Note 3 — Tweede Deel Amsterdam—Uitgevers-Maatschappij “Elsevier”—1921 (continued 6)
Reading edition
Doch, ik zeide het reeds, dat leven was zonderling. Ook sprak ik van de domme voornaamheid die in dit alles geen aanleiding vindt tot nadenken. Reeds wat men ziet, zou hiertoe kunnen opwekken, en om dit te betoogen is het weinige dat ik daarvan noemde, voldoende. Maar hoe zou ’t wezen, wanneer we met het oog van den geest iets dieper doordrongen? De bewoners van dat mierennest zyn... menschen. Het “nil humani alienum” moge dan al niet juist in wysgeerigen zin ’n artikel in hun dagelykschen kathechismus wezen, toch is dat woord op hen van volle toepassing in stoffelyke en maatschappelyke beteekenis. En, ook zielkundig gesproken, het zou ’n ongerymd waagstuk zyn, hun de aandoeningen te ontzeggen, die, de... half- en verkeerd-beschaafde zoo gaarne wil doen voorkomen als het uitsluitend eigendom van de “deftige klasse.” Die straathandelaars hebben wenschen en verdriet. Ze kennen vreugde, hoop, teleurstelling... eerzucht misschien. Ze weten—zoo goed als anderen toch, en waarom niet?—wat liefde is. Waarlyk, er is iets menschelyks in zoo’n Oud-roest en in het oude grootmoedertje daarginds aan dien kruiwagen met “zuur.” Vygen verkoopt zy ook. Zie hoe netjes half-decimaal zy ze vyf-aan-vyf heeft gespietst op stokjes. Zoo’n stokje koopt de jeugd voor ’n duit. De winst is groot, want de heele ceroen is ’n onvrywillig geschenk van den kruidenier die ’t ding z’n winkel uitwierp, omdat de suiker na twintigjarigen bewaardienst zich begon omtezetten in iets als alcohol en sterkriekende gist. Ja, de winst is enorm:... àls de jeugd die speetjes koopt. Als! want—en ziehier de oorzaak van m’n staathuishoudkundige bekommering—vanwaar komt die duit? De vaders en moeders die hem verstrekken moeten, handelen vlak naast de vygen- en zuurvrouw in ransige kokosnoot en curaçaosche pienders.3 Moet het geld dat hun kind aan die vygen besteedt, niet eerst—en wel boven ’t strikt-noodige voor levensonderhoud—òververdiend zyn op hun eigen waar? En wie koopt die waar? Hoeveel brokken klapper, hoeveel van die westindische boontjes, moeten de kleinkinderen van de zuurvrouw by buurman besteed hebben, om hem in-staat te stellen zyn kroost op háár vygen te onthalen? Hoeveel vygen moet zy hebben gesleten aan zyn kinderen voor ze de duit óverheeft, waarmee háár snoepertjes den koopprys van zyn pienders voldoen? O diepte der verborgenheid, beide der kennisse en des begrips van den amsterdamschen Jodenhoek!4