Note 8 — Tweede afdeeling. (continued 2)
Reading edition
De spelling der overige woorden is meer aan twijfel onderhevig. Zeker is het, dat allenthalve uit hoofde zijner beteekenis (van alle kanten of van alle zijden) het meerv. van halve onderstelt, en dat de vormen der bezittel. voornaamw. mijnen, zijnen, onzen, enz., bij een vrouwelijk substantief staande, slechts derde naamvallen van het meerv. kunnen zijn. Men zou hierin eene reden kunnen zien om in allenthalve, mijnenthalve enz. aan halve den meervoudsvorm te geven. Wanneer men echter in aanmerking neemt, dat oudtijds, blijkens de verwante talen, dergelijke absolute datieven zonder merkbaar onderscheid van beteekenis door elkander in het enkel- en meervoud gebezigd werden; dat het Mnl. reeds halven met halve verwarde, en den meervoudsvorm gebruikte, waar men het enkelvoud verwachten zou8, en dat halve, misschien wel ten gevolge dier verwarring, thans blijkbaar niet meer als een op zich zelf bestaand woord wordt beschouwd, maar veeleer als een suffix, waarbij men aan geen getal meer denkt; dan zal men erkennen, dat het weinig nut zou hebben, indien men de hier bedoelde woorden door de spelling van de drie eerstgenoemde onderscheidde. De Redactie acht dit te minder raadzaam, omdat het begrip van een meervoud bezwaarlijk overeen te brengen is met mijnenthalven en zijnenthalven, noch met harenthalven en uwenthalven, wanneer deze laatste op éénen persoon zien, zoodat de grammaticale vorm dezer uitdrukkingen door die spelling niet gerechtvaardigd zou zijn. Zij schrijft daarom zoowel allenthalve, mijnenthalve, hunnenthalve enz., als behalve, derhalve en weshalve, zonder n. Vergelijk hier de laatste zinsnede van § 67.