Note 2 — Tweede afdeeling.
Reading edition
Uit het aangevoerde blijkt overtuigend, dat het verschil in de werkelijke uitspraak der woorden, hetwelk vroeger het geheele land door moet geheerscht hebben, maar zich thans tot zekere streken en steden bepaalt, voor de spelling slechts een onzekeren grondslag kan uitmaken. Daarbij is het te voorzien, dat het eenmaal geheel zal ophouden. Men heeft om die redenen naar een ander beginsel om te zien, dat in substantie dezelfde uitkomsten oplevert, maar niet aan verandering onderhevig is, niet dreigt geheel te verdwijnen, en dat in de gevallen, waar verschil van uitspraak bestaat, op deugdelijke gronden kan beslissen. Zoodanig beginsel vinden wij gelukkig in den verschillenden oorsprong der e’s en o’s. Door de onderzoekingen der nieuwere taalkundigen namelijk is gebleken, dat de talen van den Indo-Germaanschen volksstam oorspronkelijk slechts drie vocalen, a, i en u (lees: oe) bezaten, en dat al de overige klinkers, ook de e en o, uit die grondvocalen en de daaruit samengestelde tweeklanken ontstaan zijn; zie onder anderen Bopp, Vergl. Gramm. des Sanskrit, Send etc. §§ 1–104. Deze stelling is de spil, waarom het gansche vocaalstelsel, ook dat der Germaansche talen, draait; met haar kunnen alle verschijnselen op het gebied der klankleer in genoemde talen natuurlijk en ongedwongen verklaard worden; zonder haar blijft alles duisternis en verwarring2. Doch al wil men haar ook al niet voor alle Indo-Germaansche talen als geldig erkennen, ten opzichte van het Nederlandsch is zij niet te loochenen. Immers het kan, op weinig uitzonderingen na, aangetoond worden, uit welke van die grondklanken onze e’s en o’s ontstaan zijn, terwijl de weinige gevallen, waarin men dat niet kan, worden aangetroffen bij het betrekkelijk geringe getal woorden, wier ouderen vorm men tot nog toe niet heeft kunnen ontdekken.