← Table of contents
De grondbeginselen der Nederlandsche spelling

Note 1 — Tweede afdeeling.

Reading edition

75. Onder de regels, omtrent wier toepassing de gevoelens der taalkundigen uiteenloopen, staan die aangaande de verdubbeling der e’s en o’s in opene lettergrepen bovenaan. Siegenbeek en Weiland volgden daarbij de uitspraak, welke heerschte, of geacht werd te heerschen, in die streken, waar de genoemde letters op tweeërlei wijze, met den zoogenoemden zachten of met den scherpen klank, worden uitgesproken. Hunne handelwijze was natuurlijk. Immers de verdubbeling der letterteekens moest dienen om de meer gerekte, naar een tweeklank zweemende uitspraak der scherpe e en o van den eenigszins korteren, meer gelijkmatigen klank der zachte voor het oog te onderscheiden. Juist dat verschil in de uitspraak had het eerst het verschil in de natuur dier letters doen opmerken, terwijl de studie der Germaansche talen te hunnen tijde nog niet ver genoeg gevorderd was om den diepliggenden oorsprong van dat verschil te leeren kennen. Zij konden nog niet tot de oorzaken opklimmen en moesten dus hun onderzoek tot de gevolgen beperken. De uitspraak echter is in dit geval geen onfeilbaar en toereikend richtsnoer. Dit blijkt onder andere uit de wijze, waarop Siegenbeek genoodzaakt was te werk te gaan bij de woorden, waaromtrent hij bij de schrijvers verschil van gevoelen gevonden had, en die hij daarom achter zijne Verhandeling over de Spelling aan een bijzonder onderzoek onderwierp. Bij al die woorden was hij verplicht de schrijvers, die het onderscheid in de uitspraak door hunne spelling uitdrukten, te raadplegen, hunne getuigenissen te wikken en te wegen, en als het ware de stemmen vóór en tegen te tellen. Waar men in eene wetenschap tot eene stemopneming zijne toevlucht moet nemen, is de evidentie der waarheid niet groot; maar vooral hier bleek duidelijk de zwakheid van den grondslag, waarop gebouwd werd. Als men dat groote vijftigtal artikels naleest, ziet men, dat niet alleen schrijvers, op verschillende plaatsen woonachtig, in hun oordeel over de uitspraak van dezelfde woorden onderling verschilden, maar ook dat velen zich zelven niet gelijk bleven. Men moge dit laatste verschijnsel aan slordige correctie willen toeschrijven, het bewijst in allen gevalle, dat de ware uitspraak niet zóó kennelijk van de valsche onderscheiden was, dat de corrector zich niet vergissen kon. Doch volstrekt onloochenbaar is het verschil tusschen de uitspraak van dezelfde woorden in verschillende gewesten en steden. Volgens het beweren van Siegenbeek zelven worden heeten, keten, menigte, smeeken, spenen, betoogen, genoot, klooven, loochenen, nopen, personen en schromen in Rotterdam anders dan in Zeeland uitgesproken; terwijl men in deze provincie zoowel poogen als pogen en te Rotterdam zoowel tonen als toonen zou hooren1. Dat er ten opzichte van andere woorden reeds in de laatste helft der zestiende eeuw eene dergelijke onzekerheid bestond, kan men opmaken uit het woordenboek van Kiliaan, die aan de uitspraak bijzondere aandacht schonk en zich gehouden achtte een aantal woorden, als deren, kelen, nering, peren, scheren, smeren, teeder, telen, teren, weren, zweren, zweven, bogen, boren, dolen, smoken enz. onder de beide vormen op te teekenen.

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings