← Table of contents
De Geschiedenis van Woutertje Pieterse, Deel 2

Tweede Deel Amsterdam—Uitgevers-Maatschappij “Elsevier”—1921

Reading edition

N.V. Electr. Drukkerij “Volharding” Ceintuurbaan 250 Amsterdam

Voornaam bezoek. Koningen en oliekoeken. De gesprekken van de “massa.” Catapultische inspatting van de “massa.” Où peut-on être mieux? Zweven en vallen. Helaas! De auteur is beschaamd over z’n held, en bevreesd dat dit wel ’ns meer zal gebeuren.

Gedurende den loop der week die Wouters tweede plaatsing “in den handel” vooraf ging, werd-i door ’n drie- viertal ontmoetingen zoo vreemd heen-en-weer geslingerd, dat-i zich byna suf voelde, en veel moeite had om z’n hoofdje heel te houden.

En z’n hart ook!

’t Was donderdag. Stoffel kwam thuis met ’n belangryk bericht. De Koning—ik weet weer niet welke koning—was onverwachts in stad gekomen, en zou den volgenden avend of ’n dag later den Schouwburg bezoeken. Alles was in rep en roer, want in republikeinsche landen hecht men veel waarde aan titels, pronk en geboorte.

Meer nog dan naar gewoonte was de nieuwsgierigheid des Volks ditmaal gespannen, omdat veel buitenlandsche vorsten—waaronder zelfs ’n Keizer—Z.M. waren komen bezoeken. En van uit z’n residentie—Utrecht? ’s-Gravenhage? Haarlem?—zouden die aanzienlyke vreemdelingen ’t Hof naar Amsterdam volgen. ’t Was dus deze keer ’n praal mit Umstände, met ’n sleep.

Het republikeinsche Volk zou niet alleen ’t aangezicht te zien krygen—of ’n slip van den rok—des tirans, maar tevens aangezichten en rokspanden van veel andere tirannen, om nu niet te spreken van tiranninnen.

De vrouwtjes die gewoon waren oliekoeken te verkoopen op den dam—’n pleintje dat de stedelyke regeering zich veroorloofde te verhuren als markt—dreigden de stad met ’n proces.

’t Was dan ook zeer hard, dag-in dag-uit huurgeld voor plaatsen open-luchtgebruik te betalen voor de kans om ’n paar oliekoeken te slyten aan de straatjeugd, en nu op-eens verjaagd te worden omdat Z. M. zich aan “het Volk” zou vertoonen op ’t balkon van het gewezen stadhuis.

Mocht hy die vrouwtjes niet zien? Moest de oliekoek-industrie ’n geheim blyven? Vreesde men voor namaak, voor onvorstelyke konkurrentie?

Of mochten die olievrouwtjes en haar koeken den Koning niet zien? Was ook hy misschien bevreesd voor onedel nabaksel van z’n majesteit? Dit zouden noch de vrouwtjes noch de oliebollen gedaan hebben.

Hoe dit zy, de kraampjes werden weggeruimd, en de verjaagde industrieelen behielden alleen het recht zich privatim onder de menigte te dringen, die straks roepen zou: “leve... dit of dat!” naar den eisch van ’t oogenblik. Ze mochten meeschreeuwen ook.

’t Is eigenlyk heel vreemd dat vorsten sterven. Al die vivat’s schynen niets uittewerken.

De drukte in de stad was ditmaal ongewoon groot, door en om al de vreemde Hoog- en Doorluchtigheden die den tiran by deze gelegenheid vergezelden.

Daar was—naar men uit de couranten vernam—de prins van Caramanie, die aanspraak had op de byzondere sympathie des Volks, wyl men had uitgerekend dat een van z’n voorouders kapitein was geweest in Staatschen dienst, en dus... z’n bloed had vergoten voor de Nederlandsche vryheid.

Dit bloed—en misschien ook de vryheid—was ’n krantenverzinsel. Maar dat onze prins ’n groenen rok droeg met dikke gouden nestels, was waar. En op z’n hoofd had-i ’n byzonder grooten steek. Men kon dus by de eerste gelegenheid zeer gevoegelyk roepen:

Leve de prins van Caramanie!

Onder de hooggeboren persoonlykheden bevond zich ook zekere Hertog die uit z’n land was gejaagd wegens z’n deugden. De man was spaarzaam en huishoudelyk. Nooit had-i zichzelf te-kort gedaan. Toch was-i door ’t dom gepeupel onttroond, en met ’n schepel diamanten over de grenzen gezet. Van deze diamanten zoud-i nu in Amsterdam ’n paar dozyn laten zien, en wel in hoedanigheid van roksknoopen en rottingknoppen. De couranten vermaanden dus ’t Volk tot den allerwelstgemeenden roep:

Leve de Hertog met z’n diamanten!

Prinses Erika was ’n nicht van den Koning, en bestemd voor den troonopvolger van ’n groot Ryk dat te Zaandam timmeren geleerd, en dus aan Nederland z’n carriere te danken had. Dat Ryk zou de Nederlandsche staatsschuld betalen—zoo verzekerden eenstemmig de kranten—als men nu maar braaf schreeuwde:

Leve prinses Erika!

De oude Paltsgravin van Aetolie stamde rechtstreeks af van zekeren ridder die z’n stalknechts liet bedienen door Lusignans. De couranten betoogden dat het den waren republikein paste, in dit byzonder geval bewys te geven van heraldische ontwikkeling, door met byzonderen nadruk aantedringen op de levensverlenging van die hoogheid. Men moest dus roepen:

Leve de Paltsgravin van Aetolie!

De Groothertog van Ysland was de welgeslaagde kleinzoon van ’n kroeghouder. Z’n verdiensten waren drie krantkolommen lang... brevier-letter, en nauw gezet. ’t Volk moest dus even nauwgezet wezen in ’t waardeeren. De man was meester op kling en bâton, en kon zelfs—met ’n beetje inspanning, nu ja—hy kon z’n naam zetten. Langs ’n oceaan van afgronden—zoo zei de krant—had-i zich vervolmaakt tot zwager van ’n halfgod. Ook was-i gewoon zich te kleeden als ’n koorddanser. Wie dus ’t belang des Vaderlands op ’t onbesmet harte droeg—zoo zei de krant—kon niet laten uit zeer onbeklemde borst meeteschreeuwen:

Leve de Groothertog van Ysland!

Er waren nog meer potentaten en potentaatgenooten die Amsterdam vereerden met ’n bezoek. Ze hadden gehoord dat die stad eigenlyk: “la Venise du Nord” heette, en... interessant was, zeer interessant!

En de hollandsche haring! Delicieus! Maar... de Hollanders weten er niet mee omtegaan: ze moet gebakken zyn.

En de hollandsche schilderschool! “Rambrànn... magnifique!”

Er waren nog meer dingen in Holland byzonder goed, gelyk met neerbuigende vriendelykheid door al die hoogheden werd erkend.

—Il paraît qu’un certain Wondèle a écrit des choses, des choses... mais des choses... passablement bien!

En de dyken! De Katwyksche sluis...

Lezer, géén kronologie, wat ik u bidden mag!

...die sluis: gigantesque! De hollandsche natie houdt zich in de snipperuren die ’r overblyven na ’t haringkaken en kaasmaken, by-voorkeur bezig met het breidelen van elementen. Dit was met schaatsryden en harddraven ’t meest geliefd—geliefkoosd, zeiden de kranten—volksvermaak.

Nu reeds kan ik den lezer verzekeren dat het voorname gezelschap met minzame tevredenheid ons land weder verlaten heeft.

De eenige persoon die ’n gansch anderen—doch daarom geenszins tegenovergestelden—indruk meenam... neen, zóó ver mag ik m’n Wouter niet vooruitspringen. Ook ’n schryver heeft z’n plichten.

Den eersten avend zou er geïllumineerd worden. Tweehonderd vyftig duizend vetvlammen zouden de geestdrift van het Volk verkondigen. Geestdrift, voor wàt eigenlyk? Tweehonderd vyftig duizend vurige tongen zouden roepen: hosiannah! Gezegend wie komt in den naam... in den naam van wàt eigenlyk? Hosiannah voor wien, voor wàt?

Nu, dit is ’n Volk onverschillig. Er was praal, pracht en pronk. Er was drukte. ’t Volk heeft iets van kinderen die zich verheugen in ’n verhuisboel, in ’n sterfgeval, in ’n brand, in alles wat hurry en bereddering veroorzaakt.

Wouter had verlof bekomen de illuminatie te gaan zien. Hy getroostte zich het domme gezicht te zetten, dat by zulke gelegenheden gebruikelyk is, en hoorde de praatjes van de menschen die hem omstuwden, zonder acht te slaan op de leegte van die praatjes.

—Nou, dat ’s me ’n ook ’n ulleminatie! Negen pitjes voor zoo’n groot huis!

—Twaalf! riep ’n ander.

—Né, negen!

—Twaalf!

—Negen!

—Drie... drie... drie, en... kyk dáár: drie! Dat’s twaalf, of ik heb ’t mis!

—Né, die drie hooren er niet by. Dat’s van de verdieping, weetje? Want de verdieping is verhuurd. Dat wéét ik.

—O, als je zóó meent! Ik wil maar zeggen dat viermaal drie, twaalf is. Wat zeg jij, Hannes?

Hannes vond het ook. Enz.

—Tot hoe lang zouden die pitjes branden?

—Wel tot... één uur.

—Dat geloof ik niet.

—Ik wel!

—Ik niet! Enz.

—Heb je-n-al gekeken op de Sukkelgracht?

—Och, ’t is er niet mooi.

—Nou, mooier als hier!

—Ja.

—Neen. Enz.

—Zeg, dring zoo niet!

—Ik kan ’t niet helpen. Ze dringen my ook.

—De menschen lyken wel mal. Altyd dringen ze zoo.

—Ja, niet waar? Altyd dringen ze. Weet je wat ik zeg? Ik zeg dat de kalverstraat eens zoo breed wezen moest.

—Ja, eens zoo breed. Want... weetje, wat het is? Hy is te smal. Dat is het!

—Ja, hy is te smal.

—En daarom dringen de menschen zoo, weetje! Enz.

Wouter’s eigen rykdom was hem te onbewust dan dat hy zich kon ergeren aan de walgelyke armoed van geest, die by zulke gelegenheden zich alom vertoont. De tyd was nog niet aangebroken dat-i rilde by ’t áánzien van geestelyke naaktheid. Hoogstens zoud-i bedroefd geweest zyn als z’n blik gerust had op slechtgevoede lichamen, op ’n bedelfamilie in lompen gekleed.

Heel veel moralisten, romanschryvers en vooral staathuishoudkundigen, zyn heden-ten-dage nog niet veel verder dan onze kleine jongen in den tyd der vetpitjes. Zou misschien hiervan de oorzaak zyn dat stoffelyke armoed zich makkelyker laat schilderen? En... genezen?

Zulke gesprekken zyn toch zoo diepzinnig niet. Ieder kan ze schryven. Ieder lezer kan ze vermeerderen tot het oneindige toe. Aan modellen van geestelyke nietigheid is waarlyk geen gebrek.

Inderdaad, de kalverstraat was wat smal, en... “de menschen drongen zoo!”

Wouter werd meegedrongen, en voelde iets als schaamte. Zeker! Was-i niet: “massa” op dit oogenblik? Dat-i stompen en stooten kreeg, hinderde hem minder. Kleinzeerig was-i niet.

Maar: “de menschen drongen zoo!”

Weldra was er voor stomp en stoot geen geschikte ruimte meer.

Men werd geknepen, en wie ten-gevolge van ’n laag zwaartecyfer minder dan anderen aan ’t aardsche gehecht was, rees van den grond. ’n Allergekst excelsior! Wouter werd gedragen, en zag heen over mannen die veel grooter waren dan hy.

—Loop jy op stelten, jongeheer? vroeg ’n dikke vrouw, die met haar heup Wouter tegen de knie schopte. Loop jy op stelten? Nou, dat’s er óók een!

Dit “ook” heeft ’n geschiedenis en ’n pretensie. ’t Beduidt, ziehier ’n spikspelder nieuwe bydrage tot het bundeltje ana’s die ik verzamel. Deze kurioziteit hoort er in! Als je dit niet grappig, vreemd en belangryk vindt...

’t Gedrang werd sterker. Weldra zou de vrouw Wouter op schouder kunnen nemen als ’n geweer. Ook begon-i kans te krygen daarop te-land te komen in hoedanigheid van ruiter. Nog ’n beetje, en hy kon “aangegeven” worden, zooals timmerluî elkaar ’n plank toereiken.

Naar de lichtjes werd niet meer gekeken. Men hield zich bezig met dringen en gedrongen worden. Ook ’n uitspanning!

Neen... de kalverstraat moet niet verbreed, want wel beschouwd is dat “dringen” ’t prettigst van de zaak.

Och, wat zouden die vetvlammen spoedig vervelend worden, als men ze alle tweehonderd veertig duizend—er waren er ’n paar uitgewaaid sedert zoo-even—op z’n gemak had kunnen beschouwen in z’n eentje!

Onze kleine man lag op de schouders en hoofden van z’n medemenschen. Als zekere troonveroveraars: il s’appuyait sur la masse! Wie de geschiedenis van illuminatien en Volken bestudeerd heeft, zal erkennen dat er steviger rustpunten bestaan. Zichzelf, byv.

Gut, onze Wouter was zoo verlegen met z’n drukkende pozitie! Telkens liep hy gevaar zich vasttehouden, aan ’n oor of wenkbrauw. En dit gedoogt de “massa” niet. Gedrukt wil ze wel worden—daar is ze voor—maar wie zich aan haar wil vasthouden...

Krak!

Schrik niet, lezer! Wouter brak niet, maar de geperste menigte had de dubbeldeur van ’n koffiehuis verkracht. De inbersting was vreeselyk. Als berouwhebbende lava stroomde de massa naar binnen, en vulde den krater waarin onze held—na ’t beschryven van den bekenden bruinvisch-parabool—vry geleidelyk en zonder zich te bezeeren te-land kwam op ’n tafeltje...

—Woutertje Pieterse! riep ’t verschrikt gezelschap dat er omheen zat.

—Heb je je zeer gedaan, Wouter?

Neen! Bezeerd had-i zich niet. Maar hy was lam van verbazing. Over z’n verheffing eerst, daarna over z’n luchtreis, toen over ’t neerkomen op en onder allerlei glaswerk, en eindelyk—dit was ’t minst verrassende niet!—omdat-i zich op-eens in den kring bevond van de hem zoo goed bekende familie Holsma.

’t Was Sietske die met lieve belangstelling vroeg of hy gewond was.

“Gods vinger” had al de glazen en glaasjes gebroken, maar Wouter was heel gebleven. Dit was ’n arglistigheid van dien vinger. De bedoeling schynt geweest te zyn den patiënt nog heel anders heen-en-weer te smyten. En als-i nu voortydig gebroken was op dien avend...

Oom Sybrand hielp hem, zoo goed en kwaad het ging, op de been. De zaak had veel moeite in, want de volte was... nu ja, er kon ter-nauwernood iemand by. Maar Wouter was smalletjes, en ’t lukte. De kastelein—op doordringen was geen kans—schreeuwde uit de verte, dat het gebrokene moest betaald worden. Maar ook van andere plaatsen vernam men dergelyk gerinkel. De man was wanhopig. Hy vervloekte alle Koningen... en de massa’s er by.

—Eén flesch wyn... drie limonade... zes glazen stuk! riep Holsma, als om zich aansprakelyk te stellen voor Wouter’s onwillekeurig vergryp.

En oom Sybrand hield ’n paar zeeuwen omhoog.

—O God, m’nheer, ik durf niet thuis komen, riep Wouter! Wie zal dat betalen? Ik heb geen geld, m’nheer! En moeder...

In de drukte verstond Holsma hem niet. Maar Sietske wel.

—Sjt! fluisterde zy. Ik ben zeker dat papa ’t betaalt, maar anders... ik heb wel geld. En Willem ook. En Herman ook. Wees gerust...

Maar dit verstond Wouter weer niet. En toen-i eindelyk onder de hoede der Holsma’s weder op-straat stond, en ’t gezelschap door ’t inslaan van ’n zyweg zich onttrokken had aan de “massa” verklaarde hy ronduit dat hem de moed ontbrak z’n moeder en broer Stoffel onder de oogen te zien, na zóó’n schandaal!

—’t Geld is niets, zei de goede Holsma. Daarvoor zal ik wel zorgen. Maar je bent ontsteld, jongen. Kom even met ons mee naar de kolveniersburgwal, ik zal je wat hofmansdruppels geven. Dan kan je daar bekomen van den schrik.

De afstand van de kolveniersburgwal was niet groot genoeg om Wouter tot bedaren te brengen voor ’t gezelschap daar aankwam.

—M’n moeder zal boos zyn, als ik te laat thuis kom, klaagde hy.

Holsma stelde hem gerust. Er zou ’n boodschap naar z’n huis worden gezonden, om z’n familie te doen weten waar-i was.

De dokter gaf hem iets te drinken, en bracht hem in ’n kamer naast die waar de familie scheen plaats te nemen. Het voorschrift was dat de patiënt daar wat heen-en-weer loopen zou, tot-i zich kalm voelde.

Maar dit vermoeide hem. Hy deed weldra juist wat ’m verboden was, zette zich in den hoek van ’n sofa, en viel in slaap.

Of ’t in het algemeen nuttig is, na ’n schrik in beweging te blyven, kan ik niet beslissen. Zeker is het dat Wouter na hevige aandoeningen altyd groote behoefte voelde aan slaap, en dan ook werkelyk door dit middel—de natuur wees het hem aan—meermalen ’t verbroken evenwicht herstelde. Misschien ook was ’t geen eigenlyk slapen dat hem by zulke gelegenheden te-hulp kwam. Maar geheel wakend was-i niet. Hy droomde.

Er was weer de oude hoogheid in z’n droom. Maar met ’n schok viel-i telkens neer.

En weder klom hy, en weer werd-i opgeheven, hoog, hoog tot in de wolken, en weder maakten duizelingwekkende tuimelingen ’n eind aan z’n zweven.

Daar namen sterke vuisten hem op, en staken hem boven de hoofden uit, en de massa droeg hem, tot ’n man hem in de hand beet...

Hy schaafde namelyk zyn pols aan ’n ongedresseerd paardehaartje dat bezig-was z’n dienst optezeggen by ’t vulsel van de rustbank.

...tot ’n vrouw hem toesnauwde: dom? Niet dom? Wy, wy de massa? Ziedaar!

En men smeet hem neer.

Gelukkig kwam z’n hoofd te-recht in Sietske’s schoot, zonder ’t minste glaswerk.

En als ziedend water opkokend, golfde op-nieuw z’n ziel omhoog. Hy voelde geen handen meer die hem droegen, geen tanden die hem beten, hy rustte op donzige wolken. En hy overzag de menigte onder hem, en was verheugd dat-i zoo hoog daarboven stond, maar wilde toch...

—Ik wil gaarne by u zyn, riep hy, maar maakt ’n plaatsjen open, waar ik staan kan, staan op m’n eigen beenen! Ik zal waarlyk niemand hinderen... gooit me niet! In die drukte kan ik niet denken. Ieder moet handelen naar z’n overtuiging. De massa heeft geen overtuiging. Wie kan denken als er geen plaats is om te staan?

Weer schuurde z’n hand langs ’t weerspannig paardehaartje. Hy verzette zich... en scheen niet geheel-en-al te slapen...

Daar klonk op-eens ’n stem...

Neen! Hy droomde door. Altyd van zweven en vallen. Daar was Femke...

Wel zeker, er moest in z’n droomen iets van Femke! Waar bleef ze zoo lang?

’t Was weer iets van de bleek. Maar pater Jansen was er ditmaal by. De man was zonderling gekleed. Hy zweefde met Wouter omhoog, en vertoonde aan de sterren z’n kostuum: ’n onderbroek... die door háár versteld was! Orion en de groote beer vonden het ding mooi, maar Wouter niet.

—Heb je ’t zelf gedaan, hoorde hy Sietske vragen in de kamer naast hem. Jyzelf, of kon je ’r niet dóór?

—Neen, ik kon niet om de drukte. Maar ik heb ’t den kruier opgedragen.

Wàt? In-godsnaam, wàt?

Wouter richtte zich op. Pater Jansen was weg. Orion en groote beer ook. Ook de onderbroek, en de wolken, en de domme “massa” maar... die stem?

Die stem klonk nog!

En ze klonk weer:

—Ik ken hem heel goed, o, zoo goed! ’t Is ’n lief jongetje! Dàt hoorde hy Femke zeggen!

Hy sprong op, trad haastig de kamer der Holsma’s in, zag nog even het driehoekje van ’t gewaad eener vrouwspersoon die de deur uittrad en sloot...

Hy had den moed niet—of wat ànders was daartoe noodig?—om te vragen:

—Heet dat dienstmeisje... Femke?

Komaan, in Satans naam, vraag of Femke de naam is van die... meid!

Op weg naar-huis had Wouter niet den minsten last van zweven. Hy voelde zich redelyk laag, en had ditmaal volkomen gelyk.

Want... als die byna tusschen deur en post benepen jurk van zyde geweest was...

Of... als-i dat driehoekjen elders ontdekt had, elders! Niet by de Holsma’s! Niet in gezelschap van Sietske die zooveel geld had in haar spaarpot! Niet in dien allerfatsoenlyksten kring! Niet onder de oogen van Willem die hem zoo plaagde met z’n hoogmoedig latyn...

Dan... dan... o zeker!

Dàn!

Maar nu! Maar hier!

Hy was braaf genoeg om zich te schamen. Maar dit is ook ’t eenige wat ik in z’n voordeel zeggen kan.

Overigens...

Alas, poor mankind!

Wat beteekende de dolfyn-parabool op ’t koffihuistafeltje, by zóó’n val?

Hy had zich dezen keer werkelyk bezeerd!

Over de zedelyke strekking van ’t kleerborstelen. Onridderlyke verdichtselen des harten. Godenvingers en duivelsklauwen, tweede editie. De eigenaardige kalmte van ’n kwaad geweten. Iets over driehoeksmeting in ’n bedstee, en maagdeperen in den Jodenhoek. Hm... zy weer!

Juffrouw Pieterse was in de wolken. Ze hoopte dat de kruier die de boodschap had overgebracht, haar huis niet te spoedig mocht gevonden hebben, en dat de man toch vooral hier-en-daar in de buurt te-vergeefs gezocht had naar ’t ware adres.

—Zeker is-i in de kommeny geweest, zei ze, want ze weten nooit waar ze wezen moeten... zulke kruiers! En waarom zoud-i daar niet verteld hebben dat de jongeheer—want “jongeheer” zeid-i—by dokter Holsma leseerde, op den kolveniersburgwal? Want, zieje, zoo’n man praat altyd. Die soort van menschen doen niets als praten.

Nu, ieder mag ’t weten. ’t Is maar om te zeggen dat de menschen altyd zoo praten, en zulke kruiers...

Maar... zeg, Wouter, hoe kwam het toch dat je zoo opeens met de familie meeging? ’t Is nogal heel erg asterant van je. Je bent toch ’n asterante jongen... wat zeg jy er van, Stoffel?

Stoffel zette het bedenkelyk gezicht dat by zulke gelegenheden dienst deed als: “ja nogal!” Of: “ik zal er me op beslapen.” Of: “daar zit meer achter dan sommige menschen wel weten!” Enz.

—Moeder antwoordde Wouter, ik... ontmoette de familie in de kalverstraat.

Waar! Zeer waar! Allerwaarst! Hy had inderdaad de Holsma’s in de kalverstraat ontmoet, wat men mag noemen: ontmoet! De lezer kan ’t getuigen. Maar... waarom vertelde hy niets van den nogal byzonderen modus quo?

Och!

—Wat kleeft die rug, klaagde Petrò die belast was met de zorg voor het “lakensche goed.”

De familie rook, en streek, en wreef, en tastte, en verklaarde eenstemmig dat Wouter’s rug zich had schuldig gemaakt aan ’t inzuigen van allerlei vloeistoffen.

—’t Ruikt zoowaar naar citroen ook, zei Trui.

—Het riekt, verbeterde de schoolmeester, en wy ruiken, Sertrude!

—Och kom... ruik, riek, weet ik het. Ik wil maar zeggen dat het zoo...

—Dat het zoo naar lemoentjes... ruikt, zei de moeder.

—En naar wyn!

—En je kunt er de suiker afkrabben! Waar ben je toch geweest, jongen? Schaam je je niet! By zulke fatsoenlyke menschen op vizite te komen—ik mag wel zeggen: te leseeren, wat zeg jy, Stoffel?—en je dan zóó aantestellen met suiker en citroen op je rug! ’t Is ’n ware schande!

—’t Was zoo erg vol op straat, moeder!

—Van de volte kryg je geen wyn op je rug! En geen citroen ook! En geen suiker ook! Wat zeg jy, Trui?

De eenstemmigheid was kompleet. Schuw als altyd, durfde Wouter niet voor-den-dag komen met de ware toedracht der zaak. En dit zou hem ook niet gebaat hebben. Het begrip der Pietersens was als ’n verstopt slot waarop geen enkele sleutel paste. Wouter wist dit by treurige ondervinding, en liet moedeloos den storm over z’n hoofd waaien, die toch niet kon bezworen worden. Jammer evenwel dat er ook in hemzelf iets verstopt, en dus bedorven was. ’t Hoog gevoel dat hem gewoonlyk bezielde, was geknakt.

Hy had ’n laagheid begaan!

Zóó gevoelde hy. Geen dominee kon ’t wegpreeken! Ja, God-zelf niet! Noch de God van bliksem en donder uit de Schrift, noch de andere...

Die andere!

Waar was-i toen Petrus struikelde? Waarom was hy zoo gierig op ’n beetje staal in ’t mengsel waaruit Wouter’s ziel gegoten werd?

—Maar... als ’t Gods schuld was, dacht-i, dan behoefde ik zoo beschaamd niet te zyn! Dan kon ik zeggen: ja, Femke, ’t is wel waar dat ik ’n ellendeling ben, ’n brok massa, te dom en te laf om verantwoordelyk te wezen voor m’n laffe domheid. Maar... zóó heeft God me gemaakt, zieje! Hy is aansprakelyk.

Dit kan ik niet zeggen! Want... ieder moet handelen naar z’n overtuiging.

Waartoe zou ’n overtuiging dienen, als men de schuld mocht gooien op God? Dàn had mevrouw Holsma wel gezegd: “ieder moet handelen naar Gods overtuiging!” En dit heeft ze juist niet gezegd! Waar zou dat heen!

Ik ben laag geweest, afschuwelyk laag, ik! God is er heelemaal buiten.

Misschien liet hy de zaak toe, om my te doen zien hoe gemeen ik was!

Een hond zou Femke gekust hebben, als-i haar weerzag na langen tyd. Ik ben minder dan ’n hond!

Want... ze wàs het! Zeker, ze wàs het! Of...

O, die huichelaar... hy zocht naar ofjes!...

...of zou ’t misschien ’n ander geweest zyn? ’t Kan heel best ’n ander geweest zyn! Hoe zou Femke dáár komen!

Neen, neen, neen, zy wàs het! Zei ze niet dat ze my zoo goed kende? Zei ze dat niet met de stem die my ’n lieven jongen noemde toen ze my dien kus gaf by ’t brugje?

Ze heeft my gekust en ’n lieven jongen genoemd! Ze wist toen nog niet dat ik ’n ellendige bloodaard ben, zonder hart!

O, zeker zou zy me niet verloochenen, miskennen, verraden! Zy zou gewis overal en tegen ieder zeggen: “dat is Wouter, die m’n vrindje... was, en dien ik eens ’n zoen gegeven heb omdat-i zich dapper toonde tegen de jongens die steenen wierpen op m’n bleek!”

En ik... o God!

Neen, God blyft er heelemaal buiten. Ik ben lafhartig. Zóó kan ik niet leven!

Hy dacht aan zelfmoord. En in deze stemming bracht-i den nacht van donderdag op vrydag door. Zelfs overleefde z’n wanhoop de duisternis. Hy stond dien vrydag op, met het vaste voornemen ’n eind te maken aan z’n onwaardig bestaan.

Heel gelukkig evenwel werd-i terstond na ’t ontbyt aan ’n bezigheid gezet die allergeschiktst is om iemand met het leven te verzoenen.

Men had hem met algemeene stemmen veroordeeld tot het reinigen van z’n jasje—een vonnis dat m’n volkomen goedkeuring wegdraagt—en hy spande zich zóó in, dat-i na ’n uur arbeids met betrekkelyke tevredenheid naar z’n moeder liep, en juichend uitriep:

—Kyk, moeder, er is niets meer van te zien!

’t Onnoozel triumfjen over ’n kleine moeielykheid joeg de wolken voort, die z’n gemoed beneveld hadden.

Men zou voor z’n plezier in limonade vallen, als men wist hoe weldadig de inspanning werkt die noodig is tot het reinigen van ’n paletootje.

De ongelukkige die nooit z’n eigen kleeren borstelde, kent het leven niet.

—Ik zal haar vergeving vragen, dacht Wouter.

En by dit... oneerlyk voornemen lei zich de storm die z’n gemoed beroerd had, geheel neder.

“Oneerlyk” noemde ik dit omdat het ware berouw geen vergeving zoekt by anderen, maar by zichzelf. Wie met ’n uitgesproken klank tevreden is, wie z’n geweten meent te kunnen paaien met ’n kwitantie van schuld, geteekend door ’n ander...

Ei zie, daar ben ik alweer op het terrein van schuldvergiffenis en genade! Pas-op, lezer, juffrouw Laps is in de buurt! Wie haar niet ontmoeten wil, moet dit hoofdstuk overslaan. En vooral dien vrydagavend niet by de Pietersens komen. Want dáár zou ze optreden, en wel ditmaal met haar wouterkundig: voilà Toulon!

Maar eerst moet ik nog iets zeggen over ’t ellendig gehalte van Wouter’s schuldbesef. Zeker, hy zou vergiffenis vragen! En na ’n beetje getob zou Femke zeggen—precies als in Kotzebue’s Menschenhaat—“ik verrrgeef het u!”

En dan zou de zaak zyn als niet gebeurd.

Hoe sneller hoe beter dan!

Een ondragelyken last werpt men terstond neer! Terstond!

Wouter’s last bleek niet ondragelyk. Want hy besloot hem nog ’n tydje te blyven dragen.

De oorzaak hiervan was deze. Om Femke te spreken moest-i naar de Holsma’s. En dit... durfde hy niet. Wat zouden die menschen ’t gek vinden!

Gáán zoud-i, o zeker! Maar... niet op dien vrydag!

’t Kon immers best wachten tot-i eerst ’n paar dagen... “in den handel” geweest was? Dit geeft houding, vond-i, en dàn zoud-i zeggen...

Nu ja, hy zou vergeving vragen, en Femke “heusch” verzekeren...

De uitvinding van dit “heusch” was zoo kwaad niet. By lamlendige beroerdheid... frazen vóór! Van welken letterkundige had onze misdadiger dit geleerd?

Hy zou haar verzekeren...

Wàt?

Dit, byv. dat de Weledele heeren Ouwetyd & Kopperlith in wier “handel” hy nu was aangeland...

Ja, ja, hy zou iets vertellen van de Weledele heeren Ouwetyd & Kopperlith en hun “handel.”

Dan hoefde hy niet zoo naakt voor-den-dag te komen met... dat andere.

Misschien zou z’n nieuwe chef hem pryzen over... z’n krulletters! Of over z’n aardrykskunde! Of over z’n strabbische uitgeleerdheid! En dan kon-i tegenover Femke z’n schande hullen in ’n wolkje van allervereerendste byzaakjes. ’t Meisje zou verbaasd staan over z’n knapheid, en ten-slotte hèm vergeving vragen voor de vrypostigheid dat ze zich had laten verloochenen door zóó’n handels-fenomeen!

Aldus redeneerde Wouter niet. En zelfs niet op deze wys werd hem z’n onbewust gevoel kenbaar, doch... er was iets in hem—wat dan ook!—dat voorwendsel en verschooning leverde voor ’t niet doen van z’n plicht.

Bovendien... die plicht was zoo makkelyk niet!

Naar den kolveniersburgwal gaan? Goed.

Aanschellen? Goed.

Maar... wat dàn?

De deur zal geopend worden. Door wien? Juist immers door de dienstmaagd uit Joh. XVIII, vs. 17, wier aanblik meer dan iets anders den wankelmoedigen Petrus weerhouden zou van ridderlyke oprechtheid?

De zaak is dat onze Wouter zich niet waagde aan dokters Kaatje! Wat zoud-i zeggen? Iets als:

“Vryster, ik moet Femke spreken, ’t adjunkt-kindermeisje?”

Daar hoort wat toe, waarachtig!

En dàn?

In de gang... ’n knieval doen? Of zelfs—o gruwel!—in de keuken?

Om-godswil, lezer, wat zouden al de ridders uit z’n boeken daarvan zeggen!

Welke Turk zou zich laten doodslaan door iemand die zich schuldig maakte aan zoo’n dorperheid?

Die engelsche lord zou hem zeker geen hand geven—en de Afrikanen geen kroon!—als-i...

Zou Ivanhoe ’t gedaan hebben? Neen! Ypsilanti? neen! Themistocles? Neen! De “Eduards” van Lafontaine? Hm... dit kon-i niet zoo stellig ontkennen. In de werken van dien schryver komen inderdaad huiselyke trekken van ridderlykheid voor. Maar... ze staan in ’n boek, en de lezer kykt er naar, en zal ’t weten dat er, zonder harnas, pluim of veldgeschrei dan, groote daden geschieden in ’n hoekje. De auteur heeft gewaarschuwd: het boekeheldje kampt onder de oogen van ’n publiek.

Zou ook dokters Kaatje gevoelig zyn voor ’t grandioze van de vernedering, als ze daar Wouter zag geknield liggen op de vloermat? Zoo’n held in de boeken heeft makkelyk plichtdoen. Ieder slaat acht op z’n prouesses, en weet ze te schatten.

—Welnu, dacht Wouter, ik zàl m’n plicht doen, o zeker, ik zàl! Maar eerst “in den handel” en bovendien...

Een nieuw duiveltje bekroop z’n gemoed. Wie weet of Femke niet spoedig de Holsma’s verlaten zou, en terugkeeren naar ’t huisje by de aschpoort. Dáár... of in de buurt... of op de “paden”... of by ’t brugje, zou alles makkelyker gaan, dacht hy. Daar was geen nood van Kaatje’s fâcheuze tegenwoordigheid, noch van Willem’s onmenschelyk latyn. En ook Sietske die zoo majestueus sprak over drie-guldens...

De lezer gelieve optemerken dat er ’n leelyk deficit bestond in Wouter’s gemoed en dat de aanzuivering daarvan meer moeite kostte dan ’t reinigen van ’n bemorst jasje.

Dat overigens ’t verloop van z’n... liefde voor ’t meisjen, ’n geheel andere richting insloeg dan z’n onschuld...

Hier spreek ik van verloren onschuld, en ik meen te weten wat ik zeg!

...nu, dit spreekt vanzelf! Om lieftehebben, moet men goed zyn, en Wouter was niet goed op dien vrydag!

Nu komt de “vinger Gods” die hem straffen zou. Dit goddelyk lichaamsdeel lei ’t zonderling aan.

De vrydag hield zich alsof-i voorby was. Wouter maakte zich gereed z’n nauwe bedstee te beklimmen in opgeruimder stemming dan hem paste. Hy had zelfs geen lust in ’t kibbelen met Laurens, die altyd—zonder pretentie op ’t konstrueeren van ’n meetkunstig werkstuk—de diagonaal beschreef.

Zeer eigenaardig nam ons Petrusje zich voor, z’n inslapen te doen voorafgaan door ’t overdenken van de voorvalletjes die gedurende den afgeloopen dag aan de orde waren geweest.

Heel natuurlyk! Hy voelde geen lust zich bezig te houden met zichzelf, wat anders z’n gewoonte was.

Zekere prins had geld onder ’t volk gestrooid...

—Hé... als ik zoo’n prins was!

Nu, deze indruk was de leelykste niet. De meeste jongens denken in zoo’n geval: hé, als ik mocht meegrabbelen!

De Paltsgravin van... hoe heet het land waar ze vàn was? Ik heb geen lust den naam optezoeken dien ik haar gaf. ’t Mensch was in ’t Trippenhuis geweest, en daar—volgens de couranten—minzaam, zeer minzaam...

—Dàt zou ik ook zyn, dacht Wouter, als ik... Paltsgravin was. Wat is dat toch voor ’n betrekking?

De Koning had audiënties en ’n diner gegeven, en gezegd... och, de gewone praatjes. Maar voor Wouter waren ze nieuw en belangryk. Het welzyn van de Hoofdstad ging Z. M. byzonder ter-harte. Wouter ook. Dit belette niet dat hy deze byzonderheid heel lief vond in den Koning. In Afrika zoud-i precies hetzelfde doen! En zyn hoofdstad...

Neen, weg met Afrika!

Hy smeet z’n linkerkous onzacht weg, zoodat het ding zich om den sport van ’n stoel slingerde als ’n stervende paling.

Weg met Afrika! Want...

Daar rees de schim van Femke op, en dreigde, en vroeg of zy haar plaats verbeurd had op dien troon? En of ze...

Weg met Afrika!

Wat al zonderlinge vertellingen over prinses Erika! Men zei dat ze huwen moest met ’n grootvorst, maar... geweigerd had.

Alle burgerlui vonden dit heel mooi, zonder nog te weten of ’t niet ’n malle koppigheid was van prinses Erika.

Ze was zoo zonderling van gedrag en manieren, en kon zich niet schikken in de hoogheid van haar stand...

Wouter trok z’n tweede kous uit, en keurde ’t af dat prinses Erika geen lust had in aanzienlykhedens. Hm... zou ze misschien willen ruilen? Hy: prins Erik. En zy...

Zou ook zy ’s nachts zoo’n leelyke muts opzetten? Wel neen, dacht Wouter, prinsessen dragen mutsen van diamanten. ’t Is waarlyk zonde en jammer dat zoo’n schepsel haar geluk niet waardeert!

En dit scheen toch ’t geval. Toen ze met de Paltsgravin uit het Trippenhuis kwam—waar ze minzaam geweest was—had ze geweigerd terstond mee terug te ryden naar ’t paleis. Ze wou den “amsterdamschen Jodenhoek” zien, en nam flinkweg ’n kamerheer onder den arm, die haar den weg wyzen zou. De man kende dien zelf niet, en had alle moeite haar te loodsen tot op Vlooienburg... in ’t hartje! En zie, hy droeg ’n korte broek—gelyk byna iedereen, in Wouter’s tyd—en zyden kousen. En die kousen werden bespat. En prinses Erika had er zoo om gelachen. En nog meer onvorstelyke zonderlingheden van die soort...

Maar dit alles stond niet in de courant. De krant sprak alleen van de minzaamheid.

Nu, ook op Vlooienburg was de prinses allerminzaamst geweest, of zelfs meer dan minzaam. Ze had ’n heele kruiwagen vol maagdeperen leeg gekocht, en de straatjeugd gebombardeerd met handenvol sappig genot.

Maar dit stond alweer niet in de krant. De redakteurs wisten niet hoe ze dat voorvalletje salvâ reverentiâ zouden inkleeden, en bepaalden zich dus maar tot de alom bekende minzaamheid. Toch had ieder er van gehoord, al wist men dan niet of ’t waar was. Duizenden schiepen er stof uit tot drie vertellingen. Eerst: dat het geschiedde: “wezenlyk!” Daarop dat het ’n verzonnen praatjen, niet geschied was: “wat ik je zeg!” Eindelyk: dat het wel deze keer misschien niet geschied was, maar dat, wel beschouwd, zoo-iets wel ’ns op ’n anderen keer geschieden kon, en dat het zeer moeilyk was altyd precies te weten wàt geschied was, en wat niet.

Dit vind ik ook.

Prinses Erika...

Wouter blies z’n kaarsjen uit, of wilde dit doen. Hy had peiling genomen op een der twee scherpe driehoeken die Laurens hem te kiezen had gegeven, en op-eens verneemt hy groote ontsteltenis in den huize Pieterse: beroering!

’t Is waar, er was drie, vier malen hevig gescheld, ja gebengeld. Brand?

Hm! Zou ’t misschien prinses Erika wezen, die komt ruilen?

Och neen, ’t was juffrouw Laps.

Ruilen kwam ze niets.

Maar wat dàn, zoo laat op den avend?

Wouter trok z’n ééne been terug uit den tophoek, en luisterde.

Wy ook!

Zelfs juffrouw Laps zegt soms ’n waarheid die ’t overdenken en toepassen waard is. Dezelfde autoriteit in-zake: menschenkennis. Don Quixote de la Mancha. Goden, duivels en... Fancy.

Het vertrekje waar Wouter met Laurens in één bedstee sliep, was boven de huiskamer. Ze deelden dat verblyf met twee van hun zusters, en moesten uit kiesheid altyd ’n kwartiertje vroeger slaap voelen dan die jonge-juffrouwen.

Ik ben niet geleerd genoeg om te weten hoeveel zuurstof vier jonge menschen gedurende acht uren noodig hebben om net even niet te stikken. Maar benauwd wàs ’t in dat hokje! Soldaten zouden “gereklameerd” hebben.

In ’n ander lokaaltje had ’n soortgelyke verdeeling van engte plaats, en ook daar werd het oogenblik van slaperig worden geregeld en bepaald door gelyke wetten van kiesheid.

Met ’n weinig administratief genie zal nu de lezer kunnen berekenen wat de oorzaak was dat ’n gedeelte van den grooten staf der Pietersens—en wel het deel dat tot de klasse der vrouwspersonen behoorde—nog altyd in de huiskamer by-een zat, op ’t oogenblik toen Wouter zich voordroomde dat die gekke prinses Erika wel ’ns in ’t hoofd kon krygen met hem te komen ruilen van pozitie.

In-plaats dáárvan echter, hoorde hy de stem van juffrouw Laps, die als ’n razende de trap scheen opgevlogen, en schreeuwend, snikkend en huilend het huisvertrek binnenstormde.

De gewone tusschenwerpsels van: “mensch, wat is er?” en: “goeie god, wat is er gebeurd?” waren afgeloopen. Wouter kon waarnemen dat het traditioneele glas water was aangeboden en leeggedronken, en tevens hoe men de blykbaar allerdiepst-ongelukige vriendelyk uitnoodigde om “te bedaren.” Een zonderling voorstel altyd.

Juffrouw Laps begon met de zeer verstaanbaar geartikuleerde verzekering dat het haar onmogelyk was ’n woord uittebrengen.

De zaak scheen dus belangryk. Wouter trok z’n eene kous weer aan om beter te kunnen luisteren.

—Ik zweer je by God allemachtig, juffrouw Pieterse, dat ik niet spreken kan van schrik en alteraasie.

—Gut, mensch!

—Waar zyn je kinderen... allemaal? Al naar bed? Toch nog niet naar bed, wil ik hopen! Ik kan waarachtig niet spreken! Nog ’n glas water, Trui! Hoor ’ns hoe ik bibber... ’n mensch klappertandt van schrik, niet waar? Dankje, Trui, en waar is... Stoffel?

—Wel, mensch, die kleedt ’m uit. Hy gaat me vóór, my en Petró. Want... Mine schopt zoo, weetje, en Trui moet by de jongens wezen... anders vechten ze. En daarom slaap ik met Petrò, weetje. En daarom kleedt Stoffel ’m uit, en dan sluit-i z’n gordyntje, weetje, als-i ons op de trap hoort. Maar, mensch, wat scheelt er an?

—Ja juist... wat me scheelt, niet waar? Ik ben geschrokken, erg, heel erg! En is... Laurens ook al naar bed?

—Gut ja, mensch, al lang! Want-i moet vroeg op z’n drukkery wezen. Maar...

—Allemaal al naar bed! En ik...ik loop als ’n ongeluk langs de straat, als ’n mal mensch—van schrik, weetje!—en weet niet waar ik belanden zal. Zóó? Is hier... iedereen al... naar... bed...

—Maar wat is er dan toch gebeurd?

—Ik zal ’t je zeggen, juffrouw Pieterse... och, als je wist hoe ik geschrokken ben! Verbeelje...

Wouter trok uit ’n akoustisch beginsel z’n tweede kous aan.

—Je weet, juffrouw Pieterse, dat er tegenwoordig veel gestolen wordt?

—O ja, maar...

—En ingebroken? En gemoord? En dat de politie er maar niet achter komen kan wie dat telkens gedaan heeft? De moord van de oude Mevrouw en haar dienstmeid, in de Lommerstraat...

—Maar mensch, daarvoor zitten er drie in de gevangenis! Wat wil je meer?

—’t Mocht wat! De moordenaars loopen vry rond, wat ik je zeg! Dat gevangen-zetten van die drie kerels is maar om ons ’n doekie voor de oogen te binden, en dat de menschen niet vragen zullen: waarvoor dient de jistiessie, zieje! De luî die ’t gedaan hebben, willen wel zoo, en hebben al den tyd om op ’r gemak hun boeltjen opteknappen. Want weetje wat ik altyd zeg... ik zeg dat ’n gemeene kerel die ’n moord doet, en veel geld steelt, z’n bebloede kleeren niet kan verdonkeremanen. En al dat geld ook niet!

Want, zeg ik, hy is niet gewend met zooveel geld omtegaan. Al z’n buren kennen z’n buizen en broeken van-buiten. ’n Kast waarin-i wat kan wegstoppen, heeft zoo’n man niet. Verstand van effekten of obbeligaassies ook niet! En den weg naar ’t buitenland weet-i ook niet! En vrinden die hem den weg wyzen om van z’n boeltjen aftekomen, heeft-i ook niet! Zoodat ik maar zeggen wil dat... ’n moord of ’n diefstal, of... zoowat... als ze den moordenaar niet terstond pakken... nu, juffrouw Pieterse, dan zeg ik dat het door ’n fatsoenlyk man gedaan is, die meer rokken en kasten en kemsoossies heeft dan alleman weet, en... ongeteld linnengoed, zieje! En vrinden onder bankiers, zieje, die ’m afhelpen van z’n obbeligaassies. ’n Gemeene vent zou honderdduizend gulden in z’n broodkast leggen, en daar vinden ’t de kinderen als ze boter snoepen. Wat zeg jy, Trui?

Trui had nooit nagedacht over dezen wel-eens uit het oog verloren grondregel van kriminalistiek. Althans Wouter vernam geen antwoord, schoon de nieuwsgierigheid hem noopte z’n broek aantetrekken.

—Maar, hoorde hy op-nieuw z’n moeder vragen, wat is er dan toch met je gebeurd?

—Wat er gebeurd is? Ik ben geschrokken... kyk, hoe ik bibber! De stad is vol moordenaars, juffrouw Pieterse!

—Lieve-god, mensch, wat kan ik daaraan doen?

—Niks, juffrouw Pieterse, heelmaal niks! Maar ik ben geschrokken, en kom je-n-om raad vragen. En... gaan Stoffel, en... Laurens, en... iedereen hier altyd zoo vroeg naar bed? Kyk, hoe ik nog bibber. Zou je wel gelooven dat ik niet naar m’n huis durf te gaan?

—Maar waaròm dan niet? Denk je dat ze je vermoorden zullen?

—Ja, juffrouw Pieterse, dàt denk ik! De moordenaars van die ouwe Mevrouw en haar dienstmeid loopen nog altyd rond—gister by de ullemenatie hebben ze god weet hoeveel horlogies gerold!—en de policie... weet je wat de policie doet? Ze kykt of iemand ’n vloerkleed uitklopt na tienen ’s morgens... dàt doet de policie! Maar al die moordenaars laat ze loopen. Dat zeg ik!

—Maar wat weet je dan van die moordenaars? Geef ze-n-aan, als je ze kent! Dat ’s je plicht, mensch!

Wouter trok z’n vest aan, en deed ’n dasjen om.

—Wat ik er van weet! Ze belagen me-n-in m’n eigen huis! Is ’t erg of niet? Ik ben van middag uit geweest, om ’t hardzeilen op den Amstel te zien. Maar er was niets te kyk, omdat er geen wind was. En ’t was heel vol op den weg, en by den Amstel ook, tot Ouwerkerk toe. Al die koningen waren er, en die vreemde prinsen en prinsessen, weetje, en de menschen keken naar de koetsen, en ik ook. Niet dat ik om ’n koning geef, gut né! Want hy is ’n wurm in Gods hand, net als jy en ik, en als de Heer hem niet steunt... och al ’t aardsche is maar gekheid. Stof en asch... geloof dàt maar! Maar ik keek naar de koetsen, weetje, en naar de paarden, en naar al ’t volk... dat er naar keek. En ik dacht zoo by mezelf, als ik vanavend thuis kom, zal ik m’n aardappelen opbakken, want... die had ik over van van-middag, en als ik aardappelen over heb, bak ik ze ’s avends altyd op, weetje. En er was groot gedrang by den Amstel, en ’t speet ieder zoo dat er geen wind was, want de menschen zyn dol op plezier, en slaan geen acht op wat des Heeren is. Wereldsch waren die prinsen en prinsessen... kyk! Ja dacht ik, ’t wondert me volstrekt niet dat er zoo erg gemoord wordt, en gestolen, want ze verzoeken God. En: de Heer zal jeluî wel krygen, dacht ik, maar Hy wacht z’n uur af. Want, juffrouw Pieterse, dàt doet-i altyd. Eén dame—’t mensch had roode puisten in ’t gezicht, en was nog ouder dan jy, juffrouw Pieterse!—wat denk je dat ze-n-op ’t hoofd had? ’n Tulleband, mensch! En ze zat in ’n koets met vier paarden. Is dat den Heer tergen of niet? Dat vraag ik maar! En ze speelde met ’n soesoe, en toen er ’n prins te-paard naast haar koets kwam, stak ze d’r hand uit het portier, en liet ’r soesoe driemaal op-en-neer gaan. En dat deed die prins ook. Waren ze mal of niet? En wat moet de Heer daarvan zeggen. Als er geen pestilentie komt...

—Maar... wat is je dan toch overkomen?

—Ja juist... wat me-n-overkomen is? Dàt zal ik je zeggen... maar ik beef nog zoo. Ik had m’n aardappelen aan schyfjes gesneden, en op ’n schoteltjen in de kast gezet. Want, dacht ik, als ik thuis kom, kan ik terstond aan ’t bakken gaan, want ik hecht niet aan wereldsche dingen—want ik heb de genade, weetje—want ik dacht zoo by mezelf, dat ik niet lang onder al die menschen blyven wou... gut, juffrouw Pieterse, je moest... Stoffel roepen. Dan kan-i hooren wat me-n-overkomen is.

Stoffel was reeds in aantocht, en dit deed Wouter genoegen. Hy had geruisch in de kamer naast zich gehoord, en grondde op Stoffel’s opstaan de hoop dat ook hyzelf weer voor-den-dag zou mogen komen, om ’t spannend verhaal wat meer op z’n gemak aantehooren dan door de porien van z’n kamervloer. Intusschen had hy zich geheel gekleed, omdat-i niet door juffrouw Laps wou gezien worden in z’n nachtpon. Hy nam nu waar dat Stoffel de, huiskamer binnentrad, en dat de bezoekster, na den gewonen groet en de plechtige verzekering dat ze nog altyd van ’t bibberen niet spreken kon, de vraag deed: waar toch... Laurens bleef?

Laurens? Wèl, hy sliep, en leverde door z’n neusgaten de demonstratie van ’t pythagoreïsch vraagstuk, waarin hyzelf de hypothenuze zoo aanschouwelyk voorstelde.

Dit zou juffrouw Laps volkomen onverschillig geweest zyn, als ze ’t geweten had. Ze wist alleen—en ’t hinderde haar erg, naar ’t scheen—dat... Laurens zich niet bevond onder haar gehoor.

Was dit misschien de reden dat ze zoo talmde met de katastroof? Moest juist... Laurens getuige wezen van de ontwikkeling en de uitbersting? Waarom toch?

—Zeg jyzelf nu eens, Stoffel, of de stad niet vol moordenaars en dieven is?

Stoffel zoog z’n bovenlip naar binnen, en trachtte met de andere de punt van z’n neus te bereiken. De lezer wordt uitgenoodigd dezen mondgreep natebootsen, en hy zal, volgens de door my meegedeelde methode van ziel-ontdekking, nagenoeg weten hoe en wat Stoffel niet antwoordde op deze vraag.

Juffrouw Laps hield zich of ze “ja!” verstond, omdat het zoo in haar kraam te-pas kwam. En dus:

—Zie je wel, Stoffel zegt het ook! De stad is vol dieven en moordenaars, en... ’n fatsoenlyk mensch durft niet meer in z’n eentje naar bed gaan. Dat zeg ik!

—Maar... juffrouw...

—De policie? Gekheid! Wat helpt de policie, als je niet op God vertrouwt? Dàt ’s ’t ware! En wie dàt niet doet, is verloren. Menschelyke hulp... ik kan me niet begrypen dat... Laurens altyd zoo vroeg slapen gaat. Weet jelui wel, dat het niet gezond is zoo veel te slapen! Wat zegt de Schrift? Waak en bid! Maar... ieder z’n sinnigheid! Ik kan je voor God verklaren dat ik niet alleen naar huis durf, en...

Hier vertoonde zich weer ’n “vinger!” Wouter’s nieuwsgierigheid was ten hoogste gespannen. Om beter te kunnen verstaan stond-i in gebukte houding, en leunde met één hand op den rug van ’n stoel. Z’n steunpunt kantelde, de stoel gleed uit, knerste over den grond, bereikte ’n ander meubel...

—Heere-jesis-kristis, wat ’s dàt nu weer? kryschte de moeder. Ben jy ’t, Laurens?

Wouter piepte verlegen terug, dat het: “ik” was. Uit deze stoornis vloeide voort dat-i zich wist overteplaatsen in den kring waar zulke belangwekkende dingen werden verhandeld.

Z’n entrée de salon had plaats onder de allerongunstigste omstandigheden. Hy werd hevig berispt omdat-i “nog” niet uitgekleed was, en...

—Zet jy je bakker op, voor je je kleeren uittrekt?” riep de moeder.

Zoo waar, de jongen had vergeten zich te ontdoen van z’n slaapmuts! Hy meende van schaamte te verzinken. Liever had-i àl ’t andere gemist, dan dat eene te hebben!

—En... wat heb je dáár?

Helaas! Ons heldje was belachelyker nog dan men in-staat is zich te maken met ’n pluimmuts alleen. Er bleek dat-i zich gewapend had met den yzeren staaf die in voorhistorische dagen door z’n vader gebruikt werd tot recht-afsnyden van leêr. Gedurende ’t begin van ’t lapsisch verhaal dat zoo slecht vlotte, meende hy, dacht-i, hoopte hy...

Nu ja, hy verstond iets van ’t oude: “waar blyft Wouter?” Uit den mond der spreekster niet, o neen—’t waren immers juist de woorden die ze by-voorkeur niet uitsprak!—maar... hy meende ze toch te hooren, al kwamen ze tot hem van geheel anderen kant.

Wel was-i dien vrydag laag en slecht geweest, onridderlyk en infaam, maar... hy bleef nog altyd Wouter!

Moordenaars? Dieven? Een vrouw in nood, ’n dame—ze heette Laps, godbetert!—wat anders kon daarop volgen, dan:

—Ce sera moi, Nassau!

en..:

—God laat die moordenaars maar begaan... ik niet! Ik, Wouter! Ivanhoe was-i gewis dien dag niet geweest... helaas! Doch er was toch nog altyd genoeg in hem van zichzelf, om niet lager te staan dan de slechtaard Brian de Bois-Guilbert, die toch ook niet wegliep voor gevaar, al was dan z’n gedrag jegens Rebekka hoogst-indelikaat.

Slecht? Het zy zoo! Maar lafhartig ook? Dat zou te veel zyn.

In zóó’n stemming had Wouter—hy scheen niet te weten dat ook z’n eigen felonie voortkwam uit lafheid!—tusschen z’n tweede kous en z’n broek in, den leder-lineaal gegrepen. En dat ding hield-i nog altyd in de hand, toen er door zoo’n zonderlingen samenloop van omstandigheden ’n welgelukt beroep werd gedaan op z’n moed.

O, eerbiedwaardige, korrekte, maar dikwyls laaghartige, toch altyd onschuldige, kansverevening, waarom moest ge dat onïngetogen ridderzwaard in-handen geven van iemand die vergeten had zich te ontdoen van z’n slaapmuts? Waarom niet die twee belachelykheden in billykheid over Stoffel en den held verdeeld? Waarom niet aan ieder wat? Den een de muts, den ander ’t wapen? Of, beter nog, waarom niet Stoffel den hellebaard in de hand gedrukt, en den slapenden Laurens by uitsluiting belast met het torschen van den gepluimden diadeem? Wat kon het hèm schelen hoe hy er uitzag in z’n bed!

Maar... ’n held, ’n ridder? En dat onder de oogen van de dame die hy beschermen zal!

Arme Rebekka, wanneer Ivanhoe ware te-voorschyn gekomen met zóó’n helm!

Wouter was woedend.

En... ik ook! Op die kansverevening namelyk, en niet zoozeer om de boosaardige kombinatie van muts en degen. Zy is niet te vermyden, en de Don Ouixotten schikken zich. Weldra zien ze die pluimmuts voor ’n stalen helm aan, en hun hemd voor ’n schubbejak.

Niet dáárom alzoo ben ik boos. Ik zou waarlyk te veel te doen hebben, indien ik toegaf in de neiging tot zùlke verstoordheid. Maar om ’n andere samenvoeging die bedroevender is, en waarin ’n braaf ridder zich niet màg leeren schikken.

Wouter was lafhartig geweest, toen-i Femke had behooren te kennen en te èrkennen. En... z’n gevloden ridderlykheid kwam tevoorschyn op ’n roep uit den mond van juffrouw Laps! Dit is erger dan belachelykheid!

Tegenover reinheid had-i zich stug betoond, en arm aan ziel. De rykdom van z’n gemoed berstte weelderig uit, zoodra ze werd opgevorderd door ’t gemeene. Is ’t niet treurig?

Dat de Don Quixotten weldra de onheraldische beteekenis van hun pluimmutsen over ’t hoofd zien—lafaards wachten zich wel voor zulke gekheid!—is begrypelyk, en te vergeven. Maar wie—en op-den-duur—genoegen nemen zou met de verkrachting van zedelyke logika, met het tragisch-heterogeene...

’t Huwelyk van rapier en muts was maar komisch!

... wie op-den-duur zich tevreden stelt met... dat andere, hy is verloren! Hoogstens kan er ’n rykworder uit hem groeien, ’n schoonzoon van Kappelman, of zoo-iets.

Goddank, Wouter zou ’t leeren inzien. De zeer intelligente lezer begrypt immers dat-i anders geen geschiedenis hebben zou? Maar hy was nog in lang zoo ver niet, en meende al veel gedaan te hebben tot herstel van de zoo sarkastisch bedorven tooneelzetting, toen-i met driftig gebaar z’n wapen kletterend op den grond smeet, en z’n muts—flap!—op de tafel.

Niemand had ooit geweten dat het manneke zoo driftig worden kon. Z’n moeder vroeg dan ook met de gewone belangstelling in ’t welzyn van z’n zieltje: “of-i dan in gods-heeren-naam heelemaal bezeten was?” ’t Had er veel van.

De “vinger” van zoo-even zal wel weer de klauw van ’n duivel geweest zyn, of... van den Duivel, naar verkiezing van den lezer.

—Ik zeg dat jelui ’t kind niet zoo moet versagrineeren, zei de bibberende bezoekster.

—Oogenblikkelyk naar je bed! riep de moeder.

—Och, laat het kind zitten! Maar... wat ik je zeggen wou, juffrouw Pieterse, van m’n aardappelen...

Wouter blééf. Dat-i dit kon, had hy te danken aan de algemeene nieuwsgierigheid. Heel gelukkig waarlyk, want ik heb z’n blyven hoognoodig voor de ekonomie van m’n vertelling.

...verbeelje toen ik thuis kwam, zoo tegen half-elf... want ik kòn niet eer, om de drukte, weetje—anders... ik houd niet van remoerigheid, dat weetje wel—nu, toen ik thuis kwam—de stad is vol moordenaars en dieven, dit moet je wèl in ’t oog houden!—toen waren m’n aardappelen... waar denk ie dat m’n aardappelen waren? Ze waren... weg!

—Weg?

—Weg!

—Heelemaal weg?

—Heelemaal... wèg!

—Je aardappelen weg?

—M’n aardappelen... heeeeelemaal... wèg!

—Maar...

—En ik zeg: dat hebben de dieven en moordenaars gedaan! Wie anders? Er zyn moordenaars op m’n zolder, en nu wou ik je vragen... want ik durf niet alleen thuiskomen...

Wouter’s oogen flikkerden.

...ik wou je vragen of misschien... je zoon Stoffel...

Stoffel zette ’n allerzonderlingst gezicht, dat zeker alle moordenaars uitmuntend zou bevallen hebben, omdat het ’n geruststelling bevatte voor de toekomst van ’t métier.

—Maar, juffrouw Laps, vroeg-i heb je dan geen kat in huis?

—Een kat? Ben je mal? ’n Kat tegen moordenaars?

—Né, juffrouw, niet tegen moordenaars. Maar ’n kat die misschien je aardappels heeft opgegeten?

—Ik weet van geen kat! Ik weet dat de stad vol gemeen volk is, dat de menschen vermoordt zonder dat er ’n haan na kraait! Niet dat ik om m’n leven geef, gut neen, niet... zie zóóveel! Als de Heer me roept, zal ik zeggen: laat je dienstmaagd gaan in vrede. M’n oogen hebben je heerlykheid gezien! En dan...

—Maar, mensch, waarom heb je niet op je zolder gezocht, of onder je bed?

—Dat mòcht ik niet, juffrouw Pieterse! Wien God bewaart, is wèlbewaard, maar... men mag den Heer niet verzoeken! Op m’n zolder ga ik niet, en onder m’n bed kyk ik niet, voor alle wereldsch goed niet! Want dáár zit-i zeker! En juist daarom wou ik je vragen of... je zoon... Stoffel... of—als Stoffel geen senie heeft—byv. je zoon... Laurens, of...

—Maar... waarom heeft uwe niet liever de buren er by geroepen, juffrouw?

Aldus sprak Stoffel.

—De buren? Nou, je moet ze kennen, die buren! De man onder me durft geen schoothondjen aan, laat staan, ’n moordenaar! En naast me woont er een die... wat zal ik je zeggen, ’t is ’n jonkman, en je weet dat ik me niet graag in opspraak breng. Want... ’n mensch moet zorgen voor z’n fatsoen, en nooit ergernis geven, dat weet je-n-ook wel.

Niemand kwam op de gedachte, haar te vragen wie of wat Stoffel dan voor ’n wezen was? Géén jonkman? Zoud-i misschien “door z’n school” boven wereldsche verdenking verheven zyn?

—En bovendien, ging de verlokster voort, meen je dat al die mannen kerasie hebben? Ik zeg neen! Ze zyn zoo bang voor ’n dief, als de dood. Verleje week stond er ’n brittale bedelkerel in ’t pertaal, en de vent wou niet weg. Denk je dat ze ’m aandurfden? Maar ik, ik pakte hem flink beet, en...

Ze versprak zich, en bemerkte het:

... nu ja, dat zou ik gedaan hebben als ik niet ’n vrouw was geweest. Want vrouwen moeten zich nooit inlaten met ruwigheid. Dat stáát niet... wat zeg jy, Trui? Ik liep weg, en sloot m’n kamer, zieje! Neen, kerasie hebben al die manlui niet!

“Al die manlui!”

Wouter voelde zich beleedigd, en beefde van ingehouden strydlust, of althans van begeerte om te toonen dat hy niet behoorde onder zùlke “manluî.” Juffrouw Laps merkte ’t wel.

—Nu, als Stoffel ’t niet graag doet...

—Om je de waarheid te zeggen, ik...

... en als Laurens al slaapt. En als... niemand er senie in heeft...

Ze stond op.

... nu, dan zal ik, op God vertrouwend, in m’n eentje... maar griezelig is ’t voor ’n vrouw alleen!

Ze zag allen beurtelings aan, behalve juist den eenen tot wien ze sprak. Wouter moest zich vergeten voelen, over ’t hoofd gezien, en daardoor geprikkeld tot den eisch om beschreven te worden onder de ridderschap van den huize.

... als dan hier niemand is, die durft...

—Ik durf, juffrouw!

Allen stonden verbaasd, behalve onze menschenkenster die niets anders verwacht had, maar toch geraden vond zich even verbaasd te houden als de rest.

—Jy?

—Jy, Wouter?

—Jongen, ben je gek? Jy?

—Ja, ik! Ik durf, al waren er tien op je zolder, juffrouw, en duizend onder je bed!

Hm, zoo’n kleine Luther! Maar er was verschil. Luther had ’n God, waarop-i meende te kunnen rekenen... met behulp van ’n paar keurvorsten... nu ja, die behoefte hadden aan troebel water. Onze Wouter—zònder keurvorsten!—trok als ’t ware ten-stryde tégen den god, die toegelaten had dat er duizend en eenige moordenaars onder ’t dak en bed van juffrouw Laps konden zitten.

—Maar, jongen!

—Ik durf!

—Och, laat hem begaan, juffrouw Pieterse! Je begrypt... het is altyd ’n gezelligheid voor me, zoo’n kind by me te hebben! Zieje, dan griezelt het me minder, als er misschien ’n moordenaar op zolder zit. ’n Mensch wil aanspraak hebben, niet waar?

Ze bereikte haar doel: onze Wouter werd haar meegegeven. Met z’n nachtpon en bakkersmuts in ’n pakjen onder den arm, verliet hy ’t huis. De yzeren staaf werd achtergelaten, omdat juffrouw Laps verzekerde dat zy ’n wel gevuld tuighuis had van gereedschappen waarmee men zooveel moordenaars kon doodslaan als men verkoos.

De oorzaak dat de Pietersens zoo gemakkelyk toestemden in Wouter’s benoeming tot slotvoogd, lag voornamelyk in ydelheid. Eigenlyk keurde het geen der leden van ’t koncilie goed, dat de jongen meeging met juffrouw Laps, maar de familie was groots op z’n moed. De zaak zou bekend raken, oververteld worden, en juffrouw Pieterse zou wel zorgen dat er bygevoegd werd:

—’t Is dezelfde jonge-heer, weetje, die laast geleseerd heeft by dokter Holsma op den Kolveniers-burgwal.

“Ja, ja, er zit wel wat in die kinderen van diezelfde Juffrouw Pieterse!” zou dan deze of gene de goedheid hebben te antwoorden.

En zoo-iets hoort men graag.

Dáárom kreeg juffrouw Laps ditmaal haar zin.

Maar... Fancy?

Preutsch was ze niet!

Dat verloochenen van Femke vond zy èrger!

Doch ook dáártegen zou ze raad weten, zy die alles was, alles wist, alles kon, tot het regelen van de kans-verevening inkluis.

Niet tevreden—o neen!—maar kalm toch, en geenszins wanhopend, ging ze met haren arbeid voort. Er was meer spot dan smart in haar gelaat, toen ze Wouter dien avend den weg zag inslaan naar de woning der oefenaarster. Ze toonde hierdoor hooger te staan dan de engel die door Moritz Retsch tot droefgeestige getuige wordt gemaakt van de nederlaag des jongelings die op ’t schaakbord z’n ziel aan den duivel verspeelt.

Hm... in één party?

Moet dan het behoud der ziel afhangen van één veronachtzaamd: gardez la Reine?

Waarachtig niet!

Men zou wenschen geen ziel te hebben, als ze zóó snel kon verloren gaan!

Eilieve, dan immers stond de party tusschen God en Duivel niet gelyk?

Hoe! Eén misstap, ééne dwaling, één vergissing, zou naar de hel kunnen voeren, en na ’n lang leven vol moeite, arbeid, onthouding en stryd, is er nog ’n byzondere genade noodig om in den hemel te komen?

Dit moet ’n dwaling zyn! Maar... ’n dwaling die ’t verklaart, waarom de galerie zoo gaarne voor den Duivel parieert! En waarom er zooveel speciaal-kunsten worden uitgevonden om God ’n beetje te helpen in z’n ál te ongelyke kans.

Dit hoeft niet!

Fancy zal zich weten te redden. Zich, en... hem dien ze aanraakte met haar vleugel.

Ze laat hem begaan, en doet—als ik!—haar werk. En:

... doet, als ik, haar werk!

En spint den vlok tot draad, en weeft den draad

Tot doek, waarop zy, eindloos voortbordurend,

Den loop van al wat is, te aanschouwen geeft.

En wie ’t verband ontkent, is schuldig blind,

Ter nauwernood onschuldig wie ’t niet kent!

Van dit alles wist Wouter niets. Z’n onkunde mag wel een der oorzaken geweest zyn van de rilling die hem bekroop, toen-i met juffrouw Laps de trap van haar woning opging.

’t Eerste wat ze hem aanbood, bestond natuurlyk in de gebakken aardappelen die opgegeten waren door al die gulzige moordenaars.

Hu! Wouter verbeeldde zich dat-i zou hebben raad geweten met Schinderhannes in hoogsteigen persoon. En al blyft het nu de vraag, of z’n—ongeoefende!—moed niet op ’t beslissend oogenblik in de schoenen zou gezakt zyn, hy méénde toch dat-i durfde. En hy was dan toch begonnen met Schinderhannes inderdaad optezoeken...

Maar... alleen te wezen met die gebakken aardappelen, en met die walgelyke vrindelykheid—wat ranser was wist-i niet!—daar hoort méér toe!

Hy voelde berouw over z’n veronderstelden moed, en begreep niet hoe hy z’n heldentocht had kunnen aanvangen zonder te letten op de onvermydelyke byzaken.

Wèl beschouwd, was-i toch maar liever in een der driehoekjes gekropen, die Laurens gewoon was zoo grootmoedig ter zyner beschikking te stellen.

De lezer maakt kennis met een der meestberoemde Nederlanders van deze eeuw. “En de Heere zeide tot Satan: zie, al wat myn knecht Job heeft, zy in uw hand! Alleen strek uw hand niet aan hem uit.” Hoe juffrouw Laps door vuur van de straat verhinderd werd deze voorwaarde te breken. Een-en-ander over de kalmte van beschermengelen.

—Tast jy maar gerust toe, m’n jongen, en seneer je niet! Of wil je misschien eerst je jasjen uittrekken, want daar je nu toch van-nacht hier blyft, zieje, om op me te passen...

Wouter hield z’n jasje voorloopig aan.

En... ’n lekker likeurtje heb ik ook voor je... ’t is beste! Van Fockink, weetje, die z’n fabriek heeft in... die nauwe straat, je weet wel. Je moet nooit door die straat gaan, want daar wonen gemeene vrouwluî, en die staan aan de deur, zieje, en dat ’s niet goed voor ’n jonkman als jy.

De “jonkman” Wouter keek heel vreemd op, maar ik zou jokken als ik zei dat-i boos was. Juffrouw Laps had met aanbiddenswaardige handigheid hem ’n paar tweede-luitenants epauletten op schouder gespykerd... z’n eersten rang! En welke jongen neemt dit kwalyk? De verheffing tot jonkman was streelender nog dan ’t “in den handel” zyn.

Maar toch, er bleek dat-i verlegen was met z’n nieuwbakken hoogheid. Althans juffrouw Laps vond goed zich te houden alsof ze verstond dat-i toelichting wachtte. De dozis vleiery moest onverkort worden toegemeten.

—Wel wis en zeker, Wouter, je bent ’n jonkman, wist je dat niet? ’t Komt omdat ze je thuis altyd zoo kinderachtig behandelen. Ik zeg dat je-n-’n jonkman bent, zoo goed als de beste! Denk je, byv. dat ik zooveel van... Stoffel houd als van jou? Waarachtig niet! Volstrekt niet! In ’t geheel niet! Ik houd veel meer van jou. Wil je-n-’n pyp rooken? Je bent er mans genoeg toe. Wel zeker, waarom zou je niet ’n pypie rooken, net als andere mannen?

“Mannen!”

Help, Fancy!

Wouter antwoordde dat-i “nog niet” rooken kon. ’t Kostte hem moeite dit te zeggen. Hy was beschaamd over zooveel kinderachtigheid, maar hy moest wel oprecht zyn omdat ’n eerste poging om Stoffel natedoen in deze uiting van mannelykheid, zoo byzonder ziekelyk was afgeloopen dat het voorstel tot herhaling hem schrik aanjoeg.

—Zóó? Rook je niet...

Ze liet het, “nog” weg.

...rook je niet! Heel goed! Eigenlyk is ’t ’n verkeerde gewoonte van de mannen. Dat eeuwige gerook! Ik ken meer jongelui die niet rooken. Daar heb je, byv. Piet Hammel—hy is zoo oud als jy, maar wat kleiner, en vryt met ’n nichtje van me—die rookt ook niet.

Iemand zoo oud als hy, maar kleiner, en die al aan “vryen” deed: help, Fancy!

—Ja, ze willen trouwen, zoo tegen... ik weet niet wanneer. Maar... trouwen willen ze! Zoodat ik maar zeggen wil dat je-n-’n effetieve jonkman bent. ’t Is heel mal dat ze je-n-altyd behandelen als ’n kind! Dàt heb ik wel al honderdmaal aan je moeder gezegd. Daar heb je nu, byv. om ’reis te noemen... zooeven op-straat. Ik was bang, niet waar? Omdat ik maar ’n zwakke vrouw ben, weetje? En ’t was nacht, niet waar? Denk je dat ik nog bang was, toen jy naast me liep? Geen zier! En waarom niet? Wèl, omdat ieder zien kon dat ik ’n manspersoon by me had. Ik had je best ’n arm kunnen geven—je bent heusch grooter dan ik—maar ik deed het niet, omdat je-n-’n pakje droeg. En, bovendien... de menschen praten zoo! Want, zieje, de wacht had het kunnen zien, en dan in de buurt overal rondvertellen dat ik ’s nachts met ’n heer liep.

“Met ’n heer!”

Fancy!

—Want ’n mensch moet altyd zorgen voor z’n fatsoen! Hier binnen’skamers is ’t wat ànders, heel wat anders! Gut, ik weet wel dat jy geen kwaad van me vertellen zult. Wie ’n vrouw bekladt, is geen ware man, dit weet je-n-ook wel.

Ja, dit wist Wouter, al was er meer diepte in z’n besef van loyauteit, dan helderheid in ’t begrip van: “bekladden.” Hy vertaalde juffrouw Laps’ maxime in z’n boekentermen, en las voor: “vrouw” en: “man” de hem gemeenzamer uitdrukkingen: dame en: ridder.

’t Mensch werd dus ditmaal beter begrepen dan zyzelf verwachten of weten kon. Gesteld eens dat Wouter ontevreden ware geweest over de likeur—par impossible, want ze was van Fockink—of dat de olie waarmee ze haar aardappelen bakte, naar bejaardheid had gesmaakt—onmogelyk alweer, want ze bakte met boter, die niet eens veel slechter was dan de gewoonte der hollandsche vervalschings-industrie meebrengt—jazelfs al had-i grond gevonden tot het maken van gewichtiger aanmerkingen... meent men dat ridder Wouter dame Laps zou hebben geschandvlekt? Nooit... “by m’n zwaard!”

De menschkunde van juffrouw Laps ging niet ver genoeg om dit intezien, of althans om hierop zonder de minste voorzorg te vertrouwen. Voor iemand die maar zoowat beunhaasde in menschenkennis, was ’t inderdaad al bekwaam genoeg dat ze zoo korrekt de loopgraven trok om de belegerde vesting. Had ze inderdaad menschkunde bezeten, ze zou geweten hebben dat ze kon stormloopen in alle gerustheid. Maar... dan had ze tevens—door geestelyke oefening veredeld!—geen lust gevoeld in zulke krygstochtjes en dus ’t heele vestinkje met vrede gelaten. Zooals nu de zaken stonden, sukkelde zy, zoo goed en kwaad het gaan wilde, maar voort met de kleine middeltjes die leiden moesten naar ’n mikroskopisch doeltje.

Wat drommel, men kan toch niet meer doen dan roeien met de riemen die men hééft! Brave hoogstrevende lezer, wees niet boozer op de goeie juffrouw Laps dan u past, en vooral... minacht de wetenschappelyke laagte niet van haar taktiekje. Ik ken menigen dokter in allerbespiegelendste wysbegeerte, die niet in-staat zou geweest zyn het mensch voorby- of natestreven op ’t zielkundig terrein dat ze hier betrad, en dat toch, wel beschouwd, niet eens ’t hare was. Want—wie zal dit begrypen?—haar scherpzinnigheid was minder wysgeerig dan sexueel. Nooit immers zou ’n man—overigens gelyk begaafd—uit de sobere gegevens die hààr tendienste stonden, een zóó praktisch operatie-plan tegen Wouter hebben kunnen samenknutselen. En, omgekeerd, zy zou minder bekwaamheid hebben aan den dag gelegd, wanneer niet haar kinderachtig plannetjen in-verband had gestaan met verwrongen geslachtsdrift.

Wie billyk oordeelt vindt haar strategische wendingen om te kussen! Wouter had waarlyk behoefte aan voorlichting van ’n paar gepensioneerde generaals, om uittemaken of er tegen zùlken vyand verdediging mogelyk was?

En... Fancy? Wendde ze treurig ’t hoofd af? Meesmuilde zy? Begon ze te schreien? Brak zy in jammerklacht uit?

Teekent haar de artist—die m’n werken illustreeren... zou, als ik ’t geluk had geen Hollander te zyn—wordt ze hier door den schilder voorgesteld in gebogen houding, handenwringend?

Vlucht ze heen?

Wat toch doet hier onze Fancy?

Komaan, artisten—die m’n werken niet illustreert, omdat ik maar ’n Hollander ben, in-plaats van ’n zevende-klas buitenlandsche beroemdheid!—komaan, ik zal u helpen. Weg met die tranen op Fancy’s wangen...

Een geest weent niet om zoo weinig...

Weg met die geknakte gestalte...

Geesten bukken niet onder zoo geringen last!

Ze weende niet, en boog niet, en vluchtte niet. Ze deed niets van dit alles!

Kalm en ernstig—’n glimlach misstond er niet by!—zette zy haar kans-verevening aan den arbeid. Geschiedde daar op die bovenkamer iets te véél... welnu, er zou méér geschieden, elders of hier!

Aventuur op aventuur, storm op storm, spanning op spanning...

Halt! roepen wy menschjes by zulke gelegenheid. We vreezen dat de natuur der dingen, die slechts in feiten spreken kan, taal zal te-kort komen omdat haar feiten òpraken.

Aventuur op aventuur! Is ’t u te veel? Ei, ziedaar... ’n nieuwen schok!

Spanning op spanning? Te sterk, meent ge? Welaan... dàn ’n nieuwen takel aan de koord geslagen... ze kan méér dragen, méér heffen, en knappen zal ze niet!

Storm op storm! Te hevig, meent ge? De sterke Fancy geneest uw angst met ’n orkaan!

En ze glimlacht!

Want, ziet ge... gy, A, zy is niet A! Want, ziet ge, B... zy is niet B! En ook C is ze niet! En D niet! En de rest niet!

Zy is Fancy, de groote, de ryke, de machtige, de majestueuze.

Zy is de Natuur, die alles in voorraad heeft, en ryker wordt, al gevende. Zy is er geen tiphon armer om, al heeft ze gister nieuwe vastlanden opgestormd uit den oceaan, al heeft ze zooeven met den adem van haar mond melkwegen gezuiverd van nevelvlekken.

De lezer begrypt dus dat en waarom ze zich niet zeer angstig toonde voor ’t gelukken der menschenkennige kunstjes van juffrouw Laps. En ik verzoek hem uit-bestwil, z’n deel te nemen van die kalmte.

Neen, dit begrypen sommige lezers nog altyd niet. Dus meer daarvan!

Wie verzekert ons dat Fancy die kunstjes vreezen zou, ook al was ’t slagen zéker?

Voorwaar, voorwaar, daar is steviger bodem voor ’t goede dan de verleidbaarheid van ’n halfwassen jongeling, al zy het dan dat de zoetigheid van Fockink’s likeurtjes, en de nog zoeter drang van gekittelde ydelheid mee-oprukken als bondgenooten van het booze!

Ook zelfs by zekerheid van den aanstaanden “val”—och, arm!—blyft het misschien de vraag, of ’t Fancy de moeite waard wezen zou de wapens aantegorden in ’n stryd van zoo weinig belang? Dat... “booze” was maar ordinair.

En àls nu eens onze Fancy—uit zoogenaamden luim dan!—mocht blyven versmaden ’t belaagd jongetje by-tyds de hand te reiken, àls...

Juffrouw Laps was ’n slecht wyf. O, zeker! Maar, geloof me, lezer, het doelwitje van haar begeerte beteekende veel minder dan volgens boeken-traditie geloofd wordt. De schuld dezer dwaling ligt aan de vermeende eischen van ’t boekmakers-ambacht. Sedert onheugelyke tyden gebruiken de heeren van ’t métier, dergelyke zaakjes als hoofd-katastroof. ’t Afgezaagd: “en ze viel!” is de lievelings-kataklysme tot opbeurende kitteling van arme lezende zielen.

Ze, ja, ze! Want in-verband met de duurte der voedingsmiddelen, en de daaruit voortspruitende behoefte aan ’n “fatsoenlyk huwelyk”—ik erken volmondig die behoefte, doch alleen: “omdat uwe harten boos zyn”—is ’t vallend voorwerp gewoonlyk ’n stumperige “zy.”

Welnu, die “zy” begaat ’n fout als ze valt. Men moet niet vallen. Al vinden de lezers—die de zaak hardschreeuwend afkeuren!—zoo’n “val” allerplezierigst, en ’t onmisbaar element in ’n “mooi” boek: men moet niet vallen!

En wanneer by uitzondering de valler ’n “hy” is ...

Minder pikant, omdat de maatschappelyke pozitie daardoor niet aan ’t wankelen wordt gebracht. Wouter, byv. zou geen haarbreed ongeschikter voor den “handel” geworden zyn wanneer-i z’n jasje had uitgetrokken, en z’n... vestjen er by!

... als er ’n “hy” valt...

Wèl, dan heeft-i ’n fout begaan, ’n Mensch moet niet vallen. Hy heeft beter dingen te doen.

Doch—“hy” of “zy” dan—leugen is ’t, zulke nietigheidjes voortestellen als uitgangspunten van wel-gekonditionneerde verdoemenis!

Dààrtegen protesteeren Jezus en ik.

Neen, heeren predikers van kakangélien, zóó makkelyk komt men niet in de hel! Zóó ligt is de taak van den Satan niet! Dat mocht-i willen, de oude stumpert!

Leugenachtig dus is die triumfelyke voorstelling van ’t kwade. Zoo overdryven kwakzalvers ’t gevaar van ’n lichte ongesteldheid, om hun poeiertjes aan-den-man te brengen.

En leugen is ’t ook uit ’n aesthetisch oogpunt, als men van zulke armzalige gegeventjes alleen, ’t zedelyk schoon of de leelykheid eener figuur wil laten afhangen.

Byna zou ik lust gevoelen, juffrouw Laps ’n handje te helpen in haar plannetjes—’t staat aan my!—om te doen in ’t oog springen dat m’n heldje, zóó gevallen, nog altyd redelyk wel tot stáán kan worden gebracht. Maar ik heb ’t recht niet, m’n Fancy vóórtegrypen, die wel weten zal wat er te doen is. En hierop reken ik dan ook, dat zy me wel gelegenheid verschaffen zal ter-zyner-tyd aantetoonen dat zulke valgeschiedenissen...

Met... dàt, kan men goed zyn, of goed worden.

En velen zyn afschuwelyk, zònder... dat!

Vlek is vlek, bezoedeling is bezoedeling: geen genade voor de minste afwyking van de wetten der zedelyke logika...

Zóó immers wordt “deugd” by denkers genoemd?

Maar die zedelyke logika zou verkracht worden door de ongerymde machtsverheffing van ’n zweertje tot kanker.

’t Is lasteren van de deugd, haar by-uitsluiting te zoeken in ’t vermyden van zulke mis... greepjes.

En we doen aan de ondeugd te veel eer, als we haar vervloeken pour si peu!

Goddank, er zyn—’t geringe niet minachtend—verhevener dingen te bejagen!

Goddank, er zyn—zonder de minste vergoelyking van pekelzondjes—vreeselyker zaken te vermyden!

De te grypen eerekroon in ’t strydperk der Mensheid, hangt hóóger. En wel is ’t jammer dat zooveel mislukte gladiatoren krom groeiden door de opgedrongen hebbelykheid om steeds te bukken naar den lagen prys dien ze deelen met ’n eunuuk.

Excelsior, heeren schryvers en lezers en deugdwetgevers en onthoudingpreekers, en verdere gladiatoren in miniatuur!

Komaan, moralisten, al hàd nu eens onze Fancy geslapen dien nacht, of al wàre ze ’s morgens ontmoedigd weggeklept naar ’t hof van Wouter’s moeder, om daar de treurmare te brengen dat prins Upsilon gestruikeld was...

Zou ze niet met ’n strenge vermaning zyn teruggezonden naar ’t zoo ontydig verlaten strydperk? Liep ze niet gevaar—zyzelf nu, de wachtster!—veranderd te worden in ’n zandkorrel, wegens al te grove miskenning van haar plicht?

Er hoorde moed toe—krankzinnigheid liever!—dáár aantekomen met de boodschap:

Scheur u het starrengewaad, o gy arme gebiedster der geesten:

’t Hemelsche Ryk heeft ’n eind ... maak voor uw meerdere plaats!

Laps sloeg ons prinsje te-pletter, my, u, ons allen, godbetert,

Wat de geesten zouden gelachen hebben!

Wanneer Fancy aldus gesproken had, zou zy inderdaad één element van bederf dat den vyand ten-dienste stond, hebben overgeslagen. De fleemery met het verrassend jonkmanschap miste niet allen grond. Wouter was inderdaad opweg om ’n jonkman te worden. Misschien wàs-i ’t al. Wie hem dit kwalyk neemt, moet ook afkeuren dat z’n bovenlip begon te roepen om... den barbier wel niet, maar om de schaar toch.

—Zoodat ik maar zeggen wil, dat je nooit die steeg moet passeeren. Als je-n-’n kind was, zou ’t geen kwaad kunnen, want ’n kind heeft geen erg. Maar jy!

Zeker, hy moest “erg” hebben! En z’n jeugdig kneveltje was er volstrekt niet tegen om “erg” te krygen. “Al wat van zelven wast, behoeft men niet te zaaien!” zei Kamphuizen. Onze hovenierster liet het daarop niet aankomen, en zaaide zoo hard ze kon. Zelfs was ze niet afkeerig van ’t begieten.

—Laat my je nu reis inschenken...

Wouter dronk.

En ... Fancy?

Ze glimlachte!

Allerlichtzinnigst voor ’n hofdame uit het gebied der geesten?

Toch niet!

—Hoe vind je nu dàt likeurtje?

Wouter erkende...

Fancy, Fancy!

Wouter erkende dat-i smaak vond in de parfait-amour uit de steeg die-n-i niet passeeren mocht omdat-i te groot geworden was om zich welstaanshalve te onthouden van “erg”.

En ’t winkelmeisje van Satan schonk hem nog eens in. De glaasjes waren zoo klein, zei ze, ware notendoppen! Nu ja... doppen van zeer groote noten dan.

—En, je moest er wat by eten ook, m’n allerbeste jongen—gut, ik heb altyd zooveel van je gehouden—dat ’s zoo gezond by ’n likeurtje!

God-vergeef-’m-de-zonde, Wouter begon te eten ook! Nog ’n oogenblik, en hy zal zich thuis voelen, àl te thuis!

Fancy, ben je blind?

—En trek jy gerust je jasjen uit, m’n lieveling! Je moet denken, we zyn hier onder ons beidjes.

Een koninkryk voor ’n nieuwen vloek, o goden: onze Wouter trok waarachtig z’n jasjen uit!

Fancy!

—Heelemaal met ons beidjes, zieje!

Fancy, ben je doof?

—En ik heb lust, dicht naast je te zitten, omdat je zoo’n lieve beste jongen bent...

Fancy... deern!

Wouter schikte by.

Wie dáár niet wanhoopt, moet geen hoop te verliezen hebben!

Och neen!

Ik zeg juist andersom: wie dáár wanhoopt, had nooit behoorlyken grond voor z’n hoop!

“Maar, eilieve... dat is de ware echte oude: zal-i, zal-i-niet-litteratuur!”

Ja, lezer! In stipt-letterlyken zin, ja! Maar overigens?

Meent ge dat ik Wouter in den hemel helpen kan, zonder hem te leiden langs àlle paden die men moet doorworstelen om daar aantelanden?

Dacht ge dat hy ooit den rang die hem by geboorterecht toekomt, weder zou kunnen innemen zonder in ’t leger der Menschheid als rekruut te hebben dienst gedaan van de patroontasch af?

Mocht iemand, in-weerwil hiervan, aanmerking maken op Fancy’s leiding, dan ligt de schuld aan hem. Het lage bestààt. Wie ’t loochent, liegt even misdadig als de miskenner van ’t hoogere, van ’t goede, want zonder laagheid is er geen hoogte denkbaar.

Niet in de schildering van dat lage ligt de fout, de fout ligt in ’t sierlyk aankleeden van ’t gemeene, en vooral in ’t belangryk maken van onnoozele lapsische platheid.

Hoort ge nog altyd niet, hoe Fancy schatert van lachen over ’t veldtochtje van haar stumperige vyandin?

De nietigheid van zulke zaakjes rechtvaardigt zoo’n wyf niet. En ook onze kleine man liep gevaar... schuldiger te worden dan geoorloofd was, zelfs aan de nuchterheid van ’n kind.

Want ieder moet geoordeeld worden naar den maatstaf dien-i omdraagt in z’n eigen gemoed, en Wouter voelde heel goed dat-i zich bevond op... onfatsoenlyk terrein. Zóó ongeveer zoud-i de zaak gekwalificeerd hebben, als-i genoopt ware geworden z’n indruk te vertolken in ’n woord.

Maar... dit zeer betrekkelyk schuldbesef verheft de zaak, als zoodanig, niet tot ’n wereldberoerende kalamiteit, tot ’n casus diluvii! Och, wat zouden we weinig droge jaren hebben als er ’n god was die regenplassend toornde over zùlke ... kostschooljongensvergrypen!

Nogeens, juffrouw Laps wàs ’n slecht schepsel. Om ’t beoogde feit niet zoozeer, maar... ze veroorloofde zich zulke feitjes te beoogen omdàt ze nu eenmaal ’n slecht schepsel was. Godsdienst, vochtmenging, zittende levenswys, en ’n tal van dusdanige ziekten meer, zouden kunnen worden aangevoerd ter verligting van schuld. Ik kan me zelfs ’n zéér hoog standpunt denken, vanwaar zou mogen worden gekonkludeerd tot finale vryspraak.

Maar op dàt standpunt plaats ik me nu niet, heden niet! Ze was inderdaad ’n slecht schepsel, en daarmee voor ’t oogenblik: uit! Of zou men misschien...

Ik beweer vandaag alleen dat ze ... niet zeer byzonder was. Niet zeer buitengewoon. Niet zeer belangwekkend. Geen kunstenares van eersten, noch zelfs van eenigen rang. Geen exploitatrice van ryk terrein. Geen hóóggeplaatst ambtenaresje van den Duivel...

Och, in myn oog zou ’t mensch zoo weinig kontritie behoeven om recht te hebben op ’n goedig: “uw zonden zyn u vergeven, ga heen en... arbeid!”

Want, lezer, er zit veel luiheid onder de oorzaken van zulke afdwalinkjes. Menigeen toont zich wat wulpscher dan noodig en behoorlyk is, omdat-i te weinig te doen heeft, of te ... denken.

Misschien had juffrouw Laps de “deugd” van ons kereltje met rust gelaten, wanneer men in-plaats van met God, Israël en hysterische theologie, haar pover zieltje gevoed had met... gedachten. Wasschen, schuren, boenen, is ook goed. Jazelfs, ’t verstellen der onderbroeken van ’n pastoor.

Wat Femke rein en gezond bleef by de bezigheid die skabreus zou hebben toegeschenen aan besmette zieken!

Ziek, ziek ... ziedaar ’t woord! Juffrouw Laps was ziek!

Hoe is ’t mogelyk, dat ik zóó lang zoeken moest naar den waren naam van haar kinderachtig slechtheidje! Dit was dom en verschoold van me. De lezer bedenke dat ik veel boeken heb gelezen. Toch beloof ik beterschap, en als blyk van berouw verbind ik my ter-zyner-tyd ziekteverschynsels van erger soort te schetsen. Ik zal me die laten leveren door Feith, dominee Hasebroek, en meer lui van dergelyk allergodzaligst kaliber. Die voorbeelden zyn van ’n aard, dat men byna achting zou gaan voelen voor juffrouw Laps. De lezer heeft immers opgemerkt dat ze haar “God” wegliet by de zaak? Geschiedde dit uit schaamte? Uit diskretie? Uit besef van overbodigheid? Uit vermoeienis van ’t gehuichel? Uit gebrek aan bedrevenheid in toonzetting, en vrees alzoo voor—vermeenden—wanklank? Hoe dit zy, in al haar geknoei had het schepsel de verdienste der Sancta Simplicitas. Ze theologizeerde er niet by, en poogde niet Wouter in den waan te brengen dat-i dezen of genen “Heer” ’n pleizier deed door ’t uittrekken van z’n jasje. Dit, of zooiets, trachten die andere verlokkers wèl! Blyvende erkennen dat ons Lapsjen aan zeer ziekelyke aandoeningen leed, wordt het waarlyk tyd eens voor-goed de symptomen te leeren kennen die den geneesheer in-staat stellen lichte verkoudheden te onderscheiden van kwaden droes, huiselyke namiddagkoortsjes van... pest!

Wouter, overigens... goed, of althans niet volstrekt ziek nog, zou ’r geen grein boozer om geworden zyn, al ware... de likeur van den hoogstberoemden Nederlander Fockink nog ’n graad of wat sterker geweest.

Hierom zeker veroorloofde zich de guitige Fancy te lachen. En ze wrong zich nog altyd de handen in ’t minst niet, zy die toch blyk gaf van strengheid, door zich verstoord te toonen over Wouter’s félonie van den vorigen dag!

Fancy was, en is... liberaal!

Te liberaal?

Voyons!

Beste lezer—ik bedoel: gy die onder al m’n lezers de minst onoprechte zyt—stel u eens op ’n plaats waar zeer veel menschen voorbygaan. En houd boek!

Tel, weeg, meet en noteer de tranenstroomen die al dezen voorbygangers langs wang en kleeren gudsen. Tel de jaren gewrongen handen, de dozynen wanhopighedens, de duizenden gescheurde opperkleeren, de legioenen opengereten boezems...

Verzamel eens al de asch die de voorbygaande dames en heeren zich op ’t hoofd strooiden sedert den misstap van de bekende soort, die eenmaal voor elk hunner de traditioneele “eerste” was...

Komponeer vertwyfelings-hymnen uit al ’t geween, ’n de profundis uit het gekners der tanden...

Bevolk ’n zoölogisch muzeum met al de wurmen die ’t gezelschap inkommodeeren met hardnekkig knagende onsterfelykheid...

En dan...

Zeg eens, minst-onoprechte lezer, vertoont zich niet, by de statistiek van al dien berouwjammer, onze aarde als ’n vóórhel? Als ’n pleisterplaats van verdoemden?

Toch kan en moet al die zoo zorgvuldig opgezamelde ellende slechts gevolg zyn van nederlaagjes als die waarmee Wouter bedreigd werd, van krizes als waaraan hy was blootgesteld.

Want... zulke krizes en zulke nederlagen bestaan! Ze liggen in den aard der dingen, en laten zich zoomin vernietigen—’t kinderachtig wègdenken helpt niet!—als ’n atoom of ’n zon. Zoomin loochenen als wiskunstige waarheid.

Wie nu by zoodanige mensch-inspektie al de genoemde akeligheden niet ontwaart, wie niet stuit op de sporen die “zonde” nalaat, op zùlke sporen van zùlke zonden...

Want er zyn anderen wier hoogtreurige beteekenis ik niet ontkennen mag, helaas!

Wèl, hy moet erkennen dat Fancy groot gelyk had de zaak luchtigjes optenemen, en niet den minsten last te geven tot het ilico op-stapel zetten van ’n goferhouten ark, van-binnen en van-buiten bepekt met pek.

Onder ons gezegd—en niet gebleven, naar ik hoop!—het komt me voor, dat de god van Genesis VI zich kleingeestig aanstelde, en dat het z’n eer niet te nà zou geweest zyn ter-school te gaan by Fancy.

Maar sterk wàs de likeur, dit is waar!

En dat Wouter er meer van dronk dan goed was—voor z’n maag vooral!—is ook waar.

Hy verloor dan ook iets van z’n bedeesdheid, en antwoordde een-en-ander op de praatjes van juffrouw Laps, die hiermee zeer in haar schik was, al bleek er dan ook telkens dat zy en haar kleine gast niet uit denzelfden sleutel zongen.

Dat zou straks wel beteren, hoopte ze.

Van-tyd tot-tyd dacht Wouter aan de eigenlyke reden van z’n komst, of althans aan wat daarvoor was opgegeven. Z’n gastvrouw scheen alle dieven en moordenaars glad uit het hoofd gezet te hebben, en spreidde by Wouter’s herinnering daaraan, ’n dapperheid ten-toon, die hem alleraangenaamst was. Want... de zyne was geweken.

’t Is de vraag of Fancy deze breuk in de logische kontinuïteit van z’n aandoeningen even licht opnam als de gevaren van z’n slecht gezelschap.

—Ik zou ze... denk je dat ik bang ben voor ’n kerel? zei juffrouw Laps. In ’t geheel niet! Voor geen drie! Voor geen tien! Voor de heele wereld niet! Ik zou ze...

Des-te-beter, vond Wouter. Dan hoefde hy niet te... zouwen.

Daar ritselde iets op den zolder. Wouter beefde. Hy was weer geheel kind.

—Blyf jy hier, riep ’t wyf, ik ga kyken, ik! Denk je dat ik jou wil laten slaan of steken of vermoorden, m’n jongen ... dat nooit! Wie aan jou komt, komt aan my ... aan my, hoorje, dàt zullen ze ondervinden!

En ze verwyderde zich, en nam de kaars mee om te onderzoeken waarom ergens ’n plank gekraakt had. Ze liet Wouter lang genoeg in ’t donker alleen, om hem te doen verlangen naar hare terugkomst. De rollen waren omgekeerd, en de ridderlykheid van onzen held begon en quenouille te vallen. Een weinigje behendigheid nog, en de jongen zou schut en wering zoeken onder haar voorschoot.

—Maar, juffrouw ...

—Zeg jy gerust Kristien... want zóó hiet ik. Jy mag gerust Kristien tegen me zeggen.

Dit durfde Wouter nog altyd niet. Hy vermeed liever de heele vokatief.

—Maar... zou ik nu niet liever naar huis gaan?

—Wel neen! Je moeder is lang naar bed, dit begrypje wel. De-n-afspraak was dat je hier zou blyven... ontbyten.

Ontbyten? Ach, lieve hemel, de jongen deed niet anders sedert ’n uur! Moest dat tot den morgenstond worden voortgezet? Het was om te rillen!

—Weet je wat je doet? Kleed jy je gerust uit. Ik zal ’n kermisbedje voor je maken, daar ... in dien hoek! Want, zieje, als ik alleen ben—ik, als vrouw, weetje—met al die dieven en moordenaars, dan wordt ik zoo... griezelig.

Wouter durfde niet neen zeggen, en evenmin doen wat hem zoo streelend gelast werd...

Hy weifelde...

Zy hield aan...

Hy begon...

Men bedenke dat het kind beneveld was!

O Fancy! Liberalismus is ’n goede zaak, en na de bemoedigende statistiek van zoo-even erkennen wy dat de wereld niet vergaan zou al...

Maar toch... franchement, Fancy, is ’t niet jammer van den jongen?

Dit hoofdstuk is gekopieerd uit ’n oud Register der handelingen en besluiten van zekere schutsgodin. Een brok grootwereld. (De lezer kan staatmaken op meer.) ’t Verhaal van Klaas Verlaan, den “Amstelhavenknecht.” Geleerde verhandeling over voetzoekers. Juffrouw Laps wikt, Fancy beschikt.

Om van Fancy’s spinsel en borduursel iets te leeren begrypen, is ’t noodzakelyk eenige uren terug te gaan.

De lezer herinnert zich dat er dien middag ter uitspanning van de hooge personaadjes die Amsterdam vereerden met ’n bezoek, ’n hardzeilery zou worden gehouden op den Amstel Juffrouw Laps had reeds de goedheid dit aan ons en de Pietersens meetedeelen, en tevens dat de zaak mislukt was door ’n onhoffelyk gebrek aan wind. Ze had de waarheid gezegd. Hopen wy dat deze uitspatting geen al te nadeelige gevolgen moge gehad hebben voor ’t evenwicht van haar ziel.

Het was dien dag inderdaad bladstil. De mannen van ’t vak beweerden “dat er geen zuchtjen aan de lucht was.” Wie zich anders uitdrukte, werd voor ’n landkrab gehouden.

Het plezier-roeien was nog niet in de mode—de mode had ongelyk, want het is ’n flinke mannelyke oefening—doch al ware dit anders geweest, Amstelboeiers zyn niet op roeien ingericht, en andere geschikte vaartuigen waren niet by-de-hand, om nu niet te spreken van ’t gebrek aan eelt in de handen van de liefhebbers.

In dit opzicht dan toch waren onze grootouders nog lamlendiger fatsoenlyk dan wy. Ze dachten er zelfs niet aan, dat zoo’n matrozige inspanning ’n vermaak wezen kon zonder de minste schade voor deftigheid, en meenden al heel wat ferms uitterichten, wanneer ze als halfleege meelzakken met den schoot in de hand in ’n stuurstoel lagen te dutten. De wind moest by die gelegenheden al het werk doen, en had dus eigenlyk alleen aanspraak op ’t plezier.

Maar de wind deed nu eenmaal dien dag z’n werk niet. Hy scheen elders bezig, en floot misschien onzen tegenvoeters ’n spotdeuntje voor, op al de gefopte potentaten die tusschen Ouwerkerk en Amsterdam heen-en-weer pauwden in stof en hitte.

Ja, ’t was gloeiend heet. Koningen en prinsessen zweetten als menschen. De joujoux de Normandie—’t speel- en groettuig der beau-monde van dien tyd—klommen al trager en trager by hun koordjes op. Nu, dit stond zoo kwaad niet, want de goede toon schreef voor, dat ze zeer langzaam stegen, en zich aanstelden alsof ze moeite hadden de hand te bereiken die ze had laten vallen. Dat, of zoo-iets, heette: morbidezza. De beweging der vingers, die ’t kleine rukje moest meedeelen waardoor ’t stygen werd te-weeg gebracht, behoorde onmerkbaar te zyn. Dit gold voor gratie, bekwaamheid, verstand, en zelfs by-mangel aan beter, voor genie.

Sommige kroniekschryvers beweren dat de oude puistige Paltsgravin ’n groot gedeelte van ’t prestige in hofkringen, dat haar inderdaad niet kon worden ontzegd, te danken had aan de handigheid waarmee ze wist omtegaan met den joujou de Normandie. Volgens Stuart Mill was zy de uitvindster van den zoo beroemden horizontaalworp, en ’t is niet geheel-en-al onmogelyk dat zy ook in ’t bezit was van ’t geheim om ’t belangwekkend speeltuig loodrecht omhoog te werpen, en zeer langzaam te laten dalen langs de door ’n onnaspeurlyke oorzaak gespannen koord. Maar deze byzonderheid vereischt bevestiging. Stuart Mill heeft de wreedheid gehad te sterven voor-i den Hollanders heeft voorgezegd wat ze hiervan te denken hebben, en alle kans op licht is dus afgesneden.

Dat ook de zeer hooge geboorte van de Paltsgravin meewerkte aan den invloed dien zy uitoefende op alle Europesche hoven—op één na, want de edelste zaak heeft haar tegenstanders!—mag waar zyn, maar toch... haar virtuoziteit op den joujou was en bleef hoofdzaak.

En ten-onrechte! Want men wordt geboren zonder dat men ’t helpen kan—dit was zelfs met de Paltsgravin eenigermate het geval geweest—terwyl er tot het wel besturen van ’n paar palmhouten schyfjes aan ’n koord, natuurgaaf en oefening noodig is. Vorsten en prinsen weten dit wel, en maken er dikwyls gebruik van. Me dunkt ik hoor ’n koning zeggen:

Ma toute bonne, vous qui avez la main si légère, ne pourriez vous pas me faire l’amitié de flanquer à la porte les trente mille hommes que mon diable d’... allié vient de loger dans ma capitale?

Of:

Ach, du meine liebe Cousine, wie du göttlich chouchouirst! Auf und nieder ... nieder und auf! Wenn du einmal unsern sehr verehrten Vetter mit Usurpationsminen, Kaiserliche Majestät, so am Kördelchen hieltest und chouchouirtest?

Nu spreekt ’n prinsje:

—Auf Ehre, Durchlaucht sind zum küssen adorable! Nur der Respekt widerhält mich ... auf Ehre! Clotho, ich beehre mich Ihr Sclave zu sein. Lachesis, Ihrer geschichtlenkenden Hand empfehle ich mein Schicksal! Schaffe mir den Erbprinzen vom Halse, o Athropos! Schicke den... unbescheiden-frühergeborenen nach Italien, ins Pfefferland, in den Krieg, in... Cytherëischen Vergnügungen, womit eine so gescheute Parke wie Durchlaucht, Lebenskördelchen abschneidet... zum Entzücken, verehrungswürdigste Parke Durchlaucht!

Zoo spraken welopgevoede prinsjes van dien tyd. Laf was het, en heel mythologisch, o ja! De mythologie is weg, maar de lafheid is hier-en-daar gebleven. Er bestaan inderdaad tegenwoordig hooggeboren personaadjes die niet de minste konversatie houden over schikgodinnen, en toch de moeite van ’t aanhooren niet waard zyn. Meer nog. Zelfs sommige laaggeborenen veroorloven zich zoo’n leegte. Ik heb kooplieden gekend jazelfs werkluî, die praten konden als ’n... prins nà den bloei van de salon-mythologie. Maar we zyn nu met vorstjes bezig. Alzoo:

Een prinsesje spreekt:

—Liebe mütterliche Cousine... aber nein, so geschickt wie du... nie da gewesen! Mit dèm Händchen könntest du mir ganz bequem ein halbdutzend fette Provinzchen aus dem Deutschen Reichsmaraste zur Morgengabe zusammen fischen, Cousine!

’n Sterveling van lager soort:

—Königlich-Kaiserliche Hoheit, ich sehe, staune und... schweige! Wenn Königlich-Kaiserliche Hoheit nur beliebten... Gottes Erdreich wurde sich pflichtsschuldigst freuen wenn Königlich-Kaiserliche Hoheit geruhten es gnädiglich balanziren zu wollen auf Königlich-Kaiserliche Hoheit’s göttlichen Fingern! Ich schweige gehorsamst, doch... dass eine Ober-geheim-küchen-ceremonienmeisterstelle vazirt, ist unterthänigste Wahrheit.

Enz. Enz.

Al deze menschen logen ’n beetje. Maar hun praatjes waren minder dom dan ’n oppervlakkige beoordeelaar meenen zou. Want ze bereikten dikwyls hun doel. Die laatste aanbidder, byv. kreeg inderdaad ’n aanstelling by ’n königlich-kaiserliche hofkeuken. Wat wil men meer?

Overdreven verwondering over den invloed van de Prinses, zou ’n blyk van onkunde wezen. Want al reike nu de historische kennis van den lezer niet toe om hem te doen raden welke persoonlykheid ik bedoel—men weet reeds dat ze roode puistjes in ’t gezicht had, en ik voeg er nu by dat ze gewoon was te slapen tusschen lakens van hollandsch linnen: dit is iets!—welnu, al kent men haar niet, toch mag ik verwachten dat ieder wete hoe macht, aanzien en invloed gewoonlyk gegrond zyn op kleinigheden. Misschien zou er eenige verwondering te-pas gekomen zyn wanneer ik m’n Paltsgravin had voorgesteld als verdienstelyk, of als bekwaam in belangryker zaken dan ’t op-en-neerwippen van ’n joujou. Haarzelf lieten zulke kwestien volkomen onverschillig.

Een ruiter naderde haar koets.

—Eh bieng, zjefalier, n’est-ze-pas qu’il fait affreussemang chaud dang ze pays?

—Wie K. K. Hoheit befehlen.

—Ch’étouve!

—Zu dienen.

—Und wo steekt denn unsere kleine wilde Katze? Ist sie hinten? Ist sie vor? Wo ist sie?

De “chevalier” werd door ’n toedringende volksmenigte van de koets gescheiden. Dit beviel hem wel. Vooreerst was-i uit de oude school, en hy durfde zich niet wagen aan ’t duitsche hoffransch van de Palatine, waaraan-i admirablemang wèl deed. Ten-tweede bezat-i te veel routine van nieuwer school, om gaarne te antwoorden op de vraag naar de “wilde kat.” Dit katje namelyk was ’n zeer superlatief-K. K. Hoheit. De halfbakken hoveling mocht dus niet te snel verstaan wie er bedoeld werd, en durfde zich evenmin schuldig te maken aan niet-verstaan. Een groep welwillende zangers kwam z’n verschrikte diplomatie te-hulp:

“Amour à la plus belle,

Honneur au plus vaillant...

Ja, ja, lezer, er is ’n tyd geweest, dat de kracht van hollandsche jenever—amsterdamsche proef—zich openbaarde in fransche romances. Of onze straatzangers dat refrein precies uitspraken en zongen naar de bedoeling van den auteur, van de auteur, liever...

De Paltsgravin scheen dit te ontkennen. Met haar joujou riep zy ’n zeer elegant jongmensch van ’n jaar of achttien tot zich; dien zy in haar nabyheid ontdekte. De jonge ruiter groette ganz rittermässig met z’n karwats terug, en drong door de menigte heen.

—Ecoutez, mein Prinz! Das Pöbel singt la changsong de la Reine! Oh, mong Dié, quelle pronongziaziong!

—Vous avez l’oreille si délicate, ma Cousine!

—Ang férité! Aber, Prinz, sagen Sie mir ’nmal, wo ist denn Ihre Prinzessin Schwester, mein Waldkätzchen?

—Ma foi il y a plus d’une heure que je ne l’ai vue! Elle s’amuse peut-être là-bas, au village d’Awercric. Qui sait si elle n’a pas passé l’eau. Vous savez, Palatine, qu’elle n’a pas l’habitude de se gêner...

Nu ja, dit wist de Paltsgravin. Dit wist ieder die ooit de eer had het prinsesje van naby gade te slaan, en de lezer zal er ook iets van te zien krygen, parole d’honneur!

Honneur au plus vaillant! schreeuwde nu weer ’n troep al te opgetogen Nederlanders, en onze Paltsgravin reed op-nieuw ’n oogenblik onverzeld. Van-tyd tot-tyd harkte zy met haar speeltuig dezen of genen “kavalier” naar zich toe, en knoopte dan ’n gesprek aan, dat echter telkens door de volte werd afgebroken.

Om de lokaalkleur te handhaven, gelieve de lezer by uitspraak van ’t woord “kavalier” te rymen op: “duitsche manier” in welk geval ’t niet “ruiter” beteekent, maar ’n “heer van den hove” ’n hoffähiger gentleman, ja misschien zelfs by-uitsluiting: ’n edelman. Niet zonder deernis met de miskende rechten van de etymologie, moet ik betuigen dat er by de zaak volstrekt geen paard noodig was, al zy ’t dan dat in dit geval de “kavaliere” werkelyk tevens ruiters waren. Nu ik toch aan ’t uitleggen ben... ’t woord: “harken” is van my. Ik nam de vryheid daarmee alleraardigst te zinspelen op den befaamden horizontaalworp met den joujou.

De koetsen reden nog altyd stapvoets en als in pantoffel-parade. Het kon niet anders, om de volte.

Bovendien, de souvereinen verkeerden in ’n ziekelyke bui van “Volksthümlichkeit.” De mode van den dag bracht ’n misselyke neerbuigings-manie mee, en de meeste rangmenschen overdreven de mode, zooals gewoonlyk. Men droeg filantropie, gelyk wat vroeger de hoepelrokken, en later crinolines, vryen-arbeid of chignons. Rousseau—die beter wist, of althans beter weten kon—had de afgezaagde theorie van “ce bon peuple” op frazen gezet, en wie te arm was om gedachten te bezitten op z’n eigen hand, neuriede die frazen na. Heel ryk nu, waren de meesten van die luidjes niet. En dit is nòg zoo.

Wat den twyfel aan de welgemeendheid van koninklyke Volksliefde betreft, vergeten we nooit dat ook “ce bon peuple” geen grein oprechter is dan de meest geveinsde Machiavel. Al wat men van ’t Volk zeggen kan, is dat het evenmin pozitief valsch is. Het schreeuwt “vivat!” en denkt... niet juist altyd het tegendeel, maar gemakshalve niemendal.

By de zeer byzondere gelegenheid die ik bezig ben te vereeuwigen met m’n mozaïktroffel, maakten de vergaderde vorsten zich schuldig aan ’n verzuim dat hen in de oogen des volks zeer benadeelde. Niemand strooide geld uit het portier, zelfs geen zilver. En onze Paltsgravin was de laatste die op ’t denkbeeld komen zou—’t was zoo warm!—dat deze speciaal-vorstelyke manifestatie aan de feestelykheid ontbrak.

Ze werd hieraan evenwel herinnerd door Prins Erik, den jonkman van zoo-even die op-nieuw haar rytuig naderde, ditmaal gevolgd door ’n lakei op ’n bezweet paard. Hy kwam vertellen dat z’n zuster—’t Waldkätzchen?—hem ’n boodschap had gezonden uit “Awercric.” En:

—Palatine, auriez-vous par hasard quelques douzaines de frédérics à me prêter? vroeg hy.

—Che parie que z’est pour elle!

—Si!

—Elle fait donc angcore l’angrachée, che pangse!

—C’est possible! Mais en tout cas, il ne faut pas la laisser dans l’embarras. Dieu sait dans quel gâchis elle vient de se faufiler. Je n’ai qu’une bagatelle sur moi... ainsi, donnez, donnez!

Prins Erik en zyn zuster gingen de Palatine nog wel driekwart-graad te-boven in K. K. Hoogheid. En ’t “boschkatje” was de verloofde van ’n Grootvorst die volgens alle menschelyke berekening keizers tot lakeien hebben zou. De Paltsgravin—”Oh, mong Dié! Oh, mong Dié!”—was dus wel genoodzaakt haar eeredame te gelasten aan Prins Erik ’n goudbeursjen overtereiken. Deze gaf ’t den lakei, die ’r mee wegreed zoo snel de volte gedoogde.

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings