Tweede Deel Amsterdam—Uitgevers-Maatschappij “Elsevier”—1921 (continued 9)
Reading edition
—En zal ik er nou dàt niet eens van hebben, riep ze, dat ik m’n eigen goed weerom kryg? Hy heeft me drie skelling en ’n oortje gekost?
Er van? Wáárvan, o vrouw? Wáárvan? Ik vraag u, wáárvan? Nu, dit kon háár niet schelen, en:
—Dat kan my niet schelen, schreeuwde ook de waardin. Mensch, je moest je schamen, dat moest je! Wel ja, wat zeg jylui—dit was ’n beroep op de kiesheid van de omstanders, die deze onderscheiding ten-volle verdienden—wat zeg jylui? Is ’t geen schande dat ’n moeder haar eigen kind ’n standje komt maken om ’n boezelaar?
—Ik wou maar dat we-n-afvoeren, zuchtte een van de Kaatjes. Wat treuzelt die schipper!
—Drie skelling en ’n oortje, zoo waar as er ’n God in den hemel is, op de Numàrt in den bontjeswinkel! Geef hier, m’n goed! ’t Is myn goed, zeg ik je! Geef hier!
Een poging om ’t betwist voorwerp met geweld machtig te worden, mislukte. Op-eens wendde de teedere moeder de zaak over ’n anderen boeg. Ze trachtte haar stem aandoenlyk te maken, en huilde:
—Heb ik je dáártoe opgebracht?
Wel zeker! Waartoe ànders, o teedere moeder?
—’t Is om te besterven, menschen, dat is het! En zeg, wat zal je vader daarvan zeggen?
Kaatje bevestigde de zaak wel niet uitdrukkelyk, maar gaf toch ’n antwoord dat heel weinig op verontwaardigde ontkenning geleek, door op-nieuw moeite te doen om zich van haar moeder te verwyderen, en ’n veilig plaatsje te krygen achter de waardin. Deze haastte zich ’n zegel op de beteekenis van Kaatje’s manoeuvre te zetten:
—Wel ja, meid, ’n woord ’n woord, ’n man ’n man, niet waar? En... ik heb ommers al de papieren in m’n zak. Wat zeg jyluî? Een mensch kan toch niet meer verlangen als zwart op wit!
De vrouw had weer op haar dy geslagen, en scheen antwoord te wachten. Er gingen dan ook uit het publiek eenige stemmen op, maar ze getuigden van verdeeldheid der meeningen. Wel hoorde men hier-en-daar: “zieje, ’t is toch altyd haar moeder!” maar ook toonden sommigen zich verontwaardigd over de vreemde soort van ’t moederschap dat hier vertoond werd. Een stemming by zittenblyven en opstaan kon moeielyk verordend worden, omdat de heele zaak in de letterlyke termen van ’n “standje” viel. Bovendien, de strydvoerende partyen wachtten zich wel ’n beroep op de meerderheid te doen, voor ze met eenige zekerheid berekenen konden die meerderheid op haar hand te hebben. En hiertoe bestonden aan geen van beide zyden voldoende gegevens. Velerlei scheldwoorden rezen uit de vergaderde menigte op, maar ’t viel moeielyk te beslissen tot wie ze gericht waren, omdat ze meestal nogal toepasselyk konden geacht worden op ieder van de vier vrouwspersonen in ’t byzonder. De hieruit voortspruitende verwarring bewees hoe groot de behoefte was—ook zelfs in de laagste standen der Maatschappy—aan eenig besef van onderscheid tusschen schelden en beschuldigen.
—M’n drie skellinge wil ik hebben, kryschte de vrouw, terwyl ze trachtte haar dochter by den voorschoot te grypen. Ik wil m’n geld, m’n drie skellingen, of anders...
Haar schreeuwen herinnerde Wouter aan de wanhoop der edele Hersilia over die verloren zeven gulden dertien, en langs de rails van al wat er sedert ’n etmaal weer met hem was voorgevallen, liep z’n herinnering uit op de vyftig guldens die hy in z’n zak had. “Als hy eens die arme vrouw aan ’n nieuw voorschoot hielp? God zou ’t zeker weer niet doen, en daar er nu toch eenmaal in ’t helpen iets goddelyks ligt:
—Wat dunkt u, m’nheer? vroeg-i aan pater Jansen?
—Ik ben erg bedroefd over die menschen, zei de goede man.
—O zeker, m’nheer! Maar... die boezelaar? Drie schellingen is nog geen volle gulden, en als wy nu eens...
—Dat mag volstrekt niet, jongeheer! Het doet my in de ziel leed dat die menschen op zoo’n verkeerden weg zyn—want dit moet ik er haast wel van gelooven—maar ’t geld dat je by je hebt, is je niet gegeven om...
—M’n drie skellinge, huilde het wyf, of anders ten-minste m’n kind weerom!
Dit “ten-minste” was verrukkelyk! Zal er misschien straks blyken dat prinses Erika onzen Wouter die vyftig guldens geschonken heeft om ’n radelooze moeder weer in ’t bezit van haar verloren kind te stellen?
—Ze is heel ongelukkig, m’nheer... hoor maar! Och, wat komt er nu voor òns die ééne gulden op aan? En... ’t is nog niet eens ’n volle gulden!
—We mogen ’t heusch niet doen, jongeheer! Kom, kom mee in de schuit! Ik word er koud van, en kan ’t heusch niet langer aanzien.
’t Scheen wel dat pater Jansen z’n eigen standvastigheid wantrouwde en de verlokking ontvlieden wou. Maar hy aarzelde. Ook Wouter volgde slechts heel langzaam, en niet zonder telkens opnieuw, by z’n geleider aantedringen op interventie.
—Wat is voor òns ’n enkele gulden, m’nheer!
Kyk me-n-eens zoo’n kleine rykaard! Jansen antwoordde niet, bleef weer staan, en scheen te weifelen. De vrouw die met ’n eigenaardig armeluî’s-instinkt iets bemerkt had van wat er tusschen die twee gaande was, vond het raadzaam van tekst en toon te veranderen, en begon te jammeren over de drie “wurmen die ze thuis had, en die nu zouden moeten vergaan van ongemak en kou.” Inhoever deze verdrietige omstandigheden ’t gevolg konden wezen van Kaatje’s wangedrag, of van ’t bankroet dat ze aan haar boezelaar leed, liet zy onopgehelderd. Toch had vooral de beweerde plotselinge temperatuurverlaging van die “wurmen” zoo in ’t hartje van den zomer, best eenige meteorologische toelichting kunnen gebruiken. Maar hiernaar werd door de tegenparty niet gevraagd. Zoowel de waardin als anderen uit den hoop beantwoordden haar klachten slechts met onwetenschappelyke scheldwoorden, doch tereere van ’t stukje publiek dat hier vergaderd was, moet ik erkennen dat ook de koopvrouw uit Haarlem niet verschoond werd. Haar beroep leverde overvloedige stof tot schimp en smaad. Maar ’t scheen dat ze de uitdrukkingen waarmee men haar zedelyk en maatschappelyk standpunt kwalificeerde, wel eens meer gehoord had, en niet gewoon was flauw te vallen om ’n beetje schande. Tartend, en als om te pronken met haar ongedeerdheid, bauwde zy de scheldwoorden na die men haar naar ’t hoofd wierp, en wanneer daarin zekere eentonigheid begon te heerschen, omdat de voorraad wat klein bleek in verhouding tot den duur van de scène, hielp zy de schreeuwers op den weg door ’n sarrend: “nou mot jelui dàt weer ’ns zeggen!” of: “ik heb in lang niet dàt of dàt gehoord, koman, bedenk jelui je nou ’reis goed of je niet ereis wat nieuws weet!” Deze betrekkelyke kalmte prikkelde tot opwinding, en op zeker oogenblik nam de afkeer van haar ellendig bedryf zoo de overhand... neen, dit is onjuist, men werd zóó boos over de onverschilligheid waarmee ze ’t schelden opnam, dat de moeder hoop begon te scheppen. Het blyft ’n raadsel wat die vrouw eigenlyk van plan was met haar “kind” aantevangen als ’t bevryd wezen zou uit de handen van de waardin, doch zonder zich hierover te bekommeren begon de meerderheid haar bytevallen.
Wouter zou weer ruimschoots in de gelegenheid geweest zyn de psychologie van de massa te bestudeeren, als-i niet te zeer vervuld ware geweest van z’n zucht om... ja wat? Hy wou helpen, redden, te-rechtbrengen, hy wou iets doen. Wel ja, ’n mensch heeft niet alle dagen twintig ryksdaalders in z’n zak! En niet dikwyls valt zoo’n schitterend standpunt samen met ’n drama als hier vertoond werd, noch met de akeligheid waarmee ’t—niet gansch onverhoopt, om de waarheid te zeggen—straks dreigde of beloofde te sluiten. Er werd namelyk geroepen: “te-water!” en dit woord klinkt vreeselyk in de ooren van ’n hollandsch jongetje, opgebracht in de vreeze voor kou-vatten en den wallekant!
—Te-water, allo, dat wyf de vaart in, sebit! En die meiden na huis!
Naar huis, o onbesuisde menigte? Naar wèlk huis? Naar de krotten waar ze onder opzicht komen zouden van zulke moeders? Ik ben overtuigd dat geen myner lezers, indien hy ’t hier beschreven voorval had bygewoond, zich met die hoogst onfatsoenlyke zaak zou bemoeid hebben. Maar, lezer, gesteld eens dat ge hadt moeten stemmen? Zoudt ge in-gemoede hebben durven roepen: die meisjes naar huis? Men behoeft waarlyk niet zoo onnoozel als pater Jansen te wezen, om verlegen te zitten met de keus tusschen twee hellen. En wat het lynch-vonnis tegen die waardin aangaat... onze Maatschappy—hier niet byzonder oneigenaardig vertegenwoordigd door ’n troep gemeen—is wel zonderling! Het schepsel dat men hier te-water wilde dringen, was een van háár leden, en ’n lid ook van ’t gild dat diezelfde Maatschappy blykens eeuwenlange ervaring nooit heeft kunnen ontberen. Waarom nu, als zoo’n onmisbaar meubelstuk onzer beschaving zich in ’t openbaar vertoont, op-eens zooveel verontwaardiging voorgewend? Verbiedt niet de wysheid der volkeren ’t schenden van z’n aangezicht? Bedenk toch, o preutsche Maatschappy, dat zoo’n winkelierster in ontucht een uwer meest vooruitstekende neuzen is!
—Te-water met dat wyf, werd er weer geroepen, de vaart in!
Er viel optemerken dat de hevigheid van dit geschreeuw in omgekeerde rede stond tot de nabyheid van de plek waar de bedoelde exekutie zou plaats hebben, en hieruit bleek dat de verst-afstaanden ’t meest verontwaardigd, d. i. de deugdzaamsten waren. We mogen aannemen dat ze zich in hun braafheid wel ’n beetje gesterkt voelden door de betere kans zich snel uit de voeten te maken, zoodra het deugd-zoenoffer zou liggen te spartelen in de Haarlemmer-vaart Ieder weet immers dat niets op aarde onvermengd is, tot en met de courage van de braven toe? Hierop scheen de waardin dan ook te rekenen, want ze gaf weinig blyk van angst, en de uitkomst bewees dat ze gelyk had. Het doet me leed dat ik den lezer, die waarschynlyk braaf is, en—als die verst-afstaanden!—met fatsoenlyk verlangen uitziet naar de zegepraal der deugd, eenigszins moet teleurstellen. Het wyf werd beschimpt en gehoond, maar... ze bleef droog. Wie er spyt van heeft, trooste zich met de kameraadschap van Wouter, die by mangel aan ander emplooi van moed, gulheid en goeden wil, zoo byzonder graag eens iemand uit het water gehaald had. “’t Komt zoo zelden voor!” mymerde hy, en dit vind ik ook. Het redden van drenkelingen moet ’n vervelend vak wezen, tenzy men er compérage by te-pas brengt, en hieraan werd noch door Wouter noch door ’t kandidaat-offerlam gedacht.
Wel ver van zich op ’t altaar der zedelykheid te laten zoen-offeren, noch zelfs blyk te geven dat ze zich rechtens als de zwakste beschouwde, dreigde de waardin met de policie.
—Wel nou nog mooier! Jy, schandvlek, wou jy de policie roepen jy? Je mag God danken dat er geen diender in de buurt is, jy, die hier de meissies komt verdibbeseeren!
—Ik heb ’t zwart op wit, schreeuwde zy weer. En, als er policie was, zou ik ’t jelui laten zien!
De vrouw uit Haarlem raakte alzoo niet te-water. Een vuil partyblad uit de dagen waarin m’n geschiedenis voorvalt, beweerde dat ze zich redde door den kreet: “als jelui niet ophoudt met dringen, laat ik m’n kerel stemmen voor X!” Dit was gelogen, anakronistisch gelogen, gelyk dan ook slechts van ’n blad dat tot... die andere party behoorde, te verwachten was. Nooit zou men zoo’n afschuwelyk laag verzinsel vinden in ’n blad van de... niet-andere party. Hoe dit zy, ’n leugen wàs het. Ieder beschaafd mensch en krantlezer weet dat het kiesrecht der echtgenooten van zulke dames, eerst van eenige beteekenis is geworden na ’t uitsluiten van de arme drommels die zich moeten tevreden stellen met minder winstgevenden werkkring. Onze Maddam dééd niet aan staatkunde, en dit is ’t slechtste niet wat ik van haar zou kunnen zeggen. In-plaats daarvan pakte zy een der meisjes by den arm, en duwde haar naar ’t gapend luikje van de schuit. “Allo, d’r in, as ’n meid! Koman, ik heb nou genoeg van dat gezanik! Toe, allo, d’r in, en jy ook!” Met deze woorden werd ook het tweede Kaatje ingescheept. De schuit wiegelde by ’t opstappen en dreunde by ’t neerkomen op den vloer van ’t ruim. Van onwil bleek er niets. De bedroefde “moeder” die de zoo vurig begeerde boezelaar uit het oog verloor, verdubbelde haar eentonig misbaar. De waardin scheen nog iets aan den wallekant te doen te hebben. Had ze misschien pas ’n krygsgeschiedenis bestudeerd? Trachtte zy zeker soort van veldheeren natevolgen, die de specialiteit beoefenen, hun overwinnaars jaloers te maken op de kunstige ingewikkeldheid van hun terugtrekken? Wou ze ’t slagveld verlaten met kalmte, met majestueuze waardigheid? Och, neen, op eer en roem was ze in ’t minst niet gesteld, maar er viel voor haar iets optemerken, en daarom aarzelde zy. Ze wilde weten of er van dien pastoor en dat jongetje wat te halen viel. Wouter’s aandringen by Pater Jansen om voorzichtigheidje te spelen had haar aandacht gewekt, en ze wilde meer van de zaak weten voor ze die beide personen uit het oog verloor, ’n oplettendheid die rechtstreeks tot de eischen van haar “vak” behoorde. Een gelyke indruk, doch hier slechts ’t uitvloeisel van gewoon bedelaars-instinkt, bewoog de “radelooze moeder” nogeens ter-markt te komen met haar radeloosheid:
—Hi, hi, hi, m’n arm kind!
Wouter vroeg weer aan z’n begeleider, of er dan van hunnentwege volstrekt niets aan de zaak te doen zou wezen?
—M’n arm kind! En... m’n boezelaar! Als ik dan in-godsnaam maar m’n boezelaar weerom had!
Deze uitroep rymde vry-wel op den loop van Wouter’s gedachten.
—Drie skelling en ’n oortje!
Weer rekende Wouter z’n Mentor voor, dat dit nog geen vollen gulden bedroeg.
—Och, m’nheer, nog niet eens ’n volle heele gulden! Wat scheelt òns die eene gulden?
De waardin en de moeder bespiedden om ’t zeerst wat er tusschen die twee broeide.
—Hoor eens, jongeheer, ’t mag niet, zei Jansen, ’t mag waarlyk niet! Maar...
—Toe, asjeblieft, m’nheer!
...dan zal ik ’t er byleggen. Ga je gang! Ik zal om geld schryven aan m’n broer te Vucht. Maar gauw dan, ’t is geen pleizierig staan hier.
Jansen stapte naar de roef, en Wouter op de vrouw toe. Hy haalde ’t grauwlinnen zakje waarin z’n geld geborgen was voor den dag, had ’n beetje tyd noodig om den styf in-een-gedraaiden hals te laten ontkrinkelen...
De waardin zag dit heel goed, en berekende den inhoud naar de snelheid van de wenteling. Maar... ’t kon kopergeld wezen? Neen, Wouter haalde een ryksdaalder voor den dag.
—Hi, hi, hi, m’n arm kind!
De treurende moeder stak de hand uit, en gebruikte de ander om de oogen rood en blind te schuren met haar voorschoot. Van de “drie skelling” sprak ze niet meer. Inderdaad, waarom dien weldadigen jongeheer op de gedachte te brengen dat ’n ryksdaalder méér bedroeg dan de oorzaak van haar gejammer, en dat er volgens de eenvoudigste regelen van komptabiliteit iets viel terug te geven? Ze veranderde dus van tekst, en huilde nu by-voorkeur over haar “verloren kind” ’n onderwerp dat haar voorkwam in beter evenredigheid te staan met ’n schadeloosstelling van vyftig heele stuivers. Wouter stond met open mond, en... wachtte? Ja, neen, ik kan waarlyk niet zeggen of-i wachtte. De vrouw droeg wel zorg, genoeg met haar oogen te doen te hebben om geen voedsel te geven aan de gissing dat zy op wachten verdacht was, en misschien was het voor Wouter-zelf ’n verrassing toen hy op-eens—in-godsnaam, ’t moest wel!—zich aanstelde alsof ’t wel werkelyk z’n bedoeling was geweest den ganschen ryksdaalder te offeren op ’t altaar van... van... ja, van wat eigenlyk?
—God zal ’t je duizendmaal loonen, jongeheer!
—Dat ’s vier zak guldens, en nog ’n beetje toe! riep ’n rekenaar uit den hoop.
—Duizendmaal, jongeheer! Hi, hi, hi, wat zal er van m’n arm kind worden?
Er begon waarachtig kans te komen dat Wouter beproeven zou de zedelyke toekomst van dat “arme kind” eenigszins te verbeteren, door de jammerende moeder ’n tweeden ryksdaalder aantebieden.
’t Was waarlyk Wouter’s verdienste niet dat-i ditmaal bewaard bleef voor ’t verergeren van de reeds begane fout. Hy hoorde mompelen: “nou, voor twee-gulden-tien levert ze-n-’t heele nest dat ze thuis heeft” waarmee waarschynlyk de ons reeds eenigszins bekende “wurmen” bedoeld werden. Deze taxatie kwam ons weldoenertje liefdeloos en onhoffelyk voor. Opgewekt tot verzet tegen de “massa” die natuurlyk met luid gelach den uitval toejuichte, wilde hy... zou hy... och, ’t kwam er niet toe. Pater Jansen stond in den stuurstoel te wenken, de schipper nam zyn plaats by ’t roer in, de knecht maakte het touw los waaraan de schuit had vastgelegen, en z’n “aan-boord, wie mee mot!” maakte aan de vertooning ’n eind. Onder luid spotgejuich van de menigte op den wallekant, gleed de schuit heen. De waardin had heel fatsoenlyk plaats genomen in de roef, misschien wel om den edelmoedigen jongeheer in ’t oog te houden, schoon men ook zonder deze strategische byzonderheid erkennen moet dat haar middelen zoo’n gedistingeerdheid wel veroorloofden. ’t Scheen haar alweer niet erg te hinderen dat de personen die ze in dat hokje vond, ruimer plaats voor haar maakten dan stipt gezegd noodig was. Elk ander zou zich beleedigd getoond hebben over de verregaande inschikkelykheid waarmee ze ontvangen werd. Maar zy? Onze twee helden hoorden haar by ’t binnentreden zeggen: “ook goed! Beter zóó, dan allemaal op ’n hoop, lieve menschen! Wie zweeten wil, kan z’n gang gaan, maar ik houd van de ruimte. Wel ja, niet waar?”
Dit vraagje werd gericht tot den état major die in den stuurstoel zat, en ik zou ’t overgeslagen hebben als ’t me niet te-pas kwam om ’n opmerking te maken over den oorsprong van de Vrymetselary. Van: vrymetselary liever, zonder lidwoord. Ik vind het wel zonderling dat men nog altyd daarnaar zoekt, alsof ’n aanleiding die zich dagelyks aan onze oogen vertoont, en die zoolang bestaan heeft als er menschen op de aarde wonen, eenmaal in nauwkeurig bepaalbare omtrekken ’n historische gebeurtenis zou geweest zyn. Elke Nyl moet, volgens zeker soort van volksvoorgangers, z’n byzondere bronnen hebben die men met den vinger op de kaart kan aanwyzen, en uit valsche schaamte voor den leerling die er naar vraagt, wil men maar niet erkennen dat die bronnen heel eenvoudig in de wolken liggen. Waarom zou een der tallooze waarneembare spruitjes die ’t hunne bydragen om zoo’n rivier te maken tot wat zy is, meer dan elk ander beekje, meer dan elke àndere vereeniging van doorgesypelde druppels, den naam van eigenlyke bron verdienen? Zoo bestaan er veel vraagstukken welker oorzaak van bestaan... ’n vraagstuk behoorde te zyn, of niet eens ’n vraagstuk. We kunnen de oogen niet opslaan zonder Wording waartenemen, en toch blyft men nog overal droomen van ’n Schepping. ’t Lykt wel of zekere natuur- en geschiedfilozofen hun beroep leerden op ’n registratiekantoor, en vandaar de meening meebrachten vóór alles geroepen te zyn de wereld-akten van ’n vasten datum te voorzien. Het boekdrukken, ’n hoogstbelangryk vak zeker, maar slechts in zeer letterlyken zin van ’t woord: ’n Kunst, het “stichten” van steden, de volksverhuizingen...
Hola, we zyn er! En ’n behoorlyke date certaine hebben wy ook. Wel zeker, de lieftallige herderin was aan ’t volksverhuizen met haar twee veroverde schapen, en men schreef: haarlemmer kermis, den zooveelsten dag. Ziedaar registratie! Och, ik moet wel korrekt tewerk gaan. Vanwaar anders dan uit ’n deugdelyk vastgestelden kermistyd zou ik den orgelman bekomen, die straks langs de vaart over den weg moet sukkelen om op ’t juiste oogenblik onze Maddam te-hulp te komen in haar natuurvrymetselary? Er is veel talent noodig om dit uitteleggen aan lezers die ’t niet zonder uitlegging verstaan. Vooreerst gelieve men te begrypen dat er op den ganschen weg, althans zoover ’t oog van onze reizigers reikte, geen orgelman te zien was. Niets natuurlyker. De man was met de zynen—waaronder z’n gewichtig instrument—’n vol uur voor ’t afvaren der schuit van Amsterdam vertrokken, en ’t spreekt dus vanzelf dat men hem nog niet had ingehaald. Zonder loggen of zonschieten kan nu de lezer vry precies berekenen hoeveel geografische zoetwater-ellen door ons vaartuig waren afgelegd, toen de edele vrouw die betuigd had van ruimte te houden, aan ’t stuurstoelpersoneel vroeg: of ’t niet waar was? Strikt genomen hadden Jansen, Wouter en de schipper ’t recht gehad, hierop te antwoorden dat ze ’t wel gelooven wilden maar niet met zekerheid wisten. Inderdaad, men moet niet alles voor waar aannemen wat er door den eersten den besten gezegd wordt. Die vrouw kon booze redenen gehad hebben om ’t publiek in ’n verkeerden waan te brengen omtrent haar opinie over zweeten en benauwdheid. Maar, och, ons drietal dacht zoo diep niet na. Jansen was te bedroefd om te spreken, en Wouter te zeer vervuld van... iets dat op ’n aventuur geleek, om zoo terstond te kiezen tusschen twyfel, geloof en ontkenning. Wat den schipper aangaat, hy hééft geantwoord. Maar, lezer, zoolang ik u niet meedeel wàt de man zei, is ’t voor u alsof-i niet geantwoord had, en ge hebt dus ’t recht, u voortestellen dat de schuit ’n haarbreed verder was dan op ’t oogenblik toen de belangryke vraag gedaan werd. Hoe kan ’t na deze opmerkingen iemand in ’t hoofd komen, te meenen dat men dien orgelman reeds had ingehaald? Haasten laat ik me zoomin als ’n haarlemmer-trekschuit zelf. De schipper heeft geantwoord, o ja, maar ik ben aan ’t woord over de vrymetselary, en dat gaat vóór. Hoe kan ’t anders, daar juist de vraag “of ’t niet waar was, dat ze van ruimte hield?” my de opmerkingen in de pen gaf, die nu—misschien niet eens terstond—zullen volgen! Zou ik tuchteloos genoeg wezen my met het antwoord te bemoeien voor ik de vraag heb afgehandeld? Zulke kapriolen...
Die orgelman dan was door Fancy besteld om zich niet voor ’t juiste oogenblik te laten zien, en we zouden verkeerd doen haar beschikkingen vooruit te loopen, vooral wanneer we door geduldig wachten gelegenheid vinden iets zeer wetenswaardigs te vernemen over den oorsprong van vrymetselary. Waar de bronnen van den Nyl zyn, heb ik reeds gezegd, en als ik nu ook dat andere ophelder zal de billyke lezer erkennen dat ik niet gierig met nieuws ben, schoon ’t wel wat veel is voor één hoofdstuk.
Eilieve, wat ter-wereld bewoog die waardin tot de vraag: “of ’t niet waar was?” Weetgierigheid? Om-godswil, hoe konden Wouter en de schipper, of zelfs Jansen die ’n “gestudeerd” persoon was, meer van de zaak weten dan zyzelf? ’t Mensch was wel zoo oud als ik, dat heel erg is, schoon ik tot eer van haar Publiek erkennen moet dat ze ’t veel verder dan ik in de wereld gebracht had. Maar, gewaardeerd of niet, men wordt geen zeven-en-vyftig jaar zonder ruimschoots tyd te hebben tot beoordeeling van de vraag of men aan ruim- of nauw-zitten de voorkeur geeft. Waarom in deze zaak de meening van anderen ingeroepen? Hoe zou ze ’t opgenomen hebben, als een van de drie haar geantwoord had: “ik ben ’t volstrekt niet met u eens, juffrouw. U houdt meer van benauwdheid, want de groote die of die heeft gezegd... enz?” Ik doe de werkelykheid geen geweld aan, door te veronderstellen dat zoo’n tegenspraak niet zou gewaagd zyn zonder beroep op den bekenden grooten dichter die frazen geleverd heeft voor alle gelegenheden. Ik vraag my af wat ikzelf op haar nederig verzoek om inlichting zou geantwoord hebben indien ik in dien stuurstoel had gezeten? Maar ik kan me de mogelykheid daarvan niet voorstellen omdat ik op dat tydstip niet geboren, en alzoo nòg onbekwamer was dan nu in ’t oplossen der vraagstukken van zoo aetherischen aard als waartoe afkeer van benauwdheid schynt te behooren. Er is geen woord van waar, van deze klassifikatie, bedoel ik, want op m’n volstrekte onbekwaamheid om vóór m’n geboorte meetepraten, valt niets aftedingen. En ongeboren wàs ik. Er liggen honderd twee en zeventig genien tusschen myn eersten kreet en ’t laatste woord van die waardin. De lezer weet dat er in Nederland dertien genien op ’n maaneklips gaan, en kan dus nu precies uitrekenen wanneer ik jarig ben. Men wordt verzocht de miskende meetetellen, anders zou men tot de slotsom komen dat ik nog in de wieg lig.
—Maar ik houd van de ruimte. Wel ja, niet waar?
Mensch, waarom vraag je dat? Is ’t uit wysbegeerte? Heb je aan duitsche filozofie gedaan, en wil je misschien de eigenschappen van ’t leelyke ding an und für sich dat je—met permissie—je ikheid noemt, objektievelyk onderwerpen aan de subjektieve reinen-vernunftskritiek van den haarlemmer-schipper die z’n pyp stopt?
—Asjeblieft, schippertje!
Zoowaar, ze wil hem den koperen vuurbak aanreiken, waarin ’n turfkool ligt te glimmen, voor verstuiving bewaard door ’n deksel van messing, voor uitdooving ook door vyf ronde gaten, juist groot genoeg om aan pypekoppen den toegang open te laten naar ’t vuur. Toegang? ’t Mocht wat! De schipper, deugdzaam, griffermeerd en verontwaardigd, vader van zes gehuwde kinderen, antwoordde ditmaal niet. Hy haalde ’n tondeldoos uit z’n zak, nam de roerpen onder den oksel, en bikte z’n eigen vuur. Was er geen konsekwentie in dat waardig gedrag van den haarlemmer-schipper? En is ’t billyk, my te verwyten dat ik by-voorkeur beelden teeken die thuis hooren op laag terrein? Kan men zich iets verheveners voorstellen dan die tondeldoos en dat vuurslaan voor eigen rekening—als schryver zou de man ’n gek figuur gemaakt hebben!—terwyl hy de hand maar hoefde uittesteken om met z’n pyp den koperen cylinder te bereiken die hem zoo gul... neen, zoo verleidelyk werd aangeboden door de ondeugd? Of, al ware het dat-i met z’n grootkop zou te-kort geschoten hebben om ’t altaar te bereiken dat de valsche Vestale hem aanlangde, zou niet Wouter, de hulpvaardige by-uitnemendheid, het vaasje met de meest mogelyke toewyding hebben vastgehouden? Meent ge, lezer—gy die ’n man van ondervinding en oordeel zyt, en bovendien als Christen bedreven in de geheimenissen der demonologie—meent ge dat ooit aan ’n haarlemmer-schipper die op ’t punt staat z’n eerste pyp aantesteken...
Ze waren alzoo pas by de Eén honderd Roe, of ter-nauwernood zoo ver. Alweer ’n bewys dat die orgelman nog niet “in-zicht” kon wezen. Finaal onmogelyk!
... meent ge dat ooit de Satan zich aan zoo’n schipper aanlokkender kan vertoond hebben dan in de warme gedaante van ’n gloeiende kool? En tòch deugdzaam! Tòch konsekwent!
Deugdzaam? Ja. Maar wie van konsekwentie spreekt, heeft alweer slordig gelezen. Hoe kan men weten of ’s mans pyp-opsteken voor eigen rekening en risiko, in overeenstemming kan gebracht worden met het antwoord dat de vrouw zoo-even van hem moet gekregen hebben, zoolang men van dat antwoord geen kennis draagt? Overyling... uw naam is lezer! Stel dat-i gezegd had: “Eulalia, ik bemin u meer dan m’n schuit!—en nog altyd weet geen sterveling of-i wat anders zei—zou ’t dan niet van onvergeeflyke harteloosheid getuigd hebben, als-i zoo kort daarop Eulalia’s vuur had afgewezen? Dat mannen veranderlyk zyn weet ik, en niemand betreurt deze karakterfout meer dan ik, doch juist daarom noem ik ’t voorbarig dien schipper te stempelen tot uitzondering, voor wy ’n beetje meer van hem weten. In de eerste plaats alzoo...
Lieve God, wat moet ik nu ’t eerst vertellen? De natuurmetselary wacht op verklaring. De schipper zuigt en blaast, de tondel tintelt, en klaagt over m’n spelling, nu ja, maar kan ik ’t helpen dat onze taalwetgevers hun eigen wetten niet volgen? De waardin schuift met mismoedig gebaar den versmaden vuurbak zoo ver ze maar eenigszins reiken kan over ’t roertafeltje binnenwaarts, en verbergt haar smart onder den uitroep:
—Wel man, als ’t je niet lykt mot je ’t maar zevend’half voet van je zetten. Graag of niet! ’n Mensch z’n lust’ is ’n mensch z’n leven...
En, ’t hoofd buiten de deur-opening stekende, herhaalde zy de gewichtige vraag:
... wel ja, niet waar?
Jansen en Wouter hadden nu twee zaken voor één optelossen.
De vrouw wilde weten of ’t waar is dat ’t leven van den mensch in z’n lust bestaat, ’n onderwerp dat weleens tot de konkluzie zou kunnen leiden dat men niet juist alle dooden op ’t kerkhof behoeft te zoeken, schoon ik niet verzekeren kan dat de weetgierige vraagster van deze vroolyke slotsom ’t ware besef had. Er bleek dat het zoo duidelyk uitgezwegen non tali auxilio van den schipper ’t mensch gewond had, en ik verkies nu in haar herhaalde poging om eigen indruk aan ’t oordeel van anderen te toetsen, ’n bydrage te vinden tot den oorsprong der maçonnerie.
Ten-allen-tyde bestonden er menschen die meer te zeggen hadden dan ’n ander, en zy die—zooals op ’t oogenblik onze schipper—aan ’t roer zitten, maakten wel eens misbruik van hun voordeeliger standpunt. Laat ons onderzoeken wie de vrouw was die daar in de roef zat, en telkens haar hoofd buiten ’t deurtje stak alsof ze kennis maken wou. Wie ze was? Wel hoe kan ik dit weten, ik ken ’t mensch niet. De vraag is zonderling. Ik weet alleen dat ze zoo-even terdeeg was uitgescholden, en daar ze nog geen gelegenheid had gehad het gepeupel dat haar met zooveel verachting behandelde, te doen verzwelgen door dezen of genen afgrond, bevond ze zich in ’n staat van vernedering die ’t midden hield tusschen wrevel en kontritie, wel eenigszins gematigd of tot nader order teruggedrongen door den wensch om Wouter te ontlasten van z’n ryksdaalders. Wat haar boosheid aangaat, spot er niet mee, verwaten lezer. Ik had U wel eens willen zien, tien minuten na ’t afgryselyk oogenblik dat ’n brokje Publiek u gebruikt had als voorwerp van deugdmanifestatie!
Tien minuten, zeg ik? Misschien was ’t nog wat minder, schoon ik erkennen moet dat de schipper z’n tonteldoos... goddank, met ’n tintelende t dezen keer, ’t staat er! Ja, de schipper had z’n vuurtuig geborgen waar zulks te doen gebruikelyk is. Hy dampte deftig en dapper, en reeds had-i aan Jansen verzekerd dat het vandaag mooi weer was. Toch blyf ik beweren dat de schuit nog geen volle tien minuten gevaren had. Zóólang nog maar was de waardin woedend geweest. Dit komt iemand die ’t nooit ondervond zoo heel erg niet voor, maar men moet bedenken dat de deugdzame gemaaktheid waarmee ’t roefpubliek zich by haar binnentreden tegen ’t voorbeschot had gedrongen, geen goed aan de zaak deed. Men kan gerust aannemen dat haar minuten dubbel telden, en waarschynlyk is ’t aan deze byzonderheid te wyten dat sommige historieschryvers, haar zielewenteling verwarrende met de kopernikaansche gegevens van ’t andere zonnestelsel, in de dwaling vervielen dat onze schepelingen den orgelman reeds in ’t oog konden hebben. Niets is minder waar. De man was de Driehonderd Roe al lang voorby, toen de vrouw de eerste keer vroeg “of ’t niet waar was?” En nu? Nu, na alles wat er sedert dat gewichtig oogenblik plaats vond? Dat ik instaat ben op ’t kleinste wereldkaartje de plek aantewyzen waar hy zich bevond, mag beschouwd worden als ’n billyk schryvers-prerogatief. Maar zoolang ik m’n meerdere kennis voor mezelf houd, baat die alziendheid weinig aan ’n ander. Om nu evenwel bewys te geven dat ik op dat geestelyk overwicht niet groots ben, deel ik gulweg wat van m’n overvloed mee, door alles te vertellen wat ik van de zaak weet. Het zal velen interesseeren, vooral omdat er iets onmogelyks in voorkomt. De orgeldraaier dien ik den lezer vóór den tyd laat zien, was ’n Franschman. Dit is niet volstrekt onmogelyk. Om geloofszaken had-i z’n land verlaten. Ook dit gaat de perken van ’t denkbare niet te buiten. Wie verlaat niet soms z’n vaderland wegens verschil van opinie met z’n medeburgers? Hierin lag alzoo de mogelykheid van z’n aanwezen niet, maar hy torschte een straatorgel, en dit vind ik ongeoorloofd-byzonder, omdat zoo’n ding in Wouter’s tyd nog niet bestond. Zoo ziet men dat alle verbeteringen in armwezen, politiek en industrie worden aangekondigd door ’n soort van voorloopers. ’t Voorgeslacht heeft er geen weet van—omdat het overleden is—de tydgenoot miskent en steenigt ze uit broodnyd, en de naneef... nu, dit ben ik in dit geval, en ik zal m’n émigré geven wat hem toekomt. Vooreerst dan kan ik u na ’t raadplegen met al de oude schryvers die de zaak behandeld hebben, verzekeren dat-i op ’t oogenblik toen de waardin bezig was met de vruchtelooze poging om ’t hart van den schipper te doen smelten, in z’n koeterwaalsch stond te kibbelen aan ’t Sloterdyker tolhek. Hy trachtte vrye passage te bedingen, maar ’t lukte niet. Z’n vrouw—zaagt ge ooit ’n orgelman zonder vrouw?—en haar kinderen—wie zag ooit ’n orgelvrouw zonder kinderen?—nu, ’t heele gezin stond om hem heen, en wachtte met angst de beslissing af. Maar de tolgaarder was onvermurwbaar, en betoogde op staathuishoudkundige gronden dat ouwerwetsche kwalen als die waarin hy een zoo nuttig bestaan vond, met de meeste stiptheid moesten gehandhaafd worden, omdat alleen hieruit te-eeniger-tyd de algemeene afkeer kan voortvloeien die de afschaffing zal mogelyk maken. “Maar ik zal ’t niet beleven, zeid-i, en m’n kinderen ook niet!” Dit was wèl gezegd, voorwaar, en hy had gerust nog ’n paar geslachten verder kunnen gaan, wat-i zeker naliet uit de bescheiden vrees zich gezegender stamvaderschap aantematigen dan de Heer hem toedacht. Vol karakter, en met ’n aandoenlyk vertrouwen op de taaiheid van misbruik, bleef-i z’n recht tot plicht verheffen, en eischte twee duiten de persoon. Had de man geen gelyk? By de minste weifeling liep de Staat gevaar dat de Regeering in den Haag zyn toegevendheid tot precedent stempelen, en zich daarop beroepen zou om eens ’n enkelen keer met den tyd meetegaan. Wie huivert niet? En wie huivert niet nogeens by de bedenking dat misschien alle Haarlemmers en Amsterdammers op-eens vice-versa aan ’t verhuizen zouden gaan, als zoo’n tweeduits-slagboom werd overgebracht naar ’n muzeum? Wie ’t wèl meent met z’n dierbaar vaderland en ouwerwetsche zotternyen, huivere ten derden maal. Maar dan is ’t ook genoeg.
De vrouw van den orgelman was ’n Duinkerksche, en kon zich redelyk verstaanbaar maken, maar haar aanhouden had even weinig gevolg als de niet verstane hoewel best begrepen vertoogen van haar echtgenoot. Wat te doen? De stumperts waren nu eenmaal de tien, twaalf duiten niet ryk, die er noodig waren om Haarlem te bereiken, waar ze zeker opgang en goede zaken zouden maken met hun zeil. Want ze hadden ’n zeil, waarop ’n fraaie geschiedenis stond afgebeeld. Het was, om ’n paar staken gerold, gedragen door de twee oudste kinderen, die nu echter by dien slagboom hun vrachtje moedeloos hadden neergelegd. Ook ’t orgel was op den grond gezet, en de vermoeide man ging er op zitten, niet zonder vrees dat men tol zou komen vorderen voor ’t beetje rust dat-i waarlyk wel noodig had. De vrouw was uitgepraat, en de tolgaarder had alle verzoeking tot het schenden van z’n plicht afgesneden door zich in z’n huisje terugtetrekken, waar-i z’n werkzaam leven voortzette. De nood was hoog, en alzoo de redding naby. Nu denkt de lezer dat Wouter aan de beurt komt. Welzeker, wat beteekenden voor hem tien duiten, of al waren ’t er twaalf! Ik heb de kinderen niet geteld, en weet bovendien niet of de vele zuigelingen die daarby waren, moesten meedragen in ’t onderhoud van den straatweg? Maar al had ik ze geteld, en al wist ik dat, om godswil, lezer, hoe kon Wouter hier helpen, hy die nog ver af was, en van de heele zaak geen kennis droeg? Geloof me, als Wouter in dit byzonder geval God met anderhalven stuiver was te-hulp gekomen in ’t redden van vyf, zes ongelukkigen, ik zou ’t zeggen! Reeds voor mezelf houd ik niet van nederigheid, waarom zou ik—ten-koste nogal van m’n roem als nauwkeurig geschiedschryver—preutsch omgaan met de verdiensten van ’n ander? Wouter zat nog altyd lang en breed te peinzen over... die twee meisjes, en wie z’n indrukken gekend had, zou gevonden hebben dat-i ditmaal byzonder weinig op ’n plaatsvervangende Voorzienigheid geleek. Er was toch iets aardigs in, dacht hy, zoo op-eenmaal door ’n vrouw uit Haarlem uit z’n gewonen kring gehaald te worden. Hy wou graag gelooven dat ze de wereld niet van den allerfraaisten kant intraden, maar ’t was die Wereld toch, ’t was ’n uitvlucht, iets ongewoons. Zoo’n meisje had toch veel voor. Wie zou ooit hèm komen halen, wie hèm verlossen van Stoffel, Kopperlith’s en gewoonheid? Die meisjes waren “gevallen” o zeker, en dit is heel verkeerd, maar hadden ze niet byzonder prettige genoegens te wachten van ’t opstaan? Ieder weet dat God graag vergeeft—men moet bedenken dat het z’n eenige uitspanning is—en ook de Maatschappy strekt tot verrekkens toe haar armen uit om berouwhebbenden aan haar vriendelyke borst te sluiten. Onder al die omhelzers bevindt zich alligt ’n prins die zich zoo verheugt over ’t weervinden van ’n verloren schaap, dat-i al z’n koningryken wat weinig acht om op ’t laatste blaadje van den roman te worden neergelegd aan de voeten... och, hoe jammer dat Jansen plaats had, genomen in de roef!
Maar met al die overleggingen hebben we niet te maken, omdat, we nu te Sloterdyk zyn. Daar Wouter er nog niet was, zag God-zelf zich wel genoodzaakt ’n hand uittesteken. Hy verwekte een verlosser in Israël, in de gedaante van ’n kleinen boerenjongen, die uit het dorp over de vaart heen bemerkte dat er by het tolhek iets byzonders aan de hand was, en z’n ontdekking aan twee, drie anderen meedeelde. Dezen, gedreven door den geest, maakten er ook geen geheim van, en alles liep uit, de brug over, naar den slagboom: er was Publiek! Wat kan ’n artist meer verlangen? “A la bonne heure!” zei de man, en hy gaf bevel de paaltjes in den grond te slaan, waaraan ’t zeil werd opgeheschen, ontrold, vastgehecht... och, zoo kleurig! Heel Sloterdyk stond verbaasd, en er was reden toe. Want, al z’n leven, men kreeg de geschiedenis der schoone Genoveva van Brabant te aanschouwen! Wie ’t zag, zou moeten erkennen dat Wouter groot gelyk had, toen-i in z’n print-kleurperiode zoo jaloersch was op dat leven in ’n woesteny. Geen kind in heel Sloterdyk dat er niet precies zóó over dacht. Het zeil was verdeeld in vier kolommen, en overdwars in zeven ryen, ’n verdeeling die me straks kan komen te staan op ’t vertrouwen van den lezer. Want zie, de man zong welgeteld negen-en-twintig koepletten, en ’t zal dus schynen dat ik òf ’n koeplet van eigen vinding valschelyk onderschuif, òf dat ik—erger nog—te-kort doe aan ’t zeil. ’t Een is zoo onmogelyk als ’t ander. Men schudt geen poëzie als de hier bedoelde uit den mouw, en wat het zeil aangaat, wie zag er ooit een met negen-en-twintig vakken? Blyft men in-weerwil hiervan m’n nauwkeurigheid wantrouwen, ’t spyt me wel, maar ik zal trachten my in ’t verdriet daarover weer te schikken. Men is nu eenmaal niet voor z’n pleizier op de wereld. Misschien ook voelt de ergdenkende lezer berouw, als-i den tekst van de Complainte gelezen heeft. Hy zal inzien dat men zoo-iets niet machtig wordt zonder nauwkeurige bronnen geraadpleegd te hebben.
Ze was terdege boos. De lezer zal wel weten dat invloed, macht, gezag, heerschappy, overwicht en de van al deze factoren grootendeels afhangende tevredenheid met zichzelf voortdurend in stygende of dalende beweging zyn. Wie aan de verliezende hand is, voelt zich genoopt naar bondgenooten omtezien, en opent met ’n klein toespraakje de preliminaire onderhandelingen. Hy tracht te weten te kernon of er kans bestaat dat anderen in z’n verdriet deelen—of al was ’t maar in z’n afkeuring—en hy staat gereed het minste blyk daarvan aantegrypen tot herstel van de ondergane krenking. Het spreekt vanzelf dat de onderliggende party gewoonlyk meer scherpzinnigheid aan deze taktiek ten-koste legt dan de zegepralende tegenstander die weleens op z’n behaalde lauweren in den dut valt, en niet aan versterking van standpunt begint te denken voor de stygende invloed van den vyand hem daartoe aanspoort. In oogenblikken van betrekkelyke gelykheid openbaart zich de wryving in morren, twist, krakeel, vechtpartyen of oorlog, al naarmate de stryd zich tot individueele belangen bepaalde, of wyder gebied innam. Daar evenwel zoodanige gelykheid nooit lang aanhoudt, en er alzoo telkens op-nieuw ’n onderliggende party gevormd wordt die aan herstel van standpunt behoefte voelt, is dat zoeken naar geestverwantschap ’t perpetuum mobile geworden dat de gansche maatschappy in beweging houdt. De machtigste korporatie die ooit bestond, moet begonnen zyn met de vraag: of ’t niet waar was? Maar de Geschiedenis zwygt over de tallooze malen dat er op die vraag geen weerklank werd gegeven, of wel ’n antwoord dat verdere onderhandelingen afsneed en alle toenadering onmogelyk maakte. Het is aan ’n zeer byzonder toeval te danken, dat ik kan meedeelen hoe de eerste poging van de waardin was beantwoord geworden. Zie hier wat de schipper had gezegd, toen ze terstond na ’t instappen van de roef ’n gesprek trachtte aanteknoopen:
—Zeg ’ns, mensch, als ik jou was, zou ik me nou ereissies heel bedaard houwen. Ik ben hier baas aan-boord, versta je dat?
Zeker verstond ze ’t wel, maar ze zal evenmin als ik begrepen hebben hoe dat baasschap hier te-pas kwam? En wat de bedaardheid aangaat, waaraan de schipper betuigde zich te willen overgeven zoodra hy háár was... och, ik zeg dat die schipper onmogelyk weten kon wat-i in dat vreemd geval doen zou.
—Wel nou keman, nog bedaard ook, en dat na zoo ’n veraffrentasie!
Meer had ze niet gezegd, en daarmee was ’t voor datmaal uit geweest. Laat ons de geestkracht en de gevatheid bewonderen, waarmee ze dat komfoor te-baat nam om den aanval te hervatten. Doch we weten reeds dat ook die poging schipbreuk had geleden op de onafhankelykheid van karakter die de deugdzame schipper wist te putten uit z’n tonteldoos. Het speet ons voor de waardin, maar we zyn niet ondankbaar voor de leering hoe goed het is, by zekere gelegenheden eigen vuur by de hand te hebben. Het wyf zat nu heel menschenkennig te loeren op ’n derde gelegenheid. Dat er in elk kuras gapingen zyn, wist ze wel... lieve god, pater Jansen en Wouter waren in ’t geheel niet geharnast! Ja, had ze maar met die twee alleen te doen gehad. Maar de schipper was drukkend pedant en groots. Hy blufte op z’n gezag aan boord, op z’n deugd, op z’n zes gehuwde kinderen:
—Allemaal best af, m’nheer pastoor, best! Twee by ’t waagdragen... ’n mooi vak, m’nheer pastoor!
Jansen liet z’n kin op de gevouwen handen, en deze op den knop van z’n rotting rusten, maar antwoordde niet. Z’n gelaat teekende droefheid, en de waardin bespiedde z’n stemming. ’t Was, meende zy, al iets dat-i door z’n zwygen weinig blyk gaf van den lust om in vriendschappelyke verstandhouding tot den schipper te komen.
—En de derde is op ’n armenschool... als onderwyzer, weet u. Dàt is er een! Als-i ’n woord ziet, vraagt-i dadelyk waarvan ontleent zich dat? En hy wéét ’t! Nou, ik heb ze best opgebracht, dat moet ik zeggen. ’t Oog op God, zoo zei ik maar altyd, en dan...
Een blik op de roef.
...eerlyk door de wereld! Wat zegt U, m’nheer pastoor?
Helaas, Jansen zei weer niets, en de fondsen van de waardin rezen ’n beetje. ’t Leek wel of nu de beurt aan den schipper was gekomen om behoefte te voelen aan wat weerklank. De man verwonderde zich dat-i met z’n “God voor oogen!” niet beter slaagde vooral omdat-i met ’n geestelyke te doen had, die beroepshalve wel verplicht was zulke praatjes heel mooi te vinden. Maar hierin vergiste zich onze schipper. Over ’t algemeen vinden die heeren ’t niet aangenaam dat de terminologie van ’t vak door leeken ontwyd wordt. Ze houden meer van zondaren dan van dilettanten in zaligmakery, omdat ’n klant boven ’n konkurrent gaat. Deze algemeene waarheid was nu wel niet op den goeden Jansen toepasselyk, maar de teleurstelling van den schipper werd er niet geringer om. Sedert dertig jaren verkondigde hy z’n fameuze hoofdgrondstelling tweemaal daags—op den zeldzamen keer na, dat-i geen enkelen passagier in de roef had—en nog nooit was z’n hoogstmerkwaardig maxime aangehoord zonder hem ’n zalvend: “ja, ja, schipper, daar heb je wel gelyk in!” optebrengen. Dit behoorde tot de emolumenten van z’n verheven beroep, en die pastoor zat maar zwygend op z’n neus te staren! Zelfs voor het ditmaal zoo byzonder toepasselyke: “eerlyk door de wereld!” had die vervelende passagier geen goedkeurend woordjen over, geen knikje! Er moesten andere loopgraven geopend worden:
—Ja, God voor oogen, zeg ik maar. Nou, onze Chris—want Chris heet-i naar z’n grootmoeder, omdat die ook Chris heette—’t is ’n eerst platje. ’t Was eigenlyk m’n vrouws moeder... ook ’n brave vrouw, dat kan ik je gerust zeggen, m’nheer pastoor! ’t Mensch is dood, maar anders... Jan, vier ’n scheutje tot die modderpraam voorby is.
Jan de knecht vierde drie vaam van de jaaglyn. Heel noodig was ’t juist niet, maar de schipper vond de gelegenheid gunstig iets van z’n zeemanschap te laten zien.
—Ja, m’nheer pastoor, zoo ben ik! Ik heb graag wat speling in de lyn als er drukte-n-in de vaart is. Een mensch moet op z’n zaken passen, en... God voor oogen! Dan kom je ’r wel. Haal nu maar weer in, Jan. Zóó heb ik ze opgebracht, alle zes, m’nheer pastoor. En onze Chris zei—want hy is ’n platje—“wel, vader, waarom noemen je de menschen haarlemmer-schipper? Nou, ik begreep terstond dat er wat achter stak, maar waar ’t ’m zat kon ik niet raden, want geleerd ben ik, om ’t zoo ’reis ronduit te zeggen, niet. Maar ik versta m’n werk als de beste...
Waarschynlyk om Jansen hiervan te overtuigen, gelastte hy nu z’n knecht het dek van de schuit dat met teer en gestampte schulpen besmeerd was, met water te bevochtigen.
—’n Paar pussies maar, want ziet u, m’nheer pastoor, anders kleeft het zoo, als er den heelen dag de zon op staat. Nou, en m’n.. eene dochter—Jansje heet ze, omdat ze eigenlyk naar my genoemd is, want... myn naam is Jan—nu die is getrouwd met ’n boekbinder. Die heeft ook al haar vierde... allemaal meisjes. En de tweede is in de blye verwachting, want haar man is op ’n kantoor in de accynsen. Daar worden alle varkens gewogen... van de stad, weet u?
—Maar, m’nheer, waagde Wouter te vragen, waarom mag men u geen haarlemmer-schipper noemen?
—Ja, niet waar, dàt is ’n vraag! Nou, hy is ’n guit, dat zal je hooren. En alles maar zoo droog-weg. Hy zei... maar zeg eens, ben je meer te Haarlem geweest?
Of Wouter er geweest was!
—Want anders kan je ’t niet zoo dadelyk begrypen. Maar ik wou m’nheer pastoor vertellen van m’n derde dochter. Die woont in de Langstraat, en haar man heeft ’n winkel, en daarin verkoopen ze zoowat van alles. ’t Is om ’t nu zoo eens uittedrukken: ’n komeny, maar aanspreker is-i ook, en hy bedient ’n begrafenisfonds, en dat geeft nogal. Toen verleden haar jongste gestorven is, hebben ze-n-uit hun eigen bus twintig gulden gehad. Bn nu is de middelste ook ziek, ’n meisje, m’nheer pastoor, met kromme beentjes en nogal pieperig. Ja, ’t gaat ’rlui best. Ze wil altyd dat ik m’n rust zal nemen omdat ik op jaren kom, want Pietje heet ze, omdat ze genoemd is naar m’n vader, en die heette Piet. En ze wil dat ik zal uitscheien met werken omdat ik zoo erg op jaren kom, m’nheer pastoor, en al zooveel beleefd heb. Maar ik zeg maar altyd: né, zoolang God me kracht geeft...
Zóólang zoud-i zeven uren daags in dien stuurstoel zitten, en nog meer beleven, en haarlemmer-schipper blyven, of wat-i dan volgens z’n guitige zoon wezen mocht.
—Een mensch moet op z’n post blyven naar Gods bestel, m’n-heer pastoor. Dàt heb ik altyd m’n kinderen voorgehouden, en daarom gaat het hun best.
—Maar, m’nheer, waarom mag men u geen haarlemmer-schipper noemen?
—Precies, zoo kom je-n-op ’t ware punt van de zaak. Wel, jongeheer, hy zei—maar ’t is ’n guit, dat zal je zien—“vader, zeid-i, zoodra je Halfweg gepasseerd bent, word je Amsterdammer-schipper.” ’t Is waar ook, zei ik, en ik had er nooit aan gedacht. Zoo zieje wel dat zoo’n jongen me de baas is. Maar... God voor oogen, dat ’s best van allemaal. Wel ja, straks voorby Halfweg—als je-n-in die streken bekend bent, zal je ’t zelf zien—dan kom ik, om zoo te zeggen, van Amsterdam, en hier gaan we nog altyd maar naar Haarlem. Hoe vind je die? En hy is pas zeventien!
Wouter glimlachte even uit goedhartigheid, maar verder kon-i ’t niet brengen. Dat de maçonnieke poging van den schipper om met pater Jansen in gesprek te komen niet gelukken kon, spreekt vanzelf. Dit zou ’t geval gebleven zyn al ware de meegedeelde geestigheid eenigszins geestiger geweest, want de goede man repeteerde z’n theologischen kursus. Hy overpeinsde of er iets goeds kon gedaan worden, en wat? Geestelyke hovaardy was hem vreemd, maar toch voelde hy als fatsoenlyk man ’n instinkmatigen afkeer van ’t wyf dat hy wel zou moeten aanspreken als-i besloot zich het lot van die twee meisjes aantetrekken. Dit nu hield hy in z’n onnoozelheid voor plicht, en... zy wist het! Ze wist dat er slechts ’n gepaste aanleiding noodig was om hem aan ’t spreken te krygen. Zonder uitbundige instemming hebben we hem hooren beweren dat er op ’n Simmenarie zooveel menschenkennis viel optedoen, maar wel durven we deze eigenschap toekennen aan de vele simmenarien die onze waardin in haar jeugd bezocht, en na voleindigde studien op ryper leeftyd bestuurd had. Met grapjes of ’n geestigheid was die ernstige pastoor niet te genaken, dit voelde ze wel. Met opgedrongen vriendelykheid evenmin. De weg naar z’n gemoed... ze wàs er!
—Dàt kan ik niet aanzien, riep ze, ’t schreit werachtich tot God! Schipper, leg ’ereis an, en neem die stumperts in je schuit. Ik ben goed voor de vracht.
—Ik mag ’t niet afslaan, zei de schipper, die Jansen aankeek alsof-i zich verontschuldigde. Zaken zyn zaken, dat zal m’nheer pastoor ook wel weten.
Hy riep den jager toe, halt te houden. De lyn plaste in ’t water, en de schuit werd naar wal gestuurd. De waardin die uit de roef in den stuurstoel gestapt was, riep en wenkte de tobbende orgelfamilie die na eenige opheldering over de onverwachte vriendelykheid in de schuit werd opgenomen.
—Zit jelui daar nou maar ereis heel op je gemak, lieve menschen, en rust wat uit. Ik ben goed voor de vracht...
En Jansen aanziende:
... wel ja, niet waar, men moet z’n evenmensch ’n beetje helpen in de wereld?
Ziedaar nu haar derde: “niet waar?” en ’t beste! Jansen antwoordde wel niet terstond, maar zag haar vriendelyk aan, en toen ze daarop blyk gaf naast hem te willen plaatsnemen, overschreed de ruimte die hy maakte, de grens niet die de welwillendheid in zulke gevallen aanwyst. De waardin gunde zich de genoegdoening, den schipper ’n zegepralenden blik toetewerpen. Maar we mogen aannemen dat-i met het oog op God dien slag overleefd heeft, daar we van-goeder-hand weten dat-i eerst jaren daarna overleden is, waarschynlyk in ’n oogenblik dat-i ’n verkeerden kant uitzag. Wie dit vermoeden te liefdeloos vindt, mag veronderstellen dat de man, ook zonder de minste fout in de richting van z’n oogen, ten-laatste bezweken is aan deze of gene ziekte die Gods macht te-boven ging. Aan ouderdom, by-voorbeeld. Want dat gebeurt soms.
Hoe dit zy, by de gelegenheid die we hier behandelen, hield de man zich kras. Hy verdampte zoo goed mogelyk z’n ergernis over den triumf van de waardin. Deze was er werkelyk in geslaagd met den geestelyke in gesprek te komen, en Wouter luisterde aandachtig toe. Nu ’t ys eenmaal gebroken was, bleek het wyf raad te weten voor ’t wegruimen van de schotsen.
—Best, wees jelui maar vroolyk in de schuit! riep ze toen de tonen van het draaiorgel zich deden hooren. Ja, m’nheer pastoor, ik hou van vroolykheid, en de man kan nu zitten by z’n werk! ’t Was niet aantezien, niet waar?
—Ja, juffrouw, zoo’n orgel is ’n heele vracht.
—Ja, zeker, juffrouw, ’t is wel om meely mee te hebben. Maar...
Wat-i “maren” wou, wist hyzelf niet recht. Geheel onwillekeurig voelde hy aandrang tot iets als protest tegen háár bevoegdheid om ’n aandoening te openbaren die goed was, of by hem voor goed doorging. De slimme feeks, op den weg gebracht misschien door ’n eigenaardige uitdrukking op z’n gelaat, begreep iets van de vyandige strekking die zich zoo schroomvallig openbaarde, en nam haar maatregelen:
—Och, m’nheer pastoor, ik kan m’n evenmensch niet zien lyen. Als ik niet zoo vol behuisd was... kyk, ik nam zoowaar graag een van die stumperts by me, al was ’t de kleine jongen die op ’t orgel zat.
—Hé, riepen Jansen en Wouter tegelyk.
—Ja, m’nheer, ja, jongeheer, zoo ben ik, werachtich as Chot!
—Maar, juffrouw...
—Och, m’nheer pastoor, menig mensch is niet zooals-i ’r uitziet. Ik heb altyd m’n evenmensch geholpen, dat heb ik. Daar heb je nu die twee meissies daar vóór in ’t ruim! Wat is ’t geval? De een heeft geen moeder, geen vader, geen levendige ziel... nooit gehad, m’nheer pastoor! Wat doet ze? Ze loopt voor oud vuil op de straat rond. Ze had om zoo te zeggen, geen hemd aan ’t lyf. Wat heb ik gedaan? Ik heb ’r kleeren gekocht, voor dertig gulden kleeren, m’nheer pastoor! En die andere? Nou, die heeft ’n moeder... godbetert! Liever géén, zeg ik. Ze stuurt ’r kind de straat op om jongens nateloopen, jongens en heeren! Nou, ’t zyn er heeren na! En van dat schandloon wil de moeder ’t hare hebben! Ik vraag u, m’nheer pastoor, wat komt er te-recht van ’n meid die op straat loopt?
De arme Jansen was verbluft, en niet genoeg ingewyd in de geheimen van ’t vak, om zoo terstond te weten wat er te antwoorden viel. De vrouw ging voort:
—Toen heeft ze my ’n brief geschreven... of ze ’m zelf geschreven heeft, laat ik daar, maar ze vraagt of ik niet in Haarlem ’n nette fatsoenlyke dienst voor haar weet by stille menschen, en... en... en... om ’n beetje voorschot, zooals ’t by zulke gelegenheden gaat. En wat doe-n-ik? Ik zend haar tien dukatons. Tien dukatons, m’nheer pastoor! En nu ik kom om haar aftehalen—wel ja, van m’n verlies kan ik niet leven!—wat gebeurt er? De menschen schelden me-n-uit!
Hier begon de edele vrouw zeer toepasselyk te schreien. Wouter bleef haar bewegingloos en met open mond aanstaren. Jansen was geheel in de war. Uit het ruim der schuit klonken ’n paar wegstervende maten van de fransche complainte. De schipper richtte z’n oog... altyd op God, natuurlyk, maar nu ook zeer in ’t byzonder dan eens op de wolken, dan weer op den nagel van z’n linkerduim, ’tgeen scheen te moeten beteekenen dat het verhandelde hem niet aanging.
Met allerlei praatjes bracht de waardin ’t zoover dat Jansen haar uitnoodigde de reis naar Haarlem niet met de beide meisjes voorttezetten. “Hy zou haar wel eens willen spreken” zeide hy, en ze had er niets tegen. Hieruit vloeide voort dat Jansen, Wouter, de waardin en haar beide beschermelingen zich by ’t “overloopen” te Halfweg ’t genoegen ontzegden den haarlemmer-schipper te zien overgaan in ’n amsterdammer. Zy wenschten hem goede reis, en namen gezamenlyk plaats aan ’n herbergtafeltje voor ’t gastvrye Huis Ter-Hart, waar Wouter alweer niet van z’n preek over zuinigheid verloste. Arme Styntje!
De waardin kwam ’n volle schuitbeurt later thuis dan ze gedacht had. Voor haar vertrek van ’t Huis Ter-Hart had ze Jansen, Wouter en de beide berouwhebbende Kaatjes te-voet het pad der deugd zien inslaan, dat was—in dit byzonder geval, en zonder de minste konsekwentie voor den vervolge—den vervelenden straatweg naar Amsterdam...
Om-’s hemelswil, we willen toch hopen dat Jansen niet van plan is die twee schepsels by Styntje te introduceeren?