Note 2 — Tweede Deel Amsterdam—Uitgevers-Maatschappij “Elsevier”—1921 (continued 6)
Reading edition
Daar lagen alzoo doorluchtige kachels, halve kachels, fragmenten van kachels. Daar lagen tweebeenige treeften, tegen hun amputatie protesteerend door ’n beroep op de klassieke beteekenis van hun naam... en ook wel ’n beetje tegen de aanspraken op taalkennis van de heeren D. V. & T. W. die ze vrouwelyk maken zouden, ’n jaar of zooveel daarna. Daar lagen roosters zonder spylen, moeren zonder kroost, schroeven zonder moer... Niobees en weezen. Daar lagen eenzame pooten van tangen, en lemmetten van scharen, wreed gescheiden van hun tweelingen. Daar lagen onthoofde spykers, tandelooze zagen, beitels zonder snee, sloten zonder veer, sleutels zonder slot, haken zonder oog, oogen zonder haak, gespen zonder tong. Daar lagen scharnieren, hoepels, stiften, krammen, ringen, deurkrukken, spanjoletten, grendels, sabels, bajonetten, bylen, hamers, vuurpoken, kolenscheppers, potten, pannen, ketels, deksels. Daar lag alles wat ooit van yzer had kunnen vervaardigd zyn, maar onbruikbaar nu, verdraaid, gebersten, gespleten, verwrongen, inkompleet, en vooral: verroest! Dit scheen de eisch te wezen van dien handel. Misschien was de koopman aan deze eigenaardigheid gebonden door ’n artikel in de patentwet, volgens ’twelk hy wel voor roest maar niet voor yzer was aangeslagen. En nu sprak ik nog slechts van de dingen die ’n naam gehad hebben, of misschien eenmaal ’n naam konden gehad hebben. En we stonden nog maar ’n oogenblik stil voor de uitstalling van den Oud-roest alleen. Het beschryven van ’t overig deel der “markt” gaat m’n talent nog verder te-boven, aan de inventaris van die gewezen yzerwaren. Men kon daar koopen—maar wie toch kocht er iets?—daar waren te bekomen: zure augurken, runderlappen, nieren en long, nuchter-kalfsvleesch en andere spyzen, gekookt en ongekookt, met of zonder de saus. Daar werden oude lappen en vodden gevent, en stukjes leder, en knoken, en gepensioneerde hoeden, en strooken vilt, en schilderyen zonder lyst, en lysten zonder schildery. En prenten, en boeken. En rugtitels zonder bladen, bladen zonder titel. En landkaarten, niet zonder jacht op symmetrie netjes in vieren of zessen geknipt, om en détail te worden aan-den-man gebracht voor ’t mogelyk geval dat ’n heel land of werelddeel de begrooting van den kooper mocht te-boven gaan. En versleten kleedingstukken. En gelapte schoenen, om nu niet te spreken van de ongelapte. Daar lag kinderspeelgoed dat veel beleefd had, tusschen ’n tumulus van zuurkool en ’n tropee van hoeven en horens. Ginds stond ’n kruiwagen volgeladen met potjes pomade en latynsche dissertatien, met almanakken en silhouetten van verloopen jaren en dominees. Ook meubels waren daar. En er was porcelein, en glaswerk, en aardewerk, en keukengereedschap... ja, wat was er niet! En dat alles was kreupel, gelymd, gekramd, onsmakelyk, onvolledig, schynbaar tot niets dienstig en voor niemand te gebruiken, wat toch ’t geval niet kan zyn, want dat volkje leefde van den handel in die prullen, en: ab esse ad posse valet illatio.2