Note 3 — Tweede afdeeling.
Reading edition
De aangenomen spelling baai—baaijen, rei—reijen, hooi—hooijen druischt dubbel aan tegen de analogie. Deze wil, dat een onverbogen woord den medeklinker, die in den verbogen toestand de volgende lettergreep begint, tot sluitletter zal hebben; b.v. dat kwaad eindigen zal op de d van kwa-de, en zoo ook plaag, vrouw enz. op de g en w, waarmede de tweede lettergrepen van pla-gen en vrou-wen aanvangen. Tegen dezen regel wordt gezondigd door baai, rei, boei enz. Ware de j in de verbogene vormen onmisbaar, de analogie zou haar evenzeer eischen in de onverbogene baaij, reij, boeij, omdat deze woorden in het meervoud baai-jen, rei-jen, boei-jen worden. Deze en dergelijke woorden, die eindigen op eenen tweeklank, waarin i de laatste klinker is, worden nu stilzwijgend als uitzonderingen beschouwd. Die uitzondering zou nog te dulden zijn, indien zij niet zelve weder hare uitzonderingen had in de woorden op ij. De ij toch is ook een tweeklank, die op i uitgaat en dus in den verbogen toestand eene volgende j zou vorderen. Intusschen zal wel niemand lust hebben om bijjen, rijjen, vrijjen, vrijjer te schrijven. Het is dus niet te loochenen, dat de bestaande spelling der woorden met tweeklanken op i onregelmatig is en inconsequent, zoowel in zich zelve als ten opzichte van eene groote menigte andere woorden. Er zijn er geweest, die het gebruik der enkele j hebben voorgeslagen, niet bedenkende, dat deze, wat de uitspraak betreft, wel volstaan kan in bajen, drajen, haajen, boejen, broejen, hoojen, loojen enz., maar niet in brejen, ejeren, lejen, rejen, bujen, brujen, kujeren, schujeren enz. Ook handelt men bij deze schrijfwijze, evenzeer als bij die met i-j, in strijd met de afleiding, en brengt in een aantal woorden eene j, die er nooit in bestaan heeft: b.v. in dojer of dooijer (doder), kojen of kooijen (caveae), ojevaar of ooijevaar (oodevaar), rojen of rooijen (roden), leijen (lage), reijen (rege), schuijeren (schuiren, schuren). In sommige werkwoorden, als draaijen, naaijen, zaaijen, strooijen, tooijen, behoort de j werkelijk tot den grondvorm. Deze zouden de spelling drajen, najen, zajen, stroojen, toojen eischen; maar dan ook draaj, hij draajt, draajde, waartoe men wel niet licht besluiten zou, te minder wanneer men bedenkt, dat de j in andere werkwoorden, b.v. in maaijen, breijen, tegen de afleiding zou aandruischen. Doch, is er geene regelmatige spelling met de enkele j zoomin als met de i j mogelijk, dan blijft alleen die met de enkele i overig, hetzij men die door i of door y voorstelt. De j is eigenlijk ook geheel overtollig; in eene beschaafde uitspraak wordt zij niet sterker gehoord dan de overgang van de i tot den volgenden klinker vanzelf medebrengt, niet sterker dan de flauwe j in zeeën, weeën, gedweeër, drieën, knieën, en in uitdrukkingen als: in boei en band, Mooi Antje enz. De j is, gelijk hare flauwe uitspraak en haar volstrekt afwezig zijn aan het einde eener lettergreep duidelijk genoeg bewijst, niets meer dan een onvermijdelijke overgang van den eenen klinker tot den anderen, en daarom in het schrijven evenzeer te verwerpen als de b in hembd en de p in kompt; behoudt men haar, dan moeten ook deze b en p weder in aanmerking komen. Men zal gevoelen, dat de Redactie geene spelling kan behouden, die tegen alle regelmaat en in vele gevallen tegen de afleiding aandruischt, en die met de uitspraak slechts bezwaarlijk is overeen te brengen. Zij geeft daarom de voorkeur aan de eenige regelmatige schrijfwijze met de enkele i, en zulks te eer, omdat de spelling baaien, breien, boeien, buien enz. sedert lang bij vele onzer beste schrijvers in gebruik was. Ofschoon wellicht geen hunner van den waren staat van zaken een klaar bewustzijn had, en sommigen dientengevolge bij de vormen op -ig en -ing niet eenparig handelden, hun verzet tegen de aangenomen spelling toonde, dat zij de ongepastheid der j in die woorden duidelijk gevoelden3. De schrijfwijze baaien enz, heeft niets tegen zich, dan dat men zich verplicht kan achten een trema op den klinker te zetten, die op i volgt, ten einde de verbinding van deze met de volgende letter te voorkomen, iets dat zeker vrij lastig en voor het oog weinig behaaglijk is. Om dit bezwaar bij de eenige regelmatige, consequente en kennelijk door de taal zelve gevorderde spelling te ontgaan, was de Redactie eerst voornemens de gewone i door de y, als zijnde ook eene i, te vervangen, en hooyen, samenvloeying, opruying enz. te schrijven, waardoor de scheiding der lettergrepen eenigszins duidelijker zou aangewezen worden. Dat plan heeft echter zooveel tegenstand gevonden, dat zij niet raadzaam acht er bij te blijven en eene spelling aan te nemen, die algemeen mishaagt, omdat de eigenlijke waarde van het letterteeken y aan de meesten vreemd is geworden. Zij zelve had die slechts voorgeslagen om het scheiteeken te vermijden. Zij ziet er te eer van af, omdat zij in de toepassing practische moeilijkheden van typographischen aard heeft ontmoet, die zij niet had voorzien. Zij aarzelt dus niet langer de reeds bij velen gebruikelijke spelling met de gewone i aan te nemen, en schrijft derhalve de woorden, waarin een der tweeklanken op i, te weten aai, ei, ooi, ui en oei, voorkomt, steeds met de gewone i, zonder inlassching eener j, wanneer zij verlengd worden; derhalve: aaien, baaien, beien, breien, hooien, kooien, buien, kruien, boeien, knoeien, maaier, draaier, eieren, Beiersch, dooier, mooier, kruier, opruier, boeier, knoeier, baaierd, ooievaar, opruiing, samenvloeiing enz., evenals bijen, rijen, vrijer enz.