← Table of contents
De Geschiedenis van Woutertje Pieterse, Deel 2

Tweede Deel Amsterdam—Uitgevers-Maatschappij “Elsevier”—1921 (continued 6)

Reading edition

Zóó gedacht, zoo gedaan! Hy was recht grootsch dat-i den weg naar-boven wist, en toen hy op de trap de meid ontmoette, die hem zoo onheusch-officieel had afgewezen aan de boven-voordeur, gunde hy zich de weelde van eenig gerammel met de sleutels, niet zonder ’n zegevierend blikje dat zeker zeggen wilde: je ziet, ik bèn er, en wel in dienst!

Zoo’n windas is ’n aardig ding. Er zitten gedachten in, en Wouter wist ze ’r uittehalen.

—Die dikke mevrouw is zeker tweehonderd pond zwaar ... de fauteuil, twintig ... de kussens ... hm ... stellen wy voor alles en alles ... tweehonderd-vyftig pond. Ik weeg maar tachtig, denk ik. Als dus die dikke mevrouw en ik tegenover elkaar hingen aan ’n gewonen takel, zou ze my ’t zoldervenster uithyschen, in-plaats van ik háár uit die zykamer. Maar als ik háár gewicht oprol om die dunne spil, en ikzelf wentel dat groote rad ...

Hy hoorde sloffen op de trap. ’t Was Gerrit, die eens kyken kwam wie er naar den zolder gegaan was.

—Ah zoo! Ben jy ’t Pieterse. En wat doe je daar?

—Ik ... veeg, zei Wouter.

—Zoo? Nou, als je zóó yverig blyft, zal je gauw slyten, jongen!

—Maar m’nheer Wilkens heeft gezegd ...

—Wullekes is ’n gek. Maar ... wil je vegen, goed! Veeg maar! En wat veeg je-n-al zoo?

—De stof van de stapeltjes ...

—Daar ligt geen stof op! En al lag er stof op, wat doet dat er toe? En al deed het er wat toe, wat helpt het of je die van den eenen stapel op den anderen veegt, hè? Je doet monnikenwerk, wat ik je zeg!

—Gut!

—Ja, monnikenwerk! Je moet niet alles zoo letterlyk opnemen wat die Wullekes je zegt. Hy schiet met ... varkensvleesch, weetje?

—Hè!

—Dàt doet-i! Ik dacht het wel dat je zou luisteren naar dien windmaker, en toen ik iemand naar-boven hoorde gaan met de sleutels—want ik zat in de keuken, omdat ik styf van rimmetiek ben—toen begreep ik dat jy ’t was. Want er kon niemand anders op ’t kantoor wezen. Die Wullekes heeft je zeker niet gezegd dat we-n-in den komkommertyd zyn, en dat je zoo’n haast niet hoefde te maken met terugkomen? Hyzelf komt eerst zoo tegen zessen even kyken, en nu hy weet dat er iemand is om de boodschappen aantenemen, zal-i nog later komen, of misschien in ’t geheel niet. En de jongeheeren zyn uit ... om ’t mooie weer, weetje? Je moet de zaak niet zoo zwaar opnemen, jongetje! Dan ga je-n-er onder door! Je neemt me-n-ommers niet kwalyk?

—Gut neen! Maar ik wou zoo gaarne ... m’n plicht doen, m’n naastbyliggende plicht, weetje?

—Dáár heb ik nu zoo, wil ik maar ’ns zeggen, geen verstand van. Ik zeg maar dat het schande-n-is dat ze-n-’n jong borssie als jy zoo’n heelen dag op dat muffe kantoor laten zitten. Ik zeg ... ’t is wind en ’n engelsche notting!

—Hè, Gerrit, ik ben den halven ochtend op-straat geweest!

—Ja, ik hoor dat je veel boodschappen hebt gedaan voor den jongeheer Pompile. Nou, dat pleizier kan je dikwyls hebben! Hebben ze je-n-al gezegd dat je naar de post moet, alle morgens, om den briefbesteller optewachten? Dat ’s ’n baantje voor jou, je zult het zien! ’t Zal je stuivers kosten voor ’n borrel! Want als je dàt niet doet, kryg je de brieven niet. Ze zyn te gierig om droddebot te betalen ... vyf-en-twintig gulden in ’n heel jaar. Daarvoor kan jy dan staan blauwbekken in de kou ... als ’t winter is, meen ik. Zeg eens, heeft Dieper je-n-al gesproken over inkasseeren? Want ... als ik styf van rimmetiek ben, komt dat voor je rekening. En ... als je niet handig bent met geld, kan dat baantje je veel kosten. Je begrypt wel ... wat er te-kort komt, leg je-n-er by. Ja, ja, je moet niet denken dat je hier voor je pleizier bent! Ik heb hier al prinsjesdagen beleefd in alle saizoenen van ’t heele goddelyke jaar, en daarom ... nu ben ik styf van ’t rimmetiek. ’t Kan je-n ook gebeuren. Zoodat ik maar zeggen wil dat je-n-in de komkommerdagen niet zoo yverig hoeft te wezen. Je bent immers ook maar ’n loontrekkend dienaar, net als ik, niet waar, en zult dus ook niet graag meer doen dan noodig is? Geen mensen die er je voor dankt, jongen, en wie z’n eigen doodwerkt, wordt onder de galg begraven. Komaan, laat dat vegen nu maar blyven. O, als je alles doen zou wat die Wullekes je zegt ... nou!

Als ys viel deze zonderlinge Gerritsche filosofie onzen Wouter op ’t gemoed. Beschaamd sloot-i den zolder, en begaf zich naar beneden met Gerrit, die hem verzocht niet te verklappen dat-i op den bovensten zolder geweest was. Want, zeid-i:

—Dan sturen ze m’n op boodschappen uit. En daar ik styf van rimmetiek ben ... kyk, m’n duim is er krom van, en dus ... loopen kan ik niet, dat zieje wel!

Op ’t kantoor gekomen, sloeg de knecht ’n klein register op, waarin de vervaldagen van wissels en acceptatien genoteerd stonden.

—Zieje, juist wat ik dacht! Morgen is er ’n smerig papiertjen in den Jodenhoek. Nu, dáár zal je pleizier van hebben! Die smous zal wel gauw merken dat je-n-’n onnoozel bloedje bent, want ... je ziet er naar uit. Als je-n-er beneden den daalder afkomt, mag je van geluk spreken. Daar komt waarachtig Wullekes al ... zeker heeft z’n vrouw hem de deur uitgejaagd, maar zy is even mal als hy, met ’r prinsessen. Ze heeft ’reis in den Haag ’n prinses gezien, en daarvan praat ze-n-altyd. Allemaal wind en ’n engelsche notting. Die Wullekes ... hoor eens, als-i naar me vraagt ... zeg maar dat je niks van me weet, en dat ik styf ben van rimmetiek, weetje, want ... ik ga na de keuken om m’n kommetje thee te drinken, ’t Zal wel koud wezen, maar ... ik moest toch ’reis even zien wie daar na ’t zolder liep. Jawel, hy is het ... dat kan ik altyd precies hooren aan ’t openhalen van de achterdeur. Hy heeft ruimte noodig voor ’n heel peloton ... ik ben serjant geweest, weetje, by de Burgerwacht in anno zooveel!

En Gerrit vertrok. Z’n zonderlinge toespraken hadden dit goede, dat Wouter—zooals de lezer misschien—er niet veel van begreep, en dus iets te denken kreeg. De vreemde opvatting van plicht, die den ouden knecht ... iets minder van andere knechts onderscheidde dan wenschelyk was, verraste hem. Droddebot? Wat’s dàt voor ’n ding? En: ’n “smerig papiertje” dat hem ’n daalder zou kunnen kosten ... wat kon dit zyn? Vanwaar zou die daalder komen? Waren dàt de emolumenten van z’n nieuwe betrekking? Heel gaarne had-i m’nheer Wilkens om inlichting gevraagd, doch sedert z’n struikelen over Mozes by ’t Doornbosch durfde Wouter dat grimmig orakel niet naderen. Bovendien, hy werd weer aan ’t plakken van gekleurde lappen op karton gezet, en dezen arbeid legde hem Wilkens met zooveel vertoon van stichtelyken ernst op, dat hy ’t niet waagde iets anders aanteroeren. Hy plakte z’n lappen, en zweeg en mymerde, en betreurde z’n boeken op den Zeedyk. Nog ’n beetje maar, en Motto zou hem de gedaante vertoonen van ’n beminnelyken beschermengel die wegzinkt in de nevelen van ’t verleden, en waarnaar de verlatenen reikhalzend maar vruchteloos de armen uitstrekt.

Armoediger kon ’t met z’n zieltje niet geschapen staan, meent men?

Wie weet! Lieve-god, het wordt nog erger.

Kwajongens. Vloermat-meditatien. Een onhebbelyke barbier en ’n benyd vogeltje. Treffende opmerkingen over vergankelykheid. Champollion. Handel! Onverwachte verandering van ’n geminacht briefje in wichtige dukatons.

Of ’t veroorzaakt werd door de byzondere styfte van z’n rhumatiek, zou ik niet durven zeggen, maar zeker is het dat Gerrit ’n eigenaardige manier had om uitheemsche woorden onkenbaar te maken. Droddebot, byv. beteekende: droit de boîte, hetgeen zooveel zeggen wilde als het recht om de brieven te doen afhalen van ’t postkantoor. De briefbestellery liet in Wouter’s tyd veel te wenschen over, en veel kooplieden kozen dit middel om zich onafhankelyk te maken van den duur en ’t gewicht der konfidentien die de zeer ongevleugelde boden des handels gewoonlyk met hun straatvrinden hadden te wisselen. In dit alles zal nu wel verandering hebben plaats gevonden, vooral omdat de post meermalen daags aankomt. In Wouter’s tyd, en lang daarna nog, werd de zoogenaamde “fransche, duitsche en engelsche post” slechts twee keeren ’s weeks uitgereikt. Binnenlandsche brieven niet meer dan eenmaal daags, en wel des-morgens. Het afhalen der brieven voor de kantoren die droit de boîte hadden, behoorde natuurlyk tot de funktien van de “jongste-bedienden” ’n soort van loopjongetjes die in twee opzichten zeer typelyk verschilden van leerlingen op ’n ambacht: ze leerden niets, en waren onbezoldigd. Sommige handelshuizen wisten ’t misbruiken van zulke knapen te verheffen tot systeem, door zóóveel allerjongste bedienden te houden dat ze daarmee het bezoldigen van ’n volwassen persoon konden uitwinnen. Zoodra zulke jongeluî begonnen aanspraken te gronden op ’t verouderen van hun doopceel, gaf men hun den raad die ontkiemende eerzucht te doen wortelen in anderen bodem.

Wat nu overigens dat fameuze droit de boîte aangaat, er waren ook handelshuizen die wel gaarne hun korrespondentie iets vroeger ontvingen dan de slakkengang der bestellers toeliet, maar toch niet genegen waren de daarvoor vastgestelde belasting te betalen. Ze vonden een probaten maatregel uit, hoofdzakelyk gegrond op de overweging dat de tyd van ’n onbezoldigden jongste-bediende geen geld reprezenteert. Zoo’n kereltje moest in de nabyheid van ’t postkantoor den besteller afwachten, en hem overhalen om de voor “m’nheer” of “de heeren” aangekomen brieven op-straat aan hem aftegeven. Dewyl nu noch het uur van aankomst der post, noch de tot het sorteeren noodige tyd stipt kon bepaald worden, moest hy om zeker te zyn dat de besteller hem niet ontsnapte, altyd véél te vroeg daar wezen. Het natuurlyk gevolg hiervan was dat zich elken ochtend ’n klubjen onrype jongeheertjes naby ’t postkantoor samenkluwde. By slecht weer was ’t vereenigingspunt in de cour der inrichting. En hier werd veel kwaads uitgebroed, want in geen stadium, klasse of ontwikkelingsperiode vertoont zich de Mensch leelyker dan in die van halfwassen jongeling, ’n leeftyd die door de eene helft van ons geslacht moest kunnen overgewipt worden. Al wat de Maatschappy oplevert, staat in rang boven hen: kinderen, meisjes, vrouwen, mannen, grysaards, jonkers, prinsen, soldaten, sjouwerluî, ambachtslieden ... alles, tot publieke vrouwspersonen toe. Zyzelf zyn de eenigen die dit niet weten, en staan verbaasd als ’n wezenlyk mensch blyk geeft van den misselyken indruk dien ze op hem maken.

Maar wèl had het moeten bekend zyn aan de heeren Kopperlith, vader en zoons. En misschien wisten zy ’t. Maar dit belette niet dat Wouter, toen-i den eersten avend van den belangryken handelsdag dien ik trachtte te beschryven, verlof ontving om naar-huis te gaan, van m’nheer Wilkens het bevel meekreeg, den volgenden morgen voor-i op ’t kantoor kwam, zich aantemelden by m’nheer Pompile “die hem zou onderrichten in z’n verplichtingen omtrent de post.”

—Zieje wel, Stoffel, riep z’n moeder, ze hebben allerlei voor hem te doen! Net zooals de dokter zei: ’n jong-mensch moet veel werken. Precies wat ik altyd zeg. Veel werken is de boodschap. Zorg nu vooral, Wouter, dat je-n-op je tyd daar bent, en laat vooral die m’nheer ... hoe heet-i ook?

—M’nheer Pompile, moeder.

—Nu ja, de naam doet er niet toe. Ik meen maar dat je zorgt op je tyd te wezen. Wat zou je-n-er van zeggen als je dat nu eens opschreef?

—Ik zal ’t wel onthouden, moeder.

—Schryf ’t liever op. Waartoe dient anders je boek? Ik heb ’t je dáárvoor gegeven, jongen!

Met of zonder opschryven dan, reeds om zeven uur schelde Wouter aan ’t huis met spiegelglas. De meid zei dat m’nheer nog niet op was, en vergunde hem plaats te nemen op de vloermat ... daar stond-i! Wie myner lezers weet hoe lang ’n minuut is? Nu, dàt wist de friesche klok die daar in de gang Wouter stond gezelschap te houden met z’n tik ... tik, en om de zooveel tikjes ’n zwaarder tik! Dan versprong de groote wyzer als met ’n zenuwachtig schrikje, en met saaie volharding zette de sekondeslinger z’n eentonige reis voort: aktie, reaktie, tik, tik ... die klok verveelde zich niet! En ’t ding stond op vier zwarthouten ballen, en hoefde niet te verwisselen van zwaartepunt of heup. Wouter wel. Dan rustte hy links, en dan weer rechts, dat is: hy rustte niet. Men begrypt dat z’n naast-byliggende plicht niet toeliet tegen den wand te leunen in ’t huis van z’n patroon. Z’n enkels, knieën, heupen en ruggegraat ...

Tik, tik, zei de klok. Ja juist, zoo-iets voelde hy in al z’n leden. Geen Demosthenes kon ’t juister uitdrukken.

Er werd gescheld. Met z’n gewone zucht om te helpen opende Wouter de deur. De meid die niet zeer spoedig en zonder haast kwam aansloffen, bedankte hem in ’t minst niet. Wouter mocht getuige zyn van haar verzekering dat ze geen schuurzand noodig had—want het was ’n trafikant in dit handelsartikel, die zich aanmeldde—en dit verschafte hem wat afleiding. Hy hoopte dat men nògeens schellen zou.

Waarlyk, dit geschiedde, en zelfs nog geen vol kwartier daarna. Een melkboer! Deze verhaalde iets aan de meid over ’t weer, en Sientje was van zyn gevoelen, maar zei er by dat mevrouw niet tevreden was over z’n melk, waarop de man iets antwoordde. ’t Onderhoud was ... zeer onderhoudend, maar voor Wouter wat kort. Tik, tik, zei de klok weer.

Nog andere menschenvrienden kwamen by lange tusschenpoozen de welsprekendheid van die klok afbreken, en Wouter had ze wel willen kussen. Heel eindelyk schelde de barbier. Ook deze werd uitgenoodigd te wachten tot “m’nheer òp zou zyn.”

—Dat doe-n-ik niet, zei de man. Ik kan al m’n andere klanten niet laten wachten op één van ’n stooter in de week!

En hy ging. Wat ’n brutale barbier! Zeker, ’t was afkeurenswaardig, ’t Was ruw, ongemanierd ... o ja! Maar toch betrapte zich Wouter op de verzuchting:

—Och, misschien zou ’t beter voor me zyn, barbier te worden dan in den handel te blyven.

De ondankbare! Juist immers toen hy zich aan dezen wreveligen indruk overgaf, vernam-i schreden van iemand die in ’t achtereind van de gang de trap scheen aftekomen. De Heer was naby, of ... de jongeheer Pompile toch. Hy vertoonde zich in z’n kamerjapon, en werd Wouter gewaar.

—Ah ... zoo? Ja, juist! Je bent daar? Heel goed! Wilkens heeft je zeker gezegd ... heel goed, heel goed! Weet je wat je doet? Je moet zoo goed wezen ... even te wachten.

M’nheer Pompile verdween in de suite, en de klok was weer aan ’t woord.

Had Wouter maar niet zoo’n pyn in z’n lenden gehad, hy zou wel in-staat geweest zyn, gedachten te borduren op ’t kanevas van dat eentonig geluid. Maar stoffelyke aandoening belemmerde hem in ’t aan-eenknoopen van z’n indrukken. Hy voelde zich suf en machteloos, ’t Was om neertevallen.

Na slechts drie-kwartier kwam m’nheer Pompile weer tevoorschyn uit de suite, waar-i ontbeten had. In ’t voorbygaan droeg hy Wouter op, de goedheid te hebben even te wachten omdat-i zich nu ging kleeden ... tik, tik!

Alweer ’n afleiding. De meid scheen in de suite geroepen, want ze kwam haastig aanloopen, en opende de deur van dat vertrek. Wouter mocht vernemen hoe mevrouw haar meedeelde dat er vandaag ’n kanarievogeltje zou gebracht worden, en:

—Als ’t komt, Sientje, breng ’t vooral terstond binnen!

Dit beloofde de meid. Wat moest nu Wouter bepeinzen? De onafhankelijkheid van dien barbier had hem verlokt tot ’n rudiment van weerspannigheid. Vorderde nu de konsekwentie dat-i verviel in dolle yverzucht op dat bevoorrecht vogeltje? Misschien wel. Zuinigheid op z’n aandoeningen zou misplaatst geweest zyn, al ware het hierom alleen wyl ze van alles wat-i hier te zien en te aanschouwen kreeg, het duurzaamst blyken zouden. M’nheer Pompile is ter-zyner-tyd zoo goed moeten wezen te sterven. Ook zoo’n kanarievogel leeft maar kort, en laat geen andere leegte na dan twee duim kubiek in z’n kooitje. Het beestje had lang uitgetjilpt voor Wouter de lessen van onafhankelykheid leerde ontberen, die hy nu nog—ter-loops, maar gretig toch—opving van ’n barbier. En ook deze chirurg is ter-ziele. Hopen wy dat de Hemel hem niet gesloten bleef, omdat hy oorzaak was dat m’nheer Pompile’s baard gevaar liep ’n dag langer te zyn dan anders te verwachten is van zestien welgetelde duiten scheerloon in de week. Zooveel namelyk bedroeg de “stooter” waarvan we zoo-even iets vernamen als bydrage tot de Lukullische weelderigheid van den jongeheer Pompile.

Al die dingen zyn dus weggewischt, uitgewreven, vergaan. En nog steeds leven er gedachten van Wouter ... aere perenniores! ’t is mogelyk dat die klok nog altyd hier-of-daar z’n tikkende loopbaan voortzet, en dat er nog altyd ’n huis staat met vensters van spiegelglas, op de Leliegracht—deftige zy, héél deftige zy—maar wat beteekent dit in vergelyking met ’n hoofdstuk uit de zielegeschiedenis van ’n mensch? Huizen en klokken zullen voorbygaan, maar niet voorbygaan zullen de uitvloeisels der gemoedsbitterheid van iemand die daar de gelukzaligheid staat te benyden van ’n opgesloten vogeltje dat terstond mocht binnenkomen als ’t zich aanmeldde. Toch gis ik dat Wouter niets of niemand benydde. Hy was er te moê toe, en werd te zeer bezig-gehouden door ’t spit in den rug.

Daar werd zoowaar de jongeheer Pompile weer zichtbaar, nog altyd ongekleed.

—Zoo, sta je daar nog? Ja ... zoo ... hoor eens! Weet je wat je doet? Je moet eens zoo goed wezen, gauw ’n barbier voor me te halen.

Die lieve goeie Pompile! Hy vergunde Wouter zich eens te bewegen. Deze vervulde z’n naastbyliggend plichtje met yver en dankbaarheid. Toen-i het verlangde gevonden en binnengeleid had, nam-i z’n vorig domicilie op de vloermat weer in, en verstond heel duidelyk wat de klok zei:

—Zoo, ben je daar wéér? Ik ben er nòg ... tik ... tik!

De installatie by ’t postkantoor geschiedde wel niet met plechtigheid, maar toch met al de bereddering die de jongeheer Pompile gewoon was toetepassen op de nietigheden waarmed-i zich gewoonlyk bezighield.

—Kyk, je moet nu eens zoo goed wezen hier te komen staan, alle morgens! En dan houd je ’t postkantoor in ’t oog. En als ze dan uitkomen—de bestellers, weetje?—dan let je goed op. En je loopt ze na. En je vraagt de brieven voor de heeren Ouwetyd & Kopperlith. Maar je moet dat niet vragen hier vlak voor ’t kantoor, want als de direkteur het ziet, dan worden ze gestraft ... omdat het verboden is, weetje? Je loopt ze na, daar in die steeg, en als ze je-n-’n fooi vragen, of ’n borrel—want dit doen ze ... gemeen volk!—dan zeg je maar dat je ... neen, dan zeg je niets. Of je zegt maar ... dat je de brieven vraagt voor de heeren Ouwetyd & Kopperlith. Zóó moet je zeggen! En ’n fooi? “Met nieuwejaar” kan je wel zeggen, maar zeg niet dat ik ’t gezegd heb, want dan verwachten ze te veel. Onbescheiden volk, weetje? Kyk, daar komen ze! Nu zal ik je wyzen wie onze buurt heeft. Daar, dáár, die magere met z’n dikken neus en slobkousen ... dàt is-i! Zeg hem dat-i nog pas gister ’n stuiver van me gehad heeft, en dat-i je de brieven geeft voor de heeren Ouwetyd & Kopperlith, zóó moet je zeggen!

Wouter liep den aangewezene na, en haalde hem weldra in. De man, die hem niet kende, wees hem stug af. Maar de deftige m’nheer Pompile stond op ’n afstand te wenken en te telegrafeeren, met dit gevolg dat Wouter zich kon beschouwen als formeel voorgesteld aan den mageren besteller met den dikken neus en de slobkousen. Er was inderdaad iets aangekomen voor ’t huis Kopperlith. Deze of gene winkelier in een der provincien scheen behoefte te hebben aan ’n krieuweltje. Wouter kwam zegevierend met den brief aanloopen op ’t kantoor waar-i ’t eerwaardig sanhedrin van z’n patroons reeds vergaderd vond, Pompile meegerekend die, na ’t overseinen van Wouter’s geloofsbrieven, zich gehaast had de gemeene steeg te verlaten, welker duisterheid gewoonlyk het geknoei met die brieven medeplichtig beschaduwde.

Onze jongste-bediende werd nu met de noodige aanbevelingen tot “net werken” aan ’t kopieeren gezet van ’n paar brieven. De jongeheer Pompile Kopperlith maakte gebruik van den komkommertyd, om eenige debiteuren die wat achterlyk waren, aan betaling te herinneren. ’t Een-of-ander genie uit den voortyd had deze bezigheid vereenvoudigd door ’t vaststellen van drie formulieren die elkander opvolgden in graden van nadrukkelykheid. Formulier één: beleefd. De aanzuivering was waarschynlyk den zeer geachten handelsvriend door ’t hoofd gegaan, en de heeren O. & K. konden niet nalaten deze gelegenheid aantegrypen om “uwe zoo byzonder vereerde firma” hiernevens ’n paar stalen aantebieden van onbegrypelyk-pryswaardige diemet. Formulier twéé: de—nog altyd eenigszins geachte—vriend verloor uit het oog dat de pryzen à comptant waren berekend, en ofschoon men zoo byzonder gaarne zaken met hem deed, was men wel genoodzaakt ditmaal ... enz. Géén stalen. Derde formulier: binnen acht dagen solide remise, of anders ... enz.

Wouter bewonderde de bekwaamheid van z’n chef, die zoo precies wist hoe men al die menschen moest toespreken. Toch was ’t kopieeren van die korte briefjes weldra afgeloopen, en hy werd weer aan ’t plakken van z’n stalen gezet.

—En ... zouden wy hem nu maar niet met-een de letters van ’t woord laten leeren? vroeg Pompile aan Wilkens.

Er scheen iets vreeselyks in dit voorstel te liggen, want Wilkens keek ontsteld op.

—M’nheer!

—Ja, denk je niet? Me dunkt dat ...

—Maar ... m’nheer!

Al had Pompile voorgesteld het jonge-mensch te villen of te skalpeeren, de schrik van Wilkens kon niet grooter geweest zyn.

—Maar, m’nheer! Dit zou, onder uw welnemen, verbazend onvoorzichtig zyn!

—Hé, dacht je dàt?

—M’nheer, ik kan u plechtig verzekeren dat ik reeds drie jaar by de zaken was, voor men my de letters van ’t woord wees! Men moet jonge-menschen niet over ’t paard ligten, m’nheer! De verwaandheid komt er gauw genoeg in, m’nheer!

—Nu, zooals je wilt, Wilkens. Ik had er zoo diep niet over nagedacht, weetje?

Dit was de zuivere waarheid, en wel de waarheid eens-voor-al, want de jongeheer Pompile dacht nooit diep na. Maar in het tegenwoordig geval zou z’n ligtzinnigheid—als-i niet bekleed ware geweest met den rang van patroon—onvergeeflyk zyn voorgekomen aan m’nheer Wilkens. De lezer zal dit beseffen zoodra hy weet dat de zeer belangryke zaak neerkwam op de vraag of men Wouter reeds nu zou inwyden in de geheimzinnige teekens waarmee de heeren Ouwetyd & Kopperlith de inkoopspryzen hunner goederen op de etiketten wisten uittedrukken. Er behoorde veel toe om deze teekens grif te verstaan. Meer nog om ’t vertrouwen waard te zyn, dat men dit geheim ongeschonden bewaren zou, en volgens m’nheer Wilkens was Wouter nog lang zoo ver niet. Glansryk was de triumf van den oud-gediende tegen den onvoorzichtigen jongeheer Pompile die, zonder zyn raad, dat jonge-mensch zoo maar op-eens ’t licht zou vertoond hebben dat den tabernakel van ’t kantoor omluisterde. Maar de zegepraal van den kleingeestigen grysaard was niet volkomen, voor Wouter-zelf ’t bewustzyn van z’n voorloopige uitsluiting terdeeg geslikt had. Want deze begreep niet wèlk woord en wèlke letters te heilig werden beschouwd voor z’n nuchter verstand, onbeproefde eer en geringe verdienste. Wilkens merkte de door hem opgeplakte stalen met nummers, en zette daaronder de diepzinnige hierogliefen, waarover hy ’n vraag wist uittelokken om aanleiding te hebben tot het verpletterend antwoord:

—Dàt past je nog niet! Dat past je volstrekt niet! Vraag dáár eens na, als je-n-’n half-dozyn jaren behoorlyk gewerkt hebt, of ... langer!

Het vooruitzicht was prachtig. Het spreekt vanzelf dat Wouter hevige begeerte voelde naar de vrucht van een zoo aptytelyk verboden boom. Reeds den volgenden dag ontcyferde hy met geringe inspanning, door ’n beetje vergelyking, de beteekenis van die geheimzinnige letters. Daar hy—uit voorzichtigheid of konscientie—’t aldus weldra gevonden heiligwoord niet in z’n zakboek heeft opgeschreven, kan ik het den lezer niet meedeelen. Met Pompile’s baard en vensterglas, met de krieuweltjes en de wittegrondjes-driekleur, is deze mysterie onopstandelyk ten-grave gedaald, ’n gaping in myn verhaal waarvoor ik verschooning vraag.

By ’t schetsen van al deze nietigheden, waarby ik de waarheid zoo trouw mogelyk tracht naby te blyven, kan ik my niet onthouden van de vrees dat sommigen my verdenken van overdryving. Deze beschuldiging tegen ’n schryver is gewoonlyk een kenmerk van oppervlakkigheid, en byna altyd ongegrond. Hoogstens zou men recht hebben de wyze van behandeling aftekeuren, de manier van voorstellen, en de door hem uit de feiten afgeleide gevolgtrekkingen. Overdryving in ’t schetsen van die feiten-zelf is nagenoeg onmogelyk, want de graad waartoe menschelyke dwaasheid kan afdalen, is voor den boosaardigsten artist onbereikbaar. Waar deze dwaalt, ligt de fout aan z’n onbekwaamheid in ’t nateekenen, in ’t verkeerde van de voorstelling, niet in overdryving. Dat er onder ’t half-dozyn personen waarmee Wouter hier in aanraking kwam, geen enkele was die zich verheffen kon boven ’t àllerlaagste peil van verstand en hart, mag slechts vreemd voorkomen aan wie de Maatschappy niet tot ’n onderwerp van studie gemaakt heeft. Myn schets is wáár. En zelfs behoef ik me niet te beroepen op de bekende spreuk: que le vrai peut quelquefois n’être pas vraisemblable, om te betoogen dat deze waarheid ditmaal geenszins in-stryd is met waarschynlykheid. Wie dit begrypen wil, hebbe slechts nategaan wat er door wezens als de hier bedoelde, levenslang is uitgericht? Wat hun wenschen waren, hun neigingen, bezigheden, geestelyke behoeften? Hoe hun opleiding geweest was ... dit doet er minder toe, maar: met welke opleiding zy volkomen tevreden waren? Nooit kwam het in hen op dat ze, wèl beschouwd, behoorden tot de laagste soort van schepsels die met zoölogische welwillendheid gerekend worden boven de dieren des velds te staan. En ... by dit alles, die koddige trots!

Ik weet zeer goed dat geestelyke en zedelyke waarde niet volstrekt samengaat met de meer of mindere belangrykheid van het beroep, noch daarvan afhangt. Het is begrypelyk dat menigeen om-den-wille van z’n onderhoud zich moet tevreden stellen met ’n kostwinning, die òf geen punten van aanraking oplevert met z’n gemoed, of zelfs lynrecht tegen de opwellingen zyner ziel indruist. Ik laat nu daar, in-hoe-verre deze disparatie mogelyk en te verontschuldigen is, en stel dus niet de vraag of, byv. ’n gevoelig mensch ’n degelyk vleeschhouwer of scherprechter wezen kan—misschien wel!—doch wáár blyft het dat iemand die ongenoodzaakt z’n levensonderhoud zoekt in grove of nietige bedryven, blyk geeft van ’n laag standpunt.

Wat dan te zeggen van ’t ras der koprolithen, dat geheel vrywillig verstand, hart en karakter laat braak-liggen? Al zy het nu dat de jongeheer Pompile niet zeer zuiver de waarheid sprak, wanneer-i ’n onnoozelen “buitenman” die ’n krieuweltje kwam koopen, verzekerde: “dat papa zoo byzonder ryk was, en dat ze ’t om den broode niet hoefden te doen” toch hadden de jonge-lieden ’n anderen werkkring kunnen kiezen. Maar ... dan hadden zy iets moeten leeren, zich inspannen, en dit gedoogde noch hun fatsoen, noch hun traagheid. Arbeid en kennis was goed voor anderen wier papa niet “zoo byzonder ryk” was. Die heele rykdom van den oudeheer kwam neer op eenige tonnen, ’n som die bestemd was in zessen te worden verdeeld. Ze hadden dus wel degelyk behoefte aan ’n werkkring, en twee van de zoons kozen, wat als voorvaderlyk erfdeel voor-de-hand lag: de lappennegotie. Hiertoe was slechts ’n klein gedeelte noodig van ’t beschikbaar kapitaal dat hoofdzakelyk in effekten belegd bleef. Hadden zy kunnen besluiten den inventaris te ontlasten van de goederen die jaar-in jaar-uit op die zolders lagen, dan zouden ze met nog geringer kapitaal de zaak hebben kunnen dryven. Tot dit “opruimen” echter—waarop Dieper soms bescheiden en rente-berekenend aandrong—waren ze niet te bewegen. Meenden zy misschien dat die oude verkleurde lappen ooit weder den prys zouden waard zyn, die daarvoor betaald werd vóór den bloei der Amerikaansche katoenmarkt en der Engelsche weveryen? Ze meenden noch dit, noch iets anders. Ze meenden niets.

De dagelyksche handel was allereenvoudigst tot het idiote toe. Tweemalen ’s jaars bestelde men “op staal” eenige duizende stukken gedrukte katoenen. De by ’t kiezen te-pas gebrachte wysheid overstelpte onzen Wouter, die alweer angstig werd dat hy nooit, nooit, nooit zoo ver komen zou om te weten of de burgervrouwen die zich kleedden in gedrukt katoen, dit jaar de voorkeur geven zouden aan ’n slangetjen of aan moesjes? Wilkens zat by zulke gelegenheden als op ’n troon. De verhandelingen die hy hield over ’t gewicht en de strekking van ’n klein verschil in kleur of figuur, waren verpletterend. Ik heb reeds gewezen op de rechters die in ’t laatste ressort over de vonnissen van onzen lappen-wysgeer te beslissen hadden. Toch zou hy ’t zeer vreemd hebben gevonden indien men boerinnen of dienstmeiden zitting en stem had verleend in ’t koncilie dat hy prezideerde. En ... de hoogheid tegen zoo’n handelsreiziger! Het is opmerkelyk dat de engelsche fabrikanten voor deze betrekking gewoonlyk Duitschers in dienst nemen. Christelyker werkkring bestaat er niet. Voor dezulken is ’t Evangelie van den linkerwang geschreven! Zoo’n ongelukkig wezen werd drie, vier keeren weggezonden, voor ’t m’nheer Wilkens en den jongeheer Pompile gelegen kwam te zien welke nieuwe figuurtjes de teekenaars der fabrieken hadden uitgedacht. Heel eindelyk begunstigde men hem met de mededeeling dat er waarschynlyk niets zou noodig zyn. Dat men reeds groote bestellingen gedaan had aan andere “huizen.” Dat de markt slap was, buitengewoon slap. Enz. Ten-laatste werd hy genadiglyk toegelaten, en de zitting nam ’n aanvang. Eugène, wiens woorden duur waren, stelde zich ’t minst bespottelyk aan. De beide anderen wedyverden in zotteklap, en de commis-voyageur beantwoordde elke op- of aanmerking met ’n aller-beleefdsten glimlach. Hy haalde op zyn beurt z’n schade aan verongelukte menschenwaarde, in diligences en trekschuiten of aan de table-d’hôte met woeker in. Daar publiceerde hy de twee dozyn anekdoten die elk handelsreiziger behoort in voorraad te hebben, en ging by z’n kameraden onder verband van wederkeerigheid, voor ’n wezenlyken heer door.

By ontvangst van de bestelde goederen steeg de belangrykheid der werkzaamheden op ’t kantoor en in het magazyn tot het verhevene. De bedongen prys werd verhoogd met de onkosten van pakking, transport en assurantie, en daarna volgens de koers van den dag herleid in hollandsch geld. Deze berekening was zeer in ’t byzonder de taak van Pompile, die er zeer handig in was ... geworden, na veel jaren sukkelens, zei de oudheidkundige Gerrit. Goed, nu toch verstond Pompile die kunst! By verkoop legde men ’n procent of vyftien op den inkoopprys, en de cyclus van beroepswysheid was afgeloopen ... op ’t overbluffen, liefkozen, streelen en bedriegen van de koopende winkeliers na. Ook in dit gedeelte van ’t “vak” was Pompile een eerste meester. Zelfs Wilkens moest erkennen, dat ... enz.

Geen van die heeren had ooit iets anders gedaan, geen hunner had gehaakt naar andere inspanning. Ze voelden zich volkomen verzadigd. Zelfs ’t boekhouden van den ouden Dieper ging hun sfeer te-boven. Z’n memoriaal en journaal en grootboek waren gewyde arken waaraan nooit iemand de hand durfde slaan. Wel beschouwd overtrof zelfs de oude Gerrit de heeren patroons in menschenwaarde: hy kòn iets! Een van z’n hoofdbekwaamheden bestond in ’n byna onbedriegbare kennis der geldsoorten, en z’n “worpen” by het tellen waren monumenten van regelmatigheid. Het was jammer de zest’halven by-een te stryken, die door hem waren tentoongespreid in symmetrische regels ... zilveren verzen, waarlyk! En dan ’t nog altyd respectabel overschot van z’n handigheid in ’t pakken ... wel te verstaan, als ’t hem gelegen kwam niet styf van rhumatiek te wezen. Toch moest ieder onbevooroordeelde erkennen—en er bestond reden tot vooroordeel—dat Wouter hem hierin met reuzenschreden voorbystapte, gelyk we ter-zyner-tyd zullen te zien krygen.

Tweemalen ’s jaars ging Wilkens op-reis, en speelde dan by winkeliers de rol waartoe hyzelf gewoon was buitenlandsche reizigers te veroordeelen, die ’t ongeluk hadden van zyn welwillendheid en zaakkennis aftehangen. De goden zyn rechtvaardig! Dan werd-i terdege bestraft in z’n zondige plek, en moest soms twaalf keeren tevergeefs toegang vragen—de door Moore bezongen paradys-peri!—om doortedringen tot het achterkamertjen in ’n lappenwinkel. Een andermaal liet men hem schildwacht houden voor de toonbank, en afwachten wat ’n snibbig winkelmeisje—de “m’nheer Wilkens” loci—over hem zou gelieven te besluiten. Zekere overleveringen luiden dat-i zich by zulke gelegenheden meermalen moest laten welgevallen, met z’n wasdoeken staalpak onder den arm—en den voorgeschreven welwillendheids-glimlach op ’t gelaat—uren lang op de stoep in den regen te wachten: “omdat-i in den winkel de klanten in den weg stond.” Het spreekt vanzelf dat deze handels-liefkozing beantwoord werd met ’n allerbeleefdst:

—Met pleizier, juffrouw!

Van één hoedanigheid die den commis-voyageur kenmerkt, moet ik Wilkens finaal vryspreken. Nooit vertelde hy anekdoten uit ’n almanak. Het schynt dat z’n deftigheid zich hiertegen verzette. Waar hy meende z’n officieel handelsgewaad een oogenblik te mogen afleggen, bepaalde hy zich tot het uitpluizen van ’n zeer interessant bankroet, waaruit hy door een byzondere hem alleen eigene gauwigheid, z’n patroon ’n heel procent meer had weten te bezorgen dan de overige krediteuren ontvingen. Over ’t verguld-koper snuifdoosje dat hem deze heldendaad had opgebracht, stapte hy losweg heen ... uit bescheidenheid, zeid-i, maar als ’t noodig was zou hy ’t nog altyd kunnen laten zien. En wie dan niet uitdrukkelyk naar deze ridderorde vroeg, vond-i onbeleefd. Z’n tweede strydpaard aan ’t dessert, was de roerende levensgeschiedenis van drie stukken-bielefeldsch linnen die door ’n onkundige waren aangezien voor iersch fabrikaat, een vergryp waaruit ongetwyfeld ’n proces zou voortgesproten zyn, indien niet hy, Wilkens—“want, heeren, dàt is nu eigenlyk m’n vak!”—als expert of arbiter de zaak tot ’n vroolyk einde had weten te brengen, door de opmerking ... enz. Dat deze beide geschiedenissen een byzonderen geur van gezelligheid meedeelden aan z’n onderhoud, is niet te ontkennen. Maar hy was er zeer spaarzaam mede, want: “er zyn reizigers en ... reizigers, zeide hy, en heden-ten-dage is niet ieder op de hoogte om ’n goed diskoers te waardeeren.”

—En, jongeheer, zei Dieper, hoe moet ik nu doen met dat briefjen in den Jodenhoek? ’t Is ’n smeerig papiertje, jongeheer!

—Ja, Dieper, dàt is het! Waarom zeg je ’t niet aan papa? Die Gerrit ...

—Zeker, jongeheer! Ik heb den oudeheer reeds dikwyls daarover gesproken. Maar u weet dat-i niet gaarne ...

—Weet je wat je doet, Dieper? Zend hèm!

En met z’n duim over schouder, wees hy onzen Wouter aan.

—Niet waar, jy kunt immers wel geld ontvangen?

Wouter’s gelaat helderde op by de gedachte dat hy iets kunnen zou.

—’t Is zeer gevaarlyk, m’nheer, zei Wilkens.

—Aan den kassier durf ik ’t briefje niet geven, klaagde Dieper. ’t Is te smeerig! M’nheer heeft het me verboden, omdat-i wel-eens een der direkteuren van de Kas ontmoet in Doctrina. En, zegt m’nheer, het stáát niet ... zulke smeerige briefjes. En dit is wel de waarheid, jongeheer!

Nog altyd zullen sommige lezers de ware beteekenis van deze elegante uitdrukking niet begrypen. Een “smeerig papiertjen” is ’n accept van iemand die geen naam op de beurs heeft. Zoo’n man moge solide zyn, eerlyk, trouw aan z’n woord, het helpt niet. De door hem geteekende stukken zyn “smeerige papiertjes” en dezulken waren er dikwyls onder de remises van kleine winkeliers in de provincien. In dit byzonder geval echter scheen meer dan gewone reden tot afkeer te bestaan. De man van wien hier sprake was, woonde in ’n dwarsstraat van ’n dwarsgracht in den Jodenhoek, en Gerrit die meermalen geld by hem had ontvangen, klaagde dat-i “by dien kerel” al z’n muntkennis noodig had om niet te-kort te komen. De acceptant lokte hem steeds in ’n donkere achterkamer waar ’n zeer groote familie huisde, en die slecht verlicht was: ’n hol, zei Gerrit. En ’n behoorlyke tafel om geld te tellen, was er ook niet. Zelfs de vloer kon daartoe niet dienen, want hy was vol reten en gaten, en wanneer men ’t in-weerwil hiervan beproefde, liepen of rolden de talryke kinderen heel onprozodisch door de worpen heen. Kortom, de woning van dien jood was ’n tuin der Hesperiden waar weinig anders te plukken viel dan wat kans om geplukt te worden. En: “hierop legt de kerel het toe!” zei Gerrit.

Dit alles was den jongeheer Pompile bekend, en toch drong hy er op aan dat Wouter belast worden zou met de inkasseering van dat “smeerige” briefje.

—Zie je, Dieper, ’t is nuttig voor hem dat-i alles leert.

—Zeker, jongeheer, maar ...

—En hoe ànders? Gerrit is styf van rhumatiek ... zeg dàt aan papa. En als nu Pieterse dat geld ontvangt ... hm, ik wil maar zeggen dat-i alles leeren moet.

De ware reden die Pompile zoo hardnekkig op z’n voorstel deed aandringen, was eenigszins anders. Hy hoopte dat die jood onzen Wouter ’n paar valsche stukken zou in de hand stoppen, of dat er ’n andere tekortkomst blyken zou. Hieruit wilde hy munt-slaan in z’n eeuwigen stryd met de styve rhumatiek van Gerrit. In de nadeelen die Wouter’s onbedrevenheid konden na zich slepen—en die met wat overleg wel op “huishouden” konden gewenteld worden—zou hy slechts deelen voor ’n half kindsgedeelte. Zóóveel wilde hy nu wel eens ten-offer brengen om verlost te raken van ’n knecht die hem als kleinen jongen gekend had, en ... meer dan aangenaam, ingewyd was in de chronique scandaleuse van z’n jeugd. Héél skandaleus noem ik die kroniek alweer niet. Maar Pompile beeldde zich dit groothartiglyk in, al waren dan z’n afwykingen van ’t pad der deugd gewoonlyk te dekken geweest met ’n paar zest’halven. Alle waar is naar z’n geld, tot de uitspattinkjes van zekere lieden toe.

Hy dreef dus de zaak door. Wouter ontving ’t smeerige papiertje dat er niet onzindelyker uitzag dan andere wissels, en borg het met ingespannen zorg in z’n patriarchaal zakboek. De te ontvangen som bedroeg eenige honderde guldens. Wilkens gaf hem ’n geldzak mee, en veel vermaningen om—in zeer letterlyken zin—goed op z’n tellen te passen.

Binnen ’t uur was Wouter met het vereischt bedrag terug. Op ’n weinig buitengewoon kantige pasmunt na, bestond het in glinsterende dukatons met ongeschonden rand. Gerrit-zelf, dien ze later als ’n byzonderheid door Dieper getoond werden, moest erkennen dat men ze zelden zoo te zien kreeg en dan ... “van zoo’n smeerigen jood!” Het ging z’n begrip te-boven, en daar ik ditzelfde in den lezer veronderstel, wil ik de oorzaken van dezen goeden afloop in ’n volgend hoofdstuk meedeelen. Ik moet erkennen dat ik met genoegen het kantoor van de heeren Ouwetyd & Kopperlith ’n oogenblikje verlaat. Zoodra mogelyk keeren wy ’t met welgemeenden afkeer den rug toe. Maar men bedenke dat schryvers en leerjongetjes hun arbeid en verblyf niet voor ’t kiezen hebben. Myn naastbyliggende plicht was nu eenmaal het beschryven van zeker menschenras waaraan Vuurlanders, Huronen en Irokeezen te danken hebben dat ze niet de àllerlaatste schakel zyn die den Mensch aan de Dieren verbindt.

Onmogelykheid een der verhevenste kenmerken van het ware. Handel, Staathuishoudkunde en Petite Voirie uit den voortyd. Nieuw blyk der verregaande insoliditeit van den auteur die, in-plaats van de beloofde dukatons, den lezer afscheept met ’n bespiegeling over gebrek aan Israëlitische kontroverse.

De lezer wordt dus uitgenoodigd eenige stappen met den auteur terug te gaan, om daarna gezamenlyk Wouter te vergezellen naar den Jodenhoek. Men moet al zeer schraal bedeeld zyn met de specifiek-dichterlyke gaaf van assimilatie, om den familietrek voorby te zien, die dezen tocht doet zweemen naar de uitspatting waaraan zich eenmaal prinses Erika schuldig maakte. Wy weten dat zy daarheen ging om zich te verfrisschen door ’n bad in ’t gemeene ... of wat voor gemeen doorgaat. Ze wilde de walging afspoelen die haar de hoftoon veroorzaakte. Wy immers ook zyn misselyk van de heeren Ouwetyd & Kopperlith, al zy ’t dan dat we ons te reinigen hebben van heel iets ànders dan nasmaak van overdreven hoofsheid. Veel verder alzoo dan zekere gelyksoortigheid van indruk, gaat deze overeenstemming met prinses Erika niet. Wy behoeven waarlyk geen zyden kousen aantetrekken om Wouter te begeleiden, en ook belooft de auteur op eerewoord, dat-i de maagdeperen met rust laten zal. Deze onthouding van prinselyke excentriciteit is te meer gepast, omdat het perensaisoen nog niet was aangebroken. Het briefje dat Wouter te inkasseeren kreeg, verviel op den zooveelsten van Zomermaand, of misschien in Juli, maar zeker lang voor ’t najaar. Het is den lezer bekend dat er nog altyd één fatsoenlyke familie in de stad was, en dat alzoo het ooft van den herfst nog aan de boomen hing, ver buiten de stad. In zekere toekomstige kritiek op m’n werk meen ik te lezen dat dus ook de eskapade van prinses Erika hoogst-apokrief is, een opmerking die my de welkome gelegenheid aanbiedt, nog-eens te wyzen op m’n verregaande waarheidsliefde. Waar geen peren zyn, kan niet met peren geworpen worden. Wie dus, in-weerwil van deze algemeen bekende waarheid, dit werpen met onmogelyk ooft als geschied voorstelt, heeft ’n leugen gezegd. Wie leugens durft opdisschen aan een ontwikkeld publiek, moet wel zeker van z’n zaak zyn, en zóó vast staan in den kothurn zyner overtuiging, dat-i het steunen op kleine waarschynlykheidjes missen kan. Alleen vervalschers zyn nauwkeurig in byzaken, en wie zulke byzaken durft verwaarloozen met eene aan ’t onbeschaamde grenzende slordigheid, is ... ’n evangelist. Ziedaar de gronden waarop de minste twyfel aan de geloofwaardigheid van myn boodschappen—bly zyn ze niet altyd ... nu ja, maar boodschappen zyn het toch!—behoort te worden verklaard voor godslastering. Waartoe zou het Geloof dienen, als ’n profeet, by al z’n andere plichten, zich nog zou moeten onthouden van de ongerymdheid ook? Om ’s hemels-wil, lezer, ik vraag u, hoe konden er maagdeperen in Amsterdam zyn? Met de bekende fynheid van Schriftverklaring die geenszins in-stryd is met het geloovig aannemen der grofste ongerymdheid—wat ik in ’t voorbygaan bewyzen wilde—heeft de schrandere lezer reeds lang kunnen berekenen dat het smeerige briefje, met welks inkasseering Wouter in den komkommertyd belast werd, geen saizoengenoot wezen kon van zulke projektielen. Dit is ieder bekend die verstand van ooft en komkommers heeft, handelaars in witte-grondjes-driekleur, wysgeeren, tuinluî, e. d. De ondeugende prinses Erika had dus heel iets anders nog begaan dan guitenstukjes of ’n buitensporigheid, ze had iets onmogelyks verricht: ’n wonder! En zóóver had Wouter ’t nog altyd niet gebracht. Hy ging integendeel zeer gebukt onder ’t gewone, en had al z’n geestkracht noodig om niet te bezwyken onder z’n overspannen plichtsbesef.

Met ’n gewicht alsof ’t heele bedrag van ’t geaccepteerd wisseltjen in kopergeld aan z’n hakken gehecht was, stapte hy over den weg. Hy drukte de linkerhand styf tegen de borst waarop het aan z’n eer toevertrouwd pand rustte, en hield z’n rechtervuistje gebald om den eersten den besten nedertevellen, die blyk geven zou van het opzet hem te berooven, d. i. de heeren Ouwetyd & Kopperlith. Zeker, ’t had ’n zeer sterke bende moeten wezen die hierin geslaagd was! Glorioso, met al z’n makkers en in z’n besten tyd—vóór die verlammende liefde namelyk voor twee prinsessen, een markgravin en drie hoogst-onschuldige landmeisjes—Glorioso zelf zou zich misrekend hebben wanneer-i, staatmakende op de hartelykheid van de oude relatie in de Hartenstraat ... nu, Glorioso was er niet, en de marteling van ’t konflikt tusschen zieleverwantschap en plicht bleef Wouter ditmaal gespaard. Het eenig gevaar dat hem bejegende, vertoonde zich in de gedaante van ’n kindermeisje dat naar den weg vroeg. Wouter stapte dit vermoedelyk begin van verlokking tot plichtverzuim, met saamgeknepen lippen voorby, en ... met ’n bloedend hart. Want het kostte hem veel, stuursch te zyn jegens iemand die zyn hulp inriep. Mocht dat kindermeisjen ’n bende verkleede roovers geweest zyn, dan zyn die industrieelen finaal ongedekt gebleven voor de onkosten van hun vermomming. Niet zóó gemakkelyk ontfutselde men onzen held ’n papiertje dat hem door z’n lastgevers was toevertrouwd!

Hy mompelde zich al de voorzichtighedens voor, die hy zou hebben in-acht te nemen. Dieper had hem aanbevolen het kostbaar stuk dat door den jongeheer Pompile voor voldaan geteekend was, niet uit z’n handen te geven: “voor-i geld zag.” En ... niet te kwiteeren: “voor-i dat geld hàd!” Want ook hyzelf moest teekenen ... ik weet niet waarom. Het was de gewoonte, en ’n gewoonte die hem verrukkelyk voorkwam: “ont...van...gen ... Wou...ter ... Pie...ter...se.” Zóó zou er staan in z’n allermooiste schrift. En dat zou bewaard blyven. En eenmaal zou de nazaat staren en turen op die letters, en eerbiedig fluisteren: zie, op dit papiertje heeft zyn pols gerust! Dit heeft hy geschreven, hy die ... ja, wàt? Hier struikelde Wouter’s verbeelding, gelyk telkens geschiedde wanneer-i voorschot nam op ’n toekomst die zoo byzonder weinig op het tegenwoordige zou gelyken. En dan trok hy z’n verschrikte voelhorens in, en dwong zich terugtekeeren tot z’n punt van uitgang in de werkelykheid. Hy schoof den nazaat—tot nader order!—op-zy, en beloofde zich niet te teekenen voor-i geld zag en hàd. Zóó had Dieper gezegd! En in z’n gedachten maakte hy kant en klaar de krul gereed, waar-mede-i z’n handteekening bekrachtigen en sieren wilde, ’t Zou ’n slang wezen, zich slingerend om en door de spylen van ’n rooster. De staart moest zoo nydig mogelyk byten in drie stippen, netjes in gelid tusschen ’n paar evenwydige lyntjes, en de kop werd belast met het als by-toeval kronen van de P. In deze wending zou de fynheid liggen, en Wouter maakte zich gereed tot het uitvaardigen van ’n manifest, waarby al de ongekroonde autografen die ooit van hem mochten worden in omloop gebracht, werden verklaard te zyn: bedriegelyk, valsch, en van niet de minste waarde noch in rechten noch in posthume heldenvereering.

Dit alles was alzoo behoorlyk vastgesteld. Maar ... het tellen! Eén, twee, drie, vier ... dit zou wel gaan. ’t Bleef echter de vraag wàt men hem zou te tellen geven? Dubbeltjes? Stuivers? Duiten, misschien? Ook dit schrikte hem niet af. Maar ... de pietjes? De dertiend’halven? De schellingen? De zest’halven? Of—erger nog!—al die muntsoorten door-elkaar? Hm ... moeielyke zaken! Zoodra hy koning werd, zoud-i ... och, dit was alweer de vraag niet. Hy wàs geen koning. Hy was jongste-bediende by de heeren Ouwetyd & Kopperlith, en op dit oogenblik belast met het ontvangen en behoorlyk uitleveren van ’n groote som gelds. Dit was z’n naastbyliggende plicht, en hieraan slechts had hy dus te denken.

Hoe de dwarsstraat te beschryven, waar Wouter ten-laatste aanlandde? Te oordeelen naar de dichtheid van de krioelende menigte, die—altyd toch met het eigenaardig voorkomen van lieden die en voisin uit zyn—zich verdrong op de straat, moesten al die woonhuizen leeg staan, van de kelders af tot de hoogste verdieping toe. Nog altyd heerschte in die buurt—interessant wàs het, hierin had het prinsesje gelyk!—nog altyd zag men daar de orde of wanorde van ’n volksstam, zwervend in de woestyn. Het lynwaad der tenten was hout en steen geworden, en voor ’t zand der heide—want als hei vertoonen zich die zandzeeën—vergenoegden zich de tot staan gebrachte nomaden met modder of stof op straatkeien en klinkers. Wat ze voor de weelderige grassoorten der bewaterde plekken in de plaats kregen, weet ik niet. Doch, ook zonder de minste vergoeding voor de hier-en-daar verspreide schoonheden in hun vroeger verblyf, nog altyd was die straat-zelf, en niet de tent van kalk en steen hun geliefd domicilie. De krotten die ze heetten te bewonen—vuistslagen in ’t gezicht der beschaving... in Wouter’s tyd!—waren hoogstens goed genoeg om er in te slapen, en niet eens onvoorwaardelyk. Zoodra ’t zomerweer de begoocheling toeliet of aanmoedigde dat men zich op-nieuw in de voorvaderlyke erfstreken bevond, nam het zonderling volkje dit op als ’n sein dat de tyd weer was aangebroken van het leven in de openlucht, en van terugkeer tot vóórkanaänsche zeden ... met uitsluiting evenwel van de sedert lang verjaarde strydhaftigheid. Ze brachten het grootst gedeelte van ’t etmaal tusschen de reien der tenten door. Daar zaten ze, daar lagen ze, daar sliepen ze. Daar werd gegeten, gedronken, en gearbeid, d.i. handel gedreven. Daar leefden zy.

Maar dat leven was zonderling, en ontsnapte in z’n hoofdmomenten aan de waarneming hunner medeburgers van anderen oorsprong en behoorlyker geloof. Wie deze buurt betrad, en met voornaam-domme achteloosheid z’n oog liet heenglyden over die vreemde gestalten, zag slechts de zeer bekende buitenzyde. Alles was daar om handel te dryven, of liever om zoo mogelyk iets te verkoopen, want wie eigenlyk op die zonderlinge markt de koopers waren bleef ’n mysterie. Kochten die straatkramers van elkander? Dreven ze ruilhandel in prullen, lompen en verroeste spykers? Zoo ja, wat aten ze? Of liever, welke produktie leverde het excedent van kapitaal, waaruit de levensmiddelen werden bekostigd? En de huishuur? En de kleederen, volstrekt niet schamel toch op feest- en vierdag?

Heel in den aanvang dezer geschiedenis heb ik verklaard dat ze dagteekent van vóór de ontdekking der Staathuishoudkunde. Hieraan zeker is het toeteschryven dat in Wouter’s tyd niemand zich de vraag voorlegde, wie toch de waren konsumeerde die hier in onafzienbare reien van kraampjes werden ten-toongesteld? De woorden “rei” en “kraam” zyn wel wat weidsch. Orde en regel was er niet: alles stond en lag vol. En wat de kraampjes aangaat, de meeste kooplieden hadden deze weelde gesupprimeerd, en spreidden hun goederen op ’n oud stuk zeildoek uit. Anderen versmaadden ook dezen omslag, en gebruikten de bemodderde straatkeien tot toonbank en uitstalkast. En wat men daar al vond! Daar lag yzerwerk... neen, zóó hoog betitelde de oprechte koopman z’n goederen niet—neem er ’n voorbeeld aan, opgeblazen kropolithen van de Keizersgracht!—hy noemde zich: handelaar in oud roest. De man beweerde niet, yzer te verkoopen, hy verkocht roest van yzer. En zelfs geen versche roest. Hy verkocht oud-roest, of oud geroest, of dingen die oud en verroest waren, gewezen voorwerpen vervreten door roest van ouden datum. En op nòg lager sport plaatste zich onze koopman. Hy nam den naam aan van de waren “waarin-i deed” en vond er niets vreemds in, wanneer men hemzelf aansprak als de hoogbejaarde oxyde van ’n voormaligen spyker: hy heette Oud-roest. Kan ’t nederiger?

Een allernietigst geschiedenisje. Na ’t bywonen van ’n middagmaal in de open lucht, wordt de lezer onthaald op ’n moeielyken tocht naar de derde verdieping, waar Wouter nog altyd niet vermoord wordt. Over de teleurstelling van den op romantiek verzotten lezer zal de auteur zich weten te troosten. Quo non ascendam?

Het wordt tyd terug te keeren naar de zeer byzondere klasse van Joden die men te Amsterdam vergund heeft een stad te stichten in ’n stad, en wel bepaaldelyk naar ’t oude vrouwtje met die vygen. Zeker neem ik ’t háár niet kwalyk dat zy zich onthoudt van twistgeschryf tegen professer Oosterzee en andere steunpilaren van ’t ware Geloof. Inplaats daarvan levert zy ons aanleiding tot opmerkingen van geheel anderen aard, wel beneden de aandacht van sommige lezers misschien, doch de myne niet onwaard. Al zy ’t dan dat m’n intelligentie niet ontwikkeld genoeg is om doortedringen tot de achterste schuilhoeken van zekere mysterien—getuige die duit van zoo-even—toch overvalt me soms ’n aanval van fierheid op m’n onwetendheid, tegenover de velen die zich hunner onwetendheid, niet bewust zyn. Op dit oogenblik, byv. zoek ik naar de zielegeschiedenis van die vrouw. Want... ’n ziel heeft ze. En ’n geschiedenis ook. Zy is zuigeling geweest. Zy is kind, jonkvrouw, bruid, echtgenoot, moeder geworden. En nu is ze grootmoeder. Misschien wel meer dan dat. Niemand doorloopt een zoo lange baan zonder ten-minste iets optevangen van de indrukken die hy ondergaat. Zy heeft velen gekend, sommigen gehaat, eenigen liefgehad, meer misschien dan eenigen of velen: één! En er waren er, die háár beminden. Wie, hoe, waarom? Wat gaat ons dit aan? ’t Moet zoo geweest zyn. Zy is moeder geworden, en werd dus eenmaal uitverkoren, al was ’t dan ook maar met de uitverkorenheid van ’n enkel oogenblik. Velen van hare betrekkingen heeft zy overleefd, en dus by ’t doodbed gestaan van bekenden, vrienden, verwanten, lievelingen. Ook met Staatkunde is zy in aanraking gekomen voor-zoo-ver niemand geheel-en-al den invloed kan ontgaan, dien deze uitoefent op iedereen. Toen, toen, en toen, heeft ze haar kraampje moeten ter-zy halen, of wel geheel sluiten en wegsleepen misschien, omdat er ’n Prins zou voorbykomen, omdat er ’n Keizer jarig was, omdat de christenen ’n Bededag wilden houden of ’n Dankstond. Misschien ook wel eens omdat de Burgemeester uit z’n humeur was, want in byzonder vrye landen is niets vryer dan de luimen der kleine heeren. Hing niet ook zeer dikwyls haar handel af van ’t straatrumoer der revolutien? Wy weten immers hoe de steenen die door de groote-mannetjes du jour worden geworpen in den oceaan der Wereldgeschiedenis, kringen vormen, rondom voortkabbelend tot den uitersten rand der Maatschappy, ook in de diepte zich uitbreidend tot de onderste laag, waar ze ten-laatste vygen- en zuurvrouwtjes bereiken? Veel is haar over ’t hoofd gegaan, veel heeft haar geraakt, aangedaan, gewreven, geschokt. En die vrouw zou geen geschiedenis hebben? Gy die dit meent, erkent liever dat ge verleerd hebt zulke geschiedenissen te lezen, en tracht dit te herstellen, en wordt niet al dommer en dommer door u verheven te wanen boven ’t allerkleinste. En vooral... zit niet zoo uilig te wachten op ’t lichtstraaltjen uit de lantaarns van de Prescotten, en de Mac-Auleys en de Mills. De ware studie van den mensch is: de Mensch. Dit blyft eeuwig waar, al verkoopt zoo’n studie-exemplaar zure augurken en bedorven vygen aan ’n speetje.

Ze had traan-oogen, dit is waar, en zag er juist even onaptytelyk uit als haar vygen. Rimpels had haar gelaat niet—wàs ’t ’n gelaat?—het waren voren en groeven. Als vochtige zeemen lappen hingen de plooien over elkander heen, en de toeschouwer had moeite zich voortestellen hoe al die vouwen van de overvloedige huid haren weg vonden, en telkens weer haar eigen plaats wisten intenemen, na zoo zonderling te zyn heen-en-weer geworpen door de mummelende beweging van haar mond. Hierin zal dan ook wel eens verwarring ontstaan zyn, maar wat was er aan te doen? Niemand hield er boek van, en elke plooi hing waar ze verkoos. Is ’t wonder dat die overkompleete lappen wel eens misbruik maakten van ’t volslagen gemis aan tucht en kontrole?

Het vrouwtje was bezig met haar middagmaal. Een kleine jongen van ’n jaar of vier, had haar in een met stopverf geheelde vuurtest, ’n papje van aardappels en uien gebracht, dat ze niet zonder moeite en verlies naar den mond geleidde met ’n yzer drietandje, geleend misschien uit het magazyn van haar buurman. Onder het eten verloor ze geen oogenbiik haar zaak uit het oog, en monsterde met kinderkundigen blik ’t onmondig deel van Publiek, dat haar etablissement naderde of... voorbyging. Want zeer veel kinderen gaven blyk van de wysbegeerte die ons leert dat aardsche goederen, met vygen en al, niet volstrekt onmisbaar zyn voor ons geluk, en dikwyls zelfs schadelyk. Misschien ook was de slapte van de markt het gevolg eener finantieele krisis, gelyk in den handel soms voorkomt. Om zich edel te wreken, misschien ook om den snoeplust van andere kinderen optewekken—wie toch doorgrondt de finesses van den handel?—neen... uit hartelyke genegenheid voor ’t jongetje welks overgrootmoeder ze was, gaf zy ’t kind ’n ristje van haar vygen. Ik moet er by zeggen dat ze aan haar geschenk de onereuze voorwaarde verbond, dat de bevoorrechte de helft daarvan moest uitkeeren aan z’n zusje.

—En mag ik dan ’t stokje houden, vroeg de knaap. Heelemaal? ’t Heele stokje?

—Ja, liewes, jy mag ’t stokje houden, heelemaal!

De oogen van ’t kind glinsterden van geluk. Daar ging één vyg naar-binnen. De tweede volgde. Daarna... zuiver de helft van de derde. Na de amputatie werd de overschietende helft weer netjes aangeregen, en: “ik mag ’t stokje houden!” juichte de kleine. Toen ’t oudje haar test had leeggegeten, gaf ze die aan ’t kind terug, met liefkozingen en ’n kus. De knaap sprong heen, jubelend het geschenk voor kleine Rachel omhoog houdend. Deze stond op eenigen afstand by ’n groepjen andere kinderen te spelen, en liep op de blyde mare haar broertje te-gemoet. Ze struikelde en viel, en bezeerde zich... al of niet, maar schreide zooals vallende kinderen gewoon zyn.

Wouter had dit alles aangezien. Reeds eenige oogenblikken geleden namelyk, was-i in de nabyheid van de oude vrouw blyven staan met het voornemen háár te vragen naar de woning van den man die ’t smeerige briefje geaccepteerd had. Zy geleek zoo byzonder weinig op ’n struikroover, vond-i, en de konfidentie dat hy belast was met ’n gewichtige finantieele operatie zou veilig kunnen worden neergelegd in haar schoot. Toch weifelde hy. Ook in Glorioso kwamen zeer oude vrouwtjes voor, die op ’t beslissend oogenblik in welgewapende mannen veranderden! Terechtwyzing kon hy evenwel niet ontberen. Wel wist hy nu met zekerheid dat-i zich in de straat bevond waar-i “zaken” had, maar... in welk huis? Van de nummers was niets te zien, of slechts nu-en-dan ’n enkel, want van gevel tot kelder hingen de puien vol lappen en lompen. Dáár in die ruïne, juist achter de zitplaats van de vygen- en zuurvrouw, moest naar z’n berekening de gezochte persoon wonen, doch hy vertrouwde die berekening niet. In dat bouwvallig huis kon geen zak guldens aanwezig zyn, meende hy, en zelfs zooveel duiten niet. Hy begon nu iets beter dan vroeger ’t onsmakelyk praedikaat van z’n briefje te begrypen. Want in de gansche straat ontwaarde hy geen verblyf dat er uitzag alsof daarin ooit ’n wissel kon betaald worden. Peinzend bleef hy staan, en liet zich ’n oogenblik afleiden van z’n gedachten door het kleine tooneeltje met dat kind. Bybelvast als-i was, haalde het juichen van den knaap hem Numeri XIII voor den geest, waar de verspieders komen aanloopen met druiven en granaatappels en... vygen. “Ook dáár wordt gesproken van ’n stok, van ’n draagstok,” dacht Wouter, en juist liep hy gevaar zich te verdiepen in... heel iets anders dan z’n naastbyliggenden plicht alweer, toen hy het tweejarig Racheltje struikelen en vallen zag. Fluks by-de-hand, richtte hy ’t kind op, en wischte haar traantjes af, en droeg het naar de oude vrouw, die hem zeer vriendelyk bedankte.

—Chot sel je hondertmaal sechene, jongeheer! zei ze.

Nu weet ik wel dat weinig zaken goedkooper zyn dan de toewensching van Gods zegen. En ook dat die oude vrouw geen reden had, byzonder gewicht te hechten aan Wouter’s nietig dienstbetoon. Dat kind zou wel vanzelf weer opgestaan en tot de overgrootmoeder gekomen zyn. Maar toch deed haar vriendelyke dankzegging hem goed. Noch Motto noch m’nheer Wilkens, de praktische heeren die zoo grondbeginselig alle bemoeienis met de zaken van ’n ander verafschuwden, hadden besef van ’t genot der aandoening die de Duitschers Menschenfreundlichkeit noemen, en waarvoor wy, meen ik, geen woord hebben. ’t Is iets als de vertaling in het dagelyksche, van de hoogdravende Menschenliefde die maar ’n deugd is voor zeldzame feestdagen, tooneelstukken, levensbeschryvingen en grafschriften. Wouter was gaarne vriendelyk, en nooit voelde hy zich zoo ontlast van de pynlyke beschroomdheid die hem gewoonlyk drukte, dan wanneer zich ’n gelegenheid aanbood zich eens recht welwillend te toonen. Ook thans schepte hy uit dit kleine voorval den moed het oude vrouwtje naar de woonplaats te vragen van Roebens, den man dien-i zocht.

—M’n êêche kleinsoon, jongelief! Heb je sake met ’m? Chots seeche d’r op! Hier woont-i, vlak achter me... kyk, dáár de trap op. Cha jy gerust na-bove, en loop m’r deur tot ’t derde pertaal, waar je die dékes ziet hangen, en al dat beddechoed, en z’n sjabasj engels-hemt. En je klopt an de deur naast de cheutsteen, en je roept: Roebe, Roebe! Want Roebe Roebes hiet-i. En-i is kemissjenèèr in lompe, en m’n êêche kleinsoon, en Racheltje’s fader, werachtich as Chot!

Deze plechtige bevestiging van hare berichten omtrent Roeben’s maatschappelyk standpunt en familiebetrekkingen, was minder overbodig dan ze schynt. Wouter had reeds moeite te begrypen hoe iemand die dáár woonde, honderde guldens zou kunnen betalen. Maar dit laatste nu eenmaal aannemend als mogelyk, kwam het hem vreemd voor dat de beschikker over ’n som die hem zoo aanzienlyk toescheen, de kleinzoon wezen zou van ’n arme zuurvrouw, en Racheltje’s vader. Hy kende de eigenaardigheid niet die de Joden—zooals veel Aziaten—nog altyd van Westersche volken onderscheidt, dat ze zeer dikwyls ’n redelyke welvarendheid achter schynbare armoed verbergen. Niet zonder uitzondering, maar—vooral in de lagere standen—heerscht by sommigen iets dat men het omgekeerde van bluf of reklame zou kunnen noemen, en als tegenstelling met de Kopperliths komt ons deze opmerking goed te-pas. Dat de kommissionair in lompen—een der schakels tusschen papierfabrikanten en voddenrapers—z’n grootmoeder daar op de straat liet zitten... lieve God, ze verkoos niet anders! Ze was opgebracht by den handel, by dien handel, en daarby wou ze sterven. Ook was “zuur” en bedorven kruienierswaar haar specialiteit. In elk ander “vak” zou ze met handen en hersens verkeerd hebben gestaan, en zelfs met haar neus. Want ze rook den graad van ontbinding waarin haar goederen behoorden te verkeeren om te passen in ’t kader van haar ondernemingen. De tachtigjarige oorlog dien ze gevoerd had tegen flauwen kooplust, slecht weer, lastige policie—eens namelyk had ’n onwaardige magistraat het veilen van bedorven goedje verboden... ’t is lang geleden!—de leerschool die ze had doorloopen met taai geduld... zie, dat alles kon ze niet van de meet af opnieuw beginnen. Haar kunst was zoo lang geweest als haar leven, en wat er van dat leven nog kon overschieten, zou gewis te kort zyn voor ’t aanleeren van nieuwe kunst. Ik beweer hiermee geenszins dat de door haar gekozen specialiteit in-allen-deele aan de illuziën van hare jeugd had beantwoord. Éénmaal zou haar de verzuchting ontsnapt zyn—’t wordt door wel-onderrichte maar onbescheiden getuigen verzekerd—“als ik nògeens in de wereld kwam, ging ik in ’t knokenvak!” Maar ze troostte zich by ’t bedenken dat ook deze loopbaan wel haar onaangename zy hebben zou, al scheen dat anders aan wie er buiten stond. En in-allen-geval, er was geen spraak van dat ze haar leven zou òverdoen. Ééns gekozen, blyft gekozen. De zaak lag er toe, en Jehovah-zelf kon ’t niet ongedaan maken dat Vrouw Roebens haar gansche ziel aan zure augurken en verrotte vygen besteed had. Wat er in den hemel moet worden aangevangen met zulke zielen... ei, en de jongeheer Pompile dan, met z’n witte-gronden-driekleur, en z’n krieuweltjes? En m’nheer Wilkens met z’n diemetten? Welke ontwikeling brengen dezulken mee in den hemel? En dat zy eenmaal daar aanlanden, is toch zeker. Want Pompile was van de Walekerk, en Wilkens hollandsch-griffermeerd. Twee zeer goede gelooven, gelyk ieder weet.

Wouter bedankte heel beleefd voor de gegeven inlichting, en klauterde naar-boven. Jammer dat er geen roovers waren op die uitgesleten trappen, want het was er zoo donker dat men lust krygen zou zichzelf te bestelen. Het klimmen van onzen jongste-bediende vereischte een zeer eigenaardige gymnastiek. Heel beneden had z’n rechterhand zich weten meester te maken van ’n touw. Na ’t stygen van ’n paar treden, was-i wel genoodzaakt z’n oogen te ontslaan van alle dienst, maar ’t gewicht der expeditie kwam des te zwaarder op z’n handen neer, die slechts van-tyd tot-tyd ’n oogenblik rust kregen als-i wat vasten grond onder de voeten meende te hebben. De tyd tusschen deze tempoos in, werd aangevuld door zekere slingering, ’n exercitie waarvan historie en industrie ons drie toelichtende voorbeelden aanbieden. Wouter hing daar—maar in ’t donker—als de “plukkers” van vogelnestjes op de Javasche Zuidkust, of: als de verzamelaars van eiderdons in ’t hooge Noorden, of: als de krygslieden van Herodes, die in hangende bakken de roovers in de rotsen bevechten, gelyk in ’t XIVe boek van Josephus te lezen staat. Wouter kende de plaat die in de frans-hollandsche vertaling van dat werk ter opheldering daarby gegeven is, en niet zonder angst berekende hy wat z’n lot wezen zou als het touw brak. Daar-i volstrekt niet zien kon, zag hy allerduidelykst de rotspunten en kloven waarop en waarin hy zou neerkomen. Goddank, de eerste verdieping was eindelyk bereikt, en hy kon wat uitrusten. De toegang tot de tweede was nauwer, en het touw waaraan hy zich moest ophyschen, iets gladder en dunner. Met moed ving hy ook dezen tocht aan, en werkte zich dapper tot ’n portaal hooger op. Hier hoopte hy dat-i zich ’n verdieping mocht verteld hebben, maar helaas, de werkelykheid geeft niets toe. Wie slechts twee verdiepingen klimt, staat niet hooger dan twee verdiepingen. Dit is nu eenmaal zoo: nil sine labore!

Wouter tastte rond naar den deurflankeerenden gootsteen, maar helaas! Hy zag in, dat nog altyd z’n naastbyliggende plicht in stygen bestond, en dit bleek hem te meer toen hy na eenig zoeken in ’t bochtig portaal, ’n spleet in de voorpui bemerkte, die hem toeliet ’n oog te slaan op ’t buitenhangend garneersel van de vensters. Daar was niets, niets, niets te zien van ’n “sjabbasj engels-hemt.” Er hingen kousen en mutsen en allerlei lappen te drogen, maar nog altyd woei daar de vlag niet waarop hy koers zette. Hooger dus, hooger! Wat zoo’n jongste-bediende op ’n koopmanskantoor zonderlinge naastbyliggende plichten te vervullen heeft! Die soldaten van Herodes... dit is de vraag niet. Den derden trap op! Zeker was hy op den goeden weg, want de uienlucht werd sterker en sterker. Nog ’n beetje volharding, en hy zou te-land komen in de buurt waar de spys bereid was, die hy beneden in de bekende vuurterrine had te zien gekregen. Waarlyk, het touw was ten-eind! Voorzichtig schoof hy den voet vooruit, en bleef grond voelen, wel ’n halven palm in omtrek. En nòg ’n proef die goed afliep, en nòg een... hy had iets onder zich, dat vergelykender-wys naar vasten bodem geleek. Om zich heen tastend ontdekte hy den gootsteen, en al was er niets te zien van ’t feesthemd, hier zou ’t wezen! Hy klopte op den gis tegen den wand, en riep: m’nheer Roebens, m’nheer Roebens!

—Nou, k’m m’r binne, antwoordde een vrouwestem, wat e skendaal in ’t pertaal! Wâ mot je? Wissels? K’m in, en maak so’n lewaai niet. Me man is siek.

Daar er ’n deur geopend werd, kon Wouter nu eindelyk zien. De vrouw die zich vertoonde, beantwoordde z’n vraag of daar m’nheer Roebens woonde, bevestigend. En hy trad binnen.

—Van de heeren Ouwetyd en Kopperlith, stamelde Wouter met ’n mislukte poging om iets officieels te brengen in stem en houding.

En hy haalde het smeerige briefje voor den dag.

—Fader, zei de nog jonge vrouw, d’r binne ze-n-al met een f’n de wisseltjes... och Chot, de stumpert het ’r f’n nacht fan legge yle!

Wouter vond het vreemd dat zy iemand scheen toetespreken, want buiten haar zag hy niemand in de kamer. Dit werd evenwel terstond opgehelderd. Er klonk antwoord achter de gordynen van ’n bedstee.

—Je heb ’m wakker gemaakt! zei de vrouw op verwytenden toon.

—Och, wat spyt me dat, antwoordde Wouter met meer vriendelyke belangstelling dan z’n funktie meebracht of toeliet.

Zeker, als ’t wisseltje hèm behoord had, zoud-i hebben voorgesteld ’n andermaal eens terug te komen.

—Wâ sel ik je segge, riep de zieke, ik hep de koors. En f’n wie komt het?

—Van de heeren Ouwetyd & Kopperlith...

—Dâ ken me nie skele. As ik je seg, dâ me dat nix skele ken! Ik fraag je wie de trekker is. Kyk jy ’ns Ribbetje, of ’t briefie is f’n Sjomele, of ’t briefie f’n Bussemakers, of ’t briefie f’n Bebbel Roels in Keule? Want er ferfalle drie f’ndaag... een f’n sefen-en-dertig, sestien, acht, en een f’n driehondert-drie en een f’n sevehondert-dertien, ses, twaalf. En geef me nog wat asynwater, Ribbetje, want ik heb so’n dorst f’n de koors. Sefehondert dertien, ses, twaalf is f’n Sjomele, en hier is ’t gelt.

Rebekka gaf haren echtvriend iets te drinken. Toen ze daarop Wouter verzocht haar ’t briefje te toonen, hield deze het haar voor, zonder ’t lostelaten. De vrouw toonde zich door dit komiek wantrouwen volstrekt niet beleedigd. Ze scheen ’t niet vreemd te vinden, zoo weinig zelfs dat ze ’r geen acht op sloeg.

—’t Is f’n Sjomele, fader.

—Sefehondert dertien, ses, twaalf, goet! En hier is ’t gelt.

De zieke scheen bezig iets optedelven onder z’n matras. Men hoorde hem woelen en hygen, en weldra ’t geluid van gevulde geldzakken die tegen elkaar stootten. Rebekka wees Wouter ’n latafel aan, waarop ter-nauwernood ’n plekje leeg was. Daar zou wel ’n pen liggen, zei ze. En ook bracht ze hem na eenig zoeken ’n aptekersfleschje met wat inkt.

—Ja ... maar ... juffrouw ...

—Ribbetje, ik hep weer so’n dorst, klaagde de zieke.

Dit doet me genoegen voor Wouter. Die dorst bewaarde hem voor al te ruwe uiting van beleedigende voorzichtigheid. Met Rebekka, die op-nieuw haren man te drinken reikte, trad hy op ’t bed van den zieke toe. Ze scheen bevreesd dat kou of tocht by ’t openen der gordynen ...

—Ik zal je helpen, juffrouw, riep Wouter, meezorgend dat de opening niet grooter werd dan juist noodig was om ’t verlangde doortelaten. Nadat Roebens gedronken had, reikte hy twee zakken geld aan.

—Maar, zei Wouter weifelend, ze hadden me gezegd dat het geld me zou worden voorgeteld?

—As ik je seg dâ ’k de koors hep, en siek ben as e geslage man, wâ wil je? As ik heb geteekent m’n hant f’r betale, na, wâ sel ik doen? Ik betaal. En as ik teeken m’n hant f’r telle, sel ’k telle. Help ’m, Ribbetje, en geef me wat drinke, ik heb so’n dorst f’n de koors. En tel ’m ’t gelt foor ... sefehondert dertien, ses, twaalf.

Het jonge vrouwtje, na haar man gelaafd te hebben, hurkte op den vloer neer, en Wouter knielde er by. Ze stortte het geld in haar schoot uit, en wilde beginnen te tellen. Maar ’t ging niet. Zyzelf kon niet wys worden uit de tallooze geldsoorten die haar man had weten by-een te brengen. Men zou er ’n muzeum mee opgezet hebben. Ook was er geen plaats, want de vloer lag vol prullen. Ach, de oude Gerrit wist het wel, en als ’n donderslag klonk Wouter de vreeselyke profetie in de ooren, “als je ’r afkomt met ’n daalder, mag je van geluk spreken!” Hy werd zeer angstig.

Daar stommelde iets op de trap, en ’t oude vygenvrouwtje vertoonde zich in de geopende deur. Ze sprak bargoens, en scheen Ribbetjen iets te zeggen over dat geld. Het jonge vrouwtje hield op met uitzoeken en tellen.

—Fader, d’r is grootemoe, en se seit ...

Hier volgde een-en-ander dat Wouter weer niet verstond, maar wel onderscheidde hy eenige keeren den naam van Racheltje. Nogeens begon de oude vrouw haar verhaal, en ze wees op hem, en scheen zich driftig te maken tegen al die afgeknabbelde dertiend’halven en schellingen en byna onherkenbare muntstukken.

—Na, zei de zieke, ’k heb wel goet gelt ook as ’t weze mot. Hier, Ribbetje, neem an ...

Hy reikte z’n vrouw ’n grooten zak over, die hy met blykbare moeite had opgegraven uit z’n beddegoed.

—Neem an, Ribbetje, en tel er uit ... twee hondert stuks, en dan nog ... twintich stuks, en ... ses. En ... doe ’r ’n achtetwintich by, die goet is, en ... ses Uiterse duiten, en laat ’m gaan met Chot! En geef me te drinken, Ribbetje, w’nt ik hep so’n dorst.

Wouter ontving z’n geld in gerande dukatons, en bedankte zeer vriendelyk. De welwillendheid van die oude vrouw had hem goed gedaan, tot roerens toe. Wanneer-i op dat oogenblik in het toekennen van vereering had moeten kiezen tusschen haar en de zooveel beter geboren mevrouw Kopperlith ...

Zonder ’t minste opzet om ’t rimpelig moedertje natepraten, wenschte hy haar by ’t weggaan duizend goddelyke zegens toe. Haar, en m’nheer Roebens die zoo ziek was. En de jonge vrouw die zoo liefderyk haar man verzorgde. En kleine Racheltjen ... o, allemaal!

Eerst toen hy de straat bereikte, schoot hem in den zin dat-i—sakkerloot, hoe jammer!—by het teekenen ... z’n krul vergeten had. Nu, dàt ’n andermaal! Hy was verheugd dat-i menschen ontmoet had die hem zoo beminnelyk voorkwamen, en dit was meer waard dan de mooiste krul.

Mochten sommige lezers klagen dat ik hen gedurende vele hoofdstukken reeds, byna zonder afwisseling rondleid op ’n tentoonstelling van nietigheden, dan neem ik deze klacht aan als betrekkelyke lofspraak ... op die nietigheden zeker niet, maar op m’n arbeid. Een zeer groot gedeelte des levens bestaat nu eenmaal uit ’n aaneenschakeling van ’t geringe. Ik zou aan de waarheid te-kort doen indien ik deze eigenaardigheid over ’t hoofd zag. En aan de goede trouw, als ik ’t deed om hof te maken aan iets wat met betwyfelbare juistheid “aristokratie van den smaak” wordt genoemd. Ook ’t woord: tentoonstellen, is my een niet ongewenschte kwalificatie van m’n arbeid. Zeker, de artist stelt de indrukken tentoon, die hy van de wereld opving, en weergeeft in zekeren vorm ... den zynen! Om evenwel ook de vele graven en markiezen onder m’n lezers tot moedhouden optewekken—onder ons gezegd, de onverzadelykste liefhebbers van zekere voornamigheid logeeren in stal of keuken—verbind ik my Wouter niet te laten sterven voor-i statiglyk zal geprezenteerd zyn aan ’t een of ander hof. Misschien zelfs ga ik verder, en huur ’n huis voor hem op de Keizersgracht. Om de vermetelheid optedoen die voor zoo’n sprong noodig is, wacht ik ’n oogenblik van byna krankzinnige tuchteloosheid af. In kalme stemming zou ’t niet lukken. Het is echter de vraag of hy—aangeland in zóó verheven sfeer—fyner dingen zal te zien krygen dan de aandoening die ’t oude vygenvrouwtje bewoog ook op haar beurt ’n herodiaansche expeditie naar de derde verdieping te ondernemen en dus haar “handel” over te laten aan de bescheidenheid der voorbygangers, alleen om Wouter te beschermen tegen al te uitgebreide muntkennis van haar kleinzoon.

Wat overigens het aristocratische van den smaak aangaat, de myne is van edel bloed. Te edel, b.v. om zich aftegeven met de zeer burgerlyke voorkeur van mevrouw Kopperlith, die geen schoonheid vatte zonder goud, fluweel en aanzienlykhedens, en die dus hierin—op de naïveteit na—nog altyd op de laagte stond van ’t kind Wouter. Wat my betreft, ik blyf aan redelyk goed brood de voorkeur geven boven zieke truffels. Doch, voor den honderdsten maal, niet hierin ligt het kriterium van den smaak. De eenige eisch is: waarheid. Den kunstenaar die hiernaar streeft, zal al ’t andere toegeworpen worden ... natuurlyk op de toejuiching der koprolithen na, die hy missen kan.

Wouter oogstte by m’nheer Dieper eenigen lof in over den uitslag van z’n tocht, en vernam tot hartsterking: “dat-i ’t by-gelegenheid eens weer mocht doen.” Maar Gerrit verzekerde dat het niet altyd zóó zou afloopen, wat ieder weldenkende volmaakt met Gerrit eens wezen zal.

De bezigheden die men onzen jongsten-bediende opdroeg, kwamen vrywel overeen met den voorsmaak dien hy daarvan had gekregen op den eersten dag. Kopieeren, boodschappen doen voor m’nheer Pompile, het knippen en opplakken van staallapjes, ziedaar hoofdzakelyk z’n werk, om nu niet te spreken van ’t vegen op de zolders en in ’t magazyn, lokalen waar, volgens m’nheer Wilkens, voor ’n jong-mensch altyd iets te leeren viel.

Nog ’n andere bezigheid kwam—aanvankelyk nu-en-dan, later byna geregeld—voor Wouter’s rekening. Hoe weinig er ook in de zomermaanden “gehandeld” werd, toch kwam het by-uitzondering voor, dat er verzendingen moesten geschieden “naar buiten.” Het “pakken” van zulke goederen in grof lynwaad behoorde natuurlyk tot de funktien van Gerrit. Sedert vele jaren evenwel, had deze zich zoo geoefend in ’t voorwenden van allerlei oorzaken tot onthouding van arbeid, dat men zich telkens genoodzaakt zag de hulp van Flip den kruier interoepen, en de posten die deze interventie op ’t “weekbriefje” te-voorschyn bracht, bezwaarden het handelsgeweten van den jongeheer Pompile. Uit eigen beweging nam Wouter, by-gelegenheid eener byzondere styfte van Gerrit’s rhumatiek, de paknaald ter-hand, en werd zoo geprezen over den uitslag van z’n eerste poging om dat werk te verrichten—men had het tot-nog-toe voor ’n vak gehouden dat zonder speciale opleiding ontoegankelyk was—dat de jongeheer Pompile al zeer spoedig hem gelastte de goedheid te hebben by èlke voorkomende gelegenheid als pakhuis-knecht optetreden. En inderdaad, de pakken die hy vervaardigde, waren onberispelyk! Kantig van rand, plat aan de zyden, symmetrisch gebouwd—gemetseld, had ik byna gezegd—netjes genaaid, wèl bestand tegen stuwing, wentelen en nattigheid, keurig gemerkt... waarlyk, er was elegantie in de balen die Wouter pakte. En... de stevigheid! Men kon ze “over ’n huis gooien” als ’n wel-ingepènd kraamkind uit de oude bakerschool. “Het is of-i ’t al z’n leven gedaan heeft!” betuigde zelfs m’nheer Wilkens in ’n eenzaam oogenblik van openhartigheid. En ik moet erkennen dat ook Wouter schik had in ’n bekwaamheid die hem verraste, ’t Was hem ’n eerezaak dat er nooit klachten werden ingebracht over avary, noch zelfs over kreukeling, van goederen die hy had toegerust om de wereld integaan. Deze eerzucht stond hem schooner dan wrevel, en het ware te wenschen geweest dat men niet op misdadiger wys z’n overmaat van goeden wil misbruikt had. Er werd ’n bezigheid voor hem uitgedacht... neen, ’n bezigheid was ’t eigenlyk niet. Het was ’n oefening in geduld, en zelfs dit niet... een kursus in versuffing dan. Om ieder te geven wat hem toekomt zullen we maar terstond zeggen dat het vindingryk vernuft van den jongeheer Pompile zich alweer in de hier bedoelde zaak van ’n zeer gunstige zyde deed kennen. Op zekeren morgen kwam de oudeheer het kantoor binnensloffen, en onthaalde het personeel op de gewone inleiding tot z’n belangryke gesprekken:

—Zeg, Pompile, ik hoor van Gerrit dat mama weer heel erg is.

—Zoo, papa?

—Ja, Pompile. De juffrouw heeft hem gezegd dat mama den heelen nacht gedroomd heeft!

—Dat is zeker nogal heel akelig, papa!

—Ze heeft gistr’avend kreeftensla gegeten, weetje?

—Zoo, papa?

—En daar droomt ze zoo van. De juffrouw heeft aan Gerrit gezegd dat ze heel zenuwachtig is, byzonder erg zenuwachtig.

—Dat is wel verdrietig, papa!

—Niet waar?

—Héél verdrietig! Want, papa, om u de waarheid te zeggen, de familie Krucker...

—Ze kan niets verdragen. De juffrouw mag niet borduren...

—Hè, papa?

—Ja, zóó erg is ’t! Want... het ophalen van de draad maakt zoo’n vreeselyk leven, zegt mama.

—Dat is heel fameus erg, papa! Weet u wat de Pleiers zeggen, papa? Ze zeggen...

—Maar, Pompile, wat zullen wy ’r aan doen? Mama lust haar portwyn ook niet meer...

—Dat is wel heel ontzaggelyk treurig, papa!

—En ze vraagt nu telkens madera. Ze zegt dat ze zoo zenuwachtig wordt van chocola, als ze niet terstond daarop twee glazen madera drinkt.

—Zoo, papa? En vroeger, papa, werd mama zoo byzonder zenuwachtig van madera?

—Zonder chocola, Pompile! De dokter zegt ook dat madera heel gezond is, maar... met chocola, altyd met chocola! En ook de chocola is niet goed voor mama... zonder madera, weetje. Maar ’t helpt allemaal niet, als er zoo’n vreeselyk leven in huis is. Dat eeuwige schellen, Pompile!

—Ja, papa!

—De bel staat niet stil, Pompile, en mama schrikt er zoo van.

—Hé, papa, daar is wel raad voor, papa! Zeg, Pieterse, jy moet eens zoo goed wezen in den kelder te gaan staan, weetje? En als er dan iemand de stoep opgaat, dan tik je-n-aan ’t venster, zieje? En je ziet... wie ’t is? En je vraagt wat ze willen, zieje? En als ’t dan iemand voor de keuken is, dan sluit je de deur, en je gaat zeggen in de keuken, dat er... iemand voor de keuken is, weetje? En als ’t voor “huis” is, dan sluit je de deur, en je komt hier zeggen aan m’nheer Eugène... niet waar, Eugène?

—Hm!

...dat er iemand voor “huis” is, zieje? En dan zeg je-n-aan m’nheer Eugène wie er is. En tegen de menschen zeg je dat mevrouw zoo ziek is, zoo byzonder erg zenuwachtig, moet je zeggen. Maar denk er aan, dat je-n-altyd de deur van den kelder sluit. Ziet u, papa, dan wordt er niet gebeld, en... als dan mama weer beter is, kan ze naar-buiten, papa. Want ik heb gister de Hockers gesproken, papa, en hun gezegd...

Lieve hemel, hoe kan ik nu weten wat de jongeheer Pompile gister aan de Hockers gezegd had? Vorder ’t onmogelyke niet, lezer! Zonder nu juist te beweren dat ik geen andere bronnen raadpleeg dan Wouter’s eigen gedenkschriften, spelen toch die dokumenten ’n groote rol in m’n geschiedkundige navorschingen. Geen lid van de beroemde familie Hocker heeft zich verwaardigd my iets meetedeelen van ’t gesprek waarop hier de jongeheer Pompile blykt te doelen. En wat Wouter-zelf aangaat, hy stond reeds lang op-post achter de glasdeur van ’t magazyn, voor die teedere zoon z’n papa deelgenoot maakte van de Hockersche konfidentie.

Ja, daar stond-i! Met z’n gewonen dienstyver hield hy de linkerhand aan de kruk van de deur, en de andere tot tikken gereed, voor ’t geval dat iemand zich verstouten mocht mevrouw Kopperlith’s zenuwachtigheid te prikkelen door onbescheiden bellen aan de bovendeur. Zóó stond-i daar dan uren achtereen in die kelder-atmosfeer op-schildwacht voor mevrouw Kopperlith’s rust! Geen vlieg zou kunnen naderen zonder aangeroepen te worden. Nooit bracht ’n schildknaap die zich voorbereidt tot het ontvangen van den ridderslag, meer konscientie mee in z’n wapen-vigilie dan Wouter aan z’n afmattende taak ten-koste lei. Waarlyk, de verdienste zyner inspanning was niet gering! Dat z’n naastbyliggende plicht alweer met z’n wenschen noch met z’n gaven overeenkwam, doet minder ter-zake. Die gaven kende hy niet, en z’n wenschen telden niet mee. Het sprak vanzelf, begreep hy, dat men zich moeite en onaangenaamheden getroosten moet om “iets te worden in de wereld” en ’t kwam niet in hem op dat er misbruik werd gemaakt van z’n goeden wil. Hy beschouwde de vreeselyke verveling die hy te bestryden had—en den stank!—als zoovele vyanden die op-straffe van lafhartigheid moesten verslagen worden, en hy week dus niet! In gewone gevallen zou het niets-doen-op-zichzelf hem geen plaag geweest zyn, omdat hy al zeer spoedig in de vryheid zyner gedachten ’n middel zou gevonden hebben tot bezigheid niet alleen, maar zelfs tot uitspanning. Geen gegeven was hem onbruikbaar tot punt van uitgang. Een luchtbelletjen in de vensterruit, de richting van de reien der straatsteenen, ’n voorbydryvend wolkjen... alles en ’t minste was voldoende om hem aan ’t denken te brengen en te houden. Maar juist dit was hem ontzegd, want hy vreesde aftedwalen van ’t besef zyner naastbyliggende verplichting. Was-i niet zoo-even reeds byna gereed met z’n berekening hoevelen der voorbygangers wel in-staat wezen zouden ’n examen afteleggen als hulp-onderwyzer, toen de jongen van den pasteibakker reeds drie treden van de stoep had bestegen, om de taartjes te komen brengen die mevrouw Kopperlith moesten troosten in haar vreeselyke ziekte? Wouter schrok van z’n nalatigheid, en beloofde zich plechtig z’n neiging tot denken, vorschen, uitpluizen, redeneeren, te offeren op ’t altaar van z’n onverheven plicht. Zoo ver mogelyk liet hy z’n blikken rechts en links de straat beheerschen, om by-tyds—en liefst te vroeg—te kunnen beoordeelen welke onverlaat ’n storing der rust van mevrouw Kopperlith in ’t schild voerde. Maar zéér ver reikten z’n bespiedende oogen niet. Aan-weerszy werden de beenen van den hoek dien hy overzag, door de uitbouwsels der stoepen saamgedrongen tot ’n engte die voortdurende oplettendheid vorderde, en hem telkens plaagde met den angst dat z’n waarschuwing te laat komen zou. De gedachte rees in hem op: als ik maar voortdurend tikte, en iedereen van ’t beklimmen der stoep terughield? Hm... dat zou gek staan! Wat zou ik zeggen? “M’nheer, ben je-n-ook misschien van plan hier aanteschellen aan de bovendeur?” Hy zag in, dat dit niet kon. En ook, dat er in den handel ’n groote mate van geduld noodig is. En dan... dat pynlyk slapen van z’n linkerbeen!

Volgens geloofwaardige annalen beging hy in dit gedeelte van z’n loopbaan slechts twee keer ’n fout. Eens had ’n bedelbrief-industrieel z’n waakzaamheid verschalkt, door by arglistige overklimming van de achterleuning der stoep, de bovenbel te bereiken. De jongeheer Pompile was er zeer verstoord over, en ook Wouter-zelf voelde verdriet. Wat zou er van hem worden by zoo’n slordige plichts-vervulling?

Een andermaal had hy aan de majestueuze Hersilia den toegang door den kelder geweigerd. In-plaats daarvan sloot hy haar de glasdeur voor den neus dicht, en ging op ’t kantoor aan m’nheer Eugène zeggen: dat mevrouw Kalbb daar was: “voor huis” naar-i giste. Zeker, ze kwam voor “huis” en was zeer boos “dat die jongen ’t in z’n hersens had genomen, háár niet doortelaten.” Wouter ontving by deze gelegenheid onderricht in ’t groote verschil tusschen: “papa’s eigen dochter, mevrouw Kalbb, weetje, de eigen vrouw van den konsul van ’t heele land Elsas, weetje, en... allerlei gemeen volk dat misschien wat stelen zou in ’t magazyn!”

Hy beloofde beterschap, en hield woord. Het tooveren moet wel inderdaad ’n onmogelyke zaak zyn, want Wouter leerde het niet achter die glasdeur. Wat de verantwoordelykheid der Kopperlith’s aangaat... wat wisten zy daarvan? Het verslonsen eener ziel is geen handelszaak waaraan men aandacht hoeft te wyden. In-plaats daarvan hielden ze treffende verhandelingen over ’t bederf der kleuren van de stapeltjes die vooraan in ’t magazyn beschenen werden door ’n straaltje zon. Wouter moest zorgen dat ze altyd gedekt waren met ’n stuk zaklinnen of papier, want:

—Kleuren kunnen de zon niet verdragen, zei Wilkens, leer dàt van my!

Wouter leerde het, en verzorgde die voorste stapeltjes als z’n oogappels. Geen zon zag kans ze te bereiken zoolang hy was aangesteld als beschutter. Wat echter het beschutten der kleuren van z’n gemoed aangaat... komaan, waren die heeren huns broeders hoeder? En Wouter wàs niet eens ’n broeder. Geen neef zelfs. Hy was ’n burgerjongetje, en de heeren Kopperlith woonden op de Keizersgracht. Ze behoefden ’t zich niet aantetrekken dat hy zich daar stond te vervelen en te versuffen tot krankzinnig-wordens toe! Misschien zelfs wisten zy niet eens dat er kwaad in stak. Maar welke professor had dan overredingskracht genoeg bezeten om hen te doordringen van ’t besef dat gekleurde lappen ’t licht niet verdragen kunnen? Wie toch had déze wysheid weten intepompen aan zulke indociele gemoederen? Magnus Apollo!

Doch zie, dat geestverdoovend schildwacht-staan was ’t ergste niet! Aan veel gevaarlyker proef werd Wouter gewetenloos blootgesteld door de hem opgedragen taak om elken ochtend de brieven van de post te halen, of liever: om te vragen of er brieven waren? Want drie, vier malen ’s weeks kwam hy met ledige handen op ’t kantoor. De toon waarop hem dan de jongeheer vroeg: “of er alweer niets was?” maakte den indruk alsof hy ’t helpen kon dat niemand ’n wittegrondje-driekleur bestelde. Toch was hem die gang naar ’t postkantoor en ’t wachten daar, een der minst onaangename plichtjes van z’n betrekking, en hierin lag juist het gevaarlyke.

De soort van ’t gezelschap waarmee hy daar kennis maakte, heb ik reeds met ’n enkel woord omschreven. Indien niet Wouter door byzondere omstandigheden in deze levensperiode was voorbeschikt tot afdwaling, zou hy voorzeker in dien omgang geen smaak hebben gevonden. Maar er bestond by hem wel degelyk aanleiding tot misgrypen, en zelfs byna noodzakelykheid. Sedert eenigen tyd voelde hy zich ontwassen aan al het kinderlyke zyner eerste ideaaltjes, en al zocht hy nu niet uitdrukkelyk naar aanvulling van de hierdoor teweeggebrachte leegte, toch onderging hy onbewust de gevolgen van die ylheid. Ware dat eerste hoofdstuk van z’n zieleleven opgevolgd door ingespannen arbeid—ook zelfs door schynbaar vernederenden arbeid, mits: vermoeiend!—dan had de overgang van kind tot mensch geleidelyk plaats gevonden, en er zou weinig of geen kracht zyn verloren gegaan, iets wat in psychologie, als in werktuigkunde, de eisch is. Hierop waren dan ook de vermaningen van Holsma voornamelyk gegrond. Wouter moest genezen worden van z’n voorliefde voor ’t kontemplatieve, de klip waarop zoovelen—en de slechtsten niet!—te-gronde gaan, en die hen doet aanlanden in de buurt waar ze ’t minst te-huis behooren: by de luiaards. De hier bedoelde methode laat zich, zonder de minste aanspraak op wetenschappelyken klank—maar de uitdrukking is er niet minder schilderachtig om—samenvatten in ’t huisbakken voorschrift: “zit niet te droomen, steek je handen uit!” Denken is voorwaar des menschen edelste bezigheid, maar juist het wèl denken schryft handeling voor. De maat der splitsing tusschen ’n geoorloofd toegeven in bespiegeling, en dat: “handen-uitsteken” is evenwel geenszins voor allen gelyk. Dit laatste is niet by-uitsluiting laag by den grond. Het eerste niet, op en door zichzelf, verheven. De verhevenheid ligt in de korrekte toepassing van beiden. Een onpraktische droomer staat waarlyk niet hooger dan de domste “man van zaken.” We kunnen evenmin in de wolken wonen als in den modder, en er bestaat geen enkele reden om aan ’t vervliegen van geest de voorkeur te geven boven ’t smoren van geest. Het maat-houden tusschen deze beide uitersten is onze taak, en niet alleen ontwaren wy telkens groot verschil in neiging tot overslaan, wanneer we onderscheiden individuen met elkander vergelyken, maar zelfs in den enkelen mensch bestaat groote onregelmatigheid. In sommige perioden van het leven hebben wy ons in acht te nemen tegen de gevaren van onberaden vlucht. ’n Andermaal moeten wy onszelf opwekken en inspannen om de mollegangen te verlaten waarin we bezig-waren ons te versteken. Uit de wet der traagheid alweder is het te verklaren dat wy, na terugkeer van den verkeerden weg, ons vergissen in de maat van afwyking aan de andere zyde. Dit oscilleeren is geestelyk en zedelyk leven. Hoe kleiner de boog, die de tong der balans beschryft, hoe beter, maar volslagen stilstand zou de dood zyn.

Wat Wouter aangaat, hy streed nog niet. Het kleine voorpostengevecht met die vreeselyke “naastbyliggende plichtjes” vorderde wel zware inspanning, doch wortelde niet in ’n beginsel. Hy deed dit omdat-i by-uitstek dociel was, en ’t werd hem voorgeschreven door iemand dien hy achting toedroeg. Er scheelde weinig aan, of hy zou ’t zichzelf hebben toegerekend als ’n goedige poging om dokter Holsma pleizier te doen. En deze beschouwde z’n voorschrift eenvoudig als ’n tydelyk middel om hem zonder struikelen heen te helpen over de hinderpalen van z’n leeftyd. Het was nu eenmaal de waarheid dat hy aan dat: “handen-uitsteken” behoefte had, een ziekteverschynsel waaruit zich myn ingenomenheid met het pak-naaien laat verklaren. Indien ik over hem te beschikken had gehad, hy zou eenige jaren leerjongen by ’n smid geworden zyn. Geenszins om hem binnen de grenzen van dit ambacht te bepalen—’n smid met Wouter’s gaven zou zich onmisbaar ontwikkelen tot ’n Krupp!—maar om z’n al te eenzydige neiging tot het kontemplatieve te-keer te-gaan, en die te-gelyker-tyd voor zooveel noodig, te steunen. Met vermoeide leden zou hy dan ’s avonds neervallen op z’n stroozak, en den volgenden morgen geen herinnering hebben van de gedachten die hem hadden bezig-gehouden na ’t uittrekken van z’n tweede kous, ja van z’n eerste misschien. En wat het opwekken, aanwakkeren en voeden van z’n zucht tot bespiegeling aangaat, juist dáártoe is niets geschikter dan een handenarbeid die genoeg inspanning van spieren vereischt om op zeker oogenblik van lichamelyke afmatting “halt!” toeteroepen aan de fantazie. Vóór dat oogenblik werken de geestvermogens regelmatiger en met beter uitslag, dan wanneer men zich meent bezig te houden: alleen met denken.

Dit eenmaal aangenomen, zie ik niet in dat het trekken aan den blaasbalg eener smidse onzen Wouter zou geschaad hebben. Dàt, of zoo-iets, ware hem weldra de basparty geworden, waarop hy de melodien had kunnen zetten waarvan z’n ziel vervuld was, doch die hy nu niet verstaanbaar wist te maken, noch aan anderen, noch aan zichzelf. En, by-gebreke van zoo’n handleiding liep hy gevaar...

Wel zeker, hy maakte kennis met die jongelui by ’t postkantoor! Zy zouden ’t hongerig zieltje vullen met hun voosrype wysheid. En Wouter’s eetlust was groot! Niet alleen psychologisch leed hy honger. Ook in maatschappelyken en huiselyken zin was dit het geval. Hy voelde behoefte aan gezelligheid. We weten reeds dat hieraan ten-zynent niet voldaan werd. En wat de “heeren op ’t kantoor” aangaat... ze deden er niet in.

Doch in gezelligheid werd wèl “gedaan” door die jongeluî aan ’t postkantoor. Nu ik eenmaal—met stoute miskenning der waarheid zoowel, als van de lokaal-kleur—de heeren Ouwetyd & Kopperlith tot ’n “handelshuis” heb verheven, durf ik even ongepast die loopjongens bevorderen tot kantoorbedienden. Zoo namelyk betitelden zy zichzelf. De eerste aanleiding tot kennismaking werd geleverd door de ontmoeting met een der Hallemannen. Ook hy was: “jongste-bediende.” Wouter sprak hem aan, en zei: “Gus!”

—Ah zoo... je bent Pieterse, geloof ik.

Wouter keek vreemd op by dit “geloof”. Maar Pieterse wàs-i.

—Ja zeker, Gus. Wèl, ken je me niet meer?

—Ik ken je wel, maar ik moet je ronduit zeggen dat ik geen kinderachtigheid verdragen kan. ’t Lykt wel of we schooljongens zyn, zoo praat je!

Wouter begreep er niets van. De zaak was, dat-i: Halleman had moeten zeggen. Hy leerde dit, en weldra begon-i ook z’n eigen familienaam mannelyker en aanzienlyker te vinden dan: Wouter. Hy zag al zeer spoedig dien Gus voor ’n groot man aan, die ’n breede opvatting van ’t leven had. De kwajongen was dan ook inderdaad ’n tweetal jaren ouder dan hy, en wel twintig in kennis, gelyk we zien zullen, of nagenoeg.

Ach, lezer, ik heb ’n verdrietig werk te doen. Vloek over de ellendelingen die m’n Woutertje blootstellen aan zùlke kennismaking!

—En by wie ben jy op ’t kantoor?

—By de heeren Ouwetyd & Kopperlith... Keizersgracht, weetje?

—Hm! Dat’s nu juist zoo’n heel groot huis niet! In ’t geheel niet. Wy doen in koffi. Jelui doet, geloof ik, op Smirna, hè?

—Dat weet ik nog niet, zei Wouter, ik ben er pas.

—Zóó? Weet je dat niet. Nou, dat’s ’n rare!

Nieuw aangekomen “jongeluî” sloten zich aan, en hadden heusch als wezenlyke menschen gegroet met: “morge, heeren!” Misselyk en komiek, maar ’t was zoo. En Wouter vond dien toon uitstekend. Hy had zich zoo’n verheffing zelfs in ’n droom niet durven voorstellen. Helaas, hy die zoo kort geleden nog in den omgang met zichzelf zich wys-maakte dat-i god wàs, en koning... worden zou, hy voelde zich gestreeld ’n stuk heer te zyn in de oogen van kwajongens die almede voor iets als heeren wilden doorgaan!

—Zeg, dàt’s ’n rare! Hy weet niet eens waarin ze doen. Hoe vind jelui die?

De “heeren” vonden ’t byzonder gek. En Wouter, die zeer gevoelig was voor spot, werd verlegen.

—Maar, zeid-i stamelend, je vroeg iets van Smirna, en dàt begreep ik zoo gauw niet. Een van onze jongeheeren is te Rome. Meen je dàt misschien?

—Wy zyn op Portugal, zei ’n derde.

—En wy op de Oostzee. Granen, weetje?

—Hoe héét dan je huis? vroeg ’n vyfde.

Wouter noemde de firma.

—Wel, wat bliksem...

’t Sprekertje vloekte alleraardigst. En dit deed het heele troepje. Toch ging ’t de mannetjes niet glad af. Men kon duidelyk bespeuren dat ze nog niet recht thuis waren in de handige toepassing van al hun mannelykheid. Dit was er ’t grappige van.

—Wat bliksem, dat is in manufakturen! Weet je dàt niet? In manufakturen, zeg ik je.

En de spreker-zelf betuigde dat-i “in” assurantie was.

—Kyk maar, daar heb je polissen. Dat zyn allemaal polissen, weetje?

En allen beschouwden met eerbied ’n pakje blanko-dokumenten, dat de loopjongen zoo-even uit den kantoorboekwinkel gehaald had.

—Ja, ja, polissen! zei Gus, met ’n nadruk die zooveel beduidde als: “ik weet precies wat dat voor dingen zyn. Ik heb er ook in gedaan.”

—Kyk, wat ’n mooie meid!

—Pst, pst! Hei! Kom ’reis hier!

Het dienstmeisje dat zoo hoffelyk werd aangeroepen, spuwde op den grond, en liep door. Het beste wat ze doen kon! Ze hoefde niet de minste kuisheid te-hulp te roepen om zich zedig te betoonen.

—’t Is Mie uit de bakkery, zei ’t huis op Portugal. Nou!

Welke lezer verstaat dit “nou?”

—Nou! zei ’n tweede.

—Nou! herhaalde ’t koor.

Wouter begreep er niets van. En dit was te dommer van hem, omdat hy de gelaatstrekken zag, die dezen uitroep vergezelden. Kon hy ’t helpen dat-i nog altyd de hiërogliefen van gemeenheid niet grif lezen kon, die al dat genou illustreerden? Erg genoeg dat-i weldra die taal zou leeren verstaan. Vloek over de Kopperlith’s!

Waarschynlyk keek hy onnoozel, want een van z’n leermeesters vroeg hem:

—Ben jy op ’n kantoor, jy?

—Ja... in... manufakturen, heusch! antwoordde Wouter.

—Weet je wat ik geloof? Ik geloof dat je nog maar ’n nuchter kalf bent. Dàt geloof ik er van!

En deze overtuiging werd bezegeld met ’n kernachtige heerenuitdrukking.

—Hy is zoo onnoozel als...

Als ’t een-of-ander maar, dat niet onnoozeler behoeft te zyn dan wat anders, wanneer ’t slechts terdeeg gemeen klinkt. De bedoeling zal geweest zyn dat-i byzonder onnoozel was.

—Zeg, weet jy nog niet eens waar de kindertjes vandaan komen? Nou... dàt mankeert er maar aan!

Goddank, dit wist Wouter! En als hy ’t niet geweten had, zou hy hier in de gelegenheid geweest zyn het te vernemen, en wel op ’n manier sui generis. Ook andere wysheid was hier optedoen, die wel strikt genomen evenmin nieuw was voor den leerling, maar welke hem dan toch werd meegedeeld in bewoordingen die hem onbekend waren. Uit verregaande mannelykheid hield hy zich als sedert lang behoorlyk ingewyd. Hy gaf zich moeite om zoo wys mogelyk te lachen, wat hem slecht afging en heel leelyk stond.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings