meniger-, veler-, aller-, achter-, twintiger-, honderder-, duizenderlei en -hande enz.; doch onregelmatig vierder-, vijfder-, zesder-, zevender-, negender-, tienderlei en -hande enz., omdat men daarbij aan het bepalende woord den vorm van een ranggetal geeft. Dat zulks ten onrechte geschiedt, volgt reeds uit de beteekenis dier woorden, en blijkt bovendien uit eenerlei, driederlei, achterlei, twintigerlei, honderderlei, niet eersterlei, derderlei, achtsterlei, twintigsterlei, honderdsterlei enz. De ingeschoven d is trouwens ook niets anders dan eene vergroving der uitspraak van eene toonlooze lettergreep achter vloeiende letters, gelijk r en n zijn. Bij vierderlei, zevenderlei, negenderlei, tienderlei enz. heeft hetzelfde plaats als bij zwaarder, duurder, hoorder, scheerder, diender, boender, spaanders enz., en bij vilder, helder, kelder, zolder enz. van villen, hel, cellarium, solarium. Zoo zei men voorheen, en zegt men nog wel, ook eenderlei, alderhande, waarin aan de d wel geene beteekenis kan gehecht worden. Ofschoon men nu, door verkeerde gevolgtrekking, geheel ten onrechte de d ook achter andere letters dan vloeiende, namelijk in vijfderlei, elfderlei, twaalfderlei en zesderlei heeft ingevoerd, hebben evenwel eenerlei, achterlei, twintigerlei, honderderlei, duizenderlei enz. den grammaticaal onberispelijken vorm behouden. Aan een practisch gemakkelijken regel: de achtervoegsels -lei en -hande treden achter ranggetallen, valt dus niet te denken, zelfs niet bij driederlei. De Redactie meent daarom in de beide twijfelachtige gevallen aan de meer beschaafde uitspraak zonder de d, waarbij de ware natuur der woorden meer uitkomt, de voorkeur te moeten geven. Zij schrijft derhalve: tweeërlei, tweeërhande, drieërlei, drieërhande.
94. Vervolgens doet zich de vraag voor omtrent de spelling van den geadspireerden keelklank vóór de t. Waar moet men cht spellen? waar gt? Den regel, dienaangaande in 1804 gesteld, dat de woorden, afgeleid van stammen, waarin blijkbaar eene g voorkomt, b.v. in klagt van klagen, met g, de overige met ch behooren geschreven te worden, meenen wij niet te mogen behouden. Vooreerst toch is de afleiding van sommige woorden, welke in die categorie vallen, geheel onbekend of ten minste onzeker. Ten andere is de g in sommige stamwoorden slechts eene aan het Nederlandsch, evenals aan het Deensch, in het bijzonder eigene verzachting van de oorspronkelijke ch, b.v. in vliegen, wij zagen, wij tegen, aangetogen en andere, zoodat door vlugt, gezigt, togt enz. toch niet de ware vorm dier woorden voorgesteld wordt. De genoemde regel is ook moeilijk in de toepassing en is tot nu toe zeer willekeurig en onregelmatig toegepast. Zoo berust b.v. de spelling regt, regter, rigten, berigten, op eene verkeerde afleiding; geslacht (van slag, soort), tucht, tuchtigen (van tiën, toog enz.), (be)tichten, van (aan) tijgen, zouden evenzeer eene g vorderen als slagter, geslagt, togt enz. Eindelijk, de regel is, gelijk blijken zal, kennelijk in strijd met ons taaleigen.
Het is om genoemde bedenkingen, dat wij ons den volgenden regel stellen:
De geadspireerde keelletter, die zich vóór eene steeds in het woord blijvende en steeds onmiddellijk volgende t bevindt, welke tot dezelfde lettergreep behoort, wordt, zonder op de afleiding te letten, door ch voorgesteld. Doch wanneer het woord eene g heeft, die, afwisselend, nu al dan niet onmiddellijk door de t wordt gevolgd, of wanneer deze tot de volgende lettergreep behoort, dan blijft de g onveranderd.
Hoe willekeurig deze regel met zijne uitzonderingen bij den eersten aanblik ook schijnen moge, bij eene nadere beschouwing blijkt, dat hij door ons taaleigen gebiedend wordt gevorderd. Wanneer een vaste medeklinker (eene zoogenaamde muta) reeds van oudsher onmiddellijk, d.i. zonder tusschenstaanden klinker, door eene t gevolgd werd, dan zijn beide medeklinkers zoo innig samengesmolten, dat zij eene soort van eenheid uitmaken, die met eenen verdubbelden, d.i. versterkten, medeklinker gelijkstaat. De samensmelting blijkt duidelijk uit de verscherping van den eersten medeklinker, die vervolgens meestal in ch overging; en uit de verkorting of verscherping van den voorgaanden helderen klinker, welk laatste verschijnsel ook bij eene verdubbeling, b.v. in stòtteren van stóóten, in verhèffen naast verhéven, plaats vindt. Zoo ontstonden gràft en gràcht van gráven; schàft en schàcht van scháven; echt van ehe; gìft (mnl. ook gìcht) van géven; plìcht van plégen; kòcht en bruilòft van kóópen en lóópen; gewrocht van worken; gezòcht, gerùcht en kluft van zóéken, róépen en klieven; vernuft voor vernumbt van vernemen, vernomen. Doch men zegt en schrijft: hij graaft, schaaft, geeft, pleegt, koopt, loopt, zoekt, roept, verneemt, niet hij gracht, schacht, gift of gicht, enz., omdat deze zelfde woorden de vormen graven, ik graaf, schaven, ik schaaf enz., zonder t, nevens zich hebben. Het beurtelings af- en aanwezig zijn liet de samensmelting niet toe. Evenzoo zeggen en schrijven wij laagte, leegte, hoogte, drukte, goedkoopte, diepte, niet lachte, lechte, hochte, druchte, goedkochte, dichte, alleen omdat de t, tot de volgende lettergreep behoorende, zich niet zoo nauw aan den voorgaanden medeklinker kon aansluiten, dat hij met dezen samensmolt. Immers, waar de volgende e ontbreekt, daar openbaart zich de ineensmelting weder, zooals blijkt uit de vergelijking van luwte met lucht, ziekte met (water)zucht. Ook in de woorden, waarin oudtijds tusschen de beide medeklinkers een klinker werd aangetroffen, die eerst in betrekkelijk laten tijd is uitgevallen, is de ineensmelting door dien klinker verhinderd geworden, zoodat de voorgaande medeklinker niet veranderd, en een voorgaande heldere klinker niet verscherpt is. Dit blijkt uit abt (mnl. abbet), dat niet in aft of acht is overgegaan; uit ambt (ambacht), niet aft, gelijk vernuft zou doen verwachten; uit kreeft en ooft (bij Kiliaan krevet en ovet), niet krecht en ocht; uit markt (lat. mercatus), niet marcht.
Het is uit dien hoofde geheel overeenkomstig ons taaleigen, dat wij ons ten regel stellen:
De g blijft in de regelmatige vervoeging der werkwoorden, wier stam op eene g eindigt, en in de zelfst. naamw., door achtervoeging van -te gevormd van bijvoegl. naamw. op g uitgaande.
Wij schrijven derhalve: dracht, jacht, klacht, macht, slachten (dooden), geslacht (en gemaal), plecht, plechtig, licht (niet zwaar), plicht, gewicht, gezicht, gedrocht, tocht, lucht, tucht, vlucht, zucht (diepe ademhaling) evenzeer met ch, als nacht, geslacht (familie), slachten (gelijken), echt, recht, licht(straal), lucht, vrucht enz. Daarentegen: hij draagt, jaagt, vraagt, legt, zegt, pleegt, weegt, droogt, zoogt, enz., en graagte, laagte, leegte, droogte, hoogte, menigte enz.
De verkorte eigennaam Aagt behoort ook de g te behouden, dewijl er een klinker is uitgestooten, die zich nog heden ten dage in den vollen vorm Agatha vertoont. Dat het woord met den helderen klinker en niet als Acht wordt uitgesproken, bewijst, dat er geene samensmelting der medeklinkers in plaats heeft.
De onregelmatige onvolm. verled. tijden en deelw. bracht, gebracht, mocht, van brengen en mogen, verkeeren in het geval, dat de ch eischt. In die vormen heeft de tijdsuitgang -de (-te) de e verloren, ten gevolge waarvan de overblijvende t zich aan den voorgaanden medeklinker heeft aangesloten. Bracht en mocht staan voor brachte en mochte, en deze vormen voor bragde (of brengde) en moogde, gelijk de analogie van zengde, leegde en zoogde zou medebrengen. De overgang der regelmatig vereischte d in t bewijst voldingend de samensmelting en dus ook de verscherping der voorgaande medeklinkers. Wij schrijven uit dien hoofde: hij bracht, mocht, gebracht, nevens hij en gij brengt, gij moogt. Evenzoo hij placht, oudtijds plach (plag), waarin de bijgevoegde t met de sluitletter g evenzeer is samengesmolten als in gedrocht voor gedrog.
Wij aarzelen te minder tot de genoemde verandering over te gaan, omdat de voorgenomen spelling beter dan die met g aan de uitspraak beantwoordt en reeds door vele onzer beste schrijvers gevolgd wordt, terwijl de regel gemakkelijk toe te passen is en aan veel willekeurigs en onregelmatigs een einde maakt, en het wijzen op de afleiding bij de meeste woorden dezer categorie volstrekt geen nut heeft. Immers de beteekenis van plecht, plechtig, gedrocht, tucht, tuchtigen wordt niet opgehelderd door het verwijzen op plegen, (be)driegen en toog (van tiën); men verstaat het woord macht niet beter, als men weet, dat het van mogen komt, sedert dit de beteekenis van kunnen verloren heeft; en de kracht van het woord plicht wordt vooral niet beter gevoeld als men verneemt, dat plegen het grondwoord is, nu dit meest van moord en roof gebezigd wordt.—Bij de meeste andere woorden is de g niet toereikend om den lezer aan het grondwoord te herinneren. Bij dragt, (de) jagt, klagt met g zal men misschien iets eerder aan dragen, jagen en klagen denken, dan wanneer men dracht enz. schrijft; doch geen onkundige zal vermoeden, dat (het) jacht, slachten en slachter, aangezicht, vluchten en zuchten samenhangen met jagen, slaan (sloeg), zien (zag), vliegen en zuigen, al spelt men die woorden ook met g; evenmin als hij bij boeten en schuit aan baten en schieten denkt. Waar zulk een groot verschil in klank bestaat, en de beteekenissen slechts eenigszins uiteenloopen, wordt geene verwantschap meer gevoeld. De toepassing van den Regel der Gelijkvormigheid brengt hier derhalve geen nut aan; vergel. ook § 50.
95. Lang heeft de Redactie in bedenking gestaan bij de vraag: moet de ch na kort afgebroken klinkers al of niet verdubbeld worden? en, zoo ja, hoe dan?—moet men kachel, kagchel of kachchel enz. schrijven? De thans meest gebruikelijke spelling kagchel, rigchel, bogchel enz. is onregelmatig en kan reeds daarom niet in alle opzichten worden verdedigd. Bovendien doet de verbinding van twee verschillende, doch verwante letterteekens, als g en ch, aan eene samenstelling denken, terwijl de meeste der hier bedoelde woorden, alleen lichaam uitgezonderd, slechts afleidingen zijn, waarin eene enkelvoudige g of k door den invloed der volgende l tot ch verscherpt is; b.v. bochel van buigen, boog; tichel van tegel; kachel van kakel, bij Kiliaan kaeckel. Lichaam, uit lijk en haam, door de spelling als een samengesteld woord te kenmerken, en b.v. lich-haam te schrijven, zou echter geheel nutteloos wezen, omdat in lich het woord lijk toch niet zou herkend worden, terwijl dit bovendien, evenals haam, in deze samenstelling met eene beteekenis voorkomt, die thans bij de meerderheid der sprekenden en schrijvenden onbekend is.
Voor de spelling met de enkele ch pleit, behalve de welluidendheid, ook nog de analogie met de meeste eigennamen, als Jochem, Kochem, Lochem, Mechelen, Vechel, Zwichem; die met echel, en vooral die met echo, welke woorden nooit met gch geschreven worden. Alleen de uitspraak van de bij ons gebruikelijke namen Rachel en Michiel past er niet in. Het onderwijs zou dus inderdaad bij de spelling met de enkele ch aan gemak winnen. In de plaats van den thans geldigen regel: De ch wordt na onvolkomene klinkers door de voorvoeging eener g verdubbeld, waarbij de bovengenoemde woorden en andere dergelijke als uitzonderingen moeten opgegeven worden, heeft men slechts te leeren: Alle enkelvoudige klinkers hebben vóór de ch den onvolkomen klank, mee uitzondering van de eigennamen Rachel en Michiel. Vergel. het opstel: De Spelling en het Lager Onderwijs, van den Heer J. A. van Dijk, in den Taalgids, VI, blz. 73 vlgg.
96. Van een geheel anderen aard dan de verdubbeling der ch door middel van de g is die der s in wasschen, flesschen, visschen, mosschen of musschen, tusschen enz., die door sommigen daarmede op ééne lijn wordt gesteld. Niet de letter, die verdubbeld wordt, niet de s, maar de ch, die stom is, zou een punt van geschil kunnen uitmaken. Deze toch doet thans niets meer aan de uitspraak af, maar is alleen een graphisch overblijfsel uit den tijd, waarin zij, uit k ontstaan, werkelijk gehoord werd. Toen men eerst visk, mosk, en later inderdaad visch, mosch, d.i. met ch, uitsprak, bleef de eerste lettergreep ook in de meervouden vis-ken, vis-chen, mus-ken, mus-chen gesloten, en werd de tweede s natuurlijk niet gevorderd; thans echter, nu er alleen eene s is overgebleven, is hare verdubbeling in vis-sen, mus-sen evenzeer noodig en regelmatig als in mos-sel, vroeger mos-chel. De dubbele s levert dan ook niet het minste bezwaar op, kan nooit medewerken om de uitspraak te bederven. Dit is integendeel wel te vreezen van de spelling vis-chen, mus-chen enz., die alleen strekken kan om de thans ondraaglijk pedante uitspraak, welke de ch in de genoemde en dergelijke woorden laat hooren, meer in zwang te brengen. Men is buitendien te zeer gewoon de geheele sch bij de tweede lettergreep te voegen, gelijk blijkt uit Pa-schen, zij he-schen, kre-schen, gehe-schen, gekre-schen, welke woorden men toch wel niet gaarne noodeloos met dubbelen klinker, Paas-chen, hees-chen, krees-chen, gehees-chen en gekrees-chen, zou geschreven zien. Wij kennen derhalve geene enkele reden om de ééne s weg te laten, maar redenen te over om haar te behouden, namelijk het gevestigde gebruik en de voorkoming eener wanluidende uitspraak. Wij blijven derhalve wasschen, lesschen, wisschen, tusschen enz. schrijven met de dubbele s.
97. Bilderdijk’s spelling nogthands steunde op eene verkeerde afleiding: nochtans is samengesteld uit nog en dan (mnl. nochtan of nodan) met de adverbiale s, en heeft dus niets met thans of thands (te hande) te maken. Aan de invoering eener h en d in dit woord valt derhalve niet te denken. Doch men zou in twijfel kunnen staan bij de keuze tusschen nochtans en nogtans. Ofschoon de Redactie het raadzaam oordeelt, de gebruikelijke onderscheiding van nog (daarenboven, tot nu toe) en noch (ook niet), hoewel niet op de afleiding gegrond, om den wille der duidelijkheid te behouden, meent zij echter in nochtans de voorkeur aan de ch te moeten geven, vermits wel deze scherpe keelletter, maar niet de zachte g, den overgang der d van dan in de t van tans heeft kunnen veroorzaken, en het woord voor ons gevoel eene eenheid geworden is, waarbij aan de samenstellende deelen niet meer gedacht wordt, zoodat hier alleen de Regel der Uitspraak behoort gevolgd te worden.
98. Het algemeen gebruik wil, op grond der uitspraak, sedert lang koninklijk, aanvankelijk, afhankelijk, jonkheer, jonkvrouw, sprinkhaan. Dezelfde reden geldt voor de spelling koninkrijk, jonkheid, koninkje, woninkje, kettinkje en lankmoedig. Daarenboven zou de schrijfwijze koningrijk, koningje, jongheid enz. bij voortduring aanleiding geven tot eene uitspraak, die met ons taaleigen in strijd is. De Redactie aarzelt daarom niet hier den Regel der Welluidendheid te laten gelden en in de genoemde woorden de g door de k te vervangen.
99. Het gebruik der tongletters d en t, wanneer zij door eene s worden gevolgd, heeft eenige overeenkomst met dat der g en ch vóór eene t, waarover in § 94 is gehandeld. De gevallen staan echter niet geheel gelijk. De taal eerbiedigt bij de s, nu althans, de grondvormen op d en t meer dan voorheen die op ch en g, en zij handelt hier lang niet zoo regelmatig als bij cht en gt. Oudtijds smolt de scherpe keelletter ch geheel weg in de volgende s, b.v. in as, das, vlas, was, mest, zes, wisselen, os, vos, uit achs, dachs enz.; de zachte keelletter g, die als de Fransche gu werd uitgesproken, werd tot k verscherpt in heks van hag, reeks van reghe, fluks van vlug; een heldere klinker onderging soms ook verkorting, b.v. in dissel, hd. deichsel.
Die regelmatigheid treft men niet aan bij de tongletters, die vóór de s staan. Ook deze smolten soms, b.v. in thans, volgens, bijkans enz. voor thands, volgends, bijkants, in de s weg; doch geenszins altijd, b.v. niet in bits, spits enz. Vandaar niet zelden tweeërlei vormen, de eene met, de andere zonder de tongletter, nevens elkander, b.v. spiets en spies van mnl. spiet; klits en klis van klit; lits en lis, ook luts en lus uitgesproken, van lat. licium; en in de volksspraak klussen, mussen enz. naast klutsen en mutsen in de schrijftaal. Evenmin werd de klinker altijd verkort: maetselen werd wel is waar metselen, maar naast ketsen hield kaatsen stand; koorts en rots bleven, naast het vroegere kortse en rootse, de eenige gebruikelijke vormen; plaats, schaats, taats, koets, toets, zijn nooit tot plats, kots enz. verkort geworden, ofschoon er geen klinker is uitgevallen, die, gelijk bij de t, de samensmelting verhinderde. Ook de spelling was evenzeer ongelijk en onzeker, en niet zelden vindt men ds, waar de afleiding ts zou hebben doen verwachten, b.v. in guds, ridsen, ridsig.
Uit het een en ander blijkt, dat de woorden op ds en ts niet volkomen parallel loopen met die op gt en cht; en dat de regel eenigszins anders zal moeten luiden dan die in § 94. Daar de Regel der Uitspraak hier niets beslist, moet die der Gelijkvormigheid gelden, en, waar de afleiding onbekend of onzeker is, die der Analogie. Van een groot aantal woorden kan de spelling niet twijfelachtig zijn. Vooreerst is het rationeel, dat die welke uit het Fransch ontleend zijn, ten tijde dat ch nog als tch (tsj), en c nog als ts luidde, met ts worden geschreven; te weten koets in de beide beteekenissen, toets, flits, rots, toorts, fr. couche en coche, touche, flèche, roche, torche; plaats, rantsoen, fatsoen, fr. place, rançon, façon. Daarentegen moet de fr. g, vroeger als dg (dzj) uitgesproken, bij ons ds worden, namelijk in loods (houten gebouw), fr. loge. De afleiding eischt stellig eene t in guts (holle beitel, waarmede onder andere ook goten uitgehold worden) van goot; in ritsen, ritsig, verwant met wrijten, alsmede in gutsen, uit het oudere gussen vervormd met ingevoegde t. Ook is het thans verkieslijk aan knots de t van knotten te geven, nu knodde en knodden verouderd zijn. In ridselen, ofschoon misschien van rijden, heeft de d in allen gevalle geen nut meer, nu rijden niet langer in de beteekenis van beven gebruikt wordt. Voor de spelling kodsen bestaat geene enkele reden; het is waarschijnlijk een klanknabootsend woord; en Kiliaan schreef reeds kotsen, Plantijn kotzen. Loods (persoon) en gids behooren volgens de afleiding eene d te hebben, als zijnde gevormd van looden en fr. guide. In smidse, van smid, kan de s in geen geval geacht worden de d verscherpt te hebben, dewijl zij tot de volgende lettergreep behoort. Omtrent de spelling der overige woorden, als kaats, schaats, taats, schets, scherts, koorts enz., wier afleiding òf onbekend, òf onzeker is, òf niet strekken kan om de beteekenis op te helderen, heeft nooit verschil van gevoelen bestaan; er is dan ook geene reden te bedenken, waarom zij anders zouden geschreven worden, dan tot nu toe geschied is. Trekt men alles samen, dan krijgt men den volgenden practischen regel, op dien der Gelijkvormigheid en der Analogie gegrond:
Wanneer de s door eene tongletter wordt voorafgegaan, dan is deze de scherpe t; uitgezonderd in den 2den naamw. der woorden op d, in de bijvoegl. naamw. en bijwoorden door aanhechting van sch en s van woorden op d gevormd; en eindelijk in loods (in de beide beteekenissen), gids en smidse.
Wij schrijven derhalve trots, schertsen, plaats, schaats, toorts enz.; maar Gods, des bloeds, goedsmoeds, steedsch en steeds, kindsch, gindsch en ginds van gind(er), sinds van sed(ert).
100. De woorden op -aard en -erd leveren geene moeilijkheid op; zij vereischen zonder bedenking eene d. Het achtervoegsel -aard is oorspronkelijk het bijvoeglijk naamwoord hard, dat oudtijds sterk beteekende, en dezen zin nog heeft in uitdrukkingen als hard draven, loopen, werken. In samenstellingen beteekende het sterk als datgene, of ten aanzien van datgene, wat door het stamwoord werd uitgedrukt, b.v. Beranhard, Burchard, Everhard, Wolfhard, sterk als een beer, burg, ever, wolf; Ecgehard, Gêrhard, sterk met het zwaard, met de speer; Meginhard, Reginhard, Snelhard, sterk in kracht, in raad of list, in vlugheid; Sigihard, Wic-hard, sterk in de zege, in den strijd. Als tweede lid in de samenstelling verloor het al spoedig de h, evenals -helm, -hilde, -haftig, en soms -hande, b.v. Anselmus, Willem, Machteld, deelachtig, en mnl. menigherande, voor Anshelmus, Wilhelm, Machthilde, deelhaftig, menigerhande. Vandaar, dat men naast eigennamen op -hard, mlat. hardus, ohd. -hart, oudtijds vormen op -art en -aert aantreft, die thans op -ard, -erd en -ert uitgaan. Zoo b.v. Athalhardus, Bernhardus, Burchardus, Everhardus, Folchardus, Gêrhardus, Meginhardus, Reginhardus enz., mnl. Adelaert, Bernaert, Burchaert, Everaert, Volcaert, Meinaert, Reinaert; thans Allard en Aldert, Bernard, Everard en Evert, Volkert, Meindert, Reindert. Daar de vormen op -hard, -hardus, ohd. hart, in overoude stukken voorkomen, maar die op -ard, -aert en -erd alleen in latere, zoo is het duidelijk, dat de laatste uit de vroegere ontstaan zijn, en niet -hard uit -erd.—In het Mhd. werden met -hart ook gemeene namen gevormd, alle met ongunstige beteekenis, als lügehart, sterk in het liegen; naghart, knaaglustig; selphart, zelfzuchtig; slinchart, slokop; trügenhart, sterk in het bedriegen; vrîhart, ongebondene.
Uit de Duitsche talen ging hard in de Romaansche over, en werd daar, met de in die talen gewone verstomming der h, ital. -ardo, als in bastardo, codardo; fr. -ard, als in bâtard, couard, gaillard, grognard, pendard, richard, viliard; zie Diez, Gramm. der Rom. Sprachen, II, 358 vlgg. De ongunstige opvatting, die ook het Mhd. vertoont, treedt in de Romaansche talen, waar het achtervoegsel van vreemden oorsprong was, bepaald op den voorgrond.
Het Mnl. nam van die Fransche woorden over, b.v. bastaert, cockaert, viliaert; en vormde nu naar die modellen zelf nieuwe, als behaghelaert, bollaert, clappaert, dullaert, galghaert, gaepaert, grisaert (grijskop, zie Horae Belg. VI, 98), loyaert, moyaert enz., alle woorden van minachting of spot, en niet zelden met den klemtoon op -aert. Dat men de h, die reeds uit de eigennamen uitgevallen was, niet weder invoegde, is natuurlijk. Het Nnl. ging op den eenmaal ingeslagen weg voort, en maakte een aantal andere, insgelijks met ongunstige beteekenis, als bloodaard, dronkaard, gulzigaard, lafaard, veinsaard, wreedaard enz.; zelfs rijkaard, van het onschuldige rijk, wordt in slechten zin genomen; alleen grijsaard hield op een schimpnaam te zijn.
Het achtervoegsel -erd, in het Mnl. nog onbekend, en dus jonger dan -aert of -aard, is eene verbastering van dat zelfde suffix, gelijk blijkt uit leperd, plomperd, stinkerd, die bij Kiliaan nog leepaerd, plompaerd, stinckaerd luiden; en uit grijzerd, dat bij latere dichters voorkomt. Kiliaan geeft naast luyaerd ook luyerdije op, hetwelk toont, dat de verandering van -aard in -erd aan de werking van den klemtoon moet toegeschreven worden. De boven aangetoonde verbastering der eigennamen, b.v. de verandering van Everaert in Evert, en die van bastaard in basterd stelt de zaak buiten allen twijfel.
Sommigen zijn van gevoelen, dat -aard en -erd zouden ontstaan zijn uit het achtervoegsel -er, waarachter men, ter versterking, eerst eene t zou gevoegd hebben, zoodat -ert ontstond, hetwelk vervolgens nog eene tweede versterking, eene verlenging tot -aart, zou hebben ondergaan. Zij gaan uit van de onjuiste onderstelling, dat wij werkwoorden zouden hebben of gehad hebben, als grijzen, laffen, rijken, snooden, met de beteekenis van grijs, laf, rijk, snood zijn; dat grijsaard, lafaard, rijkaard enz. personen aanduiden, die bestendig grijzen, laffen, rijken enz., die »niet in het werkelijk oogenblik, maar bij aanhoudendheid de hoedanigheden van grijs enz. hebben”. Dat gevoelen, dat zich zelf wederspreekt, en waarvoor men nooit een zweem van bewijs heeft weten aan te voeren, is niet slechts uit de lucht gegrepen en geheel zonder grond, maar het onderstelt ook, gelijk de geschiedenis der taal leert, eene onmogelijkheid. Achtervoegsels, die, gelijk -er, nooit den klemtoon hebben, ondergaan in den loop der tijden geene versterking, maar omgekeerd verzwakking. Juist het achtervoegsel -er levert er een sprekend en leerrijk voorbeeld van. Dit luidde goth. -areis, b.v. in laisareis (leeraar), wullareis (voller); het werd ohd. -arî, mhd. -ære, nhd. -er. In het Mnl. werd het achtervoegsel geheel toonloos en ging over in -ere, -er, en -re, wanneer het onmiddellijk volgde op de lettergreep, die den vollen klemtoon had; maar het behield den halven toon en veelal ook de a, en werd -are, -aer, of -ere, -eer, wanneer het door eene toonlooze lettergreep werd voorafgegaan, zoodat het niet onder den invloed van den klemtoon der stamlettergreep stond; b.v. in gokelare, loghenare en loghenére, voghelare, persemére (woekeraar), enz., naast dienre, leerre, speelre, backere, wever enz. Wij nemen hier dus eene steeds voortgaande verzwakking waar, van -areis tot -arî, -are, -ere, -er en -re, die men ook bij andere achtervoegsels kan opmerken; b.v. bij -dom, onl. -duom; bij -lijk, goth. -leiks, dat thans als lik wordt uitgesproken; en bij -aard zelf, niet alleen in de eigennamen, maar ook in de gemeene zelfst. naamw., die naar Fransche modellen, met het accent op -ard gevormd, ook in het Mnl. niet zelden den klemtoon hadden, maar thans nooit meer dan den halven toon krijgen, of, als -erd, geheel toonloos zijn. Het grenst aan ongerijmdheid, in strijd met de lessen der geschiedenis te stellen, dat de stroom tot voorbij zijnen oorsprong zou zijn teruggevloeid, en dat de taal op eenmaal hare richting, niet wijzigende, maar geheel omkeerende, van -er niet alleen -ert, maar zelfs -aart zou hebben gevormd.
Het Nnl. heeft, wel is waar, welluidendheidshalve, dienre, leerre, sunder, in dienaar, leeraar, zondaar veranderd; daarbij had evenwel geene versterking van -er tot -aar, geene vorming van een nieuw achtervoegsel plaats, maar slechts eene verruiling; -aar had nooit opgehouden te bestaan. Evenmin zou de taal van sommige verbalia op -er, als bijter, blaffer, woorden op -erd hebben gevormd, indien -erd niet reeds aanwezig was geweest. Meest alle woorden op -erd hebben trouwens een ongunstigen of spotachtigen zin, die aan -er niet eigen is; zelfs lieverd en stouterd worden doorgaans schertsend gebezigd.
Is het zeker, dat -aard en -erd uit hard ontstaan zijn, dan moeten zij ook volgens de afleiding de d hebben, die de uitspraak er aan toekent. Het meervoud van bastaard toch luidt niet alleen bastaards; maar ook bastaarden, en daarnevens staat bastaardij; Kiliaan kent ook een werkw. luyaerden en de zelfst. naamw. luyerdije, van luyaerd, en mooyaerdije van mooyaerd. In Spanjaard, dat op eene andere wijs gevormd is, op welke evenwel de oude afkeer van die natie invloed kan gehad hebben, is de d gewaarborgd door het meerv. Spanjaarden, naast Spanjaards. Maar zelfs indien men wilde aannemen, dat -aard en -erd niets anders zijn dan -er, door eene tongletter versterkt, ook dan nog zou de keus op de d moeten vallen; de taal zelve leert door zwaarder, eerder, hoorder, duurder, gezagvoerder, dat zij, waar de r versterking behoeft, de d en niet de t wil gebezigd hebben.
101. Even weinig zwarigheid baart de keus tusschen de d of t in het zelfst. naamw. aard of aart. De afleidsels aardig, aarden en ontaarden pleiten voor de zachtheid der sluitletter, terwijl de afleiding en de verwante talen de deugdelijkheid en oorspronkelijkheid dezer zachte uitspraak buiten allen twijfel stellen. Aart en aartig zijn germanismen, en niets meer.
102. In rit, mv. ritten, bint, mv. binten, gebint, mv. gebinten, bewijst de uitspraak eene verscherping der sluitletter, ofschoon de stamwoorden rijden en binden buiten twijfel eene d hebben. Ridden strijdt met de uitspraak, bindten en gebindten met alle regelmaat. De verscherping der d is buitendien reeds lang algemeen erkend in met en mits, nevens mede; in vaart, mnl. vaerde, waarvan nog koopvaardij; in zat, mnl. sad, waarvan verzadigen; in klant, fr. chaland. Daarom ook beeltenis, verbintenis, evengoed als ontstentenis van het oude ontstanden (ontstaan d.i. ontbreken). De gebruikelijke schrijfwijzen beeldtenis en verbindtenis doen ten onrechte aan eene afleiding met -te denken.
Indien met, mits en rit eene t hebben, dan bestaat er geene afdoende reden voor medgezel en ridmeester met d, ofschoon met in het eerste woord het bijwoord mede is.
103. De afleiding pleit voor de spelling andwoord, door Bilderdijk en anderen aangenomen, als zijnde dit woord door samenstelling gevormd van het oude voorzetsel and, hier als bijwoord gebruikt. Daar het Nederlandsch zich echter tot regel heeft gesteld, onverbuigbare woorden met scherpe medeklinkers te sluiten—op welken alleen in nog (adhuc) ter bevordering der duidelijkheid eene uitzondering gemaakt wordt—en de spelling met d de beteekenis van het woord niet duidelijker maakt, noch op het etymologisch verband met eenig ander Nederlandsch woord wijst, vinden wij geene reden hoegenaamd om in dezen van de meest gebruikelijke spelling af te wijken. Wij achten ons hiertoe te minder gerechtigd, dewijl wij dan, om consequent te blijven, ook de t in met zouden moeten vervangen door de d, waarvoor niet slechts de verwante talen, maar ook het bijw. mede, pleiten. Het argument, dat het bijw. and de stam van het voornw. ander en het bijw. anders zou zijn, waardoor de beteekenis van andwoord, als het andere of tweede woord, kon schijnen opheldering te erlangen, is uit de lucht gegrepen en wordt door de verwante talen ten stelligste weersproken.
Om dezelfde reden verdient ook de spelling Andwerpen voor Antwerpen geene aanbeveling.
104. Men zegt en schrijft gewoonlijk admiraal, admiraliteit enz.; sommigen willen ammiraal, op grond dat de d slechts ten gevolge van een misverstand is ingelascht. Die misvorming is evenwel niet in den boezem onzer taal geschied: deze had er geene aanleiding toe. Wij hebben het woord in de middeleeuwen onder dubbelen vorm: amirael of ammirael en admirael, van de Zuid-Europeesche volken aan de Middellandsche Zee overgenomen. Het is het Arabische amir (emir) met een Latijnsch achtervoegsel. Men bracht het in verband met lat. admirari, fr. admirer; vanhier de vormen: admiralis, admirabilis, admiratus, admirant, admiraglio enz., die alle aan bewonderen doen denken. De d is dus werkelijk geheel te onrecht ingevoegd; maar even zeker is het, dat wij haar thans algemeen laten hooren. De Regel der Uitspraak eischt dus het behoud der d, terwijl de overige regels hier niet in aanmerking komen. Admiraal is wel niet meer noch minder welluidend dan ammiraal of amiraal, en het woord heeft in onze taal geene verwanten, waarop de spelling kan wijzen, geene analoga, wier stem gehoord kan worden. De Regel der Welluidendheid, die der Gelijkvormigheid en der Analogie, zwijgen hier dus, terwijl de toepassing van dien der Afleiding geheel doelloos zou zijn. Het woord amir en het Latijnsche achtervoegsel -alis behooren tot talen, slechts aan geleerden bekend, en de vrees, dat iemand ten onzent admiraal van admirari of admirer zal afleiden, is niet gegrond. Wie geen Latijn of Fransch kent, komt natuurlijk niet op de gedachte: en wie die talen verstaat, wordt door het woord zelf, dat geen verstaanbaren vorm heeft, tegen die afleiding gewaarschuwd. Luidde het admirabel, admirant of admiraat, dan kon er grond voor die vrees bestaan; doch -aal is geen achtervoegsel dat aan werkwoorden gehangen wordt Indien door het uitlaten der d (amiraal) de oorspronkelijke vorm hersteld ware, dan zou de zin voor ordelijkheid misschien die uitlating wenschelijk maken, doch amiraal is evenmin Arabisch als admiraal. Wij zien daarom geene reden om het thans heerschende schrijfgebruik te verlaten en geheel noodeloos den hoogsten grondregel der spelling te verzaken.
105. Het Nederlandsch bezit voor de twee verschillende sisklanken ook twee afzonderlijke letterteekens: de s voor den scherpen, de z voor den zachten klank. De vroegere verwarring, toen s zoowel zacht als scherp werd gebezigd, waarschijnlijk een uitvloeisel van het Latijnsche spraakgebruik, heeft sinds lang opgehouden, zoodat s thans uitsluitend scherp is. Daarmede is hare verdubbeling achter een langen klinker of tweeklank, b.v. in aassem, braassem, deessem, geessel, kruissen, kruissigen, IJssel, zeissen, Pruissen enz., eene onloochenbare onregelmatigheid geworden, die gelijkstaat met de spelling laaffenis, raaffelen, weiffelen, oeffenen, schuiffelen, twijffelen, voor lafenis, rafelen enz. Zij is dan ook later door Siegenbeek zelven afgekeurd. Het behoeft dus wel geene verdere rechtvaardiging, dat de Redactie voornemens is brasem, geesel, IJsel, Pruisen enz. te blijven schrijven.
106. Daar de verdubbeling van eenen medeklinker in niet samengestelde woorden alleen moet dienen om te voorkomen, dat de voorgaande vocaal lang wordt uitgesproken, zoo is de verdubbeling vanzelve evenzeer onnoodig na toonlooze klinkers als na heldere en na tweeklanken. Toonlooze klinkers toch worden alleen aangetroffen in lettergrepen zonder accent, en daarbij bestaat geen gevaar, dat men den klinker lang zal uitrekken. De Redactie rekent daarom ééne k, t en m voldoende in botteriken, monniken, perziken, kieviten, diemiten, Gorkumer, Dokkumer, Bergumer. De schrijfwijze botterikken, Gorkummer, staat gelijk met die van engellen, verbeterren, uitrekennen, zondiggen, terwijl het niet verdubbelen der consonant voor den lezer juist een teeken is, dat hij de lettergreep als toonloos moet beschouwen.
107. Onze woordenboeken willen diefegge, als ware dit woord eene samenstelling van dief met een zeker egge. Men heeft hier intusschen met eene afleiding te doen. -egge toch is een achtervoegsel, hetwelk voorheen doorgaans -igge-, soms ook wel -ege luidde, en meermalen ter vervrouwelijking van mansnamen gebezigd werd, b.v. in makerigge, vercopege. Eene afleiding met een achtervoegsel, dat met een klinker begint, eischt de verandering van de f in v, wanneer de lange klank voorafgaat; vergelijk gev-er, liev-erd. Derhalve ook dievegge, evengoed als dieverij. Dat sommigen in dit woord de f laten hooren, kan geene reden zijn om eene verkeerde spelling te behouden, die uit onkunde ontstaan is. Het herstel der v kan misschien strekken om aan die onjuiste uitspraak een einde te maken. Vergelijk § 58 en 66.
108. In zamen, zamenkomst, zamenspraak enz. gebieden de afleiding en de uitspraak de vervanging der z door de s. De z heeft daar de waarde van tz, en wordt dus te recht scherp uitgesproken. Wanneer men echter in aanmerking neemt, dat het grondwoord zamen luidt, terwijl ook in gezamenlijk, inzamelen enz. de z duidelijk gehoord wordt, en dat men in zestig en zeventig de z van zes en zeven steeds heeft behouden, dan kan het bedenkelijk schijnen, door het schrijven van samen, samenkomst enz. en daarnevens van gezamenlijk, verzamelen enz., de onderlinge verwantschap dezer woorden voor het oog weg te nemen. Deze bedenkingen deden ons eerst besluiten de gebruikelijke spelling te behouden. Nu zich echter opnieuw stemmen ten voordeele der s hebben doen hooren, aarzelen wij niet langer die schrijfwijze aan te nemen, die, op voorgang van Bilderdijk, door onze beste schrijvers gevolgd wordt, met de meest algemeene uitspraak overeenstemt, en op een goeden etymologischen grond steunt. In de uitdrukking te zamen toch werd de toonlooze e van te weggelaten, waardoor eerst tzamen ontstond. Dit had de verscherping van de z tot s ten gevolge: tsamen; eindelijk werd de t overtollig gerekend, en dit gaf samen.
Samen heeft dus de waarde van te zamen en verschilt derhalve werkelijk in afleiding en beteekenis van het grondwoord zamen. De spelling met s is uit dien hoofde de ware, overal waar samen de bijwoordelijke uitdrukking te zamen vervangen moet, te weten aan het begin van samengestelde werkwoorden en woorden, van zulke werkwoorden gevormd, als in samenkomen, samenspreken, samenhangen, samenkomst, samenspraak, samenhang; daarentegen natuurlijk niet, waar geen bijwoord, maar het grondwoord zamen vereischt wordt, als in gezamenlijk, bijeenzamelen, verzamelen, verzameling enz., en dus ook in opzamelen, niet opsamelen, hoewel de z daar ten gevolge van de werking der p vanzelve als s klinkt.
Evenmin zou de spelling te samen voor te zamen goed te keuren zijn, ofschoon de gewone uitspraak ook daar de s laat hooren. Deze toch is hier slechts het gevolg eener verkeerde toepassing der analogie. Eene werking der voorafgaande t kan hier niet erkend worden. Zij bestaat niet, zoolang de toonlooze e van te blijft; want men zegt te zoek, te zuinig, te zuur, te duur, te geef; niet te soek, te suinig, te suur, te tuur, te cheef. Te samen is derhalve niet anders te verklaren en op te vatten, dan als te tzamen, met het dubbele voorzetsel, een vorm die natuurlijk niet erkend mag worden. Vergel. § 66. De Redactie stelt zich daarom den volgenden regel:
Samen, als zijnde ontstaan uit, en gelijk aan tzamen, te zamen, wordt met s geschreven in composita, die er mede beginnen, als ook wanneer het op zich zelf staat, behalve in te zamen.
Van een geheel anderen aard is de vraag, of men feertig, fijftig, sestig en seventig moet schrijven overeenkomstig de gebruikelijke uitspraak, welke in die woorden eene f en s laat hooren. Die scherpe uitspraak steunt alleen bij seventig op een goeden grond, namelijk insgelijks op eene voorheen wettig aanwezige t (tzeventig), die in tachtig (eigenlijk t-acht-tig) gebleven is, en in tnegentig soms nog wordt gehoord. Doch feertig, fijftig en sestig zijn wederom gevolgen van verkeerde toepassingen der analogie: men heeft nooit tfeertig en tfijftig uitgesproken of geschreven, en het verouderde tsestig had de t ten onrechte aangenomen. Deze toch is, blijkens de verwante talen, het overblijfsel eener vroegere vermenging van het twaalftallige stelsel van tellen met het tientallige, ten gevolge waarvan niet alleen de eenheden boven 12, namelijk dertien, veertien enz., anders werden (en nog worden) uitgedrukt dan de voorgaande: een, twee ... tien, elf, twaalf, maar ook de tientallen boven 60, (= 12 × 5), van 70 af tot 120 (= 12 × 10) toe. Zestig behoort nog tot de eerste helft der reeks van 120, die de t niet aannam; de t van tsestig was derhalve door misverstand ontstaan. Men vergelijke hier de Fransche telwoorden tot en met 60 met de hoogere, waarin een dergelijk verschil is op te merken: dix, vingt, trente, quarante, cinquante, soixante,—soixante-dix, quatre-vingts, quatre-vingt-dix, six-vingts (120). Doch vooral blijkt de hier bedoelde onderscheiding duidelijk uit het Angelsaksisch: tyn (10), twentig (20), thritig (30), feowertig (40), fiftig (50), sixtig (60),—hund-seofontig (70), hund-eahtatig (80), hund-nigontig (90), hund-teontig (100), hund-endlufontig (110), hund-twelftig (120). Hoogerop verandert de uitdrukking: hund and thritig (130). Onze t van tseventig, tachtig en tnegentig is derhalve waarschijnlijk de sluitletter van dat hund of van een dergelijk afgevallen woord.
De Redactie mag den schijn niet aannemen, alsof zij door haar voorbeeld het misbruik, dat in de uitspraak van veertig, vijftig en zestig is binnengeslopen, wilde wettigen, en meent daarom ook de gebruikelijke schrijfwijze bij zeventig te moeten behouden, te meer daar het aanduiden der afgevallen t niet het geringste nut zou hebben. Ook bedenke men, dat men, de uitspraak volgende, alleen dan feertig en fijftig met f zou moeten schrijven, wanneer die woorden alleenstaan; maar met v: een en veertig, twee en veertig, drie en vijftig, enz. Wij gaan derhalve voort, overeenkomstig den Regel der Gelijkvormigheid, veertig, vijftig, zestig, zeventig met de zachte v en z te schrijven, waardoor de verwantschap dezer woorden met vier, vijf, zes en zeven ook voor het oog aangeduid wordt. Vergelijk § 67.
109. Het Nederlandsch heeft ter bevordering der duidelijkheid in overeenstemming met § 49 als regel aangenomen, dat in derivata het grondwoord en in composita de samenstellende deelen denzelfden vorm behouden, waaronder zij buiten de afleiding en samenstelling voorkomen, al zij het ook, dat door het samentreffen van twee letters de uitspraak van de eene of van beide gewijzigd of onduidelijk gemaakt wordt. Zoo schrijft men staatdame, zitdag, potdeksel, oogtand, vroegpreek, topzeil, praatvaar, raadzaal, raadzaam, hoofddeel, misstap, ofschoon de uitspraak veeleer staaddame, ziddag, poddeksel, oochtand, vroechpreek, topseil, praatfaar, raatsaal, raatsaam, hoofdeel, mistap zou vorderen. Daar de verzachting, verscherping of weglating der consonanten in de genoemde en dergelijke woorden onder het natuurlijke en ongedwongene uitspreken vanzelf volgt, is het onnoodig die wijzigingen in het schrift aan te duiden; verg. § 43. Er is geene enkele geldige reden te bedenken om, gelijk Bilderdijk deed, in de twee woorden ontvangen en ontvonken eene inbreuk op dezen regel te maken. De spelling ontfangen en ontfonken stelt de etymologie dezer woorden in de schaduw, en is in strijd met de analogie van ontvallen, ontveinzen, ontvlammen, ontvlieden, ontvluchten, ontvoeren, ontvouwen, ontvreemden, ontzakken, ontzeggen, ontzinken enz., waarin niemand de vervanging der v en z door f en s verlangt. De Redactie aarzelt derhalve geen oogenblik, ook in de beide genoemde woorden de v, die door de afleiding gevorderd wordt, te behouden en ontvangen, ontvonken te schrijven.
111. Onze taal heeft niet zelden in woorden, die oorspronkelijk met eene v begonnen, deze letter tot f verscherpt, om daardoor hetzij eene verfijning of verscherping, hetzij eene ongunstige opvatting, in elk geval eene wijziging van het oorspronkelijke begrip uit te drukken; b.v. in fladderen naast vledderen en vlederen, waarvan vledermuis; in fleemen naast vleien; fluks van vlugs; fraai van fr. vrai; frisch nevens versch; fijt, voorheen vijt.
Ook bij de v van vonk heeft die verscherping plaats gehad in het afgeleide fonkelen, wanneer dit woord overdrachtelijk van oogen, blikken enz. gebezigd wordt. De Redactie handelt derhalve overeenkomstig ons taaleigen, wanneer zij, de algemeene uitspraak volgende, het figuurlijke fonkelen met den scherpen medeklinker schrijft, en het zoodoende door de spelling onderscheidt van vonkelen in de eigenlijke opvatting (vonken schieten of om zich verspreiden), bij welk laatste, juist omdat de beteekenis geenerlei wijziging ondergaan heeft, geene reden bestaat om af te wijken van de spelling, die door de afleiding gevorderd wordt.
112. De toonlooze e, die in de meeste woorden op -ling, -lijk en -loos, vóór deze achtervoegsels wordt aangetroffen, als in vreemdeling, bloedeloos enz., staat zelden in verband met de etymologie dier woorden, en doet niets aan hunne beteekenis af of toe. Die e is veelal zuiver euphonisch; zij wordt in elk geval, behalve in eene temende uitspraak, slechts zeer flauw gehoord, bij een eenigszins driftig of krachtig spreken zelfs geheel onderdrukt: vandaar dat dichters te haren opzichte met de grootste vrijheid te werk gaan, haar schrijven of weglaten, naar gelang de versmaat zulks noodzakelijk maakt, zelfs in die woorden, waarin zij door de etymologie zou gevorderd worden; b.v. in eindlijk, eindloos, van einde, zeedlijk van zede, enz. Daar die e onder het uitspreken als vanzelve ontstaat, zou zij streng genomen volgens § 43 in het geheel niet behoeven geschreven te worden; het gevestigde gebruik echter wil nu eenmaal, dat zij in vele woorden worde aangegeven, en verlangt voorschriften die de schrijvers kunnen besturen. De meeste dier voorschriften echter missen uit hunnen aard dien vasten grondslag, dien andere regels hetzij in de etymologie, hetzij in de duidelijk waarneembare uitspraak vinden, en hebben dus, uit een grammatisch oogpunt beschouwd, weinig of geene waarde. Zelfs de regel der analogie kan hier niet streng worden toegepast, vermits er gevallen zijn, waarin de bewuste e stellig nooit ontstaat en dus ook nooit wordt geschreven, terwijl in andere gevallen het oordeel der sprekenden en schrijvenden zeer uiteenloopt, geheel subjectief is en zelfs eenigermate met hun persoonlijk karakter in verband staat.
De Redactie erkent derhalve gaarne, dat het hier eene zaak geldt van zeer weinig belang, en hecht daarom slechts eene betrekkelijke waarde aan de regels, die zij voor eigen gebruik heeft aangenomen. Zij meent alleen te moeten doen opmerken, dat het weglaten der e achter de zachte verwante medeklinkers b, d en g hunne verscherping tot p, t en ch of tot k (in ng) ten gevolge zou moeten hebben. Daardoor acht zij zich verplicht het weglaten der e in prozastijl te ontraden bij woorden als hebbelijkheid, onhebbelijk, dadelijk, deugdelijk, goddelijk, lijdelijk, maagdelijk, verstandelijk, schadeloos, zendeling, dagelijks, degelijk, mogelijk, belangeloos enz., die, zonder e geschreven, tot de uitspraak onheplijk, daatlijk, moochlijk enz. aanleiding zouden geven. Daarentegen kan het uitlaten der e achter stammen, eindigende op eene g, die door den invloed der volgende l verscherpt is en als ch wordt uitgesproken, b.v. genoeglijk, gezeglijk, heuglijk, ontzaglijk, strekken om hunne spelling met de uitspraak in overeenstemming te brengen, en zonder sterk in het oog loopende veranderingen een einde te maken aan den ontegenzeglijk hinderlijken strijd tusschen de gebruikelijke spelling genoegelijk, heugelijk, ontzaggelijk en de uitspraak genoechelijk of genoechlijk, heuchlijk, ontzaglijk.
Dit alles in aanmerking nemende, meent de Redactie voor zich het volgende te moeten vaststellen:
De achtervoegsels -lijk en -loos, en het achtervoegsel -ing, wanneer dit van de euphonische l wordt voorafgegaan, nemen ter verbinding met het stamwoord eene toonlooze e vóór zich, behalve in de vier volgende gevallen:
1) Wanneer het grondwoord op een klinker eindigt, sluiten -lijk, -loos en -ling zich onmiddellijk aan: kwalijk, oolijk, vroolijk, schadeloos, tweeling, drieling, zaailing, vrijling, kruiling.
Bij analogie volgt hieruit, dat moeilijk en verfoeilijk te verkiezen zijn boven moeielijk en verfoeielijk, gelijk zij dan ook gewoonlijk zonder e worden uitgesproken. Vrijelijk echter, waarin de e altijd gehoord wordt, eischt buiten twijfel de inlassching van die letter ook in de spelling.
2) Wanneer het grondwoord eindigt op eene l of r, of wel op eene n, voorafgegaan door een langen of helderen klinker of een tweeklank, heeft er onmiddellijke aansluiting plaats; als in doelloos, balling, begeerlijk, bekoorlijk, waarloos, huurling, gemeenlijk, aanzienlijk, gewoonlijk, aandoenlijk, fatsoenlijk, pijnlijk, toonloos, groenling. Willeloos maakt geene uitzondering op dezen regel; het is afgeleid van den ouderen vorm wille, die ook nog in willekeur en willekeurig voorkomt.
Waar de n voorafgegaan wordt door een korten klinker, is de uitspraak en spelling mèt of zònder e evenzeer goed te keuren. Men zegt en schrijft beide: manlijk en mannelijk, beminlijk en beminnelijk, zinlijk en zinnelijk, enz. Somtijds heeft echter het gebruik een onderscheid in de beteekenis ingevoerd, als b.v. zinloos (zonder zin) en zinneloos (krankzinnig). In die gevallen moet natuurlijk ook de spelling onderscheiden worden.
3) De toonlooze e wordt niet ingevoegd in woorden, die eindigen op toonlooze lettergrepen, als: adellijk, middellijk, eigenlijk, openlijk, eeniglijk, geduriglijk, koninklijk, teugelloos, ouderloos, regeeringloosheid enz.
4) Wanneer het grondwoord op eene g eindigt, die als ch wordt uitgesproken, stelt de e eene uitspraak voor, met de werkelijke in strijd, terwijl hare weglating vanzelve de verscherping der g ten gevolge heeft; daarom schrijft de Redactie: behaaglijk, bijvoeglijk, genoeglijk, gevoeglijk, heuglijk, klaaglijk, ontzaglijk enz.; daarentegen dagelijks, degelijk, mogelijk enz., in welke woorden de g hare zachte uitspraak behoudt.
Nog moet hier aangemerkt worden, dat de schrijfwijze òrdenlijk of òrdentlijk, afkomstig uit den tijd, toen men ordene, orden (van lat. ordo, ordinis) zeide, thans noodwendig is vervallen, nu iedereen orde zonder n uitspreekt en schrijft. De Redactie schrijft derhalve ordelijk, evenals eindelijk, zedelijk en redelijk, welk laatste oorspronkelijk ook redenlijk werd geschreven, als van redene, reden afgeleid. Ordèntelijk, met den klemtoon op de tweede lettergreep, hoewel het insgelijks zijnen oorsprong aan de thans verouderde uitspraak orden heeft te danken, is ten gevolge van de wijziging zijner beteekenis een afzonderlijk woord geworden, hetwelk evenzeer recht van bestaan heeft als zindelijk nevens zinnelijk of zinlijk.
113. Daar het gewaande achtervoegsel -ling (zie de verhandeling over -ing in Dr. De Jager’s Archief, I, 101 en v.) niets anders is dan het suffix -ing, voorafgegaan door eene euphonische l, en deze derhalve geene reden van bestaan heeft, wanneer het grondwoord reeds op l eindigt, schrijven wij hemeling enz. Het is bekend, dat deze schrijfwijze, ofschoon om eene andere reden, reeds een ijverig voorstander vond in Bilderdijk, aan wien echter, in een oogenblik van onbedachtzaamheid, de spelling heuvelling ontsnapte (III, blz. 10).
Adellijk, middellijk en onmiddellijk moeten de dubbele l hebben, als zijnde gevormd met het achtervoegsel -lijk van adel en middel. De spelling adel-ijk steunde op de verkeerde meening, dat -lijk uit l-ig zou bestaan. De Nieuwhoogduitsche schrijfwijze adelig met eene g wordt door ohd. adallîh, mhd. adellich, weersproken, waarom ook Grimm met anderen adelich met ch spelde, en de meer gebruikelijke met g voor »falsch” verklaarde. De spelling midde-lijk is gegrond op de onjuiste onderstelling, dat het grondwoord mid of midden zou wezen. Het tegendeel blijkt overtuigend uit de spreekwijze zonder middel, die eertijds in gebruik was, waar wij thans onmiddellijk bezigen (zie Janssen en Van Dale, Bijdragen, Dl. VI, blz. 180, art. 23).
114. De woorden middeldeur, middellandsch, middellijf, middellijn, middelmaat, middelmatig, middelmuur, middelpad, middelschot, middelsoort, middelstand, middelweg, met middel samengesteld, zijn te lang algemeen aangenomen, dan dat er eene geldige reden zou bestaan om, in strijd met de meest gewone uitspraak, in de overige midden te schrijven. Zij zijn een gevolg van de vroeger geheerscht hebbende neiging om het eerste lid van samenstellingen op -el te laten eindigen, waaraan wij ringelduif, schorteldoek, vastelavond e.a. te danken hebben. De Redactie schrijft daarom ook middeleeuwen, Middelnederlandsch, middelpunt, middelrif enz. In één woord, het is waar, wordt gewoonlijk de n uitgesproken: men zegt namelijk middenevenredig; doch in verband met al de andere bovengenoemde schijnt het raadzaam ook hier op gelijke wijze te handelen en dus ook hier op grond der Analogie de l aan te nemen.
115. Siegenbeek schreef, op voorgang van Huydecoper, in 1804 de spelling eigenlijk, openlijk enz. voor. Toen zich echter eenige stemmen voor de schrijfwijze eigentlijk, opentlijk, met eene ingelaschte t lieten hooren, gaf de Hoogleeraar toe en verklaarde hij zich voor de laatste. Dit werkte intusschen weinig uit; de groote meerderheid ging voort eigenlijk, wezenlijk enz. te schrijven, en slechts enkelen volgden de nieuwe beslissing. De Redactie meent de eerste spelling te moeten aannemen, omdat die t niet tot het wezen dier woorden behoort, de afleiding niet opheldert, de duidelijkheid niet bevordert, noch door het hedendaagsche beschaafde spreken vereischt wordt. Zij beschouwt haar als het uitvloeisel van eene vergroving der uitspraak, die gelijkstaat met eene b in hembd of eene p in hij kompt, en met de d in de minder edele woorden vilder, boender, diender (nevens het edeler dienaar). Wanneer zij die t aannam, zou zij rekenen lijnrecht aan te druischen tegen de hedendaagsche richting der taal, die naar beschaving en verfijning der uitspraak streeft.
Om dezelfde redenen verwerpt zij ook de t in gantsch, gelijk Bilderdijk schreef op voorgang van de Staten-overzetters des Bijbels. Gantsch zonder t is zoowel met de beschaafde uitspraak als met de afleiding in overeenstemming.
116. Iemand en zijne ontkenning niemand, mnl. ieman en iemen, bestaat uit ie en man in de thans verouderde beteekenis van mensch in het algemeen. De aangehechte tongletter heeft hier dus in het geheel geene beteekenis, maar dient louter ter versterking van de sluitende n, waartoe de taal zoowel de d als de t bezigt. De natuur der sluitletter kan derhalve evenmin bij analogie bepaald als uit de uitspraak opgemaakt worden. Immers in mijnenthalve, ordentelijk, erkentelijk, bekentenis komt eene ingelaschte t voor; doch arend, oudt. aren; boender, diender, van boenen en dienen; hoenders van hoen; zindelijk uit zinlijk; Hendrik, hd. Heinrich, hebben ter steuning der n eene d. De regel der onverbuigbare woorden, die eene t zou gebieden, kan hier ook niet worden toegepast; want iemand en niemand behooren als voornaamw. tot de verbuigbare, en worden in de 2de naamvallen iemands en niemands ook werkelijk verbogen. Men is dus tot de verbuigbare verwezen, en deze bekomen volgens het hedendaagsche gebruik in de onverbogen vormen tot sluitletter dien medeklinker, die in de verbogene gehoord wordt. Blijkens Plantijn, Kiliaan, de Staten-overzetters des Bijbels, De Decker en anderen, luidden de 3de en 4de naamv. vroeger iemanden, niemanden, met eene d. Die vormen zijn thans buiten gebruik; doch hadden zij niet bestaan en in het bewustzijn van het volk gelegen, men zou, gelijk voorheen, thans nog algemeen iemant en niemant schrijven, evenals men want, leeft, legt, leent, hoort met t spelt, omdat die vormen geene verlenging ondergaan, die het bewustzijn kon levendig houden, dat zij eigenlijk volgens de afleiding en ons taaleigen eene d zouden moeten hebben.
De Redactie ziet derhalve geene reden om van het bijna algemeene gebruik af te wijken; zij schrijft iemand, niemand met eene d, welke evenzeer gewettigd is als die van arend, mv. arenden.
Ten mijnent, zijnent, harent, onzent, uwent, hunnent, hoewel uit verbogen vormen ontstaan, behooren, als bijwoordelijke uitdrukkingen, tot de onverbuigbare woorden, en worden dus consequent en volgens het algemeene gebruik met t geschreven.
117. Volgens de afleiding zou ootmoed, ohd. ôthmuothi, oodmuati, ags. eádhmôd, ouds. ôdhmuodi, bij Kiliaan nog oodmoed, eene d moeten hebben, als bestaande uit ood, goth. auths, ohd. ôdi, aothi, ags. eádh, ouds. ôdh, ôdhi (ledig, licht, gemakkelijk), dat noode heeft opgeleverd, en verminkt ook voorkomt in oolijk, bij Kil. oodelick, oyelick, oolijk. De vormen in de verwante talen, ook het uitvallen der tongletter uit oolijk, bewijzen, dat zij oorspronkelijk zacht is geweest, namelijk eene d, uit th of dh ontstaan. Intusschen zou het herstellen der d volstrekt geen voordeel aanbrengen. Al kon daardoor ook de verwantschap met noode en oolijk blijken, die kennis zou voor het publiek de beteekenis van het woord niet duidelijk maken. Die d zou veeleer eene tegengestelde uitwerking kunnen hebben en ten onrechte doen denken aan eene samenstelling met ood in kleinood, dat schat beteekent, en het eerste lid van ooievaar, bij Kil. odevaer, uitmaakt, en dat blijkens goth. aud, ohd. aot, ôt, ags. eád, ouds. ôd, geheel anders dan het vorige ood luidde.
Om de opgegeven reden achten wij het onraadzaam hier de afleiding meer dan de uitspraak te doen gelden, en geven wij aan de gebruikelijke spelling ootmoed met eene t de voorkeur.
118. Omtrent, dat oorspronkelijk rondom, vervolgens in den omtrek, in de nabijheid beteekende, doch thans bijna uitsluitend overdrachtelijk gebezigd wordt, evenals omstreeks, eigenlijk in de omstreek, behoorde volgens de afleiding op d uit te gaan. Het bestaat uit het voorzetsel om, dat door trend nader bepaald wordt, gelijk bij door na in bijna, omzetting van na bij. Trent, trend is een bijv. naamw., hier als bijwoord gebezigd, en beteekent rond, blijkens ofri., deensch en zweedsch trind, rond. In het Deensch dient trind, gelijk round in het Engelsch, zoowel alleenstaande als door om gevolgd (trind, trind om), als voorzetsel met den zin van rondom. Ook in het Oudfriesch stond om nog achteraan: trind umbe, trund om, rondom. Dat de sluitmedeklinker oorspronkelijk eene d was, blijkt uit ags. trendel, kring, cirkel; uit eng. to trundle, draaien, en trendle, as of tap in een molen. Doch het weder invoeren der vergeten d, die als sluitletter tot t verscherpt is, zou tot niets dienen, op geen enkel bekend verwant woord wijzen, dat de beteekenis van het woord kon ophelderen. Wij vinden daarom geene overwegende reden om de afleiding in spijt van de uitspraak te doen gelden, en nutteloos eene uitzondering te maken op den regel, dat onverbuigbare woorden op scherpe medeklinkers eindigen. Wij gaan dus voort omtrent met de door het Gebruik gewettigde t te schrijven, evenals want, dat anders, blijkens onl. wanda, insgelijks zijne d zou moeten terugnemen.
119. Eene niet minder gewichtige quaestie, die een zeer groot aantal woorden betreft, is de spelling der verkleinwoorden, met of zonder n op het einde. Het weglaten der n was in de vorige eeuw nagenoeg algemeen geworden. Bilderdijk meende, op etymologische gronden, die den toets der critiek niet kunnen doorstaan, haar weder te moeten aannemen. De Redactie kan hem daarin niet navolgen. Die n achter -je is in strijd met de beschaafde uitspraak, waarin men niet van een meisjen of huisjen, nog minder van meisjens of huisjens hoort, en wordt voor de duidelijkheid niet gevorderd.
Dat zij uit de beschaafde uitspraak geheel verdwenen is, bewijzen de dichters overtuigend. De e van het verkleinend achtervoegsel vloeit in de poëzie met een volgenden klinker ineen, b.v.: »Nedrig vogeltje, elks behagen,” hetgeen noch bij de pluralia op en, noch bij de infinitieven kan plaats hebben. Men behoudt de n alleen dan, wanneer men de ineensmelting van het achtervoegsel en een volgenden klinker wil verhinderen. Daar de hedendaagsche richting der taal wil, dat men de slot-n achter de toonlooze e maar flauw late hooren, zouden de enkelvouden huisjen, kopjen, schoteltjen enz. op zich zelve niet zoo erg tegen de beschaafde uitspraak aandruischen, men zou de n daarin nagenoeg kunnen onderdrukken; doch dan waren die enkelvouden in strijd met de meervouden huisjens, kopjens, schoteltjens, die, zóó geschreven, naar analogie van kuikens, leugens, molens, het duidelijk uitspreken der n zouden eischen. Deze letter zou derhalve de woorden niet verstaanbaarder, maar wel onwelluidender maken en tot eene pedante uitspraak aanleiding geven. Vergel. § 61 en 62.