← Table of contents
De grondbeginselen der Nederlandsche spelling

Tweede afdeeling. (continued 2)

Reading edition

Ten opzichte van de woorden op -ken is de Redactie van een ander gevoelen. Deze—de in België meest gebruikelijke—vorm der verkleinwoorden is in den tegenwoordigen toestand der taal van Noord-Nederland bijna als provincialisme en archaïsme te beschouwen, en is, in de laatstgenoemde hoedanigheid althans, nog gepast in den bijbel- en kanselstijl, die gaarne deftige, eenigszins verouderde vormen bezigt. Wij willen om die reden de n achter kindeken, jongsken, dochterken enz. behouden, te meer daar zachtkens en allengskens haar gebiedend eischen; in minder deftigen stijl echter, waarin -ken stijf zou klinken, zien wij geen bezwaar in boekske, jongske enz.

De uitspraak leert duidelijk genoeg, wanneer vóór het achtervoegsel -je eene t moet ingelascht worden. Er bestaat te dien aanzien alleen verschil van gevoelen bij de woorden op d en m. Bilderdijk en vele zijner volgelingen voegen ook achter deze letters eene t in, en schrijven: »handtjen, kladtjen, bloemtjen” enz.; terwijl de meeste schrijvers aan handje, kladje, bloempje, boompje enz. de voorkeur geven. Bij het kiezen tusschen de beiderlei schrijfwijzen moet men in het oog houden, dat de ware vorm van het achtervoegsel -je is, niet -tje; gelijk blijkt uit liefje, kluifje, boogje, leugje, vischje, muschje, doekje, beekje, popje, reepje, lesje, kusje enz.

Bilderdijk’s spelling handtjen rustte op eene ongegronde onderstelling. Hij meende, dat de d aan het einde van eene lettergreep, op Engelsche wijze, steeds denzelfden klank had als aan het begin; het was bij hem »levendig, dat men hand altijd met een scheva [eene toonlooze e] moet doen hooren, immers uitspreken.” Spraakl., blz. 213. Hand was derhalve voor hem, naar luid zijner eigene woorden, nagenoeg hetzelfde als hande, en handtjen dus als handetjen. Spreekt men zóó uit, dan is de t even onmisbaar als in kommetje, mannetje; doch zóó spreekt tegenwoordig wel niemand. Wie thans handtjen, hondtjen, draadtjen enz. geschreven ziet, die leest, alsof er hantjen, hontjen, draatjen enz. stond. Die uitspraak nu is òf goed òf niet goed. Wie in moordjaar, landjonker de d zachter uitbrengt dan de t in straatjongen, zal haar afkeuren; maar die hoort en maakt ook onderscheid tusschen pondje en pontje, wandje en wantje enz., en zal dus ook de spelling handtjen enz. en de daarop gegronde uitspraak verwerpen, als strijdig met die uitspraak, die hij voor de ware houdt, en met de duidelijkheid, die verschillende woorden zooveel doenlijk wil onderscheiden hebben.

Wie daarentegen in moordjaar, landjonker de d even scherp uitbrengt als de t in straatjongen, die neemt aan, dat de d, als zij sluitletter wordt en niet gevolgd is door eene b of d, vanzelve in t overgaat, gelijk zulks werkelijk aan het einde van een woord geschiedt. Voor hem is dus reeds vanzelve de t-klank aanwezig, en derhalve de inlassching van het letterteeken t even overtollig, als het zijn zou in kanttje, tenttje, punttje. Wie in handtje, kindtje de t noodzakelijk acht, moet, om consequent te blijven, terugkeeren tot de sinds lang verworpen spelling handt, kindt enz., die dan evenzeer noodzakelijk is.

In de gewone uitspraak is in de letterverbinding dt de d stom, en klinkt hij wordt, bidt, antwoordt enz., als hij wort, bit, antwoort. Beide letters te laten hooren is, zoo al niet ondoenlijk, dan toch even wanluidend als het letterlijk uitspreken van gch, waartegen men zoozeer heeft geijverd. Derhalve, hoe men handtje, hondtje enz. ook neemt en uitspreekt, de t achter de d is òf strijdig met de uitspraak, òf overtollig en niet gemotiveerd, en in elk geval strijdig met de welluidendheid.

De woorden op m, voorafgegaan door een langen klank, nemen in de gewone uitspraak eene p aan. Dit is een natuurlijk gevolg van de wijze, waarop de m en p worden voortgebracht; beide vereischen het sluiten der lippen. Wie boompje zegt, drukt ze bij de m op elkander, en houdt ze slechts een oogenblik langer in dien stand om de p te verkrijgen. Spreekt men boomtje uit, dan moet men voor de m de lippen sluiten, voor de t ze weder openen en de tong te werk stellen. De p ontstaat dus in bloempje als vanzelve, ten minste gemakkelijker dan de t in bloemtje, die zelfs eenige oplettendheid vereischt. Bloempje is uit dien hoofde natuurlijker dan bloemtje, en de p daarom te verkiezen boven de t, tenzij men achter de m eene toonlooze e late hooren en bloemetje of blommetje uitspreke, in welk geval de t, gelijk achter alle klinkers, hare rechten doet gelden.

Om de aangevoerde redenen is de Redactie van oordeel, dat de inlassching der t in verkleinwoorden, gevormd van woorden, die op d eindigen, òf in strijd is met de uitspraak òf overtollig, en dat die t in allen gevalle geen nut doet, maar slechts tot eene onwelluidende uitspraak aanleiding kan geven; vervolgens dat de p de eigenaardige versterkingsletter der m is, door physiologische taalwetten gevorderd en in overeenstemming met de bijna algemeene uitspraak. Daarom meent zij te moeten schrijven draadje, handje enz. zonder t, en raampje, boompje enz. met eene p, doch natuurlijk bloemetje en blommetje met eene t achter de toonlooze e. Het behoeft echter wel niet vermeld te worden, dat zij geene inbreuk wil maken op ieders vrijheid om, waar men het dienstig mocht oordeelen, in poëzie b.v., bloemtje te schrijven, dat men nu eenmaal—te recht of te onrecht—als fijner en kiescher aanmerkt.

120. Eene andere vraag, omtrent het al of niet bezigen eener slot-n, betreft de woorden behalve, derhalve, weshalve, allenthalve, mijnenthalve, zijnenthalve enz., gelijk men gewoonlijk schrijft. Ook deze vereischen eene afzonderlijke overweging. Zij zijn geene eigenlijke samenstellingen, maar slechts samenkoppelingen van het substantief half, halve met een voorafgaand woord, hetwelk, zoo het gebruik zulks gewild had, ook van halve gescheiden had kunnen blijven. Halve beteekent zijde, kant, gelijk blijkt uit het 34ste vers van den 67sten der Oudnederl. psalmen: »Singit Gode, thie upstîgit ovir himel himeles te ôsterhalvon”; »Psallite Deo, qui ascendit super coelum coeli ad orientem (ad partes orientales)”. In alle verwante talen was dit woord vrouwelijk, en werd het zoowel onder den vorm, die aan ons halve, als onder dien, welke aan ons half beantwoordt, sterk verbogen; waaruit volgt, dat het alleen in het meervoud eene n kan hebben en dat een genitief en datief singul.: dezer halven, onbestaanbare vormen zijn. Naar deze gegevens zijn de bovengenoemde woorden te beoordeelen.

Behalve bestaat uit het genoemde substantief en de praepositie bij, mnl. bi, hier ten gevolge der samenkoppeling tot be verzwakt. Behalve is dus eigenlijk bij halve, en beteekent zooveel als bij zijde, ter zijde gezet, aan een kant gesteld, d.i. niet medegerekend. Het Ohd. hield de woorden nog gescheiden en schreef in het enkelv. pi halpo (in parte, in secreto), en in het meerv. pi halpon (in partibus). In het Oudnederl. luidde het woord behalvo en behalvon (Ps. LV, 10, en verg, de Gloss. Lips.). Uit een en ander volgt, dat hier aan geene afleiding door middel van een suffix -en, veelmin, gelijk Bilderdijk wilde, aan een participium van een werkw. behalven of behalden te denken is. Het voorzetsel bi, bij, regeerde oudtijds den dativus, zoodat halve hier een derde naamval moet zijn. De quaestie, of men met Bilderdijk en anderen behalven met eene n, of, in overeenstemming met de beschaafde uitspraak, behalve te schrijven heeft, komt dus neder op de vraag, of men hier met het enkel- dan wel met het meervoud van halve te doen heeft. Daar nu één voorwerp maar aan ééne zijde kan geplaatst worden, zoo is het meervoud behalven volstrekt ondenkbaar, wanneer er van het uitzonderen van slechts één ding sprake is; terwijl ook eene veelheid van uitzonderingen zeer goed geacht kan worden aan een en denzelfden kant geschoven te zijn. De schrijfwijze behalve zonder n, de eenige, die in alle gevallen verdedigbaar is, beantwoordt dus niet slechts aan de uitspraak, maar ook aan de afleiding en de beteekenis des woords, en is derhalve zonder twijfel te verkiezen.

De overige uitdrukkingen zijn van een anderen aard en komen alle daarin overeen, dat halve absoluut gebezigd is, zoodat vóór alles moet uitgemaakt worden, welke absolute casus hier aangetroffen wordt. De samenkoppelingen mijnentwege, onzentwege enz., die nagenoeg hetzelfde beteekenen als mijnenthalve, onzenthalve, kunnen hier den weg wijzen. Zij zijn alle kennelijk samengesteld met wege, datief van weg. Daar nu halve in derhalve en weshalve blijkbaar in dezelfde betrekking staat, heeft men ook hier een dativus absolutus. In het eerstgenoemde is der, evenals in dermate, derwijze, dus de derde naamval van het aanwijz. voornw. die, congrueerende met halve: dierhalve (van die zijde bezien). In weshalve daarentegen treft men het relativum wat aan, in den genitief wes, die door halve geregeerd wordt. Weshalve is dus zooveel als: beschouwd van de zooeven genoemde zijde. Daar niets hier aanleiding geeft om aan het meervoud van halve te denken, is het rationeel het gebruikelijke enkelvoud, dat voor alle gevallen passend is en met de uitspraak overeenstemt, te houden en derhalve, weshalve te blijven schrijven.

121. Hetgeen bij behalve gezegd is, doet denken aan bezijden. Dit woord komt zeker in zooverre met behalve overeen, dat het geene afleiding met een achtervoegsel -en, maar eene samenkoppeling is; immers het Ags. schreef de deelen gescheiden: be sîdan. De analogie schijnt derhalve de spelling bezijde zonder n te vorderen. Wanneer men echter bedenkt, dat er ten opzichte der spelling van dit woord nooit verschil bestaan heeft, en dat hier in overeenstemming met het Eng. besides waarschijnlijk aan het meerv. van zijde moet gedacht worden, dan vindt de Redactie geene overwegende redenen om in dit woord de gebruikelijke spelling, die in overeenstemming is met de beschaafde uitspraak, te veranderen. Derhalve blijft zij bezijden schrijven. Zie ook hier § 67 aan het slot.

122. De Redactie acht het ongeraden zoodanige letters, die in de uitspraak geheel verdwenen zijn, alleen op grond der afleiding in het schrift te herstellen. Daarom meent zij de d in thans en althans, en evenzoo in de participiale vormen doorgaans, nopens, volgens, wetens, willens enz. niet weder te mogen aannemen, om dezelfde reden, waarom wel niemand het gewone bijkans voor den oorspronkelijken vorm bijkants zou wenschen te verruilen. De spelling thands, doorgaands enz. doet wel is waar de afleiding dezer woorden beter kennen, doch deze kennis kan weinig of niets strekken ter opheldering hunner beteekenis, en dit toch zou de eenige denkbare reden kunnen zijn om in strijd met de Regels der Uitspraak en der Welluidendheid te handelen. Daarenboven zou die spelling lichtelijk aanleiding kunnen geven tot eene verharde uitspraak, die de taal blijkbaar door het allengs weglaten der d heeft trachten te vermijden.

Dat in de woorden thans en althans de h wordt behouden, ofschoon die mede in de uitspraak geheel stom is geworden, kan oppervlakkig schijnen met den hier gestelden regel in strijd te zijn; doch inderdaad is het een ander geval, omdat de h in deze woorden door het Gebruik altijd erkend is geworden. Zie hier § 66, a.

123. Van hetzelfde gevoelen als in § 122 zijn wij ten aanzien van de stomme ch achter de s. Deze weder in te voeren in woorden, waaruit het gebruik haar reeds heeft verbannen, als harnas(ch), moss(ch)el, het bijw. ras(ch) en andere, zou lijnrecht strijdig zijn met den Regel der Uitspraak en zou ook de beteekenis niet duidelijker maken.

Evenzoo zou het niet te verdedigen wezen, indien men tegen de uitspraak en het gebruik aan, zonder genoegzaam door de afleiding gesteund te worden, alleen om den wille der analogie, achter bijvoegl. naamw. eene ch voegde, wanneer die nooit met sch worden geschreven. Voortgezet onderzoek heeft het vermoeden bevestigd, dat de Germaansche talen, hoewel de voorbeelden niet menigvuldig zijn, soms door de achtervoeging eener bloote s, en dus niet altijd met -sch, ook van bekende grondwoorden adjectieven vormden. Nu wij weten, dat woorden als bits van bijten, spits van spit enz. niet stellig tegen het taaleigen strijden, achten wij ons niet gerechtigd, aan de genoemde en dergelijke woorden eene ch te geven, die in de uitspraak niet gehoord en niet stellig door de etymologie geëischt wordt. Wij blijven derhalve schrijven bits, dwars, spits, wars enz.

Uit woorden, waar, in stelligen strijd met de afleiding, eene ch is ingeslopen, achten wij ons verplicht die weg te laten; wij schrijven derhalve torsen, oud-fransch torser, nevens tros, trossen, fr. trousse, trousser. Alleen in heesch en gansch, waarin de ch tegen de afleiding aan heeft plaats genomen, wordt zij door de regelmaat en het gebruik gewettigd, vermits de enkele s in de overige bijvoegl. naamw., wanneer zij door een langen klinker of eene n wordt voorafgegaan, in de verbuiging in z verandert, hetgeen niet geschiedt bij heesch en gansch, die in de verbuiging de scherpe letter behouden: heesche, gansche. Daarentegen dwaas, dwaze; boos, booze; vies, vieze; vuns, vunze; lens, lenze.

De ch heeft in losch (lynx) en het door Bilderdijk aangenomen wasch (cera) evenmin reden van bestaan, als achter zes, os, vos, was (toeneming) en dergelijke. In al deze woorden toch heeft de keelklank oudtijds niet achter, maar vóór de s plaats gevonden; zooals onder andere blijkt uit hd. luchs, wachs, sechs, ochs, fuchs, wuchs. Wij schrijven derhalve los en was.

124. Er bestaat verschil van gevoelen omtrent de spelling van den overtreffenden trap der bijvoegl. naamwoorden, die op de sisklanken s en sch eindigen; sommigen schrijven overeenkomstig de gewone uitspraak: wijste, frischte; anderen, op grond der Grammatica: wijsste, frischste. Ofschoon ieder zich zooveel doenlijk onthoudt van zulke superlatieven, die soms, op het gehoor althans, dubbelzinnig zijn, kunnen zij toch niet altijd vermeden worden, zoodat de Redactie ook hier voor zich zelve beslissen moet. Bij een weinig nadenken blijkt de keus niet moeilijk te zijn. Ongetwijfeld zou de Grammatica wijsste, frischste eischen; doch er bestaan redenen genoeg, welke ons die spelling ontraden. Zij is vooreerst in strijd met de gewone beschaafde uitspraak, die geene poging doet om de twee s’s te laten hooren, ten andere kan zij niet consequent gevolgd worden. Niemand zal immers in de onverbogen vormen twee s’s willen brengen: het wijsst, het frischst. Die schrijfwijze zou trouwens geheel in strijd zijn met den geest der Nederlandsche Spelling, die nooit, op Hoogduitsche wijze, in eene en dezelfde lettergreep eenen medeklinker verdubbelt; en, zoo men haar al aannemen wilde, zou zij tot eene zeer onwelluidende sissende uitspraak aanleiding geven. De s in het eene geval te bezigen en in het andere weg te laten, strijdt niet alleen met de regelmaat, maar ook met de analogie van andere woorden, die streng genomen dezelfde onregelmatigheid eischen. Men acht de enkele s evenzeer toereikend in Friesche als in Friesch, van het znw. Fries, en zoo ook in Parijsche, Boloneesche, Chineesche, Japaneesche, Siameesche enz.; terwijl men er nooit aan gedacht heeft haar te verdubbelen in trotsche, dat door aanhechting van sch gevormd is van het zelfst. naamw. trots. De spelling wijst—wijste, boos—booste, loos—looste enz. is dus eer regelmatig dan onregelmatig te noemen; terwijl frischte, malschte enz., waarin de sch toch ook slechts als s klinkt, door de analogie voldoende gewettigd is. Wij geven derhalve, overeenkomstig de eischen der Uitspraak, der Analogie en der Welluidendheid, aan de schrijfwijze booste, looste, wijste, frischte, malschte enz. de voorkeur.

125. De schrijfwijze allezins, anderzins, eenigzins en veelzins beantwoordt niet aan de uitspraak, die de spelling allesins, andersins, eenigsins en veelsins zou vorderen. De genoemde bijwoorden bestaan uit alles, anders, eenigs, veels, de sterke genitieven van al, ander, eenig, veel, en denzelfden naamval van zin, in de beteekenis van kant, richting, opvatting. Zij komen dus, wat hun vorm betreft, overeen met alles jaars, dat o.a. bij Hooft voorkomt, en met de bijwoordelijke uitdrukkingen eensdeels, mijns inziens, goedsmoeds, blootshoofds enz. De z heeft derhalve hare verscherping in de uitspraak te danken aan de s, die men weglaat op voorgang van Siegenbeek, welke haar evenwel in geenszins wilde behouden hebben. De afleiding en de analogie echter, evenzeer als de uitspraak, eischen haar te herstellen, of ten minste de z van zin in s te veranderen: allesins, eenigsins. De Redactie meent den eisch, die door de drie grondregels der Spelling gelijkelijk gedaan wordt, te moeten involgen door, in overeenstemming met geenszins, ook alleszins enz. te schrijven. Daardoor wordt tevens aan de uitspraak voldaan. Immers het samentreffen van de s en z maakt het volstrekt niet noodzakelijk, dat men ieder dezer letters afzonderlijk uitspreekt: alles-zins, eenigs-zins. Niemand toch zegt geens-zins, evenmin als dans-zaal, kruis-straf, mis-stap enz.; welke woorden, natuurlijk en ongedwongen uitgesproken, als geensins, dansaal, kruistraf, mistap enz. luiden. De spelling allesins, andersins, eenigsins, geensins en veelsins zou, in strijd met § 49, geheel noodeloos de etymologie dezer woorden onkenbaar maken, in welke zin eene beteekenis heeft, waarin het ook buiten deze samenstellingen dikwijls voorkomt en die overeenstemt met het Fransche sens in en tout sens, de tous les sens. Derhalve alleszins, anderszins, eenigszins, veelszins, evenals geenszins.

126. De spelling verw, verwen, verwpot, verwwinkel enz., hoewel in overeenstemming met de Middelnederlandsche vormen varuw en vaerwe, wordt door de hedendaagsche uitspraak veroordeeld, welke in de bedoelde woorden, evenals in gerfkamer (van het verouderde gaerwen), de w door de v (f) vervangt. Daar de gebruikelijke spelling door het wijzen op den ouderen vorm de beteekenis niet duidelijker maakt, acht de Redactie zich niet gerechtigd hier tegen den hoofdregel der Spelling te handelen; zij schrijft derhalve overeenkomstig de beschaafde uitspraak niet alleen verf, verfkwast, verfwinkel enz., maar ook verven, verver, ververij enz.

Daarentegen acht zij het niet geoorloofd, de w van murw in v (f) te veranderen. De uitspraak murf is verre van algemeen, ja klinkt min of meer plat, terwijl deze schrijfwijze, geheel nutteloos, voor het oog het verband zou verbreken met vermurwen, hetwelk door niemand als vermurven wordt uitgesproken.

128. De spelling en daardoor allengs meer algemeen geworden uitspraak Dingsdag is stellig in strijd met de afleiding en de oorspronkelijke beteekenis van het woord. Reeds het Middelnederlandsch, dat Diinsdach, ook Disendach en Dinxendach schreef, was het spoor min of meer bijster; en toen men eenmaal Dingsdag begon te spreken, dwaalde men geheel af. Men beschouwde den Dingsdag als den dag der rechtsgedingen, alsof hij uitsluitend voor terechtzittingen bestemd ware; een gevoelen, waarvan de ongegrondheid thans wordt erkend, maar dat zeker zal hebben bijgedragen om de uitspraak en spelling Dingsdag meer veld te doen winnen, hoewel deze geheel verkeerd is. Immers, evenals de overige dagen der week, is ook de derde genoemd naar eene heidensche godheid, en wel naar het Germaansche evenbeeld van den krijgsgod Mars; de Nederlandsche benaming is eene vertaling van het lat. dies Martis. In het Oudnederlandsch moet die god, blijkens de Nederlandsche uitspraak en de verwante talen, Diu of Dio hebben geheeten; in de hedendaagsche taal zou de naam Die luiden. Derhalve ware Diesdag de regelmatige vertaling van dies Martis; doch het gebruik heeft hier eene n ingeschoven, evenals in de genitieven van die en wie, welke thans diens en wiens, maar oudtijds ook dies en wies luidden. Die inschuiving der n had hier echter de verkorting der voorafgaande vocaal ten gevolge, gelijk in kinkhoest uit kiekhoest (hd. keuchhusten); en die verkorting kon te gereeder plaats vinden en algemeen worden, omdat de god Die met zijnen eeredienst weldra in vergetelheid geraakte. Op deze wijze ontstond, in overeenstemming met hd. Dinstag en Diestag, bij ons Dinsdag, dat klaarblijkelijk veel nader dan Dingsdag bij den oorspronkelijken vorm komt en tot op zekere hoogte als regelmatig kan beschouwd worden. Die betere uitspraak is ook nog lang niet uitgestorven: in meer dan één gewest wordt nog altijd Dinsdag gezegd, en ook in Holland, waar de verkeerde uitspraak het meest is doorgedrongen, wordt de zuiverder vorm nog wel vernomen, ook buiten de lagere volksklasse, in wier mond het niet ongewone Dijnsdag nog van den ouden vorm getuigt; in Zeeland zegt men nog Dizendag.

Om deze reden acht de Redactie zich verplicht den verbasterden vorm Dingsdag, die tot eene valsche opvatting aanleiding geeft, te laten varen, en de zooveel oorspronkelijker uitspraak van het meerendeel des volks te volgen. Ieder blijft natuurlijk vrij, naar smaak en goeddunken te handelen; maar men zal in elk geval van de Redactie van het Nederlandsch Woordenboek niet willen vergen hare goedkeuring te hechten aan eene zoo gedrochtelijke spelling als Dingsdag, die, alleen uit de platte Hollandsche uitspraak geboren, eene geheel verkeerde voorstelling geeft van den oorsprong en de eigenlijke beteekenis des woords, en even onooglijk is als Woengsdag, gelijk men in de oude kluchtspelen wel geschreven vindt.

129. Het woord schepter, lat. sceptrum, fr. sceptre, vereischt volgens den Regel der Uitspraak de ch. Het moge waar zijn, zooals Bilderdijk en Wiselius verzekerden, dat in het begin dezer eeuw nog algemeen septer, zonder den keelklank, werd uitgesproken; het moge zoo wezen, dat de veranderde uitspraak, de invoeging van den keelklank, een gevolg is geweest van de in 1804 aangenomene en sedert meest gebruikelijke spelling schepter; maar dàt de uitspraak veranderd is en men tegenwoordig meest algemeen de ch doet hooren, is niet te loochenen. Die uitspraak heeft ook niets, dat ons bevreemden of hinderen kan. Het woord is, evenals schrijn(werker) van lat. scrinium, buiten twijfel Nederlandsch geworden, en behoort dus ook de Nederlandsche spelling te volgen, waarin de sch aan lat. sc beantwoordt, gelijk men zelfs aan bastaardwoorden, als schabel (lat. scabellum) en schorpioen (lat. scorpio) enz. de ch toekent.

Wie op de zachtere—naar het Fransch klinkende—uitspraak bijzonder gesteld mocht zijn, moge de schrijfwijze septer behouden: wij voor ons nemen èn in de uitspraak èn in de spelling zonder bezwaar schepter aan. In allen gevalle is de derde vorm, scepter, bepaaldelijk af te keuren, als stellig met ons taaleigen in strijd.

130. Bij de keus tusschen amt, ambt, en ampt, welke schrijfwijzen alle drie hare voorstanders hebben gehad of nog hebben, behoeft men niet in twijfel te staan. Amt voldoet minder goed dan een der beide andere vormen aan de uitspraak, waarin nog altijd, overeenkomstig met de afleiding van ambacht, goth. andbahti, eene labiale muta flauw gehoord wordt. Ampt, waarvoor de scherpe sluitletter t pleit, zou bij analogie ook de spelling apt voor abt vorderen, welke niet slechts in strijd zou zijn met de etymologie en het algemeen Gebruik, maar dat woord ook onkenbaar maken en geheel van abdij en abdis scheiden zou. De b in ambt daarentegen is zoowel door het Gebruik als door de Afleiding gewettigd: redenen te over om bij deze spelling te blijven.

131. De eerste algemeene spelregel eischt volstrekt eene wijziging in de spelling van likteeken, als onvereenigbaar met de gewone uitspraak. De k toch, een overblijfsel van den onverbasterden vorm, onl. liictekin, mnl. lijcteken, lijcteeken, is aan de volgende t gelijk geworden (geassimileerd), en heeft daardoor alle reden van bestaan verloren. Immers zij is niet toereikend om de afleiding te doen kennen, gelijk o.a. daaruit blijkt, dat reeds Ten Kate het woord ten onrechte van lijk (vleesch) afleidde, en als teeken in het vleesch verklaarde: welk gevoelen bij verscheidene andere taalkundigen al te gereeden ingang vond. Intusschen weet men thans, dat lik hier de stam is van het mnl. werkwoord liken, nnl. (b)lijken, zoodat de afleiding, zou zij uit de spelling kenbaar worden, lijkteeken zou vorderen. Daar nu wel niemand verlangen zal voortaan lijkteeken te schrijven, dat trouwens verkeerd begrepen zou worden, en in elk geval de hedendaagsche engere beteekenis niet zou ophelderen, zijn wij van oordeel, dat de Regel der Beschaafde Uitspraak hier zijne volle toepassing eischt. Wij schrijven daarom dienovereenkomstig litteeken met tt, op gelijke wijze als balling voor banling, en spalling, jong varken, voor spaanling, van spanen (spenen), met twee l’s worden geschreven.

132. Ofschoon èn de afleiding èn de voorgang der ouden in nog (etiam, adhuc) evenzeer als in noch (nec) eene ch zouden eischen, meent de Redactie de orthographische onderscheiding dezer twee zoo menigvuldig voorkomende woorden, die aan de duidelijkheid zoo bevorderlijk is, niet te mogen opgeven. Zij aarzelt daarom niet, nog (adhuc) met eene g als eene nuttige en noodzakelijke uitzondering te beschouwen op den anders algemeenen regel, dat onverbuigbare woorden op scherpe sluitletters eindigen.

Samenstellingen.

133. Ook met betrekking tot de samengestelde woorden en uitdrukkingen doen zich twijfelingen voor, die invloed hebben op het schrijven, en wier oplossing derhalve tot het gebied der Spelling behoort. Zij betreffen:

A. de vraag: Welke opeenvolgingen van woorden moeten als samenstellingen beschouwd en als zoodanig verbonden worden? welke moeten gescheiden blijven?

B. de vraag omtrent de verbindingsletters, die in samengestelde woorden de deelen aaneenhechten.

A. Welke woorden en uitdrukkingen moeten aaneen geschreven worden? welke in hunne deelen gescheiden blijven?

134. Wanneer twee begrippen verbonden worden om vereenigd een nieuw begrip te vormen, hetwelk als eene blijvende aanwinst wordt toegevoegd aan den schat der begrippen en voorstellingen, in de taal uitgedrukt, dan maken de woorden, welke die vereenigde begrippen aanduiden, een samengesteld woord uit. Bij het uitspreken wordt alsdan gewoonlijk op het eene woord zooveel meer, op het andere zooveel minder nadruk gelegd, dat de klemtoon van het eene dien van het andere overheerscht, en de uitspraak van beide wordt zoodanig versneld, dat de stem in geen geval eene tusschenruimte tusschen de beide deelen openlaat; vergelijk een kléínkind met een klein kind; vóór aan de straat met vooráán. Die verandering in de uitspraak is voor het oor het bewijs, dat de geest de voorstellingen tot eene eenheid verbonden heeft. Het schrift geeft voor het oog blijk van die samenstelling door de woorden aaneen te schrijven of door ze met een koppelteeken (hyphen) te verbinden, b.v. grootvader, huisvriend, Fernambuc-hout; het eerste is regel, het laatste uitzondering, waarvan later.

Een samengesteld woord kan, het is waar, uit drie of meer woorden bestaan; maar altijd blijft het eene verbinding van slechts twee leden, die echter zelve weder door samenstelling kunnen ontstaan zijn, b.v. boekdrukkers-gezel, avond-maaltijd, timmermans-werktuig, godsdienst-oefening, avond-godsdienstoefening.—Of wel, een der begrippen wordt uitgedrukt door een woord, hetwelk vóór de samenstelling vergezeld was van andere, die er onmisbaar bij behooren; b.v. in terzijdestelling (van ter zijde stellen) en inderdaad (voor in de daad) kunnen ter bij zijde en de bij daad niet worden gemist; doch zij maken blijkbaar geen derde zelfstandig lid in de compositie uit. Zoo is b.v. desniettemin op deze wijze ontstaan: te-min(der), niet-temin, des-niettemin.

135. Wanneer twee woorden eene eigenlijke samenstelling uitmaken, dan is hunne betrekking onderling van dien aard, dat bij eene ontbinding of oplossing der samenstelling een der leden buiten syntactisch verband geraakt, zoodat, om aan de eischen der Grammatica te voldoen, de woorden omgezet of in vorm gewijzigd, of wel andere ingevoegd moeten worden; b.v. zonnelicht—licht der zon; geldbeurs—beurs voor geld; Godmensch—God en mensch, of goddelijk mensch; driehonderd—driemaal honderd, of drie malen honderd; theeblad—blad, waarop de benoodigdheden om thee te drinken geplaatst worden. Daaruit vloeit onmiddellijk voort, dat woorden, waarbij zulk eene eigenlijke samenstelling plaats vindt, noodwendig aaneen geschreven moeten worden, omdat anders door het verbreken der betrekking een der leden alle grammatische en logische beteekenis verliest, los in de lucht hangt en eigenlijk niet meer verstaan wordt. Zoo zou b.v. de verbale stam bewaar in bewaarscholen alle beteekenis verliezen, wanneer men schreef: De bewaar scholen zijn inrichtingen van den jongsten tijd.

136. Maar nevens de talrijke eigenlijke samenstellingen vindt men een niet minder groot getal woorden en vooral uitdrukkingen, welke uit deelen bestaan, die wel onderling hetzij grammatisch hetzij logisch verbonden zijn, maar waarbij de band der deelen losser is, zoodat men dien zonder merkelijke schade voor de duidelijkheid zou kunnen verbreken. Deze zijn geene eigenlijke samenstellingen en verdienen veeleer koppelingen te heeten. Bij deze nu kan het twijfelachtig zijn, in hoeverre zij òf vereenigd òf gescheiden moeten worden; en werkelijk handelt het Gebruik te dien opzichte zeer oneenparig, zoodat wij verplicht zijn een leidend beginsel aan te nemen. Het is hier echter de plaats niet om het onderwerp in zijn geheelen omvang te onderzoeken; en men moet bekennen, dat het ook uit den aard der zaak ondoenlijk zou zijn regels vast te stellen, die in alle gevallen gelden, omdat 1º de consequente toepassing ook van het beste beginsel toch altijd beperkt wordt door de eischen van den goeden smaak, die zich vooral hier doen gelden, waar het alleen den uiterlijken vorm der woorden betreft; en omdat 2º in vele gevallen een gevestigd gebruik ook zijne rechten heeft, die men niet miskennen kan. Evenwel zijn de algemeene beginselen, die hier gelden moeten, bij eenig nadenken wel aan te wijzen. Na rijpe overweging meenen wij den hoofdregel, die in de meeste twijfelachtige gevallen beslissen kan, aldus te moeten stellen:

137. Samengestelde uitdrukkingen, die als een zelfstandig deel der rede kunnen beschouwd worden, maken een onderscheiden geheel uit en behooren als zoodanig aaneen geschreven te worden, in drie gevallen:

1) Wanneer zij tot de eigenlijke samenstellingen behooren (zie § 135).

2) Wanneer bij de vereeniging der deelen òf een van beide, òf beide hunne beteekenis hebben gewijzigd om te zamen een nieuw begrip ie vormen, zoodat de beteekenis der vereenigde uitdrukking eene andere is dan die, welke de bloote som der op elkander volgende deelen zou medebrengen.

Zoo is b.v. iets goedmaken zooveel als iets herstellen; iets goed maken zou beteekenen iets zoo vervaardigen, dat het goed is. Deug niet zou de negatieve imperativus zijn van deugen, het bevel om slecht te wezen; een deugniet daarentegen is een persoon die niet deugt. Een boos wicht is een klein kind, en wel bepaaldelijk een meisje, dat stout is; maar een booswicht is een volwassen manspersoon, die alle deugd met voeten treedt.

3) Wanneer de woorden verouderde grammatische vormen bevatten, die als overblijfsels der oudheid in vroeger gevormde en door de overlevering geijkte woorden kunnen geduld worden, doch die bij eene scheiding der deelen eene zelfstandigheid zouden erlangen, waarop zij bij den tegenwoordigen toestand der taal geene aanspraak meer kunnen maken.

Tot opheldering diene het woord goedsmoeds, waarin het adjectief goed in den thans verouderden sterken genitief voorkomt. De uitdrukking is ontstaan in den tijd, toen men regelmatig den tweeden naamval van het enkelvoud ook aldus vormde: des goeds mans, ons liefs Heeren, der heiliger Kerken, onser liever Vrouwen, des heiligs sacraments, enz. Nu echter deze vorm van den genitief der bijvoeglijke naamwoorden geheel verouderd is en als zoodanig niet meer verstaan wordt, kan goeds niet langer als een op zich zelf staand woord gelden, maar behoort goedsmoeds als eene door het Gebruik geijkte vereenigde uitdrukking, als eene eenheid derhalve, te worden aangemerkt.

I.

138. Volgens den eersten regel behooren aaneen geschreven te worden:

1) Alle eigenlijke samenstellingen, waarbij, naar § 135, als men ze oploste, invoeging, omzetting, of vormverandering van woorden zou moeten plaats hebben: derhalve badplaats, bloeddorst, bloedgetuige, bloedhond, bloedplakkaat, bloedschande, bloedschuld, bloedverwant, bloedvlek, bloedworst, bloedwraak, bloedzuiger, boomvrucht, bruggenhoofd, buitenlucht, geldbeurs, hongersnood, huishuur, huurhuis, kaarsvet, menschenvrees, stiklucht, theeblad, theegoed, zeedijk, zijmuur,—allerliefst, brandschoon, doofstom, huisbakken, nagelvast,—elkander,—buikspreken, knikkebollen, koorddansen, schaatsenrijden, watertanden, weggaan,—driehonderd, zestien enz.

Men schrijft algemeen en te recht tweehonderd, driehonderd, vijftienhonderd enz. aaneen; daarentegen gescheiden: twee duizend, tien duizend, honderd duizend, ofschoon die uitdrukkingen oogenschijnlijk insgelijks als tweemaal, tienmaal, honderdmaal duizend zijn op te vatten. De verbinding van honderd met het multipliceerende telwoord heeft geen bezwaar in, omdat dit laatste (althans buiten de gemeenzame spreektaal) niet hooger klimt dan negentien, en dus altijd slechts een- twee- of drielettergrepig is. Bij duizend echter kan het tot 999 stijgen, zoodat men door alles aaneen te schrijven niet zelden een zeer lang veellettergrepig woord zou verkrijgen, hetwelk moeilijk te overzien zou zijn. Niet fraai toch en niet gemakkelijk te lezen zijn woorden als zevenhonderdzevenennegentigduizend en dergelijke. Het kan dus niet bevreemden, dat het Gebruik zulke composities niet heeft gewild en in die gevallen de telwoorden gescheiden houdt. Het zou dan ook niet raadzaam zijn, hier het verstandige Gebruik te trotseeren; te minder daar eene logisch en grammatisch juiste opvatting mogelijk is, waardoor de gebruikelijke schrijfwijze volkomen gerechtvaardigd wordt. Men beschouwe in alle dergelijke gevallen duizend als substantief, gelijk millioen, dat steeds als substantief wordt gebezigd, zonder daarom den meervoudsvorm aan te nemen. Negenhonderd twee en veertig duizend is grammatisch evengoed te wettigen als negenhonderd twee en veertig millioen, indien men duizend slechts als een zelfst. naamwoord aanmerkt.

139. 2) Alle zoodanige vereenigingen van woorden, die oorspronkelijk door koppeling ontstaan zijn, doch allengs ware samenstellingen zijn geworden en daarvan blijk geven door veranderden klemtoon en onverbuigbaarheid van het eerste lid. Tot deze soort behoort b.v. hoogepriester. Dit woord werd oorspronkelijk als twee woorden beschouwd en als zoodanig gescheiden geschreven: de hóóge priester, gelijk de hóóge geestelijkheid, een hóóg ambtenaar enz. De Staten-overzetters des Bijbels begonnen er echter eene samenstelling in te zien; zij hechtten de woorden aaneen, doch gingen soms nog voort met hoog te verbuigen: des hoogenpriesters enz. Thans echter blijft hooge steeds onveranderd, terwijl de klemtoon is versterkt en zelfs op priester overgegaan: des hoogepríésters; twee zaken die onwedersprekelijk bewijzen, dat het woord eene samenstelling is en wel eene eigenlijke, dewijl hooge in des hooge priesters door het gemis der n onmogelijk tot priester zou kunnen behooren en dus los in de lucht zou hangen.

Deze zelfde blijken van compositie vindt men in dollekèrvel, edelgestéénte, hoogeschóól, koudescháál, koudvúúr, niewjáár, oudejáár, roodekóól, roodáárde, zoetemèlk, zoutevìsch, zwartkrijt. Bij kléínkind, mv. kléínkinderen, niet kleine kinderen, gróótvader, gróótmoeder, óúdtante, blìndeman, dòlleman, gróótmeester, gróótvorst, hóógaltaar, hóógambt, hóógmis, hóógtijd, gróótschrift, kléínschrift, brúínkolen, smàldeel enz. is de klemtoon wel niet op het substantief overgegaan, doch merkbaar versterkt, terwijl de onbuigbaarheid van het adjectief de innige verbinding voldingend bewijst. Ook de titels als Weledelgestreng, Edelgrootachtbaar (waarvan beneden), die uit koppelingen ontstaan zijn, moeten, uit hoofde van de onverbuigbaarheid der daarin voorkomende adjectieven, gedeeltelijk tot de eigenlijke samenstellingen gerekend worden.

Op dezelfde wijze zijn door koppeling ontstaan de adjectieven, samengesteld met de als adverbia gebezigde praeposities door, in en over; b.v. doordroog, dooreerlijk, doorgoed, doorkoud,—indroog, ingierig, ingoed, ingoor, inlui,—overgroot, overklein, overoud, overvet, overzoet, overzout enz. In het Middelnederlandsch schreef men veelal gescheiden: dore sondech, over scone, over vrome, uut scone enz.; daar echter door, in en over op zich zelve staande nooit in de hier bedoelde beteekenis gebruikt worden, en dus in door goed, in droog, over heet enz. buiten alle verband zouden staan, moeten de genoemde en alle dergelijke verbindingen als eigenlijke samenstellingen aangemerkt en noodwendig aaneen geschreven worden.

140. 3) De woorden die, door middel van een suffix, van twee of meer op zich zelve staande woorden zijn afgeleid, b.v. likeurstoker van likeur en stoken. Daar het suffix -er het werkwoord stoken in een substantief herleid heeft, kan het object likeur niet langer object blijven, maar moet het noodwendig met stoker verbonden worden: likeurstoker, of met een voorzetsel achteraan treden: stoker van likeuren.

Tot deze klasse van woorden behooren een aantal substantieven op -er, -ster en -ing, als: broodbakker, houthakker, kleedermaker, mijnwerker; achtenveertiger (van 48 ponden of jaren), driedekker (van drie dekken); wafelbakker, turftonster, huisbewaarster; houtverkooping, landverhuring, terzijdestelling enz.; alsmede de infinitieven: het inachtnemen, het terechtbrengen enz.

Vervolgens vele adjectieven op -ig en -sch, als: viervoetig, van vier voeten, zeshoekig, eenzijdig, stijfhoofdig; alledaagsch, bijderhandsch, vanderhandsch, grootscheepsch, ouderwetsch, nieuwerwetsch, oudwijfsch, nieuwmodisch, zoetemelksch.

Ook behooren hiertoe alle samengestelde bijwoorden met de adverbiale s; b.v. bijkan(t)s, buitendijks, desgelijks, dikwijls, insgelijks, nochtans (van nog-dan), rechtstreeks, telkens (te-elkens), thans (te-hands), toenmaals, veelmaals enz. Daarom behoort men insgelijks aaneen te schrijven: bijtijds, buitentijds, intijds, tegoeds (of te goed), terloops, tersluiks (of ter sluik), tevergeefs (of vergeefs), vannieuws enz. Daar de adverbiale s reeds een alleenstaand substantief of adjectief in een adverbium verandert, b.v. daags, deels, fluks (van vlug), links, rechts, steeds enz., zouden de woorden tijds, loops, sluiks, goeds enz., indien zij alleen konden staan, op zich zelve reeds adverbiën moeten zijn, waardoor de voorzetsels bij, te, van enz. overtollig zouden worden.

Zelfs de woorden des en noods, tot adverbium vereenigd, behooren verbonden te worden: desnoods. Deze uitdrukking toch is geen absolute genitief, maar bestaat uit des, genitief van dat, door nood geregeerd; men zeide voorheen algemeen en zegt thans nog wel: des nood zijnde (daaraan behoefte zijnde), hetgeen uit misverstand eerst in des noods zijnde overging, en vervolgens tot desnoods afgekort werd.

II.

141. Wanneer bij de vereeniging van twee uitdrukkingen eene van beide of beide hare beteekenis hebben gewijzigd om te zamen een nieuw begrip te vormen, zoodat de beteekenis der vereenigde uitdrukkingen eene andere is dan die, welke de bloote som der op elkander volgende deelen zou medebrengen, wordt de graphische verbinding uit den aard der zaak door de grammatica en de duidelijkheid geëischt. Immers men heeft dan blijkbaar niet meer eene vereeniging van twee in den geest duidelijk gescheiden begrippen, door de opeenvolgende woorden uitgedrukt, maar eigenlijk een nieuw begrip, dat slechts door beide vereenigd vertegenwoordigd wordt, zoodat het aaneenschrijven voor de juiste opvatting noodzakelijk is.

Tot dergelijke vereenigingen behooren:

142. 1) Een aantal verba, verbonden met een substantief, adjectief of adverbium van wijze, in welke de beteekenis der genoemde woorden of van het verbum zelf is gewijzigd, als: gadeslaan, handhaven, huishouden, raadplegen, rechtspreken, waarnemen, waarschuwen; gevangennemen, goeddoen, goedmaken, goedvinden, hoogachten, kwijtraken, kwijtschelden, liefhebben, loslaten, schadeloosstellen, vrijlaten, schoonmaken; grootspreken, harddraven, hardrijden, liefkoozen, snelschrijven, voortgaan, voortvaren, voortvloeien, weldoen enz.

Waneer echter het eerste woord een substantief is, dat eene bepaling bij zich nemen kan, dan is zulks een bewijs, dat ieder lid op zich zelf blijft bestaan, en dat er derhalve geene samenstelling plaats heeft; waaruit voortvloeit, dat de woorden in die gevallen niet aaneen geschreven behooren te worden. Daarom moet b.v. acht geven en — slaan, staat maken, prijs stellen enz. gescheiden blijven, dewijl men zegt: acht op iets geven, geene acht op iets slaan, geen staat op iets maken, hoogen prijs op iets stellen.

Daar de uitdrukkingen plaats nemen, — hebben, — vinden eene dergelijke bepaling toelaten, als men b.v. zegt: Neem eene betere plaats; Het heeft of vindt geene plaats enz., zoo behooren ook deze woorden gescheiden te blijven. Alleen plaats grijpen, dat nooit eenige bepaling toelaat en waarin grijpen overdrachtelijk wordt opgevat, zou hierbuiten staan en, stipt genomen, aaneen geschreven moeten worden. Wij erkennen echter gaarne, dat deze onderscheiding, hoezeer ook grammatisch gegrond, in de practijk niet wel toepasselijk is, en achten het niet raadzaam deze ééne uitdrukking van de vorige af te zonderen. Wij blijven daarom plaats grijpen schrijven, evenals plaats hebben, plaats vinden, plaats nemen.

Bij samenstellingen van adjectieven handelt het gebruik anders. Deze worden alleen dan gescheiden, wanneer zij werkelijk eene bepaling bij zich hebben of in een der trappen van vergelijking staan. Men schrijft hoogachten, goedmaken en goedvinden aaneen, ofschoon zeer hoog achten, hooger achten, zeer goed vinden, beter vinden, het best vinden, beter maken te recht gescheiden blijven, zoowel om den vorm dier uitdrukkingen, als omdat het gronddenkbeeld daarin kennelijk eene wijziging heeft ondergaan. Hooger achten toch is eigenlijk de versterking van hoog achten, niet van hoogachten.

143. 2) De talrijke klasse van werkwoorden met zoogenaamde scheidbare en onscheidbare voorzetsels, als aangeven, achterstaan, bijblijven, bovendrijven, doordringen, omslaan, opkomen, onderloopen, overloopen, tegenspreken, uitmunten, voorstellen; aanschouwen, doorzoeken, omsingelen, onderstellen, overwinteren enz. In deze en alle dergelijke woorden toch heeft niet slechts het voorzetsel zijne beheersching losgelaten, en is het in een bijwoord veranderd, maar ook de beteekenis van het verbum is meestal òf geheel gewijzigd, òf ten minste zoo ver op den achtergrond getreden, dat er een nieuw begrip is ontstaan. Om dezelfde laatstgenoemde reden worden ook de adverbia, die eene richting uitdrukken, met het verbum verbonden, als: achterovervallen, afkomen, bijeenvoegen, heengaan, medenemen, misloopen, rechtuitgaan, terugbrengen, toesnellen, samenstellen, voorbijsnellen, vooruitloopen, wederbrengen, wedergeven enz.

144. 3) De bijvoeglijke naamwoorden vergezeld van de bijwoorden wel, vol en al in de beteekenis van zeer, b.v. weldoend, welbespraakt, welgeboren, welzalig, volkomen, volmaakt, volzalig, algoed, aloud, alwijs enz., vermits die bijwoorden hier in eene gewijzigde beteekenis staan.

Hetzelfde wat van vol en wel gezegd is, geldt ook van zeer, alsmede van hoog en edel, wanneer deze in titels als adverbia gebruikt worden. Al die woorden verliezen dan de beteekenis, die zij op zich zelve staande hebben, en behooren dus met het volgende ware of als substantief gebezigde adjectief verbonden te worden. Daarom schrijft men het regelmatigst: Weledel, Weledelgeboren, Hoogwelgeboren, Hooggeboren, Edelachtbaar, Grootedelachtbaar, Zeergeleerd, Hooggeleerd, Weleerwaard, Hoogeerwaard, Zeergestreng enz. Vergelijk § 139.

Composita met het zelfst. voornaamw. al, als: alwetend, alvermogend, alziend, behooren tot de eigenlijke samenstellingen, dewijl bij eene ontbinding der deelen al in alles zou moeten veranderd worden: alles wetend, alles vermogend.—Almachtig is gevormd van almacht (vermogen om alles te doen.)

145. 4) De benamingen van kleuren, uit twee adjectieven bestaande, hetzij het eerste in een adverbium verandert, als b.v. hooggeel, lichtbruin, donkerbruin, hetzij het, gelijk in zwartbont en roodbont, een waar adjectief blijft. Hier toch ontstaat een nieuw begrip; donkerrood, lichtgeel beteekenen niet hetzelfde als donker rood en licht geel, welke laatste uitdrukkingen ook voor comparatie vatbaar zijn: donkerder rood, zeer donker rood; terwijl daarentegen zeer donkerrood, zeer lichtgeel natuurlijk niet bestaan. Vergelijk de aanmerking in § 142.

146. 5) De pronomina: degene, diegene, hetwelk, dezulke, dezelve en dezelfde. Daar het graphisch verbinden van twee woorden, waarvan het eerste zijne gewone verbuiging behoudt, strijdig kan geacht worden met het strenge begrip van samenstelling, hebben Bilderdijk en anderen het aaneenschrijven der genoemde uitdrukkingen veroordeeld. Deze vereischen dus eene toetsing aan de gestelde beginselen.

Gene geeft, als het op zich zelf staat, te kennen, dat het bedoelde voorwerp zich op eenigen afstand van den spreker bevindt, en onderstelt altijd eene tegenstelling met iets anders, dat dichter bij is; ook wordt het in die opvatting nooit van het lidwoord vergezeld. Degene en hetgene (of hetgeen) daarentegen beteekenen, dat de aangeduide personen en zaken door een volgenden bijzin bepaald worden, en drukken dus een geheel eigenaardig begrip uit, hetwelk bij geene mogelijkheid uit de beide woorden op zich zelve kan worden opgemaakt. Hier bestaat dus, zoozeer als bij eenig ander woord, eene afdoende reden om, het gebruik volgende, verbonden te schrijven: degene, desgenen, dengene; hetgeen of hetgene.—Diegene en datgene verschillen van degene en hetgeen alleen door meerderen nadruk, maar bevinden zich overigens in hetzelfde geval en worden dus insgelijks te recht aaneen geschreven.

In hetwelk heeft het lidwoord het blijkbaar alle beteekenis verloren, daar hetwelk volstrekt niets méér zegt dan het bloote welk, evenals het ouderwetsche dewelke niets méér beteekent dan het gewone welke. Toen zich nog in de vorige eeuw dewelke en hetwelk door grooteren nadruk van welke, welk onderscheidden, hadden artikel en relatief beide kracht, en kon het verbinden misschien met recht veroordeeld worden; thans is hetwelk ongetwijfeld als eene koppeling te beschouwen en, gelijk het gebruik wil, in één woord te schrijven: hetwelk.

In dezulke, van zaken gebezigd, komt zulk in zijne gewone opvatting (als zoodanig) voor; dezulken echter, van personen gezegd, beteekent doorgaans niet: zij, die zóó zijn, maar: zij, die zóó doen. De regel zou derhalve eischen, dat de woorden in het eene geval gescheiden, in het andere verbonden geschreven werden. Intusschen blijkt het verschil niet altijd even duidelijk en loopen de beide beteekenissen soms ineen. Het komt ons niet raadzaam voor in enkele gevallen eene onderscheiding te maken, die niet altijd kan worden toegepast en die steeds in eene spitsvondigheid bestaat. Daarom zien wij geene voldoende reden om bij dit woord van het gebruik af te wijken, en schrijven wij derhalve steeds verbonden: dezulke, dezulken.

Zelf drukt absolute identiteit uit, en kan het best door in eigen persoon omschreven worden. Dit begrip echter staat bij dezelve, hetzelve zoo ver op den achtergrond, dat het niet meer merkbaar is. Wie zich dus nog van de genoemde persoonlijke voornaamwoorden mocht willen bedienen, zou geene reden hebben om ze anders dan verbonden te schrijven: dezelve, hetzelve.

Eenigszins anders is het gelegen met dezelfde en hetzelfde: het lidwoord behoudt daarin zijne kracht, en zelfde, een versterkte vorm van zelf doet het begrip van absolute identiteit ten sterkste uitkomen. Men kan dus een oogenblik in bedenking staan, of die uitdrukkingen wel als composita te beschouwen zijn. Wanneer men echter in aanmerking neemt, dat zij voor het taalgevoel inderdaad een ondeelbaar begrip uitdrukken, en dat het woord zelfde in de beteekenis van absolute identiteit nooit op zich zelf staat, dan zal men zeker geen genoegzamen grond vinden om bij die woorden van het gebruik af te wijken. De Redactie blijft derhalve schrijven: dezelfde, hetzelfde.

Het lidwoord een is nooit aan een volgend woord verbonden geworden; daarom schrijft men gescheiden: eene zekere soort, een zeker gevoel, en dus ook een zelfde geval, een zelfde begrip, waarin zelfde geene absolute identiteit, als in dezelfde, maar slechts eene relatieve, slechts volkomene gelijkheid ten opzichte van de eene of andere hoedanigheid, uitdrukt.

Ook in mijns gelijke, zijns gelijke, haars gelijke enz. behouden de woorden mijns, zijns enz., die de objectieve genitieven zijn van de personalia ik, hij enz. en door gelijke geregeerd worden, geheel en al hunne eigene beteekenis, evenzeer als dit gesubstantiveerde adjectief. Er is dus evenmin reden om mijns enz. aan gelijke te hechten, als om mijner en onzer aan erbarmen, gedenken of schamen te verbinden in: Hij heeft zich mijner erbarmd; Wil mijner gedenken; »Zoo zullen we Uwer ons nooit schamen” enz.

De gebruikelijke verbinding van mijn en heer in den beleefdheidstitel Mijnheer steunt op goeden grond, daar mijn in die samenstelling zijne beteekenis verloren heeft, en om die reden in de overeenkomstige woorden Mevrouw en Mejuffrouw tot me verzwakt is. Het meervoud Mijne heeren echter kan niet als compositum beschouwd worden, vermits mijne daarin, strijdig met het vereischte van samengestelde woorden, zijne verbuiging behoudt.

147. 6) De bijwoordelijke uitdrukkingen, bestaande uit twee adverbia, waarvan het eene, ten gevolge der vereeniging, zijne beteekenis gewijzigd heeft, als: weleer, veeleer, dusverre, hoeverre, zooverre, zoolang, evenlang, evenzeer, zoozeer, evenveel, hoeveel, zooveel enz., verschillend van veel eer, hoe ver, zoo lang, zoo zeer enz.

Hiertoe behooren vanzelve ook die uitdrukkingen, waarin het tweede lid een voorzetsel is, als bijwoord gebezigd, b.v. kortom, linksom, middenin, nabij, rechtsom, rechtuit, rondom, ronduit; achteraan, achterin, achterop, achterover, achteruit; bovenaan, bovenop, bovenuit; onderaan, onderin, onderuit; tusschenin, vooraan, voorin, vooronder, voorover, vooruit; voortaan enz. Ook af was oorspronkelijk een voorzetsel en verkeert dus in hetzelfde geval; derhalve insgelijks: achteraf, kortaf, linksaf, rechtsaf, vooraf enz.

Hier is natuurlijk geene sprake van het geval, waarin eene ware praepositie door een adverbium voorafgegaan wordt. Alsdan toch behouden beide woorden hunne eigene beteekenis, en zou het verbinden ten onrechte plaats hebben. Daarom schrijft men gescheiden: midden in den tuin; boven op den zolder; het water liep er onder uit.

148. 7) De uitdrukkingen, bestaande uit de bijwoorden van plaats hier, daar en waar, wanneer deze, gepaard met een in bijwoord veranderd voorzetsel, de waarde hebben van een voornaamwoord, dat door een voorzetsel beheerscht wordt, als: hieraan (aan dit), hieraf (van dit), daardoor (door dat), daarmede (met dat), waartoe (tot hetwelk) enz.

Ten opzichte van de bijwoorden ergens, nergens, overal en er, tot hetzelfde doel met een voorzetsel vereenigd, maakt het Gebruik eene uitzondering. Men schrijft gescheiden: ergens aan, nergens door, overal bij, er bij, er van, er uit enz., hetgeen blijkbaar daaraan is toe te schrijven, dat zoodanige uitdrukkingen met overal, ergens en nergens alleen in gemeenzamen stijl voorkomen en meer gesproken dan geschreven worden; en dat er meestal door tusscheninstaande woorden van zijn voorzetsel gescheiden is: Men had er nooit aan gedacht; Hij zou er in dat geval toch toe besloten hebben.

149. 8) De bijwoordelijke uitdrukkingen, die bestaan uit een voorzetsel, gevolgd

a) van een zelfstandig naamwoord, dat in die verbinding nimmer een bepalend woord bij zich neemt, wanneer òf dit zelfst. naamw. òf het voorzetsel zijne beteekenis wijzigt, als: achterwege, onderweg, overeind, bijgeval (door een toeval), integendeel, inzonderheid enz.

b) van een bijwoord of een bijvoeglijk naamwoord, wanneer een der genoemde woorden of wel het voorzetsel zelve zijne beteekenis heeft gewijzigd; als: overdwars, overlang, overluid, opnieuw, vanhier, vandaar, vanwaar, voorwaar, voorzeker, voorgoed (verschillend van van hier, van daar, van waar, voor zeker, voor goed, in welke laatste uitdrukkingen de beide bijeenbehoorende woorden hunne kracht behouden).

c) van de zelfstandige voornaamwoorden al en een: bovenal (boven alles), vooral, overal, aaneen, achtereen, bijeen, dooreen, opeen, uiteen.

Het voorzetsel te maakt hier natuurlijk eene uitzondering, zoowel wanneer het alleen staat, als wanneer het met de datieven der lidwoorden de en het tot ter of ten is samengesmolten. Eene der gewone functies toch van te is juist het vormen van bijwoordelijke uitdrukkingen, terwijl andere zulks slechts bij uitzondering doen. Men schrijft daarom gescheiden: te huis, te land, te water, ter zee, ten hove, ten dage, ter ure, te paard, te scheep, te voet, ter been; te koop, te huur, te geef, ter leen, te kijk, te grabbel, te zoek, te berge, te pas, te onpas, te rade, te recht, te onrecht, ten onrechte, ten eerste, ten tweede, ten laatste enz.

Daar het lidwoord en het voornaamw. zelfde, volgens § 146, steeds aaneen geschreven worden, en er geene reden bestaat om ze te scheiden, wanneer er eene samentrekking met te plaats heeft, maken uitdrukkingen als tenzelfden tijde, terzelfder tijd, terzelfder plaats, terzelfder ure enz. natuurlijk uitzonderingen op dezen regel.

In terstond, terug en terdege of terdeeg worden stond, rug en deeg niet meer in hunne eigenlijke beteekenis opgevat; vandaar dat die uitdrukkingen als samenstellingen te beschouwen zijn en dus aaneenverbonden behooren geschreven te worden. Hetzelfde geldt, wel is waar, ook bij te berge, maar die uitdrukking staat uitsluitend bij slechts één werkwoord: te berge rijzen; hare bijwoordelijke natuur wordt dus nagenoeg niet gevoeld, wat bij de andere drie wel degelijk het geval is. Terstond en terdege toch kunnen bij ieder verbum gevoegd worden, en terug dient om de beteekenis van een vrij aanzienlijk getal verba te wijzigen: terugbrengen, -deinzen, -eischen, -gaan, -geven, -houden, -roepen, -vragen, -zenden enz. De gevallen staan dus geenszins gelijk; weshalve wij geene voldoende reden zien om hier van het gevestigde gebruik af te wijken. Wij schrijven dus te berge in twee woorden, maar terstond, terug en terdege of terdeeg aaneen.

De uitdrukkingen te leur en te loor, met het thans verouderde substantief leur of loor gevormd, komen op zich zelve nooit voor, maar de eerste alleen in verbinding met het werkwoord stellen, de tweede alleen met gaan, en bij die verbinding nemen de vereenigde uitdrukkingen eene nieuwe beteekenis aan, zoodat hier werkelijk eene eenheid ontstaat en dus samenstelling plaats heeft. Volgens § 141 behoren deze uitdrukkingen derhalve, als te zamen een nieuw begrip vertegenwoordigende, aaneen geschreven te worden: teleurstellen, teloorgaan.

Van bij geldt nagenoeg hetzelfde als van te. In het Middelnederlandsch werd het regelmatig gebezigd voor door, evenals het Engelsche by. Deze beteekenis, hoewel zeldzamer, is nog niet geheel verouderd, blijkens de uitdrukkingen: bij besluit, bij missive, bij een schrijven, bij eene verordening, bij reglement enz. Daarom moet bij in uitdrukkingen als: bij toeval, bij erfenis, bij uitzondering, bij loting, bij verkiezing enz. evenzeer geacht worden zijne eigenlijke beteekenis te hebben als in: bij ontstentenis, bij gebrek enz. Bijgeval echter wordt te recht aaneen geschreven, omdat geval daar in de min gewone beteekenis van toeval voorkomt.

150. 9) Onder de praepositionale uitdrukkingen alleen tegenover, rondom, niettegenstaande en ingevolge. De overige, bestaande uit een voorzetsel, gevolgd van een substantief, blijven in overeenstemming met § 142 gescheiden, omdat dit substantief zelf eene bepaling eischt, bestaande uit eenen genitief of uit een ander voorzetsel met zijne eigene beheersching; b.v. in geval van nood, naar mate van zijne bekwaamheid; en zoo ook door middel van, uit hoofde van, in overeenstemming met, in betrekking tot enz., terwijl men zegt ingevolge dezen nood, niet van dezen nood of dezes noods. Derhalve ook: uit kracht, door toedoen, door bemiddeling, naar gelang, naar luid, op hoop, in spijt, ten spijt, ten behoeve, ten gevalle, ten aanzien, ten overstaan, ten aanhooren, ten aanschouwen enz.

Natuurlijk kan er nog minder sprake zijn om die woorden aaneen te schrijven, wanneer het substantief een artikel, pronomen of adjectief bij zich heeft; b.v. als men zegt: naar de mate zijner bekwaamheden, door het krachtigste middel van overreding, in volkomene overeenstemming met zijne bedoelingen, in nauwe betrekking tot uw welzijn enz. In zulke gevallen behoudt ieder woord zijne eigene grammaticale waarde, en vervalt het begrip van een samengesteld voorzetsel geheel.

151. 10) Alle uitdrukkingen, die de waarde van een voegwoord hebben, en waarin de beteekenis van ieder deel niet volkomen duidelijk uitkomt; b.v. alhoewel, alsmede, alsof, bijaldien, derhalve, dewijl, doordien, evenals, ingeval, naarmate, nademaal, tenware, tenzij, hoezeer, hoewel, zooals, zoodat, zoowel enz., en zoo ook daarenboven, daarentegen, desniettegenstaande, desniettemin. Wanneer echter ieder deel zijne eigene kracht kennelijk behoudt, worden zij niet graphisch verbonden. Daarom schrijft men gescheiden: niet alleen.... maar ook, nu eens.... dan eens, vanhier dat, vandaar dat, dan dat. Zoo scheidt men ook: zoolang als, zoodra als; want zoolang en zoodra zijn alleen reeds als voegwoorden in gebruik, en derhalve, wanneer zij door als gevolgd worden, veeleer als bijwoorden dan als voegwoorden te beschouwen. Vergelijk b.v. Zoolang hij ziek is, kan van de zaak niets komen, met: Hij zal afwezig blijven, zoolang als zijn broeder ziek is. Wanneer nadat en voordat een bijwoord ter versterking vóór zich bekomen, worden voor en na, in overeenstemming met § 145, van dat gescheiden: lang voor dat, lang na dat.

Uit deze en de vorige § volgt dat het voegwoord naarmate ook graphisch onderscheiden is van het praepositionale naar mate: Hij werd nederiger, naarmate zijn aanzien steeg. Hij zal naar mate (of naar de mate) van zijne diensten beloond worden.

152. 11) Van de tusschenwerpsels worden helaas en eilieve aaneen geschreven, en te recht, omdat laas, mnl. laes, lacy, op zich zelf verouderd is, en lieve niet meer als een vocatief gedacht wordt. Daarentegen behoort och of, hoewel de conjunctie of daar de verouderde beteekenis van indien heeft, vaneen geschreven te worden, vermits anders de constructie der volgende woorden niet te rechtvaardigen is; vergelijk b.v.: Och, of (indien) gij mij gelooven wildet (hoe zou ik mij verheugen).

III.

153. De uitdrukkingen, waarin woorden voorkomen met verouderde grammatische vormen, worden aaneen geschreven, omdat die woorden bij eene scheiding eene zelfstandigheid zouden erlangen, waarop zij bij den tegenwoordigen toestand der taal geene aanspraak meer kunnen maken. Hiertoe behooren:

1) de uitdrukkingen, waarin het eerste lid in den sterken manlijken of onzijdigen genitief voorkomt, als: goedsmoeds, droogsvoets, blootsvoets, blootshoofds, heelshuids, luidskeels (ook luidkeels) enz.

2) de uitdrukkingen, bestaande uit een voorzetsel, gevolgd door een sterken manlijken of onzijdigen genitief, als: binnenshuis, buitenshuis, binnenslands, buitenslands, binnensmonds, binnensrands, binnenstijds, enz.

3) de uitdrukkingen, waarin de d van het zoogenaamde bepalende lidwoord door den invloed van den slotmedeklinker van het voorafgaande voorzetsel tot t verscherpt wordt of met dien medeklinker ineensmelt, als: metterdaad, mettertijd, metterwoon, uitermate.

4) de uitdrukkingen, bestaande uit een substantief, dat bepaald wordt door dèr, dès en wès, verouderde vormen van de voornaamwoorden die en wat, hetzij beide eene bijstelling uitmaken, als: derhalve, dermate, destijds, hetzij het eerste door het tweede geregeerd wordt, als: desbevoegd, deskundige, weshalve.

5) de uitdrukkingen, bestaande uit een adjectief in den sterken genitief op -er, gevolgd van een substantief in oneigenlijken zin genomen, als: allerwegen, halverwegen (verschillend van halfweg), gewapenderhand, langzamerhand, gelukkigerwijze, toevalligerwijze; hand en wijze worden bijna als suffixen opgevat.

Een genitiefvorm op -er klinkt, uit hoofde van zijne overeenkomst met de zeer gewone comparatiefvormen, minder vreemd dan die op -s in bloots, goeds, heels enz. Dit schijnt de reden te zijn, waarom het Gebruik de verbinding niet noodig acht, wanneer het substantief zijne eigenlijke beteekenis behoudt, als in onverrichter zake, ouder gewoonte, zaliger gedachtenis enz. Hieruit is het ook te verklaren, waarom met luider stem, in aller ijl, te gelijker tijd, niet aaneen geschreven worden, maar wel inderdaad, waarin daad niet in den eigenlijken zin wordt opgevat.

Het gebruik van het koppelteeken.

154. Wanneer een der opgenoemde regels het graphisch verbinden van woorden vordert, doch het werkelijk aaneenschrijven een woord opleveren zou van een te vreemd en zonderling voorkomen, of dat uit hoofde zijner lengte moeilijk zou te overzien zijn, dan worden de deelen door een koppelteeken (hyphen) vereenigd.

155. Men bezigt uit dien hoofde het koppelteeken:

1) Wanneer in een compositum eigennamen of van eigennamen gevormde adjectieven voorkomen, als:

a) in de benamingen van koopwaren, waarin het eerste lid de naam is van de landstreek of de plaats, die de waar oplevert, of vanwaar zij uitgevoerd wordt, b.v. Baai-tabak, Cayenne-peper, Java-koffie, Manilla-sigaren, Riga-balsem, Smyrna-vijgen, Zuidzee-traan enz.

Deze schrijfwijze heeft voornamelijk ten doel, den eigennaam duidelijk te doen uitkomen. Wanneer deze echter in de uitspraak onherkenbaar misvormd is, kan het doel door de scheiding niet meer bereikt worden, en schrijft men de deelen werkelijk aaneen; b.v. sinaasappel, voor Messina’s-appel, enz.

b) in de zelfstandige naamwoorden, waarvan het eerste lid een adjectief is, gevormd van een eigennaam, als: Berlijnsch-blauw, Engelsch-zout, Friesch-groen, Pruisisch-zuur enz.

c) in de bijvoeglijke naamwoorden, bestaande uit de koppeling van twee adjectieven, die van eigennamen zijn afgeleid, als: Engelsch-Russisch, Fransch-Engelsch, Franco-Gallisch, Indisch-Europeesch, Indo-Germaansch enz.

156. 2) Wanneer titels van personen, in burgerlijke, rechterlijke of militaire betrekkingen, bestaan

a) uit twee bastaardwoorden, als: adjunct-commies, adspirant-ingenieur, ambassadeur-plenipotentiaris, gouverneur-generaal, minister-resident, procureur-crimineel, politie-commissaris, substituut-griffier, auditeur-militair, admiraal-generaal, luitenant-generaal, luitenant-kolonel, sergeant-majoor.

b) uit een Nederlandsch woord en een bastaardwoord, wanneer beide reeds op zich zelve titels zijn, of wanneer het tweede een adjectief is, dat dan, strijdig met ons taaleigen, achter het substantief komt: grootmeester-nationaal, kapitein-kwartiermeester, kapitein-geweldiger, staten-generaal, raad-pensionaris enz.

157. 3) Wanneer geographische eigennamen bestaan uit een eigennaam en een bijvoegl. naamwoord of een bijwoord, als: Groot-Britannië, Klein-Azië, Nieuw-Holland, Nieuw-York, Rood-Rusland, Wit-Rusland, Noord-Brabant, Zuid-Holland, Achter-Indië, Voor-Indië, Beneden-Egypte.

Het koppelteeken wordt natuurlijk niet gebezigd, wanneer het tweede lid der samenstelling een gemeen zelfst. naamw. is; dus niet in Amazonenrivier, Noordzee, Zuiderzee, Oostzee, Oostergoo, Westergoo, Westland, Opsterland, Salland, Teisterbant, Hartsgebergte, Reuzengebergte.

158. 4) Wanneer een bijvoeglijk woord, hetzij een adjectief, een lidwoord of een voornw., alleen betrekking heeft op het eerste lid eener volgende samenstelling, niet op dit woord in zijn geheel genomen. In dit geval wordt het bijvoeglijke woord door een hyphen met het compositum verbonden, als: bolvormige-driehoeksmeting, platte-driehoeksmeting, dolle-hondsbeet, ’s-Gravendeel, ’s-Gravenhage, groot-zegelbewaarder, ’s-Heerenberg, ’s-Hertogenbosch, Mijns-Heerenland, oude-kleerkoop, klein-kinderschooltje, oude-mannenhuis, ijzeren-spoorweg, rijnsche-wijnflesch, desolate-boedelkamer, Beiersch-bierbrouwerij, Groene-weeshuis (naar de kleeding der weezen), St.-Catharinagasthuis, Heilige-Geestgasthuis, Lieve-Vrouwenkerk enz.

159. Omtrent het schrijven der telwoorden zou men in twijfel kunnen staan, in hoeverre zij al of niet verbonden moeten worden. Raadpleegt men het gewone gebruik, dan vindt men een telwoord alleen dàn graphisch aan een volgend gehecht, wanneer het de waarde van een multiplicatief adverbium heeft; b.v. twee in tweehonderd (tweemaal honderd); ook worden dertien, veertien, vijftien enz. tot negentien aaneen geschreven; in alle andere gevallen laat men de deelen gescheiden. Men schrijft b.v. zeshonderd negen en veertig duizend vijfhonderd negentien, zes en twintig enz. Daar echter ook het langste telwoord een zelfstandig deel eener rede uitmaakt, doet zich de vraag voor, of dit gebruik niet is af te keuren, en of niet alle bestanddeelen van een samengesteld telwoord ten minste door koppelteekens behooren vereenigd te worden. Bij eene nadere beschouwing echter laat zich de vraag niet anders dan ontkennend beantwoorden, omdat in zulke vereenigingen al de vereischten eener compositie ontbreken, namelijk een overheerschende klemtoon, de duidelijke samenvatting der leden in ééne voorstelling, en de wijziging der beteekenis van ten minste één lid. Zoo zoekt men b.v. in driehonderd vier en vijftig millióén zevenhonderd drie en zestig dúízend negenhonderd acht en zéventig vergeefs naar een woord, dat door zijn sterkeren nadruk al de overige woorden overheerscht en tot een geheel verbindt. Men hoort kennelijk drie hoofdaccenten, namelijk op millioen, duizend en zeventig; deze zijn even sterk en bewijzen mede, wat iedereen trouwens bij zich zelven kan waarnemen, dat de geest het geheele getal niet in eens omvat, maar het zich achtereenvolgens in drie gedeelten voorstelt, die men zelfs, zonder eenig nadeel voor de duidelijkheid, door komma’s zou kunnen scheiden. Eindelijk, ieder woord wordt in deze en dergelijke verbindingen in zijne gewone beteekenis opgevat, behalve dat de getallen, die in vereeniging met honderd als multiplicativa staan (tweehonderd, achttienhonderd), door de ellips van maal of malen eene gewijzigde kracht bekomen, ten blijke waarvan zij dan ook met dit woord graphisch verbonden zijn. De Redactie ziet derhalve geene overwegende reden, om hier van de algemeene gewoonte af te wijken, die ten overvloede door het overeenstemmend Gebruik in alle beschaafde talen gewettigd wordt. Zij laat dus al de bestanddeelen van een samengesteld telwoord gescheiden, behalve tien en honderd, die aan het onmiddellijk voorgaande gehecht worden: dertien, veertien, vijftien, negentien; tweehonderd, zevenhonderd, zeventienhonderd enz.

160. Meer grond bestaat er voor het graphisch verbinden der bestanddeelen van samengestelde ranggetallen, als b.v. drie en twintigste, vier honderd en zevende, zeshonderd vier en negentigste. In deze en dergelijke uitdrukkingen worden de verschillende leden door het afleidingssuffix -de of -ste, aan het laatste lid gehecht, tot een geheel verbonden, zoodat zij, in den tegenwoordigen toestand der taal, tot die soort van eigenlijke samenstellingen behooren, waarover in § 140 gehandeld is. Intusschen pleiten gedeeltelijk dezelfde redenen, die in de vorige § zijn aangevoerd, hier tegen de verbinding der bestanddeelen. Men heeft dergelijke samengestelde uitdrukkingen dan ook nooit als eigenlijke composita beschouwd, hetgeen daaruit blijkt, dat men oudtijds de suffixen -de en -ste, ten minste achter de hoofdbestanddeelen, herhaalde, en b.v. schreef: het hondertste ende tiende jaer; drie dusentste vierhonderdste ende seven ende tachtigste. Daarom achten wij het ongeraden, met de bedoelde uitdrukkingen zoo geheel anders te handelen dan met de eigenlijke getallen, en, in strijd met het gevestigde Gebruik in onze en andere beschaafde talen, wanstaltige woordvormen voor te staan, die het oog dikwijls niet zou kunnen overzien. Wij aarzelen derhalve niet, ten opzichte der ranggetallen eene uitzondering op den regel van § 140 te maken en voort te gaan met gescheiden te schrijven: negen en zeventigste, vijfhonderd dertiende, enz.

B. Hoe te handelen met de verbindingsklanken tusschen de leden eener samenstelling?

161. De tweede onzekerheid bij het schrijven van samengestelde woorden betreft den vorm van het eerste lid, die uit de uitspraak niet altijd duidelijk blijkt, hetgeen bij vele tot verschil in spelling aanleiding geeft. Zoo schrijven b.v. sommigen pereboom en tarwebrood, anderen perenboom en tarwenbrood. De Leer der Spelling moet hier uitspraak doen.

De onzekerheid spruit uit verschillende oorzaken voort; het is van belang die te kennen. Ook bij dit onderzoek is het noodig het onderscheid in het oog te houden tusschen de eigenlijke samenstellingen en de samenkoppelingen, van welke echter, gelijk reeds is aangemerkt, sommige later voor oor en oog in eigenlijke samenstellingen zijn overgegaan; vergelijk § 135 en 139. Deze verandering van vorm en nog andere redenen, die straks ter sprake komen, maken ook het onderscheiden van oudere en jongere samenstellingen noodzakelijk.

De letters, ten opzichte waarvan onzekerheid en verschil bestaat, noemt men verbindingsklanken of verbindingsletters. Beginnen wij met te onderzoeken, wat men er door te verstaan heeft, welke letters zoo te noemen zijn.

162. De woordstammen, d.i. de woorden, van alle buigingsuitgangen ontdaan, waren in den oudsten toestand der Indo-Germaansche talen tweeërlei: vocalisch, uitgaande op een der korte klinkers a, i en u (oe); of consonantisch, eindigende op eene n, voorafgegaan door eene korte a, of door eene lange î of û (goth. ei of ô). Bij het vormen van eigenlijke samenstellingen werd het eerste lid oorspronkelijk, indien het een vocalischen stam had, in zijn onveranderden stamvorm voor het tweede lid gevoegd; was het consonantisch, dan werd de n afgeworpen, en de voorafgaande lange klinker verkort. Dientengevolge eindigde het eerste lid der eigenlijke samenstellingen op weinige uitzonderingen na—kennelijk alle onregelmatigheden—steeds op een der korte klinkers a, i of u (oe). Daar nu deze klinkers een deel van het eerste lid uitmaken, kon er toen bij eigenlijke samenstellingen geene sprake zijn van opzettelijk ter verbinding ingevoegde letters.

Uit deze waarneming vloeit nog iets voort. Indien het eerste lid in zulke composita voorkwam in zijn stamvorm, zonder eenig teeken dat eene betrekking aanduidde, dan is het zeker, dat men oorspronkelijk bij het samenstellen volstrekt niet dacht aan de verhouding van het eerste lid tot het tweede, maar het aan den hoorder overliet zich die verhouding daarbij te denken.

163. Het begrip van samenkoppeling sluit reeds uit zich zelf het aanwezig zijn van verbindingsklanken uit. Eene koppeling bestaat in het aaneenhechten van twee, soms van meer woorden, die in de rede op elkander volgen; daarom komt het eerste lid natuurlijk niet in zijn stamvorm voor, maar, zoo het een verbuigbaar woord is, in een vorm waarin het in de rede zelfstandig kan optreden; een naamwoord derhalve in een naamval van het enkel- of meervoud, een werkwoord in de onbepaalde of in de gebiedende wijs. Zoo heeft b.v. het woord God in godsdienst den vorm van den 2den, in godebehaaglijk dien van den 3den, in godverheerlijkend dien van den 4den naamval, omdat die woorden vereenigingen zijn van de uitdrukkingen Gods dienst, Gode behaaglijk, God verheerlijkend. Het werkwoord spelen staat in spelevaren in de onbepaalde wijs, doch met onderdrukte n, omdat dit woord eene verbinding is van spelen varen (verg. lezen leeren); in vergeet-mij-nietje staat vergeten in de gebiedende wijs.

164. Doch bestonden er oorspronkelijk geene verbindingsklanken, verschillende oorzaken hebben samengewerkt om hun bestaan eerst te onderstellen, en later werkelijk zulke letters in te voegen. Daar de woordstammen onveranderd natuurlijk alleen in samenstellingen voorkwamen, maar in de verbogen vormen, onder welke zij in de rede optraden, allerlei wijzigingen ondergingen, geraakte de natuur van de eindklinkers der stammen spoedig in vergetelheid, en begon men ze voor opzettelijk ingevoegde klanken, voor bloote verbindingsletters, aan te zien. Zij werden allengs zwakker uitgesproken, en gingen ten laatste in de toonlooze e over. Zoo ontstonden b.v. dageraad, nachtegaal, bruidegom van de stammen daga, nahta, bruthi. Wanneer men deze woorden vergelijkt met de later gevormde dagboek, nachtverblijf, bruidleidster, enz., dan krijgt de toonlooze e, ofschoon een deel van het eerste lid zijnde, het voorkomen van eene ingevoegde letter zonder beteekenis of reden van bestaan, van een blooten verbindingsklank. Haar aanwezen bewijst intusschen, dat de genoemde woorden tot de oudste samenstellingen behooren, uit den tijd, toen men de woordstammen daga, nahta en bruthi nog kende.

165. Even willekeurig schijnt de toonlooze e in vele samenstellingen, wier eerste lid vroeger op dezen thans afgesleten klinker eindigde, b.v. in wiegelied, harteleed, bruggegeld, ruggegraat, willekeur enz., van de verouderde vormen wiege, harte, brugge, rugge, wille.

166. Bij samenkoppelingen hebben andere oorzaken gewerkt om letters, die inderdaad tot het eerste lid behooren, als ingevoegd te doen beschouwen. De tweede naamval, die thans alleen in het enkelvoud van het manlijke en onzijdige geslacht een kenmerkenden uitgang heeft (-s, -es, -n of -en), nam voorheen ook bij zwakke vrouwelijke woorden, als vrouwe, kerke, eere, eene -n aan: der vrouwen, der kerken, der eeren. Het meervoud, dat thans in alle naamvallen op eene -n of eene -s eindigt, ging vroeger bij alle sterk verbogen woorden op -e uit (in den 3den naamval op -en): honde, geite, dinghe, of bij sommige onzijdige op -er: kinder, kalver. Het was dus natuurlijk, dat men, toen er geene vrouwelijke genitieven op -n, geene meervouden op -e of -er meer bestonden, de -n, -e of -er in woorden als vrouwenkleed, eerenprijs, paardeboonen, kinderkamer, raderwerk enz. voor ingevoegde letters aanzag.

Voorheen vormde men, naar het schijnt meest van werkwoorden, adjectieven op -el, als behaghel, krijgel, schamel, vergetel, vermetel, verstandel. Zij werden vooral in samenstellingen en afleidingen gebezigd, als in schamelheid, vergetelheid, vermetelheid. Was nu zulk een adjectief buiten gebruik geraakt en vergeten, dan kreeg -el in eene samenstelling het voorkomen van willekeurig ingevoegd te zijn, b.v. in schorselwoensdag, schortelkleed, schrikkeljaar, schrikkelmaand, troostelbier enz.

167. Toen men nu eenmaal van het bestaan van verbindingsklanken meende overtuigd te zijn, was het natuurlijk dat men bij het vormen van nieuwe composita, als op het gevoel af, naar bestaande modellen te werk ging en dikwijls geheel ten onrechte letters invoegde. Op die wijze ontstonden, naar het voorbeeld van koningsmoord, vaderlandsliefde, kindskind, de composita jongelingsvereeniging, belegeringswerken, vrijheidsliefde, dochtersman, waardoor de s in composita ook achter vrouwelijke substantieven allengs het teeken van den tweeden naamval werd; naar ganzemarkt, paardekooper, hoenderhok, waarin het eerste lid een meervoud voorstelde, ook andere waarbij men aan een enkelvoud dacht, als ganzepen, paardestaart, hoenderei; naar krijgsman, krijgstuig ook leidsman, scheidsmuur; naar schorteldoek, schrikkeljaar ook ringelduif, noteltere (noteboom).

Dientengevolge heeft men thans het volste recht om van verbindingsklanken te spreken; en, daar het niet altijd met zekerheid kan bepaald worden, of eene letter tot het voorste lid behoort, of slechts ingelascht is, zullen wij ook de wettig aanwezige onder den naam van verbindingsklanken of -letters begrijpen. Onder deze benamingen worden derhalve hier verstaan de letters -e, -n, -s, -el, -en en -er, voorkomende in het midden van samenstellingen, en niet behoorende tot den hedendaagschen stam van het eerste lid; dus b.v. de e in dageraad, de s in wolfsklauw, de lettergreep el in schorteldoek, en in menschenbloed, er in hoenderhok, omdat de stammen der eerste leden thans dag, wolf, schort, mensch, hoen luiden.

168. Moest het vermelde noodwendig de strekking hebben om den vorm onzer composita onzeker te maken, er kwam nog de bekende eigenaardigheid van het Nederlandsch bij, dat wij de n achter eene toonlooze e slechts zeer flauw uitspreken en soms geheel onderdrukken. Daarom kan het gehoor alleen niet meer beslissen, of men pere- of perenboom te schrijven heeft; daardoor hebben sommige infinitieven, b.v. ruilen in ruilebuiten, spelen in spelevaren, hunne n verloren. Dat onderdrukken had natuurlijk het meest plaats in dagelijksche woorden, die men vaker hoorde uitspreken, dan men ze geschreven zag. In het omgekeerde geval bleef de n bestaan. Dit ziet men onder andere aan het zeldzaam voorkomende eerenprijs (naam eener plant), dat men in de woordenboeken met eene n geschreven vindt, naast het meer gebruikelijke eereprijs, in den eigenlijken zin van het woord genomen.

169. Er is nog meer dat het bepalen van den vorm der composita moeilijk maakt. In de vroegste tijden reeds ging men, schijnbaar althans, met willekeur te werk, en vormde men, zonder eenig merkbaar onderscheid in de beteekenis te stellen, nu eens eigenlijke samenstellingen, dan eens koppelingen. De namen van de dagen der week leveren merkwaardige voorbeelden van die schijnbare regelloosheid op. Zondag, Maandag, Donderdag, Vrijdag, Zaterdag zijn eigenlijke samenstellingen, ofschoon het eerste lid, blijkens lat. dies Solis, Lunae enz., stellig in de betrekking van den genitief staat. Daarentegen zijn Dinsdag (Dies dach, dag van den god Die) en Woensdag (Wodans dach), meer overeenkomstig met de Latijnsche voorbeelden dies Martis en dies Mercurii, slechts koppelingen. Die ongelijkheid, ofschoon zij waarschijnlijk hare oorzaken heeft, laat zich thans niet meer verklaren. Men zal zulks moeten erkennen, als men bedenkt, dat men in het Middelnederlandsch zoowel Manendach, met den zwakken genitief van mane, als Maendach, Donresdach (Donderdag) naast Donredach en Vriendach of Vrijndach naast Vridach aantreft. Ook later ging men—voor ons verstand ten minste—niet regelmatiger te werk. Zoo geeft, om slechts iets te noemen, Kiliaan sonnenschijn op, als eene koppeling van schijn met den zwakken genitivus sonnen; maar daarentegen maenschijn, als eene echte samenstelling van maen en schijn.

170. Hier komt nog bij, dat de taal thans stellig naar andere beginselen te werk gaat en meer naar duidelijkheid streeft. Bepaaldelijk wil zij den vorm van het meervoud, waar het begrip het denkbeeld van een meervoud medebrengt, terwijl men zich oudtijds met den stamvorm vergenoegde. Dit blijkt b.v. uit de vergelijking van de nieuwere woorden beeldengalerij, krankzinnigengesticht, woordenboek enz. met de oudere beeldhouwer, weeshuis, woordboeck enz.

171. Uit deze waarnemingen, beschouwd in verband met het onderdrukken der n, volgt, dat men bij het verklaren en bepalen der verbindingsletters, althans in de bijzondere gevallen, weinig of geen licht kan vinden bij onze Ouden, omdat dezen, oogenschijnlijk ten minste, zonder regelmaat te werk gingen. Zoo laat zich b.v. niet uitmaken, of ons hedendaagsche zonneschijn en maneschijn samenstellingen zijn van zon en maan in hun verouderden vorm sonne en mane, dan wel koppelingen, bloote aanhechtingen van schijn aan de zwakke genitieven sonnen en manen, met dezelfde onderdrukking der n, die b.v. in spele(n)varen heeft plaats gehad.

172. Te midden echter van al die schijnbare onregelmatigheden straalt een beginsel door, dat thans nog geldt, te weten het streven naar welluidendheid, of liever, negatief gesproken, het zoeken om onwelluidende vormen te vermijden.

Ontegenzeglijk klinkt het samentreffen van sommige medeklinkers nagenoeg even onaangenaam, als zulks algemeen erkend wordt van de onmiddellijke opeenvolging van twee klinkers, waarvoor men zelfs opzettelijk een naam, hiatus, gaping, heeft uitgedacht. Sommige verbindingsletters hebben dan ook buiten tegenspraak geen ander doel, dan het vermijden van zulk een wanluidend samentreffen, en niet zelden strekt de e alleen om twee medeklinkers, de n om twee klinkers te scheiden.

173. Even zeker is het, dat buitengewoon lange samenstellingen onwelluidend zijn en daarom door de taal zooveel mogelijk vermeden worden. Dit blijkt duidelijk uit woorden als jongelingsvereeniging, vondelingshuis en dergelijke, voor jongelingenvereeniging, vondelingenhuis: vormen, die men niet gebruikt, omdat zij ééne lettergreep langer zijn, ofschoon zij door de analogie van boerenbedrijf, ziekenhuis enz. zouden gevorderd worden.

174. Van het tegenwoordige standpunt beschouwd, schijnt het alleszins wenschelijk dat er regels gesteld worden, die volstrekte regelmatigheid in de samenstellingen brengen, en waarbij men de beteekenis en de onderlinge verhouding der leden niet voorbijziet. Uit alles echter moet gebleken zijn, dat zulks geheel ondoenlijk is. Een aantal woorden uit vroegeren tijd, samengesteld naar thans onbekende beginselen, of schijnbaar tegen alle beginselen aan, hebben een vasten vorm gekregen, die nu niet meer te veranderen is, b.v. eierdop, eierschaal. Aan het stellen van algemeene regels, voor eene geheel consequente en tevens logisch juiste compositie, is derhalve niet te denken, dewijl zulks onvermijdelijk eene wijziging in den vorm van een zeer groot aantal woorden ten gevolge zou moeten hebben, die, zoo zij daardoor ook al niet geheel onkenbaar werden, dan toch een al te zonderlingen indruk maken zouden. Wien toch zou het niet bevreemden dagraad, bruidsgom en nachtgaal geschreven te vinden, ofschoon deze woorden in overeenstemming zouden zijn met dagboek, dagregister, dagreis enz., met bruidsdagen, bruidstranen, bruidsgift, bruidsgoed enz., en met nachtgewaad, nachtgoed, nachtkaars enz.

Logisch juist zijn de woorden ziekenhuis, oude-mannenhuis, invalidenhuis, kinderhuis (met het oude meervoud kinder); minder goed zijn weeshuis en duifhuis, hoewel te rechtvaardigen, als gevormd naar de oorspronkelijke wijze van samenstellen; geheel onverdedigbaar is daarentegen vondelingshuis. Doch wie zou zijne goedkeuring willen hechten aan een regel, die voorschreef met strikt logische juistheid kinderenhuis, vondelingenhuis, weezenhuis te schrijven, en duifhuis door duivenhuis te vervangen, ten einde het met duivenhok en duiventil in overeenstemming te brengen?

175. Is het stellen van algemeen geldige regels voor het vormen van composita volstrekt onmogelijk, het is gelukkig ook niet noodig. De Spelling heeft alleen te bepalen, hoe de gesproken woorden, haar door de Etymologie of het Gebruik kant en klaar geleverd, behooren geschreven te worden. Zij behoeft zich dus slechts te bemoeien met die samenstellingen, wier vorm niet duidelijk uit de uitspraak blijkt, en waarvan dientengevolge verschillende schrijfwijzen bestaan.

176. Doch ook zóó genomen heeft de zaak nog vele bezwaren in. Het aantal der onzekere vormen is groot en bestaat uit verschillende soorten; en daarnevens bevinden zich verscheidene woorden, tot dezelfde soorten behoorende, die steeds onveranderlijk op dezelfde wijze geschreven worden, wier vormen dus wel degelijk bepaald zijn, maar naar verschillende en tegenstrijdige beginselen. Zoo schrijft men onveranderlijk sterrekunde en instrumentmaker, met sterre en instrument in den enkelvoudigen stamvorm; daarentegen, evenzeer onveranderlijk, volkenkunde en sigarenmaker, met volk en sigaar in den meervoudsvorm. Het is duidelijk, dat er geen regel bestaan kàn, waarin beiderlei vormen gelijkelijk passen. Welke regels men dus ook voor de onzekere vormen aanneme, er blijven altijd eenige woorden over, die, zoo men te hunnen opzichte het Gebruik wil blijven eerbiedigen, noodwendig buiten de regels vallen. Men zou de zoodanige als uitzonderingen kunnen beschouwen en vermelden, indien de uitspraak en spelling van alle even zeker ware als die van de vier bovengenoemde, of indien er eenig herkenningsteeken bij die uitzonderingen bestond. Daar dit echter in geenen deele het geval is, en men toch wel niet verlangen kan, dat wij geheel beginselloos te werk gaan, zoo blijft ons niets anders over, dan 1º. eenige regels aan te nemen, die, zoo weinig mogelijk met het oude gebruik strijdende, op de hedendaagsche richting der taal gegrond zijn, en daardoor recht geven tot de verwachting, dat nieuwe woorden dienovereenkomstig zullen gevormd worden; en 2º. de weinige woorden, wier vorm door het Gebruik anders bepaald is, met die regels in overeenstemming te brengen. Uit het aangevoerde toch moet niet slechts de onmogelijkheid gebleken zijn van dit te vermijden, maar ook evenzeer de wenschelijkheid, dat er eenmaal een einde kome aan de bestaande wanorde in het stuk der compositie, en dat men daarbij duidelijk bewuste verstandige beginselen volge. Wij voor ons ten minste rekenen ons verplicht daarnaar te streven.

177. Het is duidelijk, dat de Spelling ook bij het stellen van zulke regels, althans in de eerste plaats, behoort te werk te gaan naar dezelfde beginselen, die bij het schrijven der grondwoorden gelden, voor zooverre die hier van toepassing kunnen zijn. De Regels der Gelijkvormigheid (§ 49) en der Afleiding (§ 54) bepalen den vorm der te verbinden woorden, doch zwijgen natuurlijk van de verbindingsletters; en daar men geheel van de onderstelling uitgaat, dat de Uitspraak niet beslist, zullen voornamelijk de Analogie (§ 59) en de Welluidendheid (§ 62) moeten geraadpleegd worden.

In één opzicht zal men genoodzaakt zijn van de aangenomen gewone beginselen af te wijken: aan het Gebruik zullen hier aan de eene zijde minder, aan de andere meer rechten moeten toegekend worden. Nergens had dit vrijer spel dan in het stuk der compositie, waar zoovele verschillende beginselen golden, en aanleiding gaven om de meest uiteenloopende richtingen aan te nemen. Zal er eenige regelmaat in het schrijven der samenstellingen bestaan, dan zal men soms van het Gebruik moeten afwijken, zonder te kunnen bewijzen dat het volstrekt verkeerd is, terwijl men het in andere gevallen zal moeten eerbiedigen, ofschoon het moeilijk kan gerechtvaardigd worden; vergel. hier § 66. Zoo is de spelling zedeleer en sterrekunde op zich zelve geheel wettig, als eene samenstelling met den stamvorm zede en sterre; maar de Analogie en de hedendaagsche richting der taal eischen zedenleer en sterrenkunde; hier kunnen wij het Gebruik niet langer laten gelden. Daarentegen zijn de gewone vormen eierdop, eierschaal (bij Kiliaan nog ey-dop, ey-schale) verkeerd, en het meervoud door niets goed te maken; doch wie zal nu eidop, eischaal willen geschreven zien?

178. Daar de bemoeiingen der Spelling zich niet verder behoeven uit te strekken dan tot die verbindingsletters, die in de uitspraak niet duidelijk worden gehoord, is het klaar, dat alle onderzoekingen zich hier bepalen tot de n en de s. Men kan alleen onzeker zijn, of eene toonlooze e al of niet door n gevolgd, en of eene s of z, waarmede het tweede lid begint, al of niet door eene s wordt voorafgegaan; b.v. of men konijnen- of konijnehaar, dorps- of dorp-schuit, eenigs- of eenig-zins te schrijven heeft. Omtrent de overige letters, over het al of niet aanwezig zijn van e en er, en van s, niet door s of z gevolgd, beslist de Uitspraak.

Ten einde onder de duizenden samengestelde woorden niet geheel in den blinde rond te tasten, zal het dienstig zijn vooraf na te gaan, onder welke soort van samenstellingen de vermelde onzekerheden worden aangetroffen. Bij dat onderzoek zullen wij het veiligst te werk gaan, indien wij achtereenvolgens die woordsoorten uitmonsteren, bij welke eene inlassching van verbindingsletters niet denkbaar is, of in elk geval verkeerd zou wezen. Daar de verbindingsletters steeds òf werkelijk uitgangen van het eerste lid zijn, òf als zoodanig worden aangemerkt, zal men de samenstellingen naar de natuur van het eerste lid in soorten of klassen moeten onderscheiden.

Alleen een voegwoord kan niet het eerste lid eener samenstelling uitmaken; alle andere rededeelen, zelfs het lidwoord van bepaaldheid, b.v. in dewijl, en de tusschenwerpsels ei en he in eilaas en helaas, treden als eerste leden van composita op. Voor zooverre echter de samenstellingen met onverbuigbare woorden beginnen, is het duidelijk, dat er geene sprake van verbindingsletters kan wezen. Immers vermits deze letters steeds werkelijke of gewaande buigingsuitgangen zijn, ontbrak bij de woorden, die met indeclinabilia, met bijwoorden, voorzetsels of tusschenwerpsels beginnen, de aanleiding tot het aanwezig zijn of tot het ontstaan van verbindingsletters geheel en al. Men treft er onder dezulke dan ook geene aan, zelfs niet waar de welluidendheid ze zou kunnen vorderen. Men schrijft algemeen medearbeider, medeërfgenaam, medeïngezetene, medeoorzaak, medeüitverkorene, waarin niemand ter wegneming van den hiatus eene n invoegt; eene waarneming, die bewijst, dat ook die verbindingsletters, die blootelijk voor de welluidendheid strekken, toch naar de analogie der buigingsletters ontstaan zijn.

De met onverbuigbare woorden aanvangende samenstellingen leveren derhalve ten opzichte der verbindingsletters geene onzekerheden op; deze zijn dus alleen denkbaar bij die soorten van composita, wier eerste lid verbuigbaar is. Doch ook van deze vallen terstond een paar soorten weg, waarover men zich niet verder te bekommeren heeft. De hoofdgetallen blijven in de eigenlijke samenstellingen onveranderd, en staan in zooverre gelijk met de onverbuigbare woorden. Men zegt en schrijft driewerf, viermaal, vijfhoek, zeskantig, driesprong, tiental, honderdvoud, duizendvoudig enz. De vormen op -en, als tweeën, drieën, vieren enz., komen slechts alleenstaande, nooit in samenstellingen voor; het gewone vierendeel is eene verbasterde uitspraak voor vierdedeel. Er bestond dus ook nooit aanleiding tot het ontstaan eener verbindings-n, zelfs niet ten gevalle der welluidendheid, hier evenmin als bij de indeclinabilia; men zegt tweeoogig en driearmig, niet tweenoogig en drienarmig. De vrouwelijke genitiefvorm op -er treedt slechts voor -lei en -hande in eenerlei, tweeërhande enz. en baart geene twijfelingen. Van de telwoorden blijven derhalve alleen die weinige ter nadere behandeling over, die, als geen en veel, op de wijze van bijvoeglijke woorden verbogen worden.

Ook de zelfstandige voornaamwoorden vallen buiten het onderzoek. Van deze komt alleen zelf als het eerste lid in samenstellingen voor. Ofschoon men het voorheen wel eens eene s gaf, en b.v. soms zelfsbedrog schreef, in het hedendaagsche gebruik blijft het onveranderlijk zelf: zelfbeschuldiging, zelfvertrouwen, zelfverloochening enz.

179. Uit het aangevoerde volgt, dat alle twijfelachtige gevallen moeten gezocht worden onder woorden, aanvangende met zelfstandige naamwoorden, werkwoorden of bijvoeglijke woorden, te weten lidwoorden, bijvoeglijke naamwoorden, bijvoeglijke voornaamwoorden en onbepaalde telwoorden. Deze waarneming stelt ons in staat om over den aard der verbindings-s en -n te oordelen. De n zal achter zelfstandige naamwoorden òf het teeken moeten zijn van den zwakken genitief, òf dat van het meervoud; achter bijvoeglijke woorden een naamvalsuitgang; achter werkwoorden het teeken van den infinitief; òf zij zal bloot euphonisch moeten wezen, wat achter allerlei woorden, behalve indeclinabilia, kan plaats hebben. De s kan achter zelfstandige naamwoorden den genitief of het meervoud aanduiden; achter bijvoeglijke woorden zal zij het teeken van den sterken genitief wezen; òf zij zal achter beide soorten als euphonisch zijn te beschouwen; achter stammen van werkwoorden zal zij slechts de laatstgenoemde waarde kunnen hebben.

Beginnen wij met het onderzoek naar

De inlassching der verbindings-n.

180. Uit de vorige § vloeit voort, dat men bij het oordeelen over de noodzakelijkheid of overtolligheid der verbindingsletters volstrekt noodig heeft te weten, tot welke soort van woorden het eerste lid behoort. In de meeste gevallen is dit niet moeilijk te bepalen. Een werkwoord, al staat het in den stamvorm, laat zich door zijne beteekenis in den regel duidelijk genoeg onderkennen; doch substantieven en adjectieven zijn niet altijd zoo gemakkelijk te onderscheiden. Met name is dit het geval met de stoffelijke bijvoeglijke naamwoorden en de zelfstandige, waarvan zij gevormd zijn door aanhechting van het achtervoegsel -en, welks n in het dagelijksch leven zelden duidelijk uitgesproken, maar meestal geheel onderdrukt wordt. Dit maakt, dat men op het gehoor af niet kan onderscheiden, of men in samenstellingen met zelfstandige naamwoorden of met stoffelijke adjectieven te doen heeft; of men b.v. tarwen- of tarwebrood, rijsten- of rijstebrij moet schrijven. Daar de uitspraak hier niet beslist, en de beteekenis, oppervlakkig beschouwd, beide schrijfwijzen schijnt te wettigen, zal de analogie moeten geraadpleegd worden. Men heeft te vragen, of er andere samenstellingen bestaan, waarvan het eerste lid stellig en buiten allen twijfel een stoffelijk bijvoeglijk naamwoord is. Bij onderzoek blijkt, dat er geen enkel zoodanig woord is te vinden, maar integendeel een aantal, waarin het eerste lid uit een zelfstandig naamwoord bestaat, dat de plaats bekleedt van een stoffelijk bijvoeglijk naamw., of althans hetzelfde uitdrukt. Zoo spreekt men van blik-, hout-, ijzer-, koper- en tinwaren; van hout-, ijzer-, koper- en zilverwerk; van goud-, ijzer-, koper- en zilverdraad; van goud- en zilverlaken; van goudguldens en zilvergeld; van stroohoeden; van steen- en suikergoed; van pleisterbeelden; van steen- en zandwegen; van steenrotsen, stroodaken en turfmuren; van amandeltaarten, honingkoeken en peperkoek; terwijl er geen enkel compositum met gouden, zilveren enz. is aan te wijzen. Hieruit blijkt duidelijk genoeg, dat onze taal geene samenstellingen met stoffelijke bijvoeglijke naamwoorden kent.

Dit liet zich reeds a priori voorzien. Het Nederlandsch toch, ofschoon zoozeer als eenige taal het vermogen bezittende om samen te stellen, maakt evenwel van dat vermogen slechts met tact en wijze spaarzaamheid gebruik. Het vormt geene samenstellingen, waaraan geene behoefte is; het koppelt daarom ook geen adjectief aan het volgende substantief, wanneer er geen nieuw begrip ontstaat, verschillende van dat, wat de woorden onvereenigd reeds zouden uitdrukken. Composita als aequatoriaalcirkel, gymnasiaalonderwijs, proportionaalpasser, privaatlessen enz. zijn germanismen, even grof als privaataudientie, privaatleven, existentiaaloordeelen en dergelijke. Een compositum goudenhorloge kon niet ontstaan, omdat gouden horloge volkomen hetzelfde uitdrukt. Men kan derhalve in de uitspraak roggenbrood, tarwenbrood enz., geene stoffelijke bijvoeglijke naamwoorden erkennen. Het moge wezen, dat roggebrood, tarwebrood enz. ontstaan zijn door het samenkoppelen van roggen brood, tarwen brood enz., ten gevolge waarvan sommigen roggenbrood en zelfs roggembrood uitspreken; maar nu de gevoelens verdeeld zijn, moet het taaleigen beslissen. Het is uit dien hoofde raadzaam te schrijven: boekweitebrood, gerstebrood, roggebrood, tarwebrood, als samenstellingen met boekweit (oudtijds boeckweyte), gerst (oudt. gerste), rogge en tarwe; en zoo ook rijstebrij, rijstepap, gelijk haverbrij, gortpap, meelpap, van rijst (oudt. rijs) met eene ingelaschte e of te naar het voorbeeld der overige samenstellingen, die meestal drielettergrepig zijn. Wie in sommige der opgenoemde woorden de n zou willen laten hooren, zou de woorden moeten scheiden en roggen brood, weiten pannekoeken enz. schrijven, dewijl de n zich ook niet als teeken van den zwakken genitivus laat rechtvaardigen, vermits de taal de betrekking tusschen de stof en het daaruit vervaardigde nooit door een 2den naamval uitdrukt. Daarentegen schrijve men: boonenbrood, kanenbrood, gruttenbrij, frambozenkoekjes, erwtensoep, omdat deze gevormd zijn van de meervouden boonen, kanen, grutten, frambozen, erwten.

Verder volgt hieruit, dat men, van aarden vaatwerk en van een kunstweg sprekende, overeenkomstig het bijna algemeene gebruik, aardewerk en aardebaan zeggen moet; niet aardenwerk, aardenbaan, ofschoon deze vormen, taalkundig nooit te verdedigen, wel door eene ongeoorloofde samenkoppeling met aarden kunnen ontstaan zijn.

181. Indien het zeker is, dat men in die gevallen, waarin de zin desnoods een stoffelijk bijvoeglijk naamwoord zou toelaten, met een zelfstandig naamw. te doen heeft, dan lijdt het wel geen twijfel, dat zulks nog veeleer het geval is bij woorden, in wier beteekenis slechts met moeite die van een stoffelijk bijvoeglijk naamwoord in te wringen is. In dit geval verkeeren de boomnamen, samengesteld met een woord, dat reeds op zich zelf een boomnaam is, b.v. berkeboom, beukeboom enz. Een berkeboom is toch wel bezwaarlijk op te vatten als een berken of berkenhouten boom, gelijkstaande met berken bezem, berken roede. Daarom treft men in berke-, beuke-, denne-, eike-, elze-, essche-, ijpe-, sparre- en wilgeboom, waarin sommigen eene n schrijven, evengoed als in abeel-, ceder-, olm-, palm- en pijnboom, en in lindeboom, waarin nooit eene n gehoord wordt, geene bijvoeglijke naamwoorden aan, maar de boomnamen in hun ouden vorm berke, beuke, denne, eike enz., uit den tijd toen zij, gelijk linde nog, op e uitgingen. Daar boom in berkeboom als het ware de appositie is van berk, en beide leden derhalve in gelijke betrekking staan, is de n ook niet als teeken van den zwakken genitief te verdedigen.

De woorden grenen en vuren, die in onze taal den grondvorm missen, maar rechtstreeks zijn afgeleid van Noordsche benamingen van denneboomen, zijn wel stoffelijke bijvoegl. naamwoorden; doch daar de grondvormen bij ons onbekend zijn, kunnen zij niet anders dan als Nederlandsche grondwoorden beschouwd worden, die als zoodanig in de samenstelling onveranderlijk zijn.

De n achter substantieven als teeken van den zwakken genitief.

182. De n kan als teeken van den genitief gewettigd schijnen achter de substantieven der zwakke declinatie, dat wil zeggen achter dezulke, die in den 2den naamval van het enkelvoud n of en aannemen, en die zich voorheen ook daardoor onderscheidden, dat zij in alle naamvallen van het meervoud op en uitgingen, terwijl die der sterke declinatie e of s aannamen. Deze zijn, behalve het onzijdige hart (des harten), louter manlijke persoonsnamen; te weten alle die op e eindigen, als bode, erve, getuige; de als persoonsnamen gebezigde bijvoeglijke naamwoorden: arme, bediende, blinde, gedaagde, gevangene, kreupele, lamme, rijke, overste, zieke enz., waartoe ook die behooren, welke de e hebben afgeworpen, als dwaas (des dwazen), gek, vrek, zot, en eindelijk nog graaf, heer, mensch, paus, prins en vorst, die voorheen, op paus na, insgelijks op e uitgingen, en gedeeltelijk soms nog met e geschreven worden, als grave, heere, mensche.

183. De zwakke declinatie was oudtijds veel talrijker en bevatte niet slechts nog andere manlijke en onzijdige substantieven, die thans sterk verbogen worden, maar ook vrouwelijke, die nu alle verbuiging hebben verloren.

Tot de manlijke behoorden nog andere persoonsnamen, als hertog, jood, profeet, slaaf, soldaat;—diernamen als aap, beer, bul of bol, draak, haan, haas, os, pauw; en namen van levenlooze dingen, als gaard, naam, wil. Deze gingen insgelijks meest op de toonlooze e uit: jode, profete, slave, ape, bere, bolle, drake, hane, hase, osse, paeuwe, gaerde, name, wille enz.

Ook de onzijdige ooge en oore werden oorspronkelijk zwak verbogen, ten gevolge waarvan zij eerst vrouwelijk werden, om later, na afwerping der e, tot het onzijdige geslacht terug te keeren.

Grooter was de klasse der vrouwelijke zwakke substantieven, waartoe vrouwe, coninginne, deure, eere, kerke, mane, sonne e.a. behoorden.

184. De verbuiging der genoemde woorden veranderde natuurlijk niet plotseling en op eenmaal; zij bleef lang tusschen zwak en sterk dobberen, zoodat men zelfs bij eenen en denzelfden schrijver nevens elkander des profeets en des profeten, des leeuws en des leeuwen, des osses en des ossen, der vrouwe en der vrouwen, der aerde en der aerden, der eere en der eeren enz. aantreft.

Het langst hield de zwakke vorm stand, wanneer het regeerende substantief of een ander innig verbonden woord op den genitief volgde. Zoo leest men bij dezelfde schrijvers: eens profeten sone, des leeuwen muyl, des profeten Jeremia enz., naast: de stemme eens fellen leeuws, Ahia des profeets enz., waar de omgekeerde woordschikking plaats heeft.

185. Uit constructiën als de eerstgenoemde, waarin de genitief vóór het beheerschende woord staat, b.v. eens profeten sone, eens vorsten telg, eens heeren knecht, des prinsen vlag, eens bullen pees, eens hanen poot, eens leeuwen muil, eens ossen tong enz., konden lichtelijk door koppeling composita ontstaan, als profetenzoon, vorstentelg, heerenknecht, prinsenvlag, bullenpees, hanenpoot, leeuwenmuil, ossentong enz.; op dezelfde wijze als Godszoon, bokspoot, hondstand, wolfshonger enz. uit Gods zoon, eens boks poot, eens honds tand, eens wolfs honger. Zeker is het dat sommige samenstellingen werkelijk aan zulk eene koppeling haar ontstaan te danken hebben, b.v. ’s-Gravenhage, ’s-Hertogenbosch, Mijns-Heerenland, eerenprijs (naam eener plant); het afgekorte lidwoord ’s (voor des), het voornaamw. mijns en het gemis van het meerv. van eer of eere stellen zulks buiten twijfel. Men mag dus veilig aannemen, dat ten minste eenige der bovengenoemde, misschien alle, en nog vele andere koppelingen enkelvoudige genitieven bevatten. Doch even zeker is het, dat men daarbij, behalve bij eigennamen, gelijk de bovengenoemde van lidwoorden of voornaamwoorden vergezeld, thans niet meer aan een tweeden naamval denkt; de uitspraak der meest gebruikelijke woorden leert zulks duidelijk. Men zegt toch algemeen zonder n: bullepees, hanekam, hanepoot, haneveer, hazesprong, ossetong, pauweveer; niet bullenpees, hanenkam enz., ofschoon men daarnevens wel degelijk van bokspooten, hondstanden, lamsbouten, ramshorens en arendsneuzen spreekt, waarin ontwijfelbaar de sterke genitivus gehoord wordt. De oorzaak is klaarblijkelijk daarin gelegen, dat de zwakke genitieven zeldzaam geworden en uit de omgangstaal geheel verbannen zijn, en nu alleen nog in hoogeren stijl worden gebezigd. Het is een gevolg van de richting, die onze taal in de laatste eeuwen heeft genomen. De zwakke genitief leeft niet meer in het bewustzijn des volks, hij is verouderd; de sterke heeft zijne plaats ingenomen op weinige uitzonderingen na, die tot den deftigen stijl behooren, welke gaarne eenigszins verouderde uitdrukkingen bezigt. Er staat eene andere richting tegenover, namelijk het toenemen der n van het meervoud. In het Middelnederlandsch eindigden alle sterke substantieven in het meervoud slechts op eene e: honde, hande enz., thans alle op en. In de 17de eeuw nog gingen de gesubstantiveerde adjectieven, als arme, rijke enz., in het meervoud op e uit, thans insgelijks op en: de armen enz. De n van het meervoud is dus toegenomen, naarmate die van den zwakken genitief verminderd is. Aan de vereenigde werking der beide richtingen is het toe te schrijven, dat men de n in de composita niet meer als het teeken van den genitief, maar als den uitgang van het meervoud aanmerkt. Duidelijk blijkt zulks uit die samenstellingen, waarin het eerste lid een vroeger zwak verbogen substantief is, die dus de n behoorden te hebben, maar ze door s hebben vervangen, als: naamsverwisseling, wilskracht, hartstocht, hartsvriendin, eershalve, maansverduistering, vrouwspersoon, zonsondergang enz. Neemt men hierbij in aanmerking, dat, niettegenstaande alle vrouwelijke woorden thans onverbogen blijven, er toch in composita een groot aantal worden aangetroffen, waarin s de betrekking van den genitief uitdrukt, als in deugdsbetrachting, krachtsontwikkeling, liefdesverklaring, stadspoort, vriendschapsbetuiging, waarheidsliefde, zielsverdriet, zuinigheidsmaatregel; en dat er volstrekt geene samenstellingen als deurenpost, kerkentoren, manenschijn, stedenpoort, zonnenstraal enz. bestaan, ofschoon men daarin met recht de n van den 2den naamval zou verwachten, dan moet men wel besluiten, dat de taal in samenstellingen geene n meer als teeken van den 2den naamval beschouwt. Maar dan zou het ook eene miskenning van hare geschiedenis wezen, indien men thans nog in composita eene twijfelachtige n wilde schrijven, alleen op grond, dat zij de betrekking van een enkelvoudigen genitivus moest aanduiden.

186. Uit het aangevoerde volgt, dat de samenstellingen met het enkelvoudige hart geene n behooren te hebben. Men zegt algemeen: hartediefje, harteleed, hartelust; en de woorden hartstocht en hartsvriendin bewijzen voldingend, dat men zelfs bij dit woord, ofschoon het werkelijk nog zwak verbogen wordt, in composita niet meer aan den zwakken genitief denkt. Daarom is hartewensch de eenige thans consequente vorm, hoewel men nu en dan nog wel hartenwensch gespeld ziet. De vormen met harten- verwekken kennelijk de gedachte aan een meervoud, gelijk b.v. hartenaas, hartenheer in het kaartspel.

187. Doch alhoewel het zeker is, dat de taal thans het invoegen eener twijfelachtige n niet wettigt, indien er in het geheel geen andere grond voor bestaat dan het uitdrukken van een genitief, die niet meer gevoeld wordt, even zeker is het, dat zij die invoeging niet verbiedt, wanneer daarvoor andere redenen aan te voeren zijn.

In geen geval zal iemand de n willen missen in ’s-Gravendeel, ’s-Gravenhage, ’s-Heerenberg, ’s-Hertogenbosch, Mijns-Heerenland en dergelijke namen, in welke hare beteekenis ten gevolge der voorafgaande genitieven ’s en mijns duidelijk wordt gevoeld. Maar er zijn ook andere gevallen, waarin men eene n zal willen schrijven, ofschoon zij alleen kan beschouwd worden als teeken van een enkelvoudigen 2den naamval, waarvan men zich niet duidelijk bewust is. Er bestaan namelijk eenige woorden met dubbele beteekenis, die in de eene, in de oneigenlijke opvatting, als teeken van het meervoud eene n eischen, welke in de eigenlijke slechts den 2den naamval van het enkelvoud kan vertegenwoordigen. De overdrachtelijke opvatting dier woorden, dus hun vorm met n, is de gewone; de eigenlijke, die strikt genomen de n zou kunnen missen, komt uit haren aard slechts hoogst zelden voor, terwijl het voor de duidelijkheid onverschillig is en dus nutteloos en spitsvondig zou zijn de beide opvattingen door verschil in spelling te onderscheiden. Daar nu de n in de bedoelde woorden als teeken van den zwakken genitief grammatisch volkomen gerechtvaardigd is, zoo hebben daar de Analogie en het in § 67 aangemerkte volle kracht. Zie over deze woorden beneden § 194.

Kan de hoedanigheid van teeken van den zwakken genitief eene voldoende reden zijn om eene n te schrijven, waar de Analogie daarvoor pleit; zij is geen voldoende grond voor haar behoud, waar de Analogie haar verwerpt. Dit is het geval bij eerenprijs als plantnaam. Het is wel niet denkbaar, dat men de plant (veronica) zal verwarren met een eereprijs als eerbewijs; de onderscheiding door de spelling is dus volstrekt nutteloos en daarom af te keuren. Wij schrijven uit dien hoofde eereprijs zonder n in de beide opvattingen van het woord, naar analogie van eereboog, eerelid, eereplaats, eerepoort, eerepost, eerezetel enz.

De n achter substantieven als het teeken van het meervoud.

188. Daar in eigenlijke samenstellingen het eerste lid oorspronkelijk in den stamvorm, dus noch in het enkelvoud noch in het meervoud voorkwam, behooren alle samenstellingen met een meervoudig eerste lid noodwendig tot de nieuwere tijden. Doordien er nu een aantal composita gevonden worden, die een meervoud onderstellen, maar wier eerste lid desniettemin enkelvoudig is, b.v. geweermaker, pijlkoker, patroontasch, weeshuis enz., heeft men wel eens getwijfeld aan het bestaan van eigenlijke samenstellingen, wier eerste lid meervoudig is. Er worden er evenwel genoeg gevonden, die niet twijfelachtig zijn. Niemand toch denkt er aan, in plaats van kinderschooltje, kalverliefde, eierkorf, raderwerk, lucifersdoosje, huisjesmelker, meisjesgek, sigarenkoker, krankzinnigengesticht enz., kindschooltje, eikorf enz. te zeggen en te schrijven; en toch, -er duidt steeds, en de s en en duiden in de genoemde woorden ontegenzeglijk het meervoud aan.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings