← Table of contents
De grondbeginselen der Nederlandsche spelling

Tweede afdeeling. (continued 3)

Reading edition

Het aanwezig zijn van samenstellingen met een meervoud, die voorheen onmogelijk waren, en die meestal eerst in de jongste tijden gevormd zijn, bewijst—wat in zoovele andere opzichten blijkt—dat de taal ook bij het samenstellen al meer en meer het begrip op den voorgrond schuift, en de duidelijkheid wil bevorderen, al kan zulks ook slechts geschieden met opoffering der oudere vormen en taalregels. Men heeft hierin een wenk te zien, dien men bij het kiezen tusschen verschillende schrijfwijzen moet gehoorzamen, ook dan zelfs, wanneer het Gebruik in een enkel geval stellig nog het oudere voortrekt. Wij nemen daarom als regel aan, dat die samenstellingen, eigenlijke zoowel als koppelingen, wier eerste lid noodwendig als de aanduiding eener veelheid moet opgevat worden, in twijfelachtige gevallen den meervoudsvorm vereischen, dat wil zeggen, achter de toonlooze e eene n als teeken van het meervoud moeten hebben. Wij schrijven volgens dat beginsel met eene n: bessensap, biezenkistje, boekenkast, boekenrek, boekenstalletje, brievenbesteller, brievenpost, brillenslijper, broekenstof (en broekstof), dennenwoud, dievenbende, druivennat, druiventros, duitendief, duiventil, eendenkooi, eikenbosch, engelenkoor, gortenteller, grappenmaker, hanengevecht, heldenschaar, hemdenlinnen, hertenkamp, hoedenmaker, ijpenlaan, jodenbuurt, kleerenmaker (en kleermaker), koekenbakker, kousenwever, mandenmaker, messenmaker, muggenzifter, pottenbakker, pottenkast, pruikenmaker, rozenkrans, sigarenfabriek, snarenspeeltuig, stoelendraaier, stokkenknecht, woordenboek, woordenlijst enz., omdat bij die woorden steeds aan eene veelheid wordt gedacht, en b.v. eene kast, waarin, onder andere dingen, één boek wordt geborgen, geene boeke- noch boekenkast heet, noch een grofsmid, die voor eigen gebruik een mes vervaardigt, dientengevolge een messe- of messenmaker wordt. De meeste der opgenoemde woorden worden trouwens algemeen met eene n gespeld; er kan geene reden bestaan om voor diegene, die men gewoonlijk anders schrijft, eene uitzondering te maken.

Onder de opgenoemde woorden zullen die op -maker (-makerij) en dergelijke den meesten aanstoot geven. Men ziet ze op uithangborden en in andere opschriften doorgaans, hoewel met loffelijke uitzonderingen, zonder n geschreven. Wanneer men echter in aanmerking neemt, dat die spelling òf dagteekent uit den tijd, toen de woorden der sterke declinatie in het meervoud nog op e uitgingen, een gebruik dat feitelijk afgeschaft is; òf dat zij een gevolg is van het onderdrukken der n in de uitspraak, hetgeen slechts misbruik kan heeten; maar dat de e in verreweg de meeste gevallen niet anders dan als het teeken van het meervoud kan beschouwd worden: dan is het rationeel die spelling te volgen, welke de taal sedert een paar eeuwen buiten de samenstelling als regel heeft aangenomen.

189. Ingevolge dit beginsel schrijven wij, tegen het algemeene gebruik aan, zedenkunde, zedenleer, sterrenkunde met den meervoudsvorm. Ofschoon de vormen zedeleer en sterrekunde verdedigd kunnen worden als eigenlijke samenstellingen met zede en sterre in den stamvorm, en dus gelijkstaande met dierkunde, boekvertrek enz., zouden wij meenen de nieuwere richting in de taal te miskennen, indien wij hier, het Gebruik volgende, het eenvoudige, bij dierkunde, weeshuis en dergelijke niet, maar hier zeer goed aanwendbare middel versmaadden, om aan het woord den vorm te geven, die thans vereischt wordt, en dien men stellig kiezen zou, indien het woord niet reeds bestond, maar nog eerst gevormd moest worden; gelijk blijkt uit de jongere woorden plantenkunde, volkenkunde, warenkennis.

Deze regel, hoezeer ook schijnbaar algemeen, neemt nochtans niet alle ongelijkheid weg; er blijven naast de genoemde en dergelijke woorden een aantal bestaan, wier eerste lid wel altijd den enkelvoudigen vorm zal behouden, b.v. hoefsmid, geweermaker, pijlkoker, zwaardveger enz. Bepaaldelijk behooren hiertoe alle, die op de toonlooze lettergrepen -el, -em, -en en -er uitgaan, als: ketelboeter, orgelmaker, bezembinder, wagenmaker, leugendichter, ankersmid, spijkerfabriek. Wie zou deze en dergelijke woorden, wier vorm trouwens door de uitspraak niet twijfelachtig gelaten wordt, in gewerenmaker, zwaardenveger, ketelsboeter enz., willen veranderd hebben? Hoevensmid, hoewel het woord een meervoud onderstelt, zou het begrip vooral niet beter uitdrukken dan hoefsmid.

190. Van een aantal woorden is het niet twijfelachtig, dat het eerste lid enkelvoudig gedacht wordt, b.v. bijleman (sappeur), bakkebaard, brilleglas, bruggegeld, druivepit, galgebrok, hertebeest, lampeglas, messescheede, mollevel, notedop, pruimesteen, ruggemerg, slippedrager, spillebeen, tinnegieter, enz.—Dezulke bekomen natuurlijk geene n, tenzij deze door de euphonie ter vermijding van den hiatus geëischt wordt, b.v. geitenoog, ganzenei, brillenhuisje enz., waarvan beneden.

191. Uit de twee vorige §§ volgt, dat vele substantieven als eerste leden van composita stellig nu eens in het enkelvoud, dan eens in het meervoud behooren te staan; zoo b.v. paard in paardekop, paardestaart, en paardenmarkt, paardenkooper. Niet altijd echter ligt het even klaar voor oogen, welke vorm vereischt wordt, vermits niet zelden zoowel het enkel- als het meervoud denkbaar is. Heeft men b.v. kurketrekker of kurkentrekker te schrijven? is het een werktuig om telkens slechts de kurk van ééne flesch, of om de kurken van alle voorkomende flesschen te trekken? Zulke vragen, waarop de beteekenis geen beslissend antwoord geven kan, doen zich vele voor; hoe de spelling van zulke woorden in te richten? Wij meenen hier twee hoofdgevallen te moeten onderscheiden: het woord in quaestie kan in dagelijksch gebruik zijn, en zijn vorm om zoo te zeggen nagenoeg vaststaan; het kan ook tot de meer zeldzaam voorkomende behooren. In het laatste geval is de spelling doorgaans nog dobberend, en kan men dus vrijer handelen en de beginselen onbeschroomd toepassen; in het eerste is men minder vrij en half genoodzaakt de spelling, zooveel zonder verzaking van beginselen mogelijk is, met het Gebruik in overeenstemming te laten. Om die redenen meenen wij het volgende in het oog te moeten houden:

192. Aan woorden, het dagelijksch leven en de huishouding betreffende, die elk oogenblik in ieders mond komen, zet eene nooit of zelden uitgesproken n een voorkomen van deftigheid en stijfheid bij, strijdig met hunne beteekenis. Om die reden meenen wij de invoeging der n in zoodanige woorden zooveel mogelijk te moeten vermijden, en het enkelvoud te erkennen, waar de beteekenis zulks maar eenigszins toelaat. Zoo schrijven wij b.v. flesschebakje, omdat het telkens voor slechts ééne flesch dient, en om dergelijke reden ook: hondeketting, kurketrekker, kurketang, pennemes, pijpedop, pijpewroeter, pruikebol, mutsebol, hoededoos enz. Waar het enkelvoud echter geheel tegen de natuurlijke opvatting strijdt, gelooven wij den meervoudsvorm ook bij zulke dagelijksche woorden te moeten aannemen, en b.v. flesschenrek, kurkenmandje, pennenkoker, naaldenkoker, speldenkussen, messenmandje, pijpenlade, pijpenmandje enz. te schrijven.

Men moge deze onderscheiding spitsvondig noemen, in de Spelling, zal zij niet geheel beginselloos en willekeurig zijn, is men niet zelden gedwongen onderscheidingen in het oog te houden, die op zich zelve geene of slechts geringe waarde hebben; vergelijk § 67. Wij aarzelen hier te minder op de beschrevene wijze te werk te gaan, daar wij in dezen voorgangers hebben in de Fransche grammatici, die bij composita op gelijke wijze handelen, en die, voor zooverre ons bekend is, geene afkeuring hebben ondervonden. Men denke hier aan het verschil in de spelling van chauffe-lit, porte-bougie, tire-balle, tire-bouchon, serre-tête enz., en van chauffe-pieds, essuie-mains, porte-clefs, tire-bottes, serre-papiers enz.

193. In sommige gevallen, waarin de beteekenis strikt genomen de beide getallen toelaat, wil het Gebruik den meervoudsvorm. Dit heeft plaats bij samenstellingen, wier eerste lid een persoonsnaam is, die zekeren stand in de maatschappij uitdrukt, als: boer, heer, slaaf, vrouw en dergelijke. Ofschoon een boerenzoon de zoon is van éénen boer, eene soldatenmonteering de monteering van éénen soldaat, eene vrouwenmuts de muts van ééne vrouw, schrijft men toch deze woorden steeds met eene n. Evenzeer zegt en schrijft men nagenoeg algemeen: bodenloon, boerenbedrijf, boerendochter, boerenhofstede, boerenwoning, heerendienst, heerenhuis, heerenknecht, heldenarm, heldendaad, heldenmoed, maagdenhart, maagdenschenner, matrozenhoed, matrozenlied, matrozenpak, meidendienst, meidendracht, slavenaard, slavenarbeid, slavendienst, slavenwerk, soldatenkind, soldatenvrouw, studentenhaver, studentenlied, vorstenkroon, vorstentelg, vorstenzoon, vrouwenhand, vrouwenhemd, vrouwenkleed, vrouwenrok enz. Kennelijk denkt men hierbij aan het meervoud, aan den geheelen stand, door het meervoudige eerste lid vertegenwoordigd. Boerenwoning wordt opgevat als woning, gelijk iemand uit den boerenstand bewoont; vrouwenrok als rok, gelijk de vrouwen dragen. Menschenbloed, vorstentelg mogen oorspronkelijk beteekend hebben: bloed van een mensch, telg of kind van een vorst, thans worden die uitdrukkingen opgevat als bloed van een individu van het genus menschen, als telg van een geslacht van vorsten.—Ongetwijfeld heeft de verbuiging tot de vestiging van dit gebruik medegewerkt. De genoemde woorden toch vormen hun meervoud uitsluitend met en, zoodat de s het meervoud in die samenstellingen niet vertegenwoordigen kan. Daarentegen nemen dezulke, die hun meervoud òf alleen met s òf met s en en beide vormen, als: jongen—jongens, kok—koks, meisje—meisjes, knecht—knechts en knechten, man—mans en mannen, officier—officiers en officieren, smid—smids en smeden enz., in zulke samenstellingen doorgaans de s aan: jongenspak, jongenswerk, knechtsdienst, knechtslivrei, koksmaat, kokswerk, kuipersambacht, kuipersboor, manshand, mansrok, meisjeskleeren, meisjesstem, officiersepaulet, officiersuniform, sergeantsvrouw, smidsknecht, smidswerk, smidswinkel enz.

a. Zulke samenstellingen met s behooren veelal tot den dagelijkschen stijl. Komt een woord alleen in meer deftigen stijl voor, dan heeft het eerste lid den meervoudsvorm op en, als: mannenmoed, officiereneer, knechtenaard.

Op grond dezer waarneming stellen wij ons den volgenden regel: De samenstellingen, wier eerste lid een een- of tweelettergrepige persoonsnaam is, die zijn meervoud uitsluitend met en vormt, hebben het eerste lid in den meervoudsvorm, zoodra het begrip de voorstelling van veelheid slechts toelaat, d.i. zoodra het eerste lid gedacht kan worden den geheelen stand te vertegenwoordigen. Volgens dezen regel schrijven wij ook: boerinnenjak, -muts, gekkenpraat (praat zooals die van gekken), maagdenpalm, maagdenwas, boeren-, heeren-, prinsessenboonen, prinsessenbier enz., ofschoon het Gebruik hier soms dobbert of zelfs het omgekeerde wil.

b. De regel bevat twee beperkingen. Hij sluit vooreerst de woorden van meer dan twee lettergrepen uit, als: jongeling, kweekeling, komediant, muzikant, predikant en dergelijke, ofschoon zij hun meervoud door achtervoeging van en maken. Men zegt niet: jongelingendroomen, jongelingenjaren, komediantenvrouw, predikantenkostuum, predikantenzoon, maar met s: komediantsvrouw, predikantskostuum, predikantszoon enz. Blijkbaar is het de Welluidendheid, die noodelooze lange samenstellingen afkeurt, maar die het meervoud slechts toelaat, waar het onvermijdelijk is, b.v. bij komediantentroep, predikantenvereeniging en dergelijke. Men zegt zelfs jongelingsvereeniging, ofschoon jongelingenvereeniging zou te verkiezen zijn. Zie hier § 173. Alleen de meerlettergrepige vrouwennamen op -in, als koningin, hertogin, maken uitzonderingen. Zij volgen de analogie van boerin: koninginnenkroon enz.

c. De tweede beperking is uitgedrukt in de woorden: »zoodra het begrip de voorstelling eener veelheid toelaat.” Immers, waar dit het geval niet is, is de meervoudsvorm ook niet in gebruik. Daarom zegt men niet vrouwenpersoon, maar vrouwspersoon. Alleen schrijve men Lieve-Vrouwenkerk en Lieve-Vrouwen-bedstroo, omdat die woorden, ofschoon het begrip van een enkelvoud bevattende, voorheen naar de zwakke verbuiging van vrouwe gevormd zijn, en in de beschaafde uitspraak de n, als teeken van den genitief, kennelijk hebben behouden.

194. Nagenoeg in hetzelfde geval als de woorden van persoonsnamen, gevormd, verkeeren sommige samenstellingen, wier eerste lid een manlijke diernaam is. Ook deze hebben in sommige gevallen den meervoudsvorm. Het Gebruik handelt hier echter minder eenparig. Zoo zegt en schrijft men vrij algemeen: apengezicht, berenklauw, drakenbloed, elpenbeen, leeuwenbek; doch nooit bullenpees, hanenkam, hanenveer, hazensprong, kattenkwaad, koeienkop, muizenkeutel, pauwenveer, vlooienbeet. Stellig is ook hier de declinatie de oorzaak van het bestaan der n, want men zegt arendsneus, bokspoot, boksbaard (plant), hondstong (plant), hondstanden (hoektanden), wolfshonger, wolfsklauw (plant) enz., van arend, bok, hond enz., welke steeds tot de sterke declinatie behoord hebben. Ofschoon het waarschijnlijk is, dat sommige dier composita met n oorspronkelijk koppelingen van zwakke enkelvoudige genitieven waren, zoo kunnen zij volgens § 185 thans niet meer als zoodanig erkend worden, maar is het een vereischte, dat men ten minste aan het meervoud denken kan. De schrijfwijzen hanenkam, het woord in den oneigenlijken zin genomen, mollenpoot, paardenstaart, zijn dus reeds uit dien hoofde verwerpelijk, omdat de beteekenis het enkelvoud van haan, mol en paard onderstelt. De meeste woorden, waarin het Gebruik de n wil, laten trouwens ook, evenals de composita met persoonsnamen (waarvan in de vorige §), inderdaad toe aan het meervoud te denken, en hebben daarbij meest een overdrachtelijken zin. Zoo beteekent apengezicht nooit, immers hoogst zelden, het gezicht van eenen aap, maar wel het gelaat van een mensch; het woord kan dus opgevat worden als gezicht, gelijkende op dat van apen in het algemeen. Evenzoo verstaat men door berenklauw zelden den klauw van een beer, maar doorgaans òf eene plant, òf den poot van een of ander meubel, die den vorm heeft van eenen klauw zooals die van beren; door drakenbloed eene soort van hars, door leeuwenbek eene bloem. Niet alle woorden echter nemen overdrachtelijk gebezigd de n aan; zoo b.v. niet hanekam (bloem), rattestaart (ronde vijl). De oorzaken van die uitzonderingen zijn verschillend. Vooreerst is het zeker, dat 1º. de woorden, waarachter het Gebruik de n stellig wil, manlijk zijn en voorheen zwak werden verbogen, als aap, beer enz., zie boven § 183, waardoor alle vrouwelijke en onzijdige, en ook de voorheen sterke manlijke, worden buitengesloten; en dat 2º. het aanwezig zijn eener s het teeken is, dat een woord òf steeds sterk is geweest, òf dat zijn zwakke vorm in vergetelheid is geraakt. Vervolgens, dat 3º. de n in dagelijksche, veel gebruikte woorden te deftig klinkt. Nemen wij bij dat alles ook de Analogie in aanmerking, dan meenen wij, in overeenstemming met den regel voor de samenstellingen met persoonsnamen in de vorige §, den volgenden regel te moeten stellen:

Samenstellingen, wier eerste lid een manlijke diernaam is, die geene composita met s vormt, nemen eene n als teeken van het meervoud aan, wanneer zij gewoonlijk, hetzij eigenlijk hetzij overdrachtelijk, gebezigd worden in eene beteekenis, waarbij men aan het geheele geslacht, de geheele diersoort, denkt. Zij behouden de n volgens § 187 ook wanneer zij—wat zelden het geval is—in eene eigenlijke opvatting voorkomen, waarin de n slechts als het teeken van den enkelvoudigen 2den naamval kan beschouwd worden.

Volgens dezen regel schrijven wij: apengezicht, apenkuur, apenliefde, berenjong, berenklauw (plant, of poot van een meubel), drakenbloed (hars), hazenlip, hazenmond (gebrekkige vorming van lip of mond), hazenslaap, leeuwenbek (bloem), leeuwenkop (versiersel), leeuwenwelp, stierenkop (hoofdig of norsch mensch) enz., naar analogie van menschenkind, heerendienst, boerenzoon, vorstentelg enz. Wij behouden die spelling op grond der Analogie ook dan, wanneer apengezicht, berenklauw, leeuwenkop in hunne eigenlijke beteekenis genomen worden voor gezicht van een aap, klauw van een beer, kop van een leeuw, omdat deze laatste opvatting tot de zeldzame uitzonderingen behoort.

Daarentegen schrijven wij zonder n: kattekwaad, paardevoet (gebrekkig gevormde menschenvoet), rattestaart (vijl), omdat kat, paard en rat niet manlijk zijn;—bokkesprong, mollepoot, omdat de s van bokspoot en molshoop verbieden aan de zwakke declinatie te denken. Zoo ook hanekam (bloem), haneveer (twistziek mensch), omdat beide woorden evenzeer in hun eigenlijken zin in gebruik zijn, waarin zij buiten alle tegenspraak de al te deftige n hebben uitgeworpen, die daarin slechts als het teeken van den enkelvoudigen 2den naamval, niet als teeken van het meervoud kan beschouwd worden. Nagenoeg in hetzelfde geval verkeert hanepooten, slecht schrift, ofschoon het woord zelden in eigenlijken zin wordt genomen; de niet twijfelachtige uitspraak van de overige samenstellingen met haan, als hanebalk, haneschree, hanespoor, hanetred, maakt het niet raadzaam in hanepoot de Analogie te verlaten. Hanengekraai, voor gekraai der gezamenlijke hanen eener buurt, vereischt, gelijk ieder gevoelt, de n van het meervoud.

Men vergete vooral niet, dat het buitensluiten der vrouwelijke en onzijdige woorden geene betrekking heeft tot die gevallen, waarin de n als meervoudsvorm of voor de Welluidendheid volstrekt gevorderd wordt; b.v. kattengeslacht, eendenkooi, koeienhaar, paardenras, zwijnenaard enz.

195. Evenzoo is het gelegen met kruidkundige, dus wetenschappelijke benamingen, waarin de meervoudsvorm de natuurlijkste is. De spelling van zoodanige woorden staat doorgaans niet vast, zoodat men daarbij geheel vrij is in zijne keus. Bedenkt men bovendien, dat gebrekkige benamingen nergens aanstootelijker zijn dan in de wetenschappen, dan zal men niet aarzelen die vormen te kiezen, die de aard der zaak vereischt. De botanische benamingen, wier eerste lid een diernaam is, moeten in twee soorten onderscheiden worden: zij zijn òf overdrachtelijk gebezigde namen van lichaamsdeelen, als ganzetong; òf zij geven te kennen, dat de plant in de eene of andere, hetzij wezenlijke, hetzij gewaande, betrekking tot eene diersoort staat, als slangenkruid. In het eerste geval zal niemand bij eenig nadenken den meervoudsvorm verkiezen, wanneer deze niet door den voorgaanden regel (§ 194) voorgeschreven wordt; in het tweede geval zal ieder dien als den meest gepasten aanmerken, dewijl men dan kennelijk het oog heeft op het geheele geslacht, niet op een enkel individu. Daarom schrijven wij: ganzetong, ganzevoet, kattestaart, paardestaart, slangekop enz. zonder n; daarentegen biggenkruid, duivenkervel, eendenkroos, geitenblad, hazendistel, kattendoorn, konijnenblad, muizengerst, paardenbloem, paddenstoel, slangenbloem, slangenwortel enz. met n.

196. Eene afzonderlijke behandeling verdienen de boomnamen, wier eerste lid de vrucht aanduidt, die zij opleveren. Beide getallen zijn hier te dulden, en het meervoud schijnt het natuurlijkste. Die woorden behooren echter tot de dagelijksche uitdrukkingen, die in elken stijl te pas komen, maar veel meer in den gewonen dan in den verhevenen; het boven in § 192 aangevoerde is hier dus van toepassing. De vraag is derhalve, of het begrip van het enkelvoud van het eerste lid met de beteekenis van het geheele woord kan vereenigd worden; en het antwoord luidt bevestigend. Men zegt: een appel, een abrikoos, een peer, een perzik, een blauwe en een witte druif enz., voor appelboom, abrikozeboom, pereboom enz., daarbij aan de anders vrouwelijke woorden abrikoos, peer, perzik enz. het manlijk geslacht toekennende. Men kan hier dus aannemen, dat tusschen abrikoos, appel enz. en boom dezelfde verhouding bestaat als tusschen berk, eik enz. en boom, in berkeboom, eikeboom enz. (zie boven, § 181). De spelling besseboom, druiveboom, kerseboom, krenteboom, noteboom, pereboom, pruimeboom, vijgeboom, met het enkelvoud van de verouderde vormen besse, druive, kerse, corinte, note, pere, pruime, vijge, is dus op zich zelve beschouwd gewettigd. Men zal haar voor de verkieslijkste houden, als men bedenkt, dat zij niet alleen in overeenstemming is met de gebruikelijke uitspraak, maar ook met de schrijfwijze van andere dergelijke boomnamen, waar het eerste lid boven allen twijfel in het enkelvoud staat, als: amandelboom, appelboom, citroenboom, dadelboom (dadelpalm), granaatboom, kastanjeboom, oranjeboom (niet kastanjes- en oranjesboom), mispelboom, olijfboom. Het enkelvoud is dan ook vanouds, wel niet de volstrekt eenige, maar toch de meest gebruikelijke vorm geweest. Kiliaan, hoewel hij peere, pruyme en vijghe opgeeft, schrijft peerboom, pruymboom, vijghboom, en zoo ook kersseboom, notboom; Plantijn: kerseboom, noteboom, pereboom, perzeboom, pruymboom, vijgeboom of vijchboom, van het enkelvoudige kerse, note, pere, perze, pruyme, vijge.

Uit het aangevoerde volgt, dat men bij analogie ook rozeboom, syringeboom, tulpeboom enz. zal behooren te spellen. Immers men zegt, van de boomen sprekende: Hier staan rozen, dat is een syring, enz.

197. Er zijn ook woorden, wier beteekenis stellig niet altijd dezelfde is, maar die het eene oogenblik op een enkel-, het andere op een meervoud zien, terwijl daarbij doorgaans nog een derde geval denkbaar is, waarin men aangaande het ware getal in onzekerheid verkeert. Een voorbeeld zal de zaak ophelderen. Eene hoeveelheid vleesch of leder kan afkomstig zijn van één of meer dieren. In het eerste geval zal men zich juist uitdrukken door geitevleesch en schapeleder, in het tweede door geitenvleesch en schapenleder te schrijven; ook kan het geval zich voordoen, dat men aangaande de herkomst in het onzekere is. Hoe moet men met zoodanige woorden handelen? moet men hun een onveranderlijken vorm toekennen, of mag men gebruik maken van het middel om, zulks verkiezende, telkens de juiste beteekenis aan te duiden? Wij behoeven met ons antwoord niet lang verlegen te staan. Waar onzekerheid van het Gebruik en dobbering van de Spelling als het ware vanzelve een gemakkelijk middel aan de hand geven om juistheid in stijl te bevorderen en den rijkdom der taal te vermeerderen, achten wij ons niet gerechtigd dat te verwerpen. Van zulke woorden rekenen wij ons verplicht den dubbelen vorm te erkennen. Doch daarmede ontstaan de vragen: hoe moet men handelen, als het getal onzeker is? en onder welken vorm moeten zoodanige woorden in een woordenboek vermeld worden? Slechts in weinige gevallen zal het moeilijk zijn in dezen te beslissen. Doorgaans zal het voor de hand liggen, welke opvatting de gewone, en dus welke spelling de verkieslijkste is. In gevallen van onzekerheid zal de meest gewone vorm in het woordenboek worden opgegeven, met vermelding van den bijvorm, die, waar bijzondere nauwkeurigheid wordt vereischt, den schrijver buitendien ten dienste staat. Ook het onderscheid tusschen dagelijksche en meer deftige woorden zal tot de beslissing kunnen bijdragen. Zoo zal men ongetwijfeld bij de huishoudelijke woorden schapevleesch, geiteleder, aan den enkelvoudigen vorm zonder n de voorkeur geven, vooral wanneer men bedenkt, dat men in de overeenkomstige woorden kalfsvleesch, lamsvleesch, rundvleesch, hartsleder, kalfsleder stellig het enkelvoud aantreft. Daardoor wordt echter niemand het recht betwist om, als hij zulks noodig acht, schapenvleesch te spellen.

Natuurlijk zal men omgekeerd te werk gaan, waar de beteekenis gewoonlijk het begrip van het meervoud medebrengt. Zoo zal men in gewone gevallen aan kippenloop, paardenstal, duivenslag, zwanendrift enz. de voorkeur geven boven kippeloop, paardestal, al liep er ook geene enkele kip in den loop, en al ware de stal maar voor één paard ingericht. Doch wie dit laatste in een bijzonder geval volstrekt wil doen uitkomen, schrijve alsdan paardestal.

Het beginsel, in deze § door ons aangenomen, hetwelk van woorden als schapevleesch, geitevleesch, paardenstal enz. een dubbelen vorm toelaat, is schijnbaar in strijd met § 194, waarin wij meenden de n in apengezicht, berenklauw enz. te moeten schrijven, ook dan, wanneer die woorden, in hun eigenlijken zin genomen, het gezicht van eenen werkelijken aap, den klauw van eenen werkelijken beer aanduiden. Bij eene nadere beschouwing zal men bevinden, dat de gevallen niet gelijkstaan. Bij een apengezicht zal niemand aan het gezicht van twee of drie apen denken, terwijl de n grammaticaal door de voormalige zwakke verbuiging van aap gerechtvaardigd is. De vorm is onberispelijk, en er is geene verkeerde opvatting te vreezen. Bij schapenvleesch en dergelijke woorden is alles geheel anders. De n achter schaap, dat steeds sterk verbogen werd, is niet anders te verklaren dan als teeken van het meervoud, en kan dus niet toegelaten worden in uitdrukkingen, waarbij men volstrekt aan het enkelvoud denkt, b.v. als men zegt: Mag ik u nog een stukje schapevleesch aanbieden? Omgekeerd zou men den meervoudsvorm niet gaarne missen, als men, de geheele soort bedeelende, zegt: schapenvleesch is voor sommige gestellen nadeelig.

De n achter bijvoeglijke woorden.

198. Bij de lidwoorden, de bijvoeglijke naamwoorden en voornaamwoorden, en bij de telwoorden, die als bijvoeglijke voornaamwoorden worden verbogen, zijn ten opzichte van de n twijfelingen denkbaar; doch bij eene nadere beschouwing blijkt, dat er inderdaad geene bestaan.

Alle samenstellingen, waarvan het eerste lid een bijvoeglijk woord is, zijn koppelingen. Zij zijn in twee hoofdsoorten te onderscheiden, naar gelang het laatste lid een substantief of een verbum is.

199. Wanneer het laatste lid een substantief en het woord in zijn geheel genomen insgelijks een substantief is, b.v. bij hoogepriester, hoogeschool, grootvader, kleinkind, dan wordt het bijvoeglijke woord, steeds een adjectief, aangemerkt als in den 1sten naamval voorgevoegd te zijn, en blijft het den nominatiefvorm onveranderd behouden, in welken naamval de geheele samenstelling ook te staan kome. Wij zeggen thans niet meer des hoogenpriesters, maar des hoogepriesters, evenals des grootmeesters. Van de inlassching eener n in woorden als blindeman, hoogepriester, hoogeschool, wittebrood, roodekool, zoutevisch enz. kan derhalve geene sprake zijn. Alleen één woord maakt eene uitzondering, te weten: goedendag, als benaming van een middeleeuwsch wapentuig. Dit woord is echter eene koppeling van den groet: goeden dag! waarin de beide woorden in den 4den naamval staan, en de n dus door de etymologie vereischt wordt.

200. Wanneer het laatste lid een substantief, maar het woord in zijn geheel genomen een bijwoord of een voegwoord is, dan staat de gansche uitdrukking in den 2den of in den 4den naamval, en dan behoort het eerste lid den vorm te hebben, dien geslacht en naamval eischen. Dus zal men moeten schrijven: grootendeels en meerendeels, samentrekking van meererendeels (2de naamval onzijdig), dewijl (4de naamval vrouwelijk). Soms echter is het eerste lid in den stamvorm voorgevoegd, en dan kan er geene sprake zijn van eene ingelaschte n; b.v. bij eenmaal, menigmaal, veeltijds enz. Twijfelingen bestaan hier niet.

201. Wanneer het laatste lid een verbum is, dan staat het bijvoeglijke woord in den regel praedicatief, hetgeen zeggen wil, dat het thans onverbuigbaar is. In dit geval kan er dus weder geene sprake zijn van het inlasschen eener n, die niet reeds tot den stam van het adjectief behoort. Het gebruik leert zulks dan ook duidelijk: het heet steeds goedmaken, onverschillig of men eenen misstap, eene fout of een verlies goedmaakt. De samenstellingen goedendag-, goedennacht-, goedenmorgenzeggen enz. verkeeren in een ander geval. Goed is daarin het attribuut van dag, nacht enz., welke woorden in den 4den naamv. staan en de overeenstemming van het adjectief goed vorderen.

De n achter werkwoorden.

202. De werkwoorden komen in eigenlijke samenstelling in den regel in den stamvorm voor, b.v. in breekbeitel, droogoven, eetlepel, hangijzer, jaagpad, koopvrouw, loopbaan, schrijfpen enz. Moeilijker is het uit te maken, met welken vorm men te doen heeft bij sommige koppelingen van geheele uitdrukkingen, tot den gemeenzamen stijl behoorende: als bedilal (bedil al, bedil alles), deugniet, doeniet, durfal, flapuit, hangop, houvast, kwistgoed, praatgraag, roerom, slokop, spilpenning, stokebrand, waaghals, weetniet enz. In sommige schijnt het werkwoord in de gebiedende wijs te staan, b.v. in kruidje-roer-mij-niet (lat. noli me tangere), in Pakaan (hondennaam), in roerom, sladood, vergeet-me-nietje. Bij dezulke wier stam op t eindigt, als kwistgoed, praatgraag, weetniet, zou men aan den 3den pers. van het enkelvoud kunnen denken, indien niet andere, als bedilal (niet bediltal), deugniet enz., wier beteekenis met de genoemde overeenkomt, zulks verboden. Intusschen blijkt duidelijk genoeg, dat men hier niet met den infinitief te doen heeft, en dat de toonlooze e in brekebeen, brekespel, drinkebroer, huilebalk, likkebaard, schendekeuken, stokebrand enz. geene verkorting van den infinitiefuitgang is.

Wanneer men sommige der laatstgenoemde woorden vergelijkt met kijk-in-de-pot, spring-in-’t-veld, stortenbeker (stort den beker), en met verscheidene Hoogduitsche eigennamen, als Haszenpflug (hasze den Pflug), Hebenstreit (hebe den Streit), Leidenfrost (leide den Frost) enz., dan wordt het waarschijnlijk, dat men brekebeen als breek de been (voor beenen), hangebast als hang de bast (d.i. strop), likkebaard als lik den baard, schendekeuken als schend de keuken enz. op te vatten heeft. Deze verklaring gaat echter niet altijd op, b.v. niet bij brekespel. Of is dit breketspel (breek het spel)? En hoe moeten drinkebroer e.a. worden opgevat? Is hier de e alleen ingevoegd om de ophooping van medeklinkers te voorkomen? In deze en dergelijke onzekerheden zal niemand het raadzaam achten de n, die het manlijk geslacht van baard en brand schijnt te vorderen, te herstellen, en voortaan likkenbaard, stokenbrand te schrijven, te minder daar men bij brekespel, drinkebroer, huilebalk e.a. altijd in het onzekere blijft, zonder door den vorm een verstandigen zin te kunnen uitdrukken.

Nu en dan hoort men deugeniet uitspreken, doch gewoonlijk deugniet. Wanneer men bedenkt, dat niet geen substantief is, zoodat hier aan geen uitgestooten lidwoord, noch aan eenig tusschenbeidekomend woord te denken valt, en dat die samenstelling volkomen gelijkstaat met doeniet, durfniet, weetniet, dan ziet men, dat deugniet zonder e de regelmatige vorm is.

203. Meer reden schijnt er te bestaan voor het herstellen der n in die werkwoorden, wier eerste lid eene onbepaalde wijs is, zooals in koekeloeren, ruilebuiten, spelemeien, spelevaren. Bedenkt men echter, dat de n aan de drie eerste toch nog niet hun waren vorm: koeken (kijken) en loeren, ruilen en buiten, spelen en meien zou teruggeven, zoodat koekenloeren enz. toch niet duidelijker zou wezen dan koekeloeren enz.; dat het begrip spelevaren ook niet volkomen juist door spelen varen uitgedrukt wordt: dan ziet men geene voldoende reden om woorden, waarbij de weglating der n in de uitspraak niet twijfelachtig is en omtrent wier spelling geen verschil bestaat, door het weder invoegen der uitgestooten letter een deftig voorkomen te geven, dat in strijd zou zijn met hunne weinig deftige beteekenis.

De n als invoegsel voor de welluidendheid.

204. De verbindings-n heeft bloot euphonische waarde, wanneer zij, van het hedendaagsche standpunt bezien, met de beteekenis van het woord in geen verband staat, en louter dient om een wanluidend samentreffen van twee letters te voorkomen. Van dien aard is de n in galgenaas en tarwenoogst, vergeleken met galgebrok en tarwemeel.

De euphonische n strekt ter vermijding van den hiatus of de gaping, d.i. van het ophouden der stem tusschen twee klinkers. Zij wordt dus vooreerst ingelascht achter eene toonlooze e, waarop onmiddellijk een andere klinker zou moeten volgen, b.v. in duive-n-ei. De h, die eene zeer verzwakte ch is, ofschoon nog altijd een medeklinker, wordt niet toereikend geacht om de gaping tusschen twee klinkers aan te vullen. Vandaar dat sommige onzer beste schrijvers in de 17de eeuw en nog later achter het lidwoord de en achter andere bijvoeglijke woorden op e uitgaande, niet slechts voor een klinker, maar ook voor eene h, eene euphonische n voegden, en b.v. den oorlog, den hond schreven, ook wanneer deze woorden in den eersten naamval stonden. Daar nu de h steeds onmiddellijk vóór een klinker komt, vereischen de samenstellingen, wier eerste lid op eene toonlooze e eindigt, en wier tweede met h begint, insgelijks de inlassching der n; b.v. dasse-n-huid, eike-n-hout.

205. Wanneer men het aangevoerde in aanmerking neemt, zal men den volgenden regel stellen: Wanneer de toonlooze e gevolgd wordt door een klinker of eene h, dan eischt de Welluidendheid de inlassching eener n.

Dienovereenkomstig schrijven wij: duivenei, eendenei, ganzenei, galgenaas, geitenoog, bruggenhoofd, dassenhaar, dassenhol, ganzenhagel, hondenhok, slakkenhuisje, berkenhout, beukenhout, eikenhout enz.

Daar mede, als bijwoord, tot de indeclinabilia behoort, welke soort van woorden nooit verbindingsletters toelaten (zie § 178), kan men de gebruikelijke spelling medearbeider, medeërfgenaam, medeoorzaak enz. niet als uitzondering op bovenstaanden regel beschouwen.

206. De samenstellingen met kerk vereischen eene afzonderlijke behandeling. Kerk, mnl. kerke, werd oudtijds zwak verbogen, der kerken, en daardoor ontstonden kerkenraad, kerkenorde, uit welk laatste door onderdrukking der n kerkeorde. Deze vorm laat zich volgens onze regels niet rechtvaardigen: de welluidendheid eischt òf kerkenorde, òf kerkorde, overeenstemmende met kerkaltaar, kerkorgel, kerkuil. Daar men thans geen zwakken genitief meer erkent (zie § 185), kan kerkenraad alleen een meervoud bevatten, en een raad beteekenen, die meer dan ééne kerk betreft. Hecht men er, gelijk gewoonlijk plaats heeft, dien zin niet aan, dan is volgens den hedendaagschen toestand der taal alleen kerkeraad te rechtvaardigen.

Over de verbindings-s.

207. Men kan alleen in twijfel staan, of in eene samenstelling al dan niet eene verbindings-s aanwezig is, wanneer het tweede lid begint met eene s, of met eene z, die scherp (als s) wordt uitgesproken; b.v. in dorpsschout, varkensziekte, baatzucht. Wanneer de z zacht klinkt, gelijk in hondeziekte, geelzucht, waterzucht, zal niemand het aanzijn eener s (hondesziekte, waterszucht) vermoeden.

In nog een geval bestaat er geen grond om eene s te onderstellen, namelijk achter den stam van een werkwoord, b.v. in stuifzand, drijfzand, waarin de z door den invloed der voorgaande f verscherpt wordt. Daar men slechts bij uitzondering om den wille der welluidendheid achter verbale stammen eene s inlascht in de gevallen, die beneden opgegeven worden, heeft men alleen die woorden te onderzoeken, wier eerste lid een naamwoord is, hetzij een substantief, hetzij een bijvoeglijk woord.

Nog zal men bij het stellen der regels in het oog moeten houden, dat ss en sz op zich zelf geene welluidende klanken zijn, zoodat de inlassching eener s, waar zij voor de uitspraak kan worden gemist, en door de beteekenis of regelmaat niet gevorderd wordt, niet verkieslijk is. Men kan derhalve als algemeenen regel stellen, dat de s alleen dan behoort ingelascht te worden, wanneer de noodzakelijkheid ten duidelijkste blijkt.

De verbindings-s als teeken van den tweeden naamval achter zelfstandige naamwoorden.

208. De verbindings-s treedt als teeken van den 2den naamval in samenstellingen niet slechts achter manlijke en onzijdige substantieven, als in timmermansgereedschap, bakkersoven, levensbericht, kindskind, maar ook achter vrouwelijke, als zusterskind, dochtersman, stadspoort, vrijheidsboom, zielsverdriet enz.; vergelijk § 185.

Het onderscheid der geslachten kan derhalve geenen regel aan de hand doen, en men zal eeniglijk te letten hebben op de analogie en op de betrekking, welke inderdaad die van den genitief van het enkelvoud moet wezen.

Daar men volgens den bovengestelden algemeenen regel met de s spaarzaam moet zijn, kan zij alleen dan gewettigd worden, wanneer uit andere overeenkomstige samenstellingen duidelijk blijkt, dat het woord in de betrekking van den genitief de s verlangt. Zoo leeren b.v. de woorden bakkersnering, bakkersoven, bakkerswinkel, dorpsbestuur, dorpsherberg, dorpsleeraar, krijgsmansdeugd, krijgsmanseed, sergeantsrang, sergeantsuniform, sergeantsvrouw, stadsmuur, stadspoort, stadswal, vollersambacht, vollerskuip, varkensoog, varkensvleesch, varkensribbetje, veiligheidskaart, vrijheidsliefde, zuinigheidsmaatregel, landschapshuis, landschapsvergadering, burgerschapsrechten, vriendschapsband enz., dat de woorden bakker, dorp, krijgsman, officier, sergeant, stad enz., en die op -heid en -schap in de betrekking van den genitief de s vorderen, en dat men derhalve ook bakkersschotel (houten werktuig), dorpsschool, krijgsmansstand, sergeantsstrepen, stadsschout, varkensstal, varkensziekte, waarheidszucht, landschapsschrijver te spellen heeft.

Dat men wel degelijk op de onderlinge verhouding der deelen heeft te letten, blijkt uit landschapschilder, waar landschap een meervoud landschappen vertegenwoordigt, en dus niet in den 2den naamval van het enkelvoud voorkomt. Niemand zal dan ook op de gedachte komen om landschapsschilder te schrijven, dan in eene beteekenis, die niet in gebruik is en die overeenkomen zou met landschapsschrijver.

De verbindings-s als teeken van het meervoud.

209. Moet men spaarzaam zijn met de s van den 2den naamval, nog meer is zulks het geval met die van het meervoud. De dubbele s, en evenzoo sz, is moeilijk uit te spreken, en klinkt onaangenaam achter eene liquida, l, m, n of r, voorafgegaan door eene toonlooze e; d.i. juist achter die substantieven, die hun meervoud doorgaans met s vormen. De woorden op -el, -em, -en en -er behouden daarom, gelijk reeds vroeger is aangemerkt (§ 189, aanm.), den enkelvoudigen vorm, ook waar de beteekenis dien van het meervoud zou vereischen; men zegt en schrijft: appelmand, sleutelbos, bezembinder, leugenbeest, wagenmaker, letterkast, letterzetter (niet appelsmand enz.), en evenzoo als het eerste lid een persoonsnaam is, b.v. burgerrecht, burgerwapening, dragonderregiment, ridderorde, rooverbende, ruiterbende, ruiterzalf enz. Neemt men zulks in aanmerking, dan zal men geene noodzakelijkheid zien, noch de vrijheid vinden, om achter de opgenoemde toonlooze lettergrepen eene s in te lasschen, die zou moeten dienen om het meervoud aan te duiden. Wij schrijven derhalve ankersmid, burgerstand, burgersociëteit, cijferschrift, dragonderstal, kachelsmid, letterspecie, leugenstoffeerder, priesterschaar, priesterschap, ridderstand, ruiterstal, vezelstof, zonder eene verbindings-s, die door de Analogie niet wordt geëischt en strekken zou om eene onwelluidende uitspraak te bevorderen.

Anders is het gelegen met het achtervoegsel -ier, dat den vollen klemtoon heeft. Het vordert de s van het meervoud, gelijk blijkt uit: officierstafel, officiersvereeniging, kanonnierskazerne, pontonnierscompagnie enz.; daarom zal men ook kurassiersstal, officierssociëteit enz. schrijven.

De verbindings-s als teeken van den tweeden naamval achter bijvoeglijke woorden.

210. Wanneer het eerste lid een bijvoeglijk woord is, hetzij een bijvoeglijk naam- of voornaamwoord, hetzij een onbepaald telwoord, dan kan de s alleen het teeken zijn van den tweeden naamval, in welke dan ook het tweede lid staat, b.v. in blootshoofds.

Ook hier is alleen dan onzekerheid denkbaar, wanneer het tweede lid met s of z begint. Men kan b.v. een oogenblik weifelen tusschen de spelling goedschiks en goedsschiks. Wanneer men echter bedenkt, dat de geheele uitdrukking wel is waar een zoogenaamde genitivus absolutus is, overeenkomende met blootshoofds, goedsmoeds, gewapenderhand, maar dat het gebruik reeds in sommige dergelijke uitdrukkingen, als veeltijds, droogvoets, de s kennelijk heeft uitgestooten, dan zal men geene afdoende reden zien om, in strijd met de Welluidendheid, een woord te bezwaren met eene s, die voor de duidelijkheid niet gevorderd wordt.

211. Anders is het gelegen met woorden, waarin zin het tweede lid is, voorafgegaan door een bepalend woord, als alleszins, eenigszins enz., waarvan reeds boven gehandeld is. De z heeft daarin hare verscherping te danken aan de s van het eerste lid. Blijft deze weg, dan herneemt zij noodwendig haren zachten klank, en verkrijgt men alle-zins, geen-zins enz., hetgeen tegen de gebruikelijke uitspraak strijdt. De s is derhalve in al die woorden volstrekt onmisbaar; zie boven, § 125.

De verbindings-s als euphonische letter achter stammen van werkwoorden.

212. De verbindings-s had in de tot hiertoe behandelde gevallen, op weinige uitzonderingen na, nog altijd eene beteekenis. Deze mist zij natuurlijk, wanneer het eerste lid de stam van een werkwoord is, gelijk b.v. in leidsvrouw, scheidsman, raagshoofd, waarin zij kennelijk alleen om den wille der uitspraak is ingevoegd. Bedenkt men dit, dan zal men niet in de verzoeking komen om in woorden, wier eerste lid de stam van een werkwoord is, en wier tweede met s of z begint, b.v. in hebzucht, eene s te schrijven, die alleen zou moeten strekken om een sisklank voor te stellen, die zonder dat reeds in het woord aanwezig is, en, dubbel uitgesproken, onwelluidend klinkt. Wij schrijven derhalve leidstèr (leidstar), evengoed als het afgeleide leidstĕr, zonder s, niettegenstaande leidsman en leidsvrouw eene s hebben.

Overzicht over de regels voor de samenstelling.

213. De grondbeginselen en regels, die wij bij het schrijven van samengestelde woorden in het oog houden, komen derhalve kortelijk hierop neder:

I. In samenstellingen, wier eerste lid een onverbuigbaar woord (indeclinabile, zie § 50, aanm.) is, komen geene verbindingsletters voor, zoomin ten behoeve der Welluidendheid als om eenige andere reden (§ 178). Geen der volgende regels is derhalve daarop toepasselijk. Wij schrijven dus zonder n: medearbeider, medeërfgenaam, medehelper, medehulp.

II. Stoffelijke bijvoeglijke naamwoorden komen niet als eerste lid in samenstellingen voor. Composita als aardenwerk, tarwenbrood, roggenbrood, gerstenpap enz., voor aardewerk, roggebrood enz., bestaan er niet (§ 180), evenmin als berkenboom, eikenboom enz. (§ 181).

Het behoeft nauwelijks aangemerkt te worden, dat verbindingen van een adjectief met het eerste lid eener samenstelling, door het koppelteeken aangeduid, als oude-mannenhuis enz. (§ 158), niet tot de eigenlijke samenstellingen te rekenen zijn, en dus buiten dezen regel vallen. Het adjectief blijft daar op zich zelf als adjectief bestaan; niets verhindert dus om desnoods gouden-horlogemaker, koperen-balansenfabriek, zijden-kousenfabrikant enz. te schrijven, ofschoon zulke verbindingen niet fraai zijn te noemen.

III. De n achter de toonlooze e dient in samenstellingen òf 1º. tot vermijding van den hiatus; òf 2º. achter zelfstandige naamwoorden ter aanduiding van het meervoud; òf 3º. achter bijvoeglijke woorden ter uitdrukking van eenen naamval. De zwakke genitief wordt in samenstellingen niet meer gevoeld: het is dus geene afdoende reden voor het inlasschen eener n, dat zij den enkelvoudigen 2den naamval zou moeten uitdrukken (§ 172 en 185).

IV. Samenstellingen, wier tweede lid met eenen klinker of eene h begint, krijgen achter eene toonlooze e eene n ter vermijding van den hiatus; b.v. ganzenei, hondenhaar (§ 204 en 205).

V. De samenstellingen, wier eerste lid een zelfstandig naamwoord is, zijn vierderlei:

1º het eerste lid brengt noodwendig de voorstelling van een meervoud mede; b.v. in heldenschaar, eikenlaan (§ 188);

2º het eerste lid vertegenwoordigt noodwendig een enkelvoud, b.v. in druivepit, tinnegieter (§ 190);

3º het eerste lid is, te gelijker tijd, voor tweeërlei opvatting vatbaar, kan èn als enkel- èn als meervoudig gedacht worden; b.v. in kurketrekker, mutsebol (§ 191 en 192);

4º het eerste lid kan, bij afwisseling, nu een enkel-, dan een meervoud voorstellen; b.v. in schapevleesch en schapenvleesch (§ 197).

A) Met n achter de toonlooze e worden geschreven

a) al de woorden, bedoeld in nº. 1 (§ 188);

b) van de woorden, bedoeld in nº 3:

α) de samenstellingen, wier eerste lid een één- of tweelettergrepige persoonsnaam is; alsmede de woorden op -in of -inne, -es of -esse, die meerlettergrepig zijn; b.v. boerendochter, heldendaad, vrouwenkleed, koninginnenmantel (§ 193);

β) de samenstellingen, wier eerste lid een manlijke diernaam is, die geene composita met s vormt; b.v. apengezicht, berenklauw (§ 194);

γ) botanische benamingen, wier eerste lid een diernaam is, onverschillig manlijk, vrouwelijk of onzijdig, wanneer de samenstelling geen lichaamsdeel aanduidt, maar op de geheele diersoort ziet; b.v. duivenkervel, slangenkruid (§ 195).

B) Zonder n achter de toonlooze e worden geschreven

a) al de woorden, bedoeld in nº 2, tenzij de n door Regel IV voor de welluidendheid gevorderd wordt (§ 190);

b) van de woorden, bedoeld in nº 3:

α) die, welke het dagelijksch leven en de huishouding betreffen, b.v. pennemes, kurketang (§ 192);

β) namen van boomen, wier eerste lid de naam is eener vrucht of eener bloem, b.v. pereboom, tulpeboom (§ 196).

C) Naar gelang der omstandigheden worden afwisselend zonder of met n geschreven de woorden, bedoeld in nº 4 (§ 197).

VI. Bij samenstellingen, wier eerste lid een bijvoeglijk woord is, komen geene twijfelachtige gevallen voor; de spraakkunst beslist ondubbelzinnig het al of niet aanwezig zijn eener n (§ 198–201). In woorden, wier eerste lid een werkwoord is, wordt nooit eene n ingelascht (§ 202 en 203).

VII. De verbindings-s dient in samenstellingen, wier eerste lid een naamwoord is, òf als teeken van den tweeden naamval van het enkelvoud, òf als teeken van het meervoud (§ 208–211). In de weinige woorden, waarin zij achter een werkwoord voorkomt, staat zij alleen om den wille der welluidendheid (§ 212).

VIII. Eene verbindings-s is alleen twijfelachtig in samengestelde woorden, wier tweede lid begint met eene s, of met eene z, die scherp (als s) wordt uitgesproken (§ 207).

A) Eene twijfelachtige s wordt ingevoegd

a) als teeken van den 2den naamval enkelvoud:

α) in samenstellingen, wier eerste lid een substantief is, dat in niet twijfelachtige gevallen eene s aanneemt; b.v. in dorpsschool, om de analogie van dorpsbestuur, dorpsherberg, dorpsleeraar, dorpsonderwijzer (§ 208);

β) in de samenstellingen met het woord zin, als alleszins, eenigszins enz. (§ 125 en 211);

b) als teeken van het meervoud in samenstellingen, wier eerste lid een persoonsnaam is, die op -ier eindigt, als kanonnierskazerne (§ 209).

B) Eene twijfelachtige s wordt niet ingevoegd in de volgende gevallen:

a) niet in samenstellingen, wier eerste lid een substantief is, dat op -el, -em, -en of -er eindigt, wanneer de s zou moeten dienen om het meervoud te vertegenwoordigen; b.v. niet in burgerstand (§ 209);

b) niet in absolute genitieven, als goedschiks, niet goedsschiks (§ 210);

c) niet achter werkwoorden, b.v. leidstar, niet leidsstar (§ 212).

De spelling der bastaardwoorden.

214. Evenals ieder beschaafd volk bezigen wij een aantal woorden, die niet in den boezem onzer eigene taal ontstaan, maar bij onderscheidene gelegenheden uit andere talen ontleend zijn. Die vreemde woorden vervallen vanzelve in drie klassen: 1) de zoodanige, die geheel Nederlandsch geworden, met het volle burgerrecht begiftigd, als het ware genaturaliseerd zijn; 2) de woorden, die geheel vreemd zijn gebleven; en 3) de woorden, die tusschen deze beide soorten in staan, d.i. de eigenlijk gezegde bastaardwoorden.

215. De eerste klasse bestaat uit dezulke, die, meestal sedert onheuglijke tijden bij ons in gebruik, hun vreemden vorm geheel en al hebben afgelegd, in alle opzichten, in klemtoon zoowel als in klank, aan echte Nederlandsche woorden gelijk zijn geworden, en wier derivata op Nederlandsche wijze gevormd zijn. Deze schijnen geene uitheemsche bestanddeelen, geene vreemde voor- noch achtervoegsels te bevatten, en onderscheiden zich in niets van oorspronkelijke Nederlandsche woorden dan door hunne afkomst en het gemis van Nederlandsche verwanten in opklimmende linie. Tot de zoodanige behoort b.v. kerk, gr. κυριακόν. Dit woord verschilt in vorm niet van berk, merk en werk, het heeft echt Nederlandsche afstammelingen: kerkje, kerksch, kerkelijk, moederkerk, kerkdeur enz., maar κύριος, het grondwoord waarvan κυριακόν gevormd is, ligt buiten het Nederlandsche taalgebied.

Het grootste aantal der tot deze klasse behoorende woorden is eenlettergrepig, als: aas (gewicht), ark, beest, beurs, boei, bres, brief, bul (open brief), dom(kerk), feest, fijn, fraai, gom, graad, inkt, kaap, kaars, kaart, kaas, kalk, kelk, kers, keurs, klaar, klerk, kleur, kluis, koers, koets, koor, koord, korst, kous, krent, kroon, kroot, kruin, kruis, kuur, kwart, lamp, lans, leek, lijn, mijl, munt, nis, paar, paard, paars, part, peer, pen, pers, pijl, pijn, pil, plaats, plein, pleit, pluim, pool, poort, poos, pop, post, preek, prent, proef, prooi, proost, rest, saus, sein, soep, stool, straal, taart, test, tijm, toer, toets, toon, toorts, trein, troef, troon, vlam, vork, wijl (sluier).

Een groot aantal andere is tweelettergrepig met den klemtoon op de eerste syllabe, onverschillig of deze reeds in den oorspronkelijken vorm den klemtoon had of dien eerst in het Nederlandsch gekregen heeft. De tweede lettergreep is dan meestal geheel of nagenoeg toonloos, waardoor zoodanige woorden het voorkomen hebben van Nederlandsche woorden met een achtervoegsel. Hiertoe behooren: bijbel, duivel, engel, fakkel, kamer, kamfer, kanker, karper, keizer, kerker, ketter, kevie, kluister, konkel, koppel, kouter, kussen, lelie, letter, menie, mijter, mode, monnik, mosterd, neger, olie, orde, orgel, pauze, peper, perzik, priester, regel, rente, sekse, sekte, singel, sintel, spiegel, suiker, tafel, tegel, tempel, tichel, tijger, toren, zegen(wensch), zemel enz.

Verplaatsing van den klemtoon is geschied bij deken (decanus), kansel, kelder, kemel, kervel, keten, keuken, kolder, schotel, venster, vijver, zegen (vischnet), zolder en andere. Genoemde woorden komen in vorm overeen met de echt Nederlandsche teugel, hamer, naaister, lomperd, koude, merrie.

Zeldzaam zijn de tweelettergrepige, die, gelijk beschuit, bestel en vernis, het voorkomen hebben van Nederlandsche woorden met praefixen, als bedrog, verval. Andere gelijken weder op andere wijzen naar echt Nederlandsche woorden: zoo hebben bakelaar en kandelaar denzelfden vorm als kakelaar en wandelaar. Weder andere hebben den schijn van composita, als aalmoes, altaar, bisschop, luipaard, meerkat, pelgrim, die uiterlijk niet verschillen van aschschop enz.

216. De tweede klasse bestaat uit woorden, wier uitspraak en accentuatie niet in het geringste veranderd of gewijzigd is, en die juist zoo als in de vreemde taal worden uitgesproken. Hiertoe behooren b.v.: facto, jure, incognito, partim, passim, raptim, totaliter, generaliter, pro, contra, ergo, idem, item, punctum, anno, datum, primo, secundo, medio, ultimo, lustrum, grammatica, logica, physica, centrum, hypotenusa, praesens, praeteritum, participium, banco, bon, bruto, franco, netto, tarra, debet, credit, a costi, whist, spadille, manille, quadrille, basta, ponto, misère, budget, bonbon, bureau, blanc-manger, bougie, cadeau, chapeau, chenille, conservatoire, douche, eau de Cologne, joujou, shawl of châle, savoir-vivre, souper, diner, carte-blanche, vaudeville enz.

217. De derde klasse bestaat uit woorden, die in de uitspraak eene geringere of grootere wijziging hebben ondergaan, welke echter niet voldoende is om hun het uitheemsch voorkomen geheel te ontnemen. Zoodanige woorden zijn door die wijziging gerukt uit de taal, waartoe zij oorspronkelijk behoorden, en zijn in zekeren zin Nederlandsch geworden; doch het overblijfsel van de vreemde uitspraak of van den vreemden vorm verhindert, ze gelijk te stellen met echt Nederlandsche woorden en ze in de eerste klasse te rangschikken. Zij behooren dus eigenlijk eenigermate aan twee talen, waarom men ze niet ongepast bastaardwoorden kan noemen.

Wanneer woorden der tweede klasse op Nederlandsche wijze worden verbogen of een Nederlandsch affix bekomen, al blijft hun vorm voor het overige onaangetast, dan treden zij natuurlijk in de klasse der bastaardwoorden; b.v. bougies, bons, datums, items, paternosters, doctors of doctoren, bònnetje, cadeaus, cadeautjes, itempjes, militairen, militaire macht enz.

218. De veranderingen, die de eigenlijke bastaardwoorden ondergaan hebben, bepalen zich in den regel tot het uiteinde van het woord. Soms wordt de vreemde uitgang geheel weggelaten, b.v. in praefix, lat. praefixum; instinct, lat. instinctum; soms wordt die uitgang slechts gewijzigd, b.v. in linie, lat. linea; olie, lat. oleum; citroen, fr. citron; meloen, fr. melon; consequent, nu eens lat. consequens, dan eens lat. consequenter; syllogisme, gr. συλλογισμός. Het afwerpen of wijzigen van den uitgang heeft niet zelden ook eene wijziging der voorgaande lettergreep ten gevolge: b.v. in titel, lat. titulus; artikel, lat. articulus; vocaal, lat. vocalis; systeem, gr. σύστημα; republiek, fr. république; sigaar, sp. cigarro.—Somtijds echter bepaalt de geheele verandering zich tot de wijziging van de uitspraak der eindlettergreep, zonder dat zulks eene verandering in de spelling teweegbrengt; b.v. in officier, fr. officier.

Bij woorden, uit levende talen ontleend, heeft echter niet zelden ook eene wijziging in het lichaam van het woord plaats; b.v. in grenadier en genie, waarin niet slechts de uitgangen ier en ie anders klinken dan in fr. grenadier en génie, maar ook de g van gre en de e van ge; vermicelli wordt bij ons doorgaans uitgesproken als vermiselli, zelden als in het Italiaansch: vermitsjelli.

219. Dergelijke wijzigingen zijn echter verre van toereikend om in alle gevallen aan een vreemd woord het voorkomen van een echt Nederlandsch te geven. Niet zelden blijft er desniettegenstaande een vreemde klank in over, b.v. in genie, logement, sergeant enz.; zoo ook in artikel, titel, citer, die, om geheel Nederlandsch te kunnen heeten, in artijkel, tijtel en sijter hadden behooren te veranderen, gelijk onder andere met bijbel, mijter, tijger heeft plaats gehad. Zelfs het zoo gebruikelijke cijfer kan niet als volkomen Nederlandsch beschouwd worden, vermits de f van het lat. cifra niet in v is overgegaan, en de uitgang -fer wel achter korte, als b.v. blaffer, keffer, koffer, duffer, maar nooit achter lange klinkers of tweeklanken voorkomt. In dit geval toch treft men alleen -ver aan: b.v. in braver, gever, liever, grover, zuiver, ijver, stijver enz. In de meeste gevallen blijft de accentuatie van het bastaardwoord zijn vreemden oorsprong verraden. Hoogst zelden toch treedt de klemtoon in meerlettergrepige woorden op de eerste syllabe over, waardoor zij, gelijk aalmoes, altaar, kandelaar, olifant, het voorkomen van Nederlandsche composita, of, gelijk ketel, schotel, venster, van Nederlandsche derivata verkrijgen. Blijft de klemtoon op de tweede of derde lettergreep rusten, als b.v. in probléém, publiék, orkáán, diáken, epìstel, convocátie, execútie, dan worden zij terstond als vreemde woorden herkend, te meer daar de klemtoon in meerlettergrepige bastaardwoorden zelden die van echt Nederlandsche in kracht evenaart; vergelijk b.v. evangelie, publicatie, met overmoedig, onderdanig. Ten gevolge van een en ander onderkent men oogenblikkelijk diameter, circulatie, evangelist enz. als vreemde woorden.

220. Ook nog op eene andere wijze openbaart zich niet zelden de vreemde herkomst en natuur der bastaardwoorden, namelijk uit de onmogelijkheid om op Nederlandsche wijze derivata te vormen. Wanneer men het deminutief-suffix uitzondert, dat zelfs achter woorden der tweede klasse kan treden, b.v. in bureautje, assessortje, dan is men doorgaans genoodzaakt van de zoogenaamde bastaardachtervoegsels gebruik te maken. Tiran of tyran b.v. levert niet op: tyransch, tyrannelijk, tyranschap, noch het werkwoord tyrannen, maar tyranniek, tyrannij, tyranniseeren; souverein niet souvereinschap, maar souvereiniteit. Dikwijls komt daarbij de oudere, minder sterk gewijzigde vorm weder te voorschijn; b.v. in apostolisch of apostoliek van apostel; diaconie, diaconaal van diaken; of liever, apostoliek, diaconie, diaconaal zijn niet afgeleid van apostel en diaken, maar zijn de—onafhankelijk van apostel en diaken—overgenomen vreemde woorden apostolicus, diaconia, diaconalis; gelijk systematisch en syntactisch niet in den boezem onzer taal gevormd zijn van systeem en syntaxe, maar van de adjectieven systematicus, syntacticus. Hetzelfde heeft plaats bij titulair, commissaris, commissionnair, die niet van titel en commissie zijn gevormd.

Zelfs woorden, die men anders tot de eerste klasse zou brengen, blijven op deze wijze van hunne vreemde herkomst getuigen; b.v. abt, doordien het niet abdesse, maar abdis, lat. abbatissa, geeft; fout door foutief; klant door klandizie; cirkel door circulatie en circulaire; cel door cellulair; cent zelfs door centesimaal, terwijl het niet één Nederlandsch derivaat heeft.

221. De spelling der woorden, die stellig tot de eerste klasse behooren, levert weinig zwarigheden op. Die woorden worden beschouwd als genaturaliseerd, als geheel verdietscht en met het volle burgerrecht begiftigd. Zij worden daarom nagenoeg algemeen als oorspronkelijke Nederlandsche woorden geschreven. Niemand spelt thans meer caars, caart, cleur, clooster, coster, coucen, cruis, groupe, persic, punct, train, troupe, enz. De Redactie meent overeenkomstig dit gebruik als beginsel te moeten aannemen, dat de Nederlandsche spelling in al die woorden behoort gevolgd te worden, ook in die, waaromtrent de gevoelens min of meer verdeeld zijn. Zij schrijft derhalve sieren en singel met eene s, en troon zonder h, ofschoon sommigen nog aan cieren, cieraad, cingel en throon de voorkeur geven. Deze woorden toch worden geheel als Nederlandsche behandeld en verbogen, treden met echt Nederlandsche in compositie en vormen derivata op Nederlandsche wijze: opsieren, versieren, sierplant, sieraden, sieradiën (gelijk kleinoodiën, dat echt Nederlandsch is); omsingelen; onttronen, hemeltroon, troonopvolger, enz.

222. De woorden cedel (blijkens den ouderen vorm cedul het Fransche cédule, en niet naar het lat. schedula gevormd), ceder, lat. cedrus, en cijns, lat. census, geven bedenking, of zij al of niet tot de eerste klasse moeten gebracht worden. Zij zijn volkomen Nederlandsch van klank en hebben geene vreemd klinkende derivaten. Cedel wordt zelfs saamgetrokken tot ceêl, en helpt gedenkcedel, huurceêl, ceêlmaker enz. vormen; ceder komt voor in cederachtig, cederboom, cederhout, cijns in cijnsbaar, cijnsplichtig; alleen de c verraadt de vreemde herkomst. Volgens de Analogie behooren die woorden derhalve tot de eerste klasse en zou de c door de s moeten worden vervangen. Hier staat echter tegenover, dat zij steeds zonder uitzondering met c geschreven en daarom ook alleen onder dien vorm bekend zijn; dat zelfs het zoo gewone ceêl altijd zijne c behouden heeft; dat de cederboomen en het cederhout te weinig populair zijn om onder de veranderde vormen seder, sederen, sederhout terstond herkend te worden; en dat cijns weinig meer wordt gebruikt, maar een historisch woord is geworden, dat dus een vasten vorm heeft aangenomen. Wanneer wij dat alles bedenken, achten wij het niet raadzaam in strijd met het heerschende gebruik eene spelling te veranderen, waaromtrent nooit verschil van gevoelen heeft bestaan, om eene andere aan te nemen, die door velen niet terstond begrepen zou worden. Wij beschouwen daarom de genoemde woorden als bastaardwoorden, die door hunne spelling van hun vreemden oorsprong getuigenis geven, en blijven schrijven: cedel (ceêl), ceder, cijns.

223. De spelling van de woorden der tweede klasse levert in het geheel geene bedenkingen op. Het ligt in den aard der zaak, dat vreemde woorden, die in de uitspraak geenerlei wijziging hebben ondergaan, hunne oorspronkelijke spelling, de zichtbare voorstelling hunner uitspraak, onveranderd behooren te behouden.

224. Veel grooter zijn de bezwaren, verbonden aan het bepalen van de spelling der woorden, die de derde klasse uitmaken. Daaromtrent toch zijn de gevoelens zoo verdeeld, dat men bezwaarlijk volkomene overeenstemming tusschen twee schrijvers ontdekken zal. Wanneer men echter niet in bijzonderheden treedt, dan kan men in het zoozeer verschillend gebruik twee hoofdrichtingen onderscheiden, die, van twee tegenovergestelde uitersten uitgaande, nagenoeg lijnrecht tegen elkander inloopen. Men kan ze gevoeglijk de oudere en de nieuwere richting noemen.

225. De oudere dagteekent van 1804, en heeft zich tot beginsel gesteld, dat de bastaardwoorden over het algemeen hunne oorspronkelijke spelling behooren te behouden. Zij wil alleen de uitgangen overeenkomstig het Nederlandsche spraakgebruik gewijzigd hebben, en maakt geene uitzonderingen dan alleen ten opzichte van die woorden, welke, onder alle standen der maatschappij in gebruik, door allen op Nederlandsche wijze geschreven worden. Deze richting laat derhalve verschillende vreemde schrijfwijzen te midden van de inheemsche bestaan, onderstelt in den lezer de kennis der vreemde spelling en uitspraak, en duldt vele uitzonderingen; doch deze zijn geene noodwendige uitvloeisels van het aangenomen beginsel, maar worden alle door buitenliggende omstandigheden veroorzaakt.

226. De nieuwere richting, nagenoeg veertig jaren jonger, heeft zich ten doel gesteld de spelling der vreemde woonden zoodanig in te richten, dat de Nederlander de kennis der vreemde taal voor de juiste uitspraak ontberen kan. Zij gaat kennelijk uit van de onderstelling, dat men alleen dan recht heeft een vreemd woord te bezigen, wanneer het geschikt is om zóó geschreven te worden, dat de lezende Nederlander, toegerust met de kennis van de spelling en uitspraak zijner eigene taal, aan de doode letter de levende uitspraak kan teruggeven en zich de beteekenis herinneren.

Ook deze richting heeft hare uitzonderingen, vermits wij een aantal vreemde woorden bezigen, wier klank niet kan worden afgebeeld, indien men onze letters uitsluitend op Nederlandsche wijze wil uitspreken, terwijl een aantal andere in Nederlandsch gewaad gestoken volstrekt onherkenbaar zouden zijn. Deze uitzonderingen vloeien uit het aangenomen beginsel zelf voort, hetwelk dus niet vol te houden is; daarentegen worden de uitzonderingen op de oudere richting regelmatige toepassingen van het hier aangenomen beginsel.

227. Beide richtingen hebben hare voor- en nadeelen, die de Redactie, genoodzaakt eene keus te doen, onderling heeft te vergelijken en aan de algemeene spellingbeginselen, in de Eerste Afdeeling ontvouwd, te toetsen.

228. De oudere richting beveelt zich door de volgende voordeelen aan:

1) De spelling der vreemde woorden en bastaardwoorden behoeft niet gezocht en eerst door nieuwe, afzonderlijke regels bepaald te worden. Zij is gegeven: wat het hoofddeel der woorden aangaat, door de vreemde spelling; wat de uitgangen betreft, door de gewone Nederlandsche spelregels.

2) De spelling stelt uit haren aard de ware uitspraak getrouw voor. Men kent deze òf onmiddellijk door het beoefenen der vreemde taal, waaruit het woord ontleend is, òf bij overlevering van anderen die haar kennen. De vreemde taal en de vreemde spelling zijn en blijven dus altijd de kenbronnen der uitspraak. De vreemde spelling stelt natuurlijk steeds de juiste uitspraak voor, hetgeen de Nederlandsche in vele gevallen slechts zeer gebrekkig kan doen; de ware uitspraak van sherry, chocolade, machine, genie, ingenieur, sergeant, patrouilleeren, compagnon, wordt slechts onjuist en eenigszins plomp door sjerrie, sjokolade, masjine, zjenie, inzjenieur, serzjant, patroeljeeren, kompanjon of kompanion afgebeeld. Zelfs onze oe schijnt te lang en te zwaar voor de Fransche ou, in gouverneur en souverein.

3) De oorspronkelijke spelling blijft wijzen op de etymologie der woorden. Zij verscheurt den band niet, die het woord verbindt met zijne verwanten in de oorspronkelijke taal, waarin het is ontstaan en zijne beteekenis heeft gekregen, en waarin het eigenlijk leeft. Zij behoudt dus al de voordeelen, die eene verwijzing op de etymologie kan opleveren voor allen, die de vreemde taal verstaan; en dezen maken de meerderheid uit dergenen, die zich het meest van vreemde woorden en bastaardwoorden bedienen.

4) Die richting brengt uit zich zelve geene uitzonderingen mede; de bestaande zijn gevolgen van het Gebruik, van oorzaken buiten het stelsel zelf gelegen. Zij kan dus met het volste recht gezegd worden van een beginsel uit te gaan, dat, op zich zelf genomen, consequent zou kunnen toegepast worden.

229. De voordeelen aan de nieuwere richting, aan het spellen op meer Nederlandsche wijze, verbonden, zijn de volgende:

1) Daardoor wordt het uitspreken en spellen van een aantal woorden voor den minkundige, die de vreemde taal niet kent, gemakkelijk gemaakt. Althans de meeste woorden uit de doode talen, uit het Grieksch en Latijn, ontleend, kunnen door de Nederlandsche spelling zóó worden voorgesteld, als de Nederlander gewoon is ze uit te spreken.

2) Daardoor wordt in vele gevallen het contrast opgeheven tusschen de Nederlandsche en de vreemde spelling, die niet zelden in hetzelfde woord vereenigd aangetroffen worden: een contrast, dat op zich zelf geen nut heeft, en dus tegen den goeden smaak schijnt aan te druischen, dewijl het de eenheid en regelmatigheid verbreekt.

3) Wanneer vreemde woorden op Nederlandsche wijze worden geschreven, bekomen zij een meer Nederlandsch voorkomen en worden eenigermate in de taal ingelijfd.

4) De uitzonderingen op de toepassing van het beginsel der oudere richting vallen dan in den regel, houden op uitzonderingen te zijn. Daardoor is de nieuwere richting ontslagen van de moeilijke taak om naar de redenen te zoeken welke die uitzonderingen wettigen, en den regel te bepalen waarvan zij afhangen.

230. Wanneer de Redactie de voordeelen der beide richtingen vergelijkt en aan de beginselen eener gezonde orthographie toetst, dan kan zij niet aarzelen aan de oudere de voorkeur te geven; vooral wanneer zij bedenkt, dat alles, wat voor deze richting pleit, een bezwaar tegen de andere uitmaakt. De oudere toch is in overeenstemming met de beide groote spellingbeginselen, die in onze taal meer dan in eenige andere worden gehuldigd en op prijs gesteld: juiste voorstelling der uitspraak en verwijzing op de etymologie en de verwante woorden. De nieuwere verloochent het laatste als het ware uit principe, en is niet in staat aan het eerste te voldoen. Daar een aantal klanken in de vreemde woorden, uit levende talen genomen, niet dan plomp en onvolkomen op Nederlandsche wijze kunnen voorgesteld worden, is het nieuwere stelsel van nature en reeds a priori gebrekkig, brengt het een aantal gebreken met zich, die het in vele gevallen buiten staat stellen het beoogde doel te bereiken. Daar de spelling op Nederlandsche wijze uit haren aard de verwijzing op de etymologie verwaarloost, versmaadt zij roekeloos een krachtig hulpmiddel ter bevordering der duidelijkheid; terwijl zij omgekeerd den minkundige bij het eene of andere bastaardwoord niet zelden geheel ten onrechte aan eene verwantschap met Nederlandsche woorden doet denken, waardoor het rechte verstand van het woord voor hem belemmerd wordt. Het woord compascuum b.v. is zeker voor den onkundige onverstaanbaar; de latinist echter begrijpt het terstond; doch deze zal zich wel eenige oogenblikken moeten bezinnen, wanneer hij kompaskuüm geschreven vindt. De onkundige begrijpt het woord onder deze spelling evenmin, maar maakt zich nu een geheel verkeerd, duister begrip, dewijl hij natuurlijk aan iets denkt, dat op een kompas betrekking heeft. Zal dit vooroordeel hem niet in den weg staan, als hij uit het verband van den zin de beteekenis van het hem onbekende vreemde woord tracht op te maken? Zal het hem bij diftong, vokaal, instinkt, dialekt, longroem (eng. longroom) enz. beter gaan?

De nieuwere richting berooft zich zelve ook van het voordeel, om gelijkluidende of schijnbaar gelijkluidende woorden door de spelling te onderscheiden, b.v. korporaal en corporaal (altaardoek), dokter en doctor, kanòn en cánon, enz.

231. De oudere richting vindt hare spelling zoogoed als gegeven: de nieuwere moet de hare nog vaststellen en kan daarbij dikwijls niet anders dan willekeurig te werk gaan. De schrijvers, die der laatste toegedaan zijn, handelen dan ook geenszins eenparig; men vindt geschreven: kompanjon, kompagnon en kompanion; konzekwent, konsekwent en konsequent; kurzief en kursief, enz. Hoe moet het zijn? Wie en wat zal hier beslissen? Van de oplossing van deze en dergelijke vragen is de oudere richting ontslagen; zij weet, dat het Fransch en Latijn de schrijfwijzen: compagnon, consequent, consonant, cursief enz. vorderen.

232. De voordeelen der nieuwere richting zijn meer denkbeeldig dan wezenlijk. Het eerstgenoemde punt blijkt, bij eene nadere beschouwing, veeleer op last dan op gemak uit te loopen. Zij, ten wier behoeve de meer Nederlandsche spelling zou moeten strekken, worden er niet door gebaat; voor de anderen, die er geene behoefte aan hebben, is zij een groot bezwaar. Kon en wilde men alle vreemde woorden volgens de gewone regels der Nederlandsche spelling behandelen, dan zou zulks zeker in zooverre verkieslijk zijn, dat de kennis der vreemde talen kon ontbeerd worden. Wij hebben echter boven gezien, dat er een aantal gevallen bestaan, waarin de uitspraak niet door Nederlandsche letters kan voorgesteld worden. Doch, wat meer zegt, zelfs de sterkste voorstanders der nieuwere richting zijn niet gezind de Nederlandsche spelregels geheel en al toe te passen, zelfs niet in vele gevallen, waarin dit zeer goed mogelijk zou zijn. En te recht, want vele woorden zouden dan een al te vreemd en zonderling voorkomen krijgen. Niemand heeft nog willen schrijven: tema, tee, teorie, ekzamineeren, eksekuutsie, suksessie, okkazie, publiseeren, publikaatsie, konsiënsie, inkwizietsie, sistema, higrometer, sienisch (voor cynisch), scheptisch (voor sceptisch), tietel, artiekel, viziete, sieter (voor citer), kado, buro, odekolonje, soepjee (voor souspied) enz., ofschoon die schrijfwijzen door onze spelregels zouden gevorderd worden en de vreemde uitspraak vrij goed vertegenwoordigen. De geheele vervorming, die men verlangt, komt hoofdzakelijk hierop neder, dat men de ph door f; de c, als zij den keelklank heeft, door k; en de s, wanneer zij zacht luidt, door z wil vervangen hebben; b.v. in filozoof, fyzika, konzonant enz. Over de vervanging van qu en de Fransche ou door kw en oe blijken de gevoelens verdeeld te zijn; en slechts zeer enkelen schrijven -nion en -nie in de plaats van -gnon en -gnie. Daarentegen wil men over het algemeen de th en y in Grieksche woorden; de x; de enkele i, ook ter voorstelling van den i-klank in lettergrepen met den vollen klemtoon; en de c ter aanduiding van den sisklank behouden hebben, op grond, dat genoemde letters evengoed als de t, i, ks en s tot het Nederlandsche alphabet behooren. Die gewenschte vervorming blijft dus in elk geval zeer beperkt, laat in een aantal woorden den vreemden vorm bestaan, en handelt bovendien inconsequent. De th is immers evenzeer vreemd als de ph. Men zegge toch niet: »de th is eene Nederlandsche letter, gelijk blijkt uit thans en althans, terwijl de ph in geen enkel Nederlandsch woord voorkomt”. Men bedriegt zich dan ten opzichte der eerstgenoemde. In de geheel exceptioneele woorden thans en althans, uit te hande en al te hande, heeft men de gewone t van te en de stom geworden h van hand, terwijl de th in theorie en de ph in physica beide vertegenwoordigers zijn van de enkelvoudige Grieksche letters θ en φ. Beide staan dus op ééne lijn; de th is niet meer Nederlandsch dan de ph.—Indien de c werkelijk evenzeer Nederlandsch is als de k en s, dan bestaat er ook geene reden om haar te weren uit woorden als consonant en logica, waar zij als k luidt. Stelt men het omgekeerde, beschouwt men haar als vreemd, dan moet zij ook als sisklank verworpen worden uit koncert en citroen; en wil men haar slechts éénen klank, dien van s, toestaan, dan zou men ook akcent, akces, akcident, sukces moeten schrijven, wat te recht niemand verlangt.

Bij die gedeeltelijke vervorming blijft steeds eenige kennis van vreemde talen noodzakelijk. De minkundige zal altijd moeten weten, dat artikel, titel, visite en machine uit den vreemde zijn overgenomen; dat in het Grieksch thermometer met θ, hypotenusa met τ, synode met υ en citer met ι geschreven wordt, wil hij geen gevaar loopen artiekel, tietel, viziete, masjiene, termometer, hipothenuza, sinode, sieter te spellen.

233. Uit het aangevoerde blijkt duidelijk genoeg, dat het der nieuwere richting aan een consequent toepasbaar beginsel ontbreekt, en dat de onkundige er volstrekt niet door geholpen wordt. Doch, wat erger is, zij noodzaakt de Nederlandsche grammatica een aantal ingewikkelde spelregels te ontwerpen, die het verschillend gebruik van de Nederlandsche letters c en s, i, ie en y, th en t, qu en kw bepalen. Deze zou rekenschap moeten geven, waarom zij nu eens c, dan s; nu i, dan ie of y; nu th of qu, dan t of kw wilde geschreven hebben. Die regels zouden dan ten laatste toch wijzen op het verschil in den oorsprong der woorden, op het onderscheid tusschen in- en uitheemsch, en alle zouden eenige kennis der vreemde talen onderstellen. De spelling kategorie, ethika, filozofie en fyzika vereischt evenzeer bekendheid met het Grieksche taaleigen, of het zoeken in een woordenboek, als die van categorie, ethica, philosophie en physica.

Het schijnbare gemak blijkt dus inderdaad een last te zijn. De minkundigen, die zich bijna niet bedienen van vreemde woorden, welker spelling niet geheel inheemsch is geworden, zijn er niet mede gebaat; terwijl zij, die het meest van vreemde woorden gebruik maken en veelal de oorspronkelijke spelling kennen, nu noodeloos bezwaard worden met het aanleeren van regels ter bepaling, hoe en in welke gevallen de vreemde spelling moet gewijzigd worden.

234. Het tweede der bovengenoemde voordeelen verplaatst ons op het gebied der Aesthetica. Aan hare eischen zou inderdaad meer voldaan worden, indien het contrast tusschen de inheemsche en de verschillende vreemde spellingen kon worden opgeheven, omdat die tegenstellingen volstrekt geen nut hebben, niet dienen om de verschillende schrijfwijzen wederzijds op te helderen of fraaier te doen uitkomen. Daar echter de vreemde spelling niet kan worden geweerd uit al die woorden, waarin vreemde klanken voorkomen, welke niet door het Nederlandsche letterschrift kunnen vertegenwoordigd worden, is het middel niet toereikend om de kwaal te genezen; wèl beschouwd, verergert het haar veeleer. Immers nu ontstaat tusschen de in- en uitheemsche spelling eene derde, eene bastaardspelling, b.v. in koncert, koncentrisch, konzequent. Doch, wat meer zegt, er wordt zoodoende een nieuw contrast geschapen tusschen de natuur en den vorm van het woord, dat zeker niet schoon is, en juist aan diegenen den grootsten aanstoot geeft, die zich het meest van vreemde woorden bedienen. Over den smaak valt wel is waar weinig te twisten, maar de Aesthetica leert toch grondstellingen, die door allen gereedelijk aangenomen worden. Het is boven allen twijfel verheven, dat waarheid, d.i. hier overeenstemming tusschen uiterlijk en innerlijk, eene noodwendige voorwaarde voor het schoone is. Eene kerk in den vorm van een woonhuis, en een woonhuis in den vorm eener kerk, kùnnen niet schoon zijn. Alleen wansmaak kon behagen scheppen in melkkannen, die apen, of in palmboomen, die zwanen of pauwen voorstelden; en een reukfleschje in den vorm van een beeldje, al is dit ook nog zoo fraai gevormd, is leelijk in het oog van ieder, die slechts een weinig over het wezen der schoonheid heeft nagedacht. Evenzeer strijdig met den goeden smaak is het spellen op Nederlandsche wijze van woorden, die door hun klank en vorm beide protesteeren tegen het kleed, dat men hun heeft aangetrokken en dat hun niet past, omdat het niet voor hen gemaakt is. Er ligt, wèl beschouwd, iets plomps in de spelling koncert of konsert, filozoof, fyzikus, konsequent of konzekwent, ekwipaadje, kwantiteit, enz., hetwelk den beschaafde en geletterde ergert, zoolang zijn oog niet aan het zien van zulke smakelooze schrijfwijzen gewend is. Dit is dan ook wel eene der voornaamste redenen, waarom dit stelsel nooit meer dan enkele voorstanders gevonden heeft.

235. Ook het derde der gewaande voordeelen komt bij eenig nadenken op zeer weinig uit. Welk nut kan er gelegen zijn in het geven van een meer Nederlandsch voorkomen aan een vreemd woord, hetwelk zijne afkomst blijft verraden? Wanneer klank en samenstelling uitheemsch zijn, kan de spelling daaraan niets veranderen. De Latijnsche praefixen prae- en con- of com- worden geene Nederlandsche voorvoegsels, wanneer men prepozitie, preseptor, konditie, kompozitie met e en k schrijft. Apoteoze, analieze, fizionomie, mizantroop, zofema, ekwipaadje, epolet, cadó, plató enz., zijn bedorven en nauwlijks verstaanbaar Grieksch en Fransch, maar geen grein meer Nederlandsch dan apotheose, analyse, physionomie, misanthroop, sophema, equipage, epaulet, cadeau, plateau enz.

De eenige beteekenis, die men aan die inheemsche inkleeding hechten kan, bestaat hierin, dat zij een blijk is, dat het woord veel door Nederlanders wordt gebruikt. Doch welk nut is in dat vertoon gelegen? Zal de schrijver er door willen te kennen geven, dat hij zich gerechtigd acht het woord te bezigen? Wil hij daarmede den lezer het paspoort laten zien, opdat deze den bastaard ongehinderd late voorbijgaan? Aangenomen, dat dit eenig practisch nut had, wie zal dan nog bepalen, of een woord lang en algemeen genoeg in gebruik is geweest om dat gedeeltelijke burgerrecht deelachtig te worden? Wat zal bij de beoordeeling de maatstaf zijn? Uiterlijke kenteekenen ontbreken hier. Geheel vreemde woorden, die volstrekt geene verandering ondergaan hebben en die niemand zou willen verdietschen, vereenigen zich in samenstelling met echt Nederlandsche, als in successierechten, epauletknoop, verjaarcadeau enz., en nemen zelfs Nederlandsche voor- en achtervoegsels aan, b.v. onsystematisch, cadeautje, geanalyseerd, enz. Compositie en derivatie met Nederlandsche woorden en affixen rechtigen derhalve niet tot eene geheel Nederlandsche spelling.

236. Het geven van een Nederlandsch voorkomen aan vreemde woorden is eene mystificatie, die, niet slechts uit een theoretisch maar ook uit een practisch oogpunt bezien, te veroordeelen is en blijft. Het spreekt wel vanzelf, dat de grammatica, die de natuur zoowel als het gebruik der woorden wil kennen, theoretisch eene spelling moet afkeuren, die de afkomst en niet zelden ook de beteekenis der woorden verduistert. Maar ook van het practisch standpunt beschouwd, verdient de vreemde spelling de voorkeur. Deze waarschuwt den minkundige, dat hij geene pogingen behoeft aan te wenden om het vreemd gespelde woord uit zijne moedertaal te verklaren, en snijdt tevens zooveel mogelijk alle zinspeling op minder kiesche zaken af, die soms door eene veranderde schrijfwijze wordt uitgelokt, en waartoe onze mindere stand wel eenigszins geneigd is.

237. Eindelijk het voordeel, daarin gelegen, dat de uitzonderingen op de oudere richting in de nieuwere regelmatigheden zijn, wordt theoretisch en practisch meer dan opgewogen door de uitzonderingen op de laatstgenoemde. Immers de eerste hebben haar bestaan alleen te danken aan het Gebruik, maar vloeien niet uit het aangenomen beginsel zelf voort. De nieuwere richting daarentegen is met talrijke uitzonderingen geboren; en deze noodwendige worden nog grootelijks vermeerderd door het aantal gevallen, waarin men het beginsel zou kunnen toepassen, maar niet toepassen wil, om de al te zonderlinge en onverstaanbare vormen, die eene volstrekte consequentie zou opleveren.

238. Wanneer men dit alles wèl overweegt, kan men bij de keuze tusschen de twee richtingen niet verlegen staan. Ongetwijfeld moet men die spelling verkiezen, die als het ware gegeven is en in gereedheid ligt, en die getrouw blijft aan de twee groote spellingbeginselen, welke het Nederlandsch bij het schrijven zijner eigene woorden huldigt, boven de andere, welke die beginselen, deels uit noodzaak, deels uit principe, verzaakt, de uitspraak niet zelden onjuist afbeeldt, de etymologie verloochent, en strijdig is met den goeden smaak: eene spelling, die niet is gegeven, maar volgens willekeurig aan te nemen beginselen nog moet worden bepaald en vastgesteld, en die daarbij uit zich zelve genoodzaakt is een aantal uitzonderingen toe te laten.

239. De Redactie ziet echter geenszins de groote bezwaren voorbij, die ook op den weg der oudere richting gelegen zijn. Deze is wel niet uit zich zelve genoodzaakt uitzonderingen te maken, maar wordt door het Gebruik gedwongen er een aantal te erkennen. Immers, het zou eene vruchtelooze poging zijn, indien men in woorden als kwartier, kapitaal, kazerne, kompas en dergelijke de oorspronkelijke spelling trachtte te herstellen. Intusschen is het nog niemand gelukt de grenslijn te trekken, waar de vreemde spelling ophoudt en de Nederlandsche begint. Bij eenig nadenken wordt het dan ook duidelijk, dat die grens uit den aard der zaak niet te trekken is; of, om duidelijker te spreken, er zijn een aantal vreemde woorden in gebruik, waarvan het ondoenlijk is, op redelijke gronden en in consequente overeenstemming met andere dergelijke, te bepalen aan welke zijde der linie zij zich bevinden. Men wordt van de waarheid hiervan overtuigd, wanneer men bedenkt, dat er woorden zijn, die, niet slechts door verschillende personen, maar zelfs door een en denzelfden persoon, naar gelang der omstandigheden, verschillend worden uitgesproken. Hoe zou er in de spelling vastheid en gelijkmatigheid kunnen bestaan, waar de uitspraak wankel en veranderlijk is? Een paar voorbeelden zullen toereikend zijn, om den lezer verscheidene andere te herinneren. Een beschaafd man zal in gezelschap spreken van keurig geslepene karaffen; maar als hij een glas water verlangt, zegt hij zonder bezwaar tot den knecht: geef mij de kraf eens aan! Hij zal u op de sociëteit vragen: hebt gij dat bericht in de courant gelezen? en als gij ontkennend antwoordt, roept hij terstond om de krant. In een wetenschappelijk congres spreekt men over de beste wijze om cichorei te telen, maar in een winkel bestelt men suikerij.

Doch vooral bestaat zulk een verschil in de uitspraak derzelfde woorden bij lieden van verschillende beschaving. Een vischwijf, met haars gelijke in krakeel, zal deze een kanalje, een karonje, en hare woning een kavalje schelden; de trotsche aristocraat ziet met minachting neder op het canaille en rapaille. De brouwersknecht kent gijl, de verver konzenielje; de wetenschappelijke man spreekt van chijl en cochenille; en zoo wisselt de uitspraak der vreemde woorden telkens af, al naarmate de beschaving van den spreker of de eisch der omstandigheden medebrengt.

240. Wanneer de uitspraak van dezelfde woorden van allerlei omstandigheden en inzonderheid van den smaak, niet van de woorden zelve afhangt, moet de spelling uit haren aard nog veel onzekerder zijn, en zal de een aan de oorspronkelijke, de ander aan eene meer Nederlandsche de voorkeur geven, zonder altijd redenen voor zijne schrijfwijze te kunnen aanvoeren. De Redactie, van wie wel niet het onmogelijke kan gevergd worden, erkent dan ook gaarne, dat zij buiten machte is vaste regels te stellen, die in ieder geval kunnen voldoen. Zij acht hare taak vervuld, wanneer zij het grondbeginsel, waarvan zij uitgaat, zoo nauwkeurig mogelijk omschrijft, en in het algemeen de richting bepaalt, die zij bij de uitzonderingen meent te moeten volgen.

Na rijpe overweging, acht zij het grondbeginsel aldus te moeten formuleeren:

De wijziging der uitspraak heeft plaats 1) aan het einde der woorden, 2) in het lichaam van het woord.

242. 1) De wijziging aan het einde der woorden heeft meestal haren oorsprong te danken aan de noodzakelijkheid om de woorden op Nederlandsche wijze te verbuigen. Zij bestaat doorgaans in het afkappen der laatste lettergreep, ten gevolge waarvan dikwijls eene wijziging in de spelling der voorlaatste noodzakelijk wordt. Zoo is b.v. praefix het Lat. praefixum, evangelist het Lat. evangelista, publicist het Fransche publiciste, trompet het Fransche trompette. Daar de klinker in de voorlaatste lettergreep der genoemde vreemde woorden geene verandering in de uitspraak ondergaat, blijven praefix, evangelist, publicist en trompet voor het overige onveranderd. Anders is het, wanneer advocatus, particula, problema en publique de laatste syllabe verliezen; de a en e moeten alsdan in advocaat en probleem noodwendig verdubbeld worden; de u van particula gaat in de toonlooze e over, en dit maakt weder de verandering van c in k noodzakelijk, waardoor de vorm partikel ontstaat; de uitgang -ique moet, na afwerping zijner e, bij ons -iek worden: publiek.

In sommige woorden schijnt de verbastering van den uitgang niet op deze wijze verklaard te kunnen worden. Zoo laat de vorm sociëteit zich schijnbaar evenmin van lat. societas als van fr. société afleiden. In zulke gevallen moet men niet uit het oog verliezen, dat Latijnsche woorden niet altijd in den nominatiefvorm zijn overgenomen, maar dat dikwijls een verbogen naamval ten grondslag ligt. Dit heeft plaats bij sociëteit, majesteit, sextant enz., lat. societas—societatis, majestas—majestatis, sextans—sextantis, enz.; vanhier de t in deze en dergelijke woorden. Ook de meervouden tangenten, secanten, van tangens en secans, zijn op die wijze te verklaren.

Niet altijd echter is de laatste lettergreep van het vreemde woord afgeknot; dikwijls is alleen de uitspraak veranderd. Zoo zijn b.v. palais, laquai, souverain, livrée, général, profit, in paleis, lakei, souverein, livrei, generaal, profijt enz. overgegaan.

Door deze en dergelijke veranderingen zijn de bekende bastaarduitgangen -aal, -aan, -aat, -ant, -eel, -eeren, -eet, -ent, -et, -ief, -iek, -iel, -iet, -ijn, -ijt, -oen, -oor, -uut en andere ontstaan, die geheel op Nederlandsche wijze behandeld worden. Alleen de uitgangen -air en -oir der Fransche adjectieven behouden hunne vreemde ai en oi, b.v. in militair, stationnair, transitoir, executoir enz.

Ter voorkoming van misverstand zij aangemerkt, dat hier gesproken wordt van uitgangen in het algemeen, d.i. van klanken waarop woorden uitgaan, en niet van achtervoegsels (suffixen), d.i. bepaalde uitgangen, die achter bestaande woorden gevoegd worden om nieuwe woorden te vormen. Niet al de genoemde uitgangen zijn achtervoegsels, of zijn het altijd. Zoo zijn -aat en -iet suffixen in optimaat en Israëliet, maar niet in praecipitaat en chrysoliet. Een achtervoegsel -eet bestaat niet, evenmin als -noom, -anthroop of -troop achtervoegsels zijn; vergelijk de aanmerking op § 77.

243. Het bastaardachtervoegsel -aadje vereischt eene afzonderlijke overweging. Het is uit het Fransch ontleend ten tijde dat -age (Ital. -aggio, Lat. -aticum: zie Diez, Gramm. der Roman. Sprachen, 2de uitg., D. II, bl. 288 vlg.) in die taal nog, op Italiaansche wijze, als aadzje luidde. Die uitspraak heerschte toen ook bij ons, maar kon slechts gebrekkig in Nederlandsch schrift worden uitgedrukt; vandaar de verschillende schrijfwijzen: pelgrimaedse, pelgrimagie, pelgrimaedje. Thans, nu wij in dat en alle dergelijke woorden, evenmin als de Franschen, eene d laten hooren, is de spelling pelgrimaadje, stellaadje enz. buiten alle verhouding met de uitspraak geraakt, terwijl zij soms aanleiding geeft, dat zoodanige woorden geheel letterlijk overeenkomstig hun vorm worden uitgesproken. Daar de uitspraak g als zj toch plaats vindt in de Nederlandsche woorden genie, logement, gage, gelei, horloge enz., en dus bij ons niet onbekend is, en iedereen ook gewoon is college, manege, engagement, menage, courage, courtage te schrijven, bestaat er inderdaad geene overwegende reden, om de zonderlinge spelling -aadje te behouden. Wij aarzelen daarom niet eene schrijfwijze te laten varen, die eene geheel verouderde uitspraak tot grondslag heeft, maar met de hedendaagsche in strijd is, sinds lang velen tot aanstoot en ergernis heeft gestrekt, en nooit consequent is toegepast. Wij meenen derhalve te moeten schrijven: bagage, lekkage, pelgrimage, slijtage, stellage, stoffage, tuigage enz.; en evenzoo: page. Zóó vervalt ook vanzelf de ongelijkheid in de spelling van passaadje en passagier enz.

244. 2) Veranderingen in het lichaam der woorden, ter voorkoming eener ongewone uitspraak, hebben bijna uitsluitend in Fransche woorden plaats. Zij bestaan voornamelijk in het weglaten der accenten, b.v. in genie, ingenieur, fr. génie, ingénieur, waarin de Fransche é voor de toonlooze e heeft plaats gemaakt. Zoo is ook de uitspraak der Fransche g in garnison, guitare, guide voor de gewone Nederlandsche geweken. Daarom laat men de u in gitaar enz. weg.

Om gelijke reden schrijft men pleizier of plezier voor plaisíer, en seizoen voor saisoen, dewijl de ai, op Fransche wijze uitgesproken, in deze woorden niet meer in gebruik is.

245. Eene bijzondere aanmerking moet gemaakt worden betreffende de woorden, die uit het Grieksch ontleend zijn. Deze namelijk worden wel in de oorspronkelijke taal met een ander letterschrift geschreven, doch dit is voor ons geheel onverschillig, omdat de meeste dier woorden door het kanaal van het Latijn tot onze kennis zijn gekomen en, dienovereenkomstig, op Latijnsche wijze uitgesproken en gespeld worden. Wij zeggen niet: hupoteinoeza, sustema, fuzikè, euangelion, oikonomia, Makedonia, Kimoon, Platoon, Thrazuboelos, Aiguptos, hetairen enz.; maar wij spreken die woorden uit, overeenkomstig den vorm, dien zij in het Latijn bekomen: hypotenusa, systema, physica, evangelium (of evangelie), oeconomia (of oeconomie), Macedonië, Cimon, Plato, Thrasybulus, Egypte (of Aegypte), hetaeren enz.

246. De uit het Grieksch ontleende bastaardwoorden zijn, wat de uitgangen betreft, aan denzelfden regel als de overige onderworpen; zie § 242. Zoo schrijve men: biograaf, photograaf, telegraaf, telescoop, philanthroop, philosoof, basilisk, apocrief, acustiek, cliniek, diptiek, synoniem, proseliet, apostel, diaken, scaphander enz.

Het zou inconsequent, onregelmatig en zelfs onnatuurlijk zijn, indien men de eindlettergrepen, die ten gevolge van het afvallen der Grieksche of Grieksch-Latijnsche uitgangen eene wijziging in de spelling moeten ondergaan, en daarmede aan de Nederlandsche spellingwetten worden onderworpen, nog gedeeltelijk op Grieksche wijze schreef. Wanneer men van basiliscus -us of -ος afsnijdt, moet de c in het meervoud basilisken natuurlijk in k veranderen; het enkelvoud wil dan, volgens den erkenden regel, ook de k in basilisk. Trouwens niemand schrijft basilisc, evenmin als grotesq, naar fr. grotesque, of grottesc, naar ital. grottesco. Is die onderwerping aan de Nederlandsche spelregels in sommige gevallen onvermijdelijk, dan eischt de Analogie haar ook in die gevallen, waar twijfel schijnt te bestaan. Hiertoe behooren de woorden op -aaf, -ief- en -oof, als geograaf, telegraaf, apocrief, philosoof enz. De Grieksch-Latijnsche woorden geographus, apocryphus en philosophus, na afwerping van -us: geograph, apocryph en philosoph, eischen de verdubbeling der a en o, en de verandering van de niet verdubbelbare y in ie; dus geograaf, apocrief en philosoof, of geograaph, apocrieph, philosooph. Die dubbele a en o en de ie zijn vreemd aan het Grieksche en Latijnsche taaleigen, maar zijn geheel Nederlandsch; de tweede a en o valt zelfs in het meervoud, op Nederlandsche wijze, weder uit. Een en ander bewijst, dat die uitgangen als Nederlandsch beschouwd moeten worden. De vreemde ph nu maakt, vooral in verbogen vormen, als geographen, apocriephe, eene vreemde vertooning, omdat zij in strijd is met de letters, waartusschen zij staat. Hare vervanging door f is derhalve even natuurlijk als consequent, en is tevens in overeenstemming met het Gebruik, dat kennelijk aan geografen, apocriefe enz. boven geographen en apocriephe de voorkeur geeft. Ook is zij in volmaakte overeenstemming met de vervanging van th door t in aëroliet, chrysoliet enz., lat.-gr. aërolithus, chrysolithus, waarin het Gebruik, klaarblijkelijk om dezelfde redenen, geene th achter de ie wil.—Triumf of triomf, lat. triumphus, en nimf, lat. nympha, hebben, als dichterlijke woorden, reeds om eene andere reden eene f; zie § 251.

In biographie, ethnographie, philosophie enz. echter zijn de lettergrepen graph en soph onaangetast gebleven, en bevindt de ph zich niet tusschen bepaaldelijk Nederlandsche letters; hier bestaat dus geene reden voor het bezigen der f. Geographie enz. is niet gevormd van ndl. geograaf, evenmin als diaconie en apostolisch van ndl. diaken en apostel; maar het is eene verbastering van het lat.-gr. geographia, gelijk diaconie en apostolisch van diaconia en apostolicus. Geografie enz. te schrijven omdat geograaf eene f heeft, zou even onnatuurlijk zijn, als wanneer men lietograaf (uit lithographns) met ie wilde schrijven, omdat lat.-gr. lithus in aëroliet en chrysoliet in -liet verandert.

247. Eene afzonderlijke beschouwing eischt de spelling van het woord telegrafist, dat zich in een geheel ander geval bevindt dan geographie en dergelijke. Het is niet gevormd van een Grieksch woord telegraphistes, gelijk evangelist van euangelistes; de naam zou moeten zijn telegraaf, gelijk bibliograaf, biograaf, ethnograaf, geograaf, historiograaf, stenograaf, tachygraaf enz. Daar telegraaf echter reeds als de benaming van het werktuig of de inrichting gebezigd werd, en men derhalve voor de personen, aan zulk eene inrichting verbonden, een anderen vorm noodig had, heeft men, strijdig met het Grieksche taaleigen, het woord telegrafist gevormd, dat in zooverre als Nederlandsch kan worden beschouwd, omdat wij met het achtervoegsel -ist ook van Nederlandsche woorden persoonsnamen maken, b.v. bloemist, fluitist, orgelist, klokkenist. De vorm telegrafist is trouwens ook de gebruikelijke.

248. De spelling geographie enz. beslist insgelijks de keuze tusschen geographisch en geografisch enz. Bij geographische of biographische woordenboeken, bij ethnographische verhandelingen en topographische kaarten denkt men aan de kennis, uit die woordenboeken, verhandelingen of kaarten te putten; bij een stenographisch bericht en een photographisch portret aan datgene, dat stenographie en photographie heet: de schrijver of kunstenaar, de geograaf of photograaf, komt daarbij wel niet in aanmerking, staat ten minste ver op den achtergrond. De hier bedoelde woorden zijn derhalve gevormd van de woorden biographie, geographie enz., gelijk historisch van historie komt; zij moeten dus ongetwijfeld eene ph hebben. Wat telegraphisch betreft, ofschoon dit, blijkens de beteekenis, niet van telegraphie, maar van telegraaf is afgeleid, is het toch gevormd in overeenstemming met de boven genoemde woorden. Het is dus niet raadzaam, het in de spelling daarvan te scheiden. De analogie eischt ook hier de ph.

249. Bezaten wij een ww. geographeeren, het zou gevormd zijn van het Grieksch γεωγραφέω. Van dezelfde vorming zouden photographeeren, lithographeeren enz. wezen, indien de daaraan beantwoordende vormen in het Grieksch bestonden. Die woorden kunnen dus geacht worden onmiddellijk uit die taal overgenomen te zijn, gelijk photographie, lithographie enz. om de analogie van geographie, gr. γεωγραφία. De lettergreep graph blijft daarin insgelijks onveranderd. Hier bestaan dus dezelfde redenen voor het behoud der ph, als bij geographie en andere op -phie, weshalve photographeeren, lithographeeren enz. de regelmatige vormen zijn.

250. Na de opgave der grondbeginselen, die de Redactie bij het schrijven der bastaardwoorden voornemens is te volgen, blijft haar nog overig de gevallen te omschrijven, waarin zij meent, dat het algemeen Gebruik het spellen op Nederlandsche wijze volstrekt vordert, en die derhalve als onvermijdelijke uitzonderingen op de gegeven regels moeten beschouwd worden.

Wanneer men de woorden der beide eerste klassen vergelijkt, dan ziet men, dat die, welke begrippen uitdrukken, die onder alle rangen en standen der maatschappij gangbaar zijn, een geheel Nederlandsch gewaad hebben aangenomen; terwijl die, welke hun vreemden vorm onveranderd hebben behouden, slechts in hoogere standen, in bijzondere kringen, of door lieden van wetenschappelijke vorming gebruikt worden. Deze waarneming geeft het richtsnoer aan de hand, dat bij het spellen der bastaardwoorden tot leiddraad strekken kan. Uitdrukkingen, bepaaldelijk meer door hoogere standen gebezigd of betrekking hebbende op personen en verhoudingen, tot die standen behoorende; benamingen van voorwerpen van weelde; termen, uitsluitend gebruikelijk in wetenschappen, of in kunsten en beroepen die eene wetenschappelijke voorbereiding vereischen, worden geschreven overeenkomstig de boven opgegeven regels. Benamingen daarentegen van alledaagsche voorwerpen; uitdrukkingen van denkbeelden, onder alle standen gangbaar; namen van zaken, voorkomende in ambachten en beroepen, door minkundigen uitgeoefend, worden, zooveel de uitspraak het toelaat, op Nederlandsche wijze geschreven.

Wanneer men het Gebruik gadeslaat, ziet men, dat het werkelijk doorgaans zóó handelt. Immers men schrijft meestal overeenkomstig de vreemde spelling: dejeuneeren, soupeeren, incommodeeren, receptie, felicitatie, discretie, canapé, candelaber (of candelabre), lorgnet, specerij, vermicelli, macaroni, morilles, philosophie, physica, logica, categorie, maçonnerie, loge, concreet, abstract, scrupel, lancet, pincet, bistouri, crayon, aquarel, pose, silhouet, photographie, tachygraaf enz.; daarentegen dukaat, biljart, biljet, kapel, kapelaan, knaster, kamfer, kapitaal, karakter, karwats, kwartier, kazerne, kasteel, kastelein, likeur, ons (gewicht), kamperfoelie, peterselie, postiljon, stukadoor, kastrol, karkas, loods (houten gebouw), penseel, vermiljoen, traktaatje, traktement enz.

Met het oog op die onderscheiding schrijven wij advocaat evenzeer met eene c als procureur, gelijk bij dit laatste woord gewoonlijk geschiedt. Die woorden toch duiden personen aan uit den aanzienlijken stand; en reeds de goede smaak eischt die spelling in de combinatie: N.N., Advocaat en Procureur.

251. Eene bijzondere opmerking moet hier gemaakt worden omtrent enkele woorden, die wel tot eene hoogere klasse van denkbeelden behooren, maar eene eigenaardige populariteit hebben verkregen door het veelvuldig gebruik in de poëzie, die uit haren aard afkeerig is van het gebruik van eigenlijk vreemde woorden, als niet passende in den hoogeren stijl. Die woorden derhalve, die in de poëtische taal voorgoed zijn aangenomen, zijn daardoor vanzelf als Nederlandsche gestempeld. Zoodanige zijn: poëzie of poëzij zelf, nimf, porfier, saffier, zéfir of zefiér enz. De analogie zou de vreemde spelling poësie, nymf, porphier, sapphier, zephyr of zephier vereischen; doch zij hebben van onze dichters het burgerrecht verkregen, dat hun op de inheemsche spelling aanspraak geeft.

252. Tot de woorden, aan het slot van § 250 genoemd, behooren ook die, welke in onze taal hunne beteekenis gewijzigd hebben, en daardoor inderdaad eigenlijk Nederlandsch geworden zijn. Zoo wordt te recht veelal geschreven: dokter (voor geneesheer), kommies (voor beambte bij de belastingen, fr. douanier), komedie (voor schouwburg), lokaal (voor vertrek, zaal), spektakel enz.; ofschoon men daarnevens, bij eene andere opvatting der woorden, de echte spelling behoudt in doctor (als wetenschappelijken titel ook in andere faculteiten), commies (voor ambtenaar aan een der ministeriën of bij de posterijen, fr. commis), comedie (soort van drama), locaal (adjectief), de Spectator, enz. Zoo schijnt het evenzeer raadzaam, kritiek (hachelijk) te onderscheiden van critiek (oordeelkunde) en critisch (oordeelkundig). De onderscheiding moge bij den eersten aanblik eene spitsvondigheid schijnen—en in het gebruik wordt zij zeker tot dusverre niet in acht genomen—, toch steunt zij op een wezenlijk beginsel en kan niet onverschillig zijn voor een schrijver, die met oordeel te werk gaat, en een gewijzigden woordvorm te recht aanmerkt als een geschikt middel om den lezer de wijziging van een begrip te doen opmerken.

253. Ten gevolge van den invloed, dien het zoo uiteenloopend gebruik op de woorden oefent, is er soms een verschil ontstaan tusschen de spelling der stamwoorden en hunne afleidsels; b.v. bij cánon (regel), canoniek en kanunnik; klasse, classis en classicaal; krediet en credit; koerier en courant; konserf en conservatief; lier en lyrisch; klerk en clericaal; sekuur en securiteit; orgel (ὄργανον) en organist (minder gewoon orgelist), enz. Vergelijkt men deze en dergelijke verschillen in de spelling, dan zal men daarin eene nieuwe bevestiging zien van den boven in § 250 gestelden regel.

254. Eindelijk nog eene opmerking, die bij het schrijven van enkele woorden in het oog moet gehouden worden. Wij bezigen eenige Latijnsche bastaardwoorden, die in dubbelen vorm in de taal bestaan, maar op twee verschillende wijzen worden geschreven, doordien de eene vorm onmiddellijk aan het Latijn ontleend is, terwijl de andere middellijk uit het Fransch tot ons is gekomen. In die gevallen is de Latijnsche vorm de wetenschappelijke, de Fransche de gewone en dagelijksche. Hierop grondt zich het verschil in spelling van praesens en present, van praeses en president, van praeparaten en preparatieven, van oeconomie en economie, phoenix en feniks, dioecese en diocese, procurator en procureur, secunde en seconde, nummer en nommer, fundament en fondement, familie en famielje, subject en sujet (als in: een slecht of gemeen sujet), enz.

255. Dat wij bij wetenschappelijke benamingen aan de Latijnsche en Latijnsch-Grieksche vormen de voorkeur geven, blijkt o.a. ook daaruit, dat wij, overeenkomstig het oorspronkelijke Grieksche woord χημεία, in chemie eene e uitspreken en schrijven, en niet eene i, gelijk fr. chimie zou medebrengen. Daarom schrijft de Redactie acustiek met eene u en hypotenusa met eene t, dewijl de regelmatige Latijnsche vormen dier woorden (acustica en hypotenusa) die letters hebben. De gewone spelling acoustiek steunt op de Fransche schrijfwijze acoustique, en hypothenusa op het voorheen gebruikelijke hypothénuse, welke laatste spelling echter bepaald verkeerd was en dan ook later te recht door hypoténuse is vervangen.—De niet geheel ongewone spelling autheur, authoriteit en cathegorie, voor auteur, autoriteit of auctoriteit en categorie, heeft volstrekt niets ter verontschuldiging, evenmin als die van de eigennamen Anthonius en Margaretha, voor Antonius en Margareta.

256. Ziedaar hetgeen de Redactie, na rijpe overweging, gemeend heeft te moeten vaststellen voor de door haar te volgen spelling, voor zooverre het ingewikkeld en veelbetwist vraagstuk der bastaardwoorden betreft. Zij vleit zich, dat hare beschouwing den lezer de overtuiging zal hebben gegeven, dat men aan den eenen kant ook hier een leidend beginsel kan volgen, in overeenstemming met de algemeene gronden van taal en spelling; maar aan de andere zijde, dat voorschriften, die alles tot in de minste bijzonderheden regelen, hier even onbestaanbaar zijn als overal elders, waar de beslissing van allerlei omstandigheden afhangt en derhalve, in elk bijzonder geval, alleen door oordeel en smaak kan worden bepaald.

Over het verdeelen der woorden in lettergrepen.

257. Het leerstuk aangaande de verdeeling der woorden in lettergrepen geeft het antwoord op de vraag: tot welke lettergreep moeten, bij het afbreken van een woord, de tusschenletters gerekend worden? tot de voorgaande of tot de volgende lettergreep?

Bij het beantwoorden dier vraag heeft men de vreemde woorden en bastaardwoorden van de echt Nederlandsche af te zonderen, en bij deze laatste weder onderscheid te maken tusschen verbogene, afgeleide en samengestelde woorden.

a) Door tusschenletters worden hier verstaan alle medeklinkers, die in eenig woord tusschen twee klinkers of tweeklanken staan. Beginletters noemen wij alle medeklinkers, die zich aan het begin van een woord vóór den eersten klinker of tweeklank bevinden; sluitletters alle medeklinkers, die aan het einde van een woord achter den laatsten klinker of tweeklank komen. Zoo zijn b.v. de g in dagen, de r en b in arbeid, de r, t en s in koortsen tusschenletters: in strandt zijn s, t en r begin-, n, d en t sluitletters.

b) Onder afgeleide woorden begrijpen wij hier ook de zoogenaamde middelwoorden, ook wel onechte stammen geheeten, d.i. dezulke, die door hunne voor- of achtervoegsels het voorkomen van afgeleide woorden hebben, doch die niet van bekende grondwoorden gevormd zijn, b.v. gezond, hagel e.a. Zij worden geheel als de overeenkomstige woorden van bekenden vorm behandeld en vereischen dus geene afzonderlijke regels; trouwens, zoodra hunne etymologie bekend wordt, houden zij op middelwoorden te zijn en gaan zij in de klasse der afleidingen over.

258. De scheiding der lettergrepen is geenszins iets willekeurigs, maar hangt in iedere taal ten nauwste samen met hare eigenaardige uitspraak en spelling. De Redactie gaat daarbij te werk naar de volgende grondbeginselen, die onze taal zelve aan de hand geeft:

259. I. Wanneer in niet samengestelde woorden tusschen twee opeenvolgende lettergrepen slechts één medeklinker voorkomt, dan behoort deze tot de volgende lettergreep; b.v. in dra-gen, e-ten, ho-pen, u-ren, za-lig, wa-sem enz.

De taal zelve leert duidelijk, dat zij zóó gescheiden wil hebben. Vooreerst door het uitstooten van ééne a en u, dikwijls ook van eene e en o, wanneer deze in het onverbogene woord of het grondwoord verdubbeld zijn. In het tegenovergestelde geval toch zou zij den dubbelen klinker eischen in draag-en, eet-en, hoop-en, uur-en, zaal-ig, waas-em enz., evenzeer als in draag, eet, hoop, uur, zaal, waas, waarin de tusschenletter als sluitletter voorkomt.—Vervolgens door de verdubbeling der tusschenletter in woorden als heb-ben, had-den, zon-nig, ken-ner enz., die onnoodig zou wezen, indien in heb-en, had-en, zon-ig, ken-er enz. de enkele tusschenletter tot de eerste lettergreep behoorde.—Eindelijk door de verandering der uitspraak in dàg—dágen, bevèl—bevélen, slòt—slóten, en door den overgang der f en s van woorden als brief, buis, lees, lief enz. in de v en z van brie-ven, bui-zen, le-zer, lie-ve, hetgeen bewijst, dat zij als beginletters worden aangemerkt.

260. Het is dus onloochenbaar, dat het Nederlandsch liever eene volgende lettergreep met een medeklinker begint dan eene voorafgaande daarmede te sluiten.—De ingelaschte d in bevrij(d)en, belij(d)en, vlie(d)en, wij(d)en, na(d)er (van na) e.a.; de k in bijker en kooiker van bij en (eenden)kooi; de woorden weldoe(n)er, opzie(n)er, voorgan(g)er, voorstan(d)er, van doe-n, zie-n, gaa-n, staa-n; de flauwe j, die in zee-en, thee-en gehoord wordt; de als j klinkende i in koei-en, vlooi-en (van koe en vloo), bewijzen, dat onze taal eene volgende lettergreep ongaarne met een klinker laat aanvangen; terwijl daarentegen leiband, scheikunde, gelui, zijweg, van leiden, scheiden, luiden, zijde; leelijk van leed, kwalijk van kwaad, schielijk van schier toonen, dat zij niet schroomt eene lettergreep open te laten.

261. II. Wanneer er twee opeenvolgende tusschenletters voorkomen in woorden, die niet samengesteld zijn noch afgeleid door middel van een achtervoegsel, dat gelijk -de, -ste, met een medeklinker begint, dan behoort de eerste tusschenletter tot de voorgaande, de tweede tot de volgende lettergreep; b.v. in bul-ten, hel-den, kas-ten, mel-ken, bul-tig.

Dat de eerste medeklinker tot de voorgaande lettergreep behoort, blijkt vooreerst uit de spelling naal-den, paar-den, vaar-dig, huur-der enz. met den dubbelen klinker, die anders geheel overtollig zou wezen. Vervolgens uit de uitspraak van woorden als hànden, hèlden, hìnden, hònden, hùlde; en uit de verdubbeling der medeklinkers in kat-ten, bel-len, min-naar, kop-pig enz., welke in het tegenovergestelde geval geen doel zou treffen.

Dat de tweede tusschenletter tot de volgende lettergreep gerekend wordt, volgt reeds uit den vorigen regel (I), en wordt nader bevestigd door den overgang der f en s tot v en z in woorden als kalf—kalven, erf—erven, baars—baarzen, els—elzen, zalf—zalven, hals—halzen enz.

262. Een twijfel is bij sommigen gerezen omtrent het afbreken der woorden met de tusschenletters ng. De eigenaardige uitspraak van dezen klank deed den schijn ontstaan, alsof ng slechts één enkele medeklinker was. In wezenlijkheid echter is dit niet het geval. De ng is, blijkens haar oorsprong, onloochenbaar de vereeniging van dezelfde gutturale n, die in den-ken en zin-ken gehoord wordt, met de g in haar oorspronkelijken klank (d.i. dien der Friesche en Fransche g, als in grand, guerre enz.). Moge al de uitspraak allengs zijn gewijzigd, zoodat de g bijna geheel verflauwd is en nauwelijks meer vernomen wordt, dit kan toch geene voldoende reden zijn om de beide letters, gelijk sommigen willen, als eene eenheid te beschouwen en daarom bij het afbreken ongescheiden te laten. Stelde ng inderdaad een gewonen enkelvoudigen medeklinker voor, men zou, volgens regel I en § 260, ta-ngen, ze-ngen, to-ngen enz. moeten schrijven. Doch dit wil niemand, en het zou ook geheel strijdig zijn met den aard der taal. In geen enkel woord treft men vóór ng een helderen klinker aan, gelijk de á é, ó in tá-kel, zé-gel, bó-gen; men vindt uitsluitend een kort afgebrokenen, als in tàk, zèg, dòf. Dit bewijst onwedersprekelijk, dat de voorgaande lettergrepen zonder uitzondering gesloten zijn, dat wil zeggen, op een medeklinker eindigen, en steeds gesloten blijven, ook wanneer de woorden verbuiging ondergaan, zoodat de n en g niet beide tot de volgende lettergreep gebracht kunnen worden. Trouwens ng laat zich aan het begin eener lettergreep niet uitspreken, wat bij de schrijfwijze ta-ngen enz. ondersteld wordt. Schrijft men daarentegen ding-en, dan zondigt men tegen het beginsel, boven in § 260 omschreven, dat in onze taal zoo duidelijk is uitgedrukt. De beide schrijfwijzen, di-ngen en ding-en, zijn dus evenzeer te verwerpen. Alleen din-gen is met de afleiding en den aard van ons taaleigen in overeenstemming. Voor de uitspraak kan het geen bezwaar opleveren, mits men den aard en de kracht der letters kenne; en die kennis is bij alles, wat spelling betreft, een onmisbaar vereischte, dat men recht heeft te onderstellen.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings