← Table of contents
De Geschiedenis van Woutertje Pieterse, Deel 2

Tweede Deel Amsterdam—Uitgevers-Maatschappij “Elsevier”—1921 (continued 4)

Reading edition

En nu, gewillige Muze, leid ons terug naar den Pietersburg! Blaas my in, wat daar geschiedde gedurende Wouter’s romantische omzwerving, en zorg dat m’n taal niet al te ver sta beneden de waardigheid van ’t onderwerp! Wy weten reeds, o Clio, hoe de slotvoogdes haren spruit had zien uittrekken tot bescherming zyner geïmprovizeerde dame, en hoe zy hem wel geen zegenbeden, heilwenschen of gewyden sjerp meegaf, maar ’n slaapmuts toch, en den bekenden sitsen nachtpon. Wy weten hoe Jonker Stoffel, erfstadhouder van den familieroem...

Komaan, laat ons liever de zaak heel eenvoudig behandelen. Die Muze kan wegblyven. Juffrouw Pieterse was den bewusten vrydagavend naar bed gegaan als gewoonlyk. En de rest ook. Van akelige droomen is me niets gebleken. In m’n archieven vind ik geen spoor van angst over ’t vreeselyk gevaar waaraan men Wouter zoo onbedacht had blootgesteld, misschien wel omdat dit gevaar z’n verwanten ten-eenen-male onbekend was. Juffrouw Laps had waarlyk niet noodig gehad haar opzetje zoo fyn intekleeden, en ’t overslaan van Wouter’s naam by ’t oproepen van de ridders wier bescherming zy beweerde noodig te hebben, was ’n overbodige weelde van staatkundery. Dank zy de domheid der Pietersens, ze zou by veel grover behandeling van zaken, even goed haar doel bereikt hebben. De voornaamste aandoening die haar onbegrepen taktiekje te-weeg bracht, sproot voort uit den afkeer dien hare geheele persoonlykheid inboezemde, en volstrekt niet uit achterdocht omtrent haar byzonder plan. Aan zoo-iets werd by de Pietersens niet gedacht. De oorzaak hiervan lag volstrekt niet in zedelyke hoogte, maar geheel-en-al in laagte van verstandelyke ontwikkeling. Zekere lieden zouden omtrent Mensch en Wereld veel te leeren hebben, voor ze ’t standpunt van beredeneerd vertrouwen bereiken.

—Ik begryp om al de wereld niet, waar de jongen zoo lang blyft? zei de moeder.

—Hy zal niet vroeg opgestaan wezen, en misschien laat ze hem by ’t ontbyt ’n kapittel uit de Schrift lezen.

Aldus Stoffel. En de familie berustte zonder veel inspanning ’n half-uurtjen in die bemoediging.

—Wat zou je-n-’r van zeggen, als jyzelf er eens heenging? stelde eindelyk juffrouw Pieterse voor.

—’t Zal moeielyk gaan, moeder! Want ... uwe weet, het is niet in den weg van m’n school.

Dit argument voor non-interventie was volkomen geldig. Men moet nooit iets doen wat niet op z’n weg ligt. Ziehier een der liefelyke kanten van ’n welbegrepen konservatismus. Stoffel zelf wist niet hoe diep de zin was van z’n staatkundig grondbeginsel.

—Maar... als we dan Leentjen eens daarheen zonden, om te vragen waar de jongen blyft?

Dit werd goedgekeurd. Leentje ging, en kwam weldra terug met de boodschap dat “Wouter waarschynlyk ’n wandelingetje maakte.”

Zóó namelyk had juffrouw Laps in den angst van haar hart gezegd. En ’t was niet geheel-en-al onwaar. Wouter was inderdaad na z’n vertrek uit haar woning, terdeeg aan ’t wandelen geraakt... de lezer weet het. Maar juffrouw Laps verzuimde wyselyk, er by te zeggen waaròm hy ’n wandeling deed, en op welk uur hy haar verlaten had. Leentje had geen erg er naar te vragen, omdat het vanzelf scheen te spreken dat-i niet was uitgetogen in ’t holste van den nacht. En zóó ook werd de zaak door z’n moeder en zusters opgevat. Ze kwam dus eenvoudig neer op een van de zonderlinge gewoonten van Wouter, waarover men zich zoo dikwyls te verwonderen had.

—Daar heb je ’t weer! zei de moeder. De last die ik van dàt kind heb ... kyk! ’n Ander maakt ’n kuiertje na den eten, niet waar? En hy ... wat doet-i? Hy loopt rond in den vroegen morgen. Ik vraag jezelf nu, Stoffel, of dat ’n manier van doen is?

—Né, moeder!

—En ons hier in angst te laten zitten!

—Ja, moeder!

—Zieje, ’t is toch weer heel erg van hem. Hy moest begrypen dat we hier allemaal in doodelyke ongerustheid ... god weet waar-i nu weer rondloopt?

—Zeker, moeder! En nu is ’t tyd voor m’n school. Dag, moeder!

Stoffel vertrok. Van dien angst en die ongerustheid was geen woord waar. Deze klacht hoorde er zoo by, meende de familie, overigens niet de minste blyken gevende van bekommering over Wouter’s lot. Ook hier alweer speelden onkunde, onwetenheid en traagheid haar gewone rol. Het kòn immers zyn dat den knaap ’n ongeluk overkomen was? Z’n moeder vond het gemakkelyker hem te beschuldigen van onbehoorlyk gedrag, dan ernstig te onderzoeken waar-i beland was. En hierby bleef het, tot dokter’s Kaatje kwam.

De lezer weet hoe Holsma z’n koetsier gelastte ’n oogenblik optehouden voor Wouter’s woning, ten einde dat meisje gelegenheid te geven tot uitstappen. Alles was haastig naar ’t venster geloopen ...

—Daar is-i, daar is-i! riep de heele familie om ’t hardst, hy zit zoowaar in dokter’s koets!

Deze opmerking verdreef alle andere indrukken, en Kaatje’s geruststellende taak viel byzonder ligt. Eigenlyk had ze niets hoeven te zeggen. ’t Kwam er niet meer op aan, waar Wouter geweest was ... nu reed hy in ’n koetsje. In’s hemelsnaam, wat wil men meer?

—By dokter ontbeten? Gut, mensch, wat zeg je! En ... en ... waarom heeft de koetsier z’n beeremuts niet op?

De verwonderde Kaatje beriep zich op ’t saizoen, en vond de ontvangst die haar te-beurt viel, zeer zonderling. De verdenking die zy koesterde omtrent Wouter’s geestvermogens, ontving nieuw voedsel door de vreemde manier waarop haar boodschap beantwoord werd. ’t Scheen wel dat de heele familie ... ’n beetje ...

—En heeft-i wezenlyk by dokter ontbeten? Begryp eens, Trui ... ontbeten!

—J...a, juffrouw, hy heeft by ons ... ontbeten! O ja, zeker, ontbeten ... m’nheer heeft het gezegd.

—By den dokter? En ... ontbeten, zeg je? Op den Kolveniersburgwal?

—Wel zeker! Waar anders? Maar ... wat zou dat?

—En ... is-i wel fatsoenlyk geweest?

—Gut ja, juffrouw, maar ...

—En nu zit hy met den dokter in de koets?

—Wel zeker, juffrouw! Maar ...

—Hoor ’ns hier, vryster, ik zal jou eens wat zeggen, maar je moet er niemand overspreken. Hy is ’n zonderling kind, weetje ...

—Ja, zuchtte Kaatje, volkomen overtuigd. Dàt weet ik!

—Zoo? Weetje ’t? En weetje-n-ook waarom? Dàt zal ik je nu eens vertellen. Hy is zoo’n zonderling kind, omdat—ga jy even op-zy, Petrò, en jy ook Mine ... Trui kan blyven, maar kyk op je werk!—hy is zoo zonderling en dingsig, weetje, omdat ik, toen ik zwaar van ’m was ...

—Gut, juffrouw!

—Ja, vryster! Toen heb ik gedroomd van ’n kapel die ’n olifant voorttrok. Begryp je ’t nu?

—O ja, ja, ja, precies, juffrouw! Ik begryp ’t nu heel best.

—Zie je? En daarom ... doe de komplimenten aan den dokter, en zeg dat ik wel laat bedanken. ’t Is nu maar te hopen dat-i fatsoenlyk is ... Wouter, meen ik. Gut, draagt de koetsier zoo’n muts alleen in den winter?

Kaatje maakte dat ze wegkwam. Ze nam zich voor, nooit van kapellen en olifanten te droomen. Zoo’n uitspatting van den geest kwam haar zeer gevaarlyk voor, want ze begon nu in allen ernst te meenen dat de heele familie gek was, en dat zy in Wouter daarvan slechts ’n klein staaltje gezien had.

Toen, eenige uren later, de dokter-zelf zich de moeite gaf juffrouw Pieterse te komen geruststellen, kende de vreugd over Wouter’s verheffing geen grenzen. Holsma bestudeerde deze en andere zotternyen, en maakte van z’n opmerkingen gebruik by ’t bepalen van den geestelyken leefregel dien hy Wouter straks zou voorschryven, een dieet dat hy nog meende te moeten inkrimpen na ’t voorgevallene in den Schouwburg.

Wat juffrouw Laps aangaat, zyzelf wist niet hoe goed alles buiten haar toedoen geschikt was. Ze hield zich den heelen dag bezig met onnoodig gepeins over de mogelykheid om ’t ding te redden, dat ze—wel eenigszins met verkrachting van den zin—haar “eer” noemde. Daar zy evenwel tot geen besluit kwam, bewaarden de gunstige goden haar voor ’t nemen van maatregelen die juist andersom zouden gewerkt hebben dan de eisch was. Ze deed niets, en door ’n byzondere welwillendheid van ’t lot, was dit de beste party die ze kiezen kon. ’t Spyt me voor sommige lezers, dat haar veroveringstocht niet tragischer afliep. Maar de moraliteit wint er by. Ik gis dat Fancy ’t gemeene schepsel de belangwekkende smart niet gunde, van de kastyding die ze verdiend had. Een paar dagen angst was voor haar peccadille volkomen genoeg. ’t Spreekt vanzelf dat ze nog altyd bleef vreezen dat Wouter haar aanklagen zou.

Wouter was inderdaad dien saturdag-nacht by de Holsma’s gebleven. Den volgenden morgen vroeg nam de dokter hem by zich op de studeerkamer, en sprak hem vriendelyk toe. Hy moedigde den ontluikenden jongeling aan, hem zoo goed mogelyk te vertellen wat er in z’n gemoed omging, doch onthield zich zorgvuldig van alles wat Wouter in de meening zou kunnen brengen dat-i byzonder was. Het spreekt overigens vanzelf, dat hy meer begreep dan Wouter zeggen kon. Ook de niet zeer handig overgeslagen geschiedenis met de onnoozele verleidster, lag hem klaar voor oogen. Hy luisterde naar Wouter’s ontboezemingen, als naar iets zeer bekends, en stelde z’n onbegrensde eerzucht—of liever z’n voorbarige en overspannen zucht naar ’t goede: z’n God-zyn—als ’n gewoon verschynsel voor, dat uit de levensperiode voortsproot, en... dat uit den weg moest worden geruimd. Ook Wouter’s liefde voor Femke, behandelde hy als ’n zeer gewone zaak. Om aan al deze geringschatting zooveel doenlyk de pynlykheid te ontnemen, haalde hy gedurig z’n eigen ondervinding aan, en verklaarde zichzelf schuldig aan de fouten die hy in Wouter meende te moeten gispen, een methode die nog altyd veel ouders en opvoeders onbekend schynt te zyn. Ook Jezus heeft over ’t hoofd gezien dat men zich bukken moet om te kunnen opheffen. Of werd hem die terugstootende heiligheid aangewreven door vervalschers? Meenden zy misschien dat de zondeloosachtigheid die hem zoo volstrekt onbevoegd maakte tot voorganger, als onmisbaar bestanddeel van z’n goddelyke natuur moest worden voorgesteld? Zagen ze niet in, dat de voorgewende verheffing tot méér dan Mensch, ’n verlaging was beneden ’t peil der Mensheid, die juist aan den specifisch-menschelyken stryd tegen afdwaling, haar hoogheid te danken heeft? Dat ook hier alweer ’t onbruikbaar-goddelyke uitloopt op ongerymdheid, spreekt vanzelf.

Holsma, heel ongoddelyk, maar goedig, verstandig en waar, zette zich niet op ’n voetstuk. Hy begon met de betuiging dat ook hy in z’n jeugd alles wat Wouter hem meedeelde, ondervonden had, en tevens dat hy dezelfde gemoedsverschynselen in byna alle andere jongelieden waarnam. Ook trachtte hy de zaak terugtebrengen op burgerlyk-praktisch terrein, met vermyding van allen prikkel tot geestvervoering. Het kwam hem voor, dat z’n patiënt aan zulke behandeling behoefte had, en hy volgde dus in zekeren zin de koud-water-medikatie van Vrouw Claus. Of deze ontnuchtering ten-allen-tyde en voor ieder dienstig is, blyft de vraag. Ook paste de menschkundige Holsma ze slechts voorloopig toe, en misschien wel als proef om te weten of Wouter tot hooger levensopvatting in-staat was. Hy liet hem z’n gemoed uitstorten, en viel hem niet in de rede, waaruit voortvloeide dat Wouter vry slecht sprak, omdat onafgebroken verhandelingen niet in de natuur liggen. Juist het gehakkel der voorstelling deed den ongeoefenden spreker bemerken—en hierom was ’t Holsma te doen—dat z’n aandoeningen minder belangwekkend waren dan hy gemeend had. Hy voelde lust zichzelf in de reden te vallen met de vraag: “is ’t anders niet?” en begon nu te vreezen dat ook Holsma dit zeggen zou. Maar toen-i eindelyk scheen gereed te zyn, antwoordde deze vriendelyk:

—Zeker, zeker, m’n jongen, ik ken dat! In zulke stemming zou je overal willen zyn, alles willen regelen, beheerschen... alles goed-maken, niet waar? Je hebt ’n gevoel alsof je voor alles aansprakelyk was. Het hindert je dat er zooveel verkeerds is in de menschen, en dat zy ... o ja, ja, ik ken dat zeer goed!

Maar, eilieve, denk eens na over de middelen die je tendienste staan. Hoe zou je ’t aanleggen om iets te verbeteren? Wouter zweeg.

—Meen je dat àlle menschen slecht zyn? Dit mag je toch niet aannemen, dunkt me. Onder die menschen zyn er gewis velen die ’tzelfde wenschen als jy. Waarom veranderen zy de wereld niet?

Wouter zweeg alweer. Juist de eenvoudigheid van de vraag belemmerde hem. Maar Holsma drong op antwoord aan.

—Welnu? Komaan, ik zal je helpen. Geloof je dat ik ’n goed mensch ben?

—O ja, riep Wouter hartelyk.

—Ei? Nu, ik geloof ’t ook. Ik zou me schamen als ik dit niet durfde zeggen. Waarom dan verander ik de wereld niet? Je spreekt zoo dikwyls van Afrika—omdat je dat land niet kent, m’n jongen!—welnu, ik die ’n goed mensch ben, heb nog altyd de slavenjachten niet afgeschaft. Waarom niet, denkje? Antwoord eens.

Wouter was volstrekt geen debater. ’t Lag niet in z’n eerlyken aard, het geven van ’n stellig antwoord te weigeren uit vrees dat het straks zou kunnen gebruikt worden als stormram tegen de meening die hy verdedigen wou. Toch bleef hy weifelen. Men bedenke dat Holsma bezig was met ’n amputatie. Is ’t wonder dat de patiënt het deel van z’n ziel, dat afgezet worden moest, angstig terugtrok?

—Welnu, dan zal ik de zaak anders voorstellen. Je hoort immers wel dat aanhoudend geklop en gehamer... luister! Dat is van ’n smedery hier-naast. Je begrypt wel dat me dit soms hindert?

—By ziekte?

—Ja, en als ik te denken heb. Ik wenschte die smedery verplaatst te zien... zóó... fluks... op-eens! Zeg me nu eens, waarom doe ik dat niet?

—Omdat ... u niet kan, m’nheer.

—Juist! Dáárom ook heb ik tot heden toe niets veranderd aan al wat er verkeerd geschiedt in Afrika. En ook in Azië niet. En in Amerika niet. En in zeer veel landen niet. Maar gister-avend in de komedie, toen je onwel was—’t was er warm!—nam ik je mee, en ik heb je verzorgd en naar bed laten brengen. En ik heb je moeder laten geruststellen over je lang uitblyven. Dat alles was m’n plicht, niet waar?

—O, m’nheer...

—Geen dank, m’n jongen! ’t Kwam me voor, dat het m’n plicht was, en ik deed het: omdat het kòn. Wat niet kan, is m’n plicht niet! En daarom ook neem ik die smedery niet tusschen duim en vinger, om haar te verzetten naar ’n andere buurt. Om dezelfde reden bemoei ik me niet met Afrika. Onmogelyke plicht is géén plicht, en het jagen daarnaar staat het vervullen van onze werkelyke plichten in den weg. Heb je weleens op-school je les niet gekend?

—O, dikwyls! Maar in den laatsten tyd niet, omdat Femke...

—Laat Femke nu even rusten. Misschien zeg ik straks een woordjen over haar. Toen je op-school je werk verzuimde, had je zeker aan wat anders dan je lessen gedacht, aan dingen die niet voor-de-hand lagen. Dit nu is de fout van veel jongeluî, en—word er niet boos om: ik was ook zoo!—ze komt grootendeels voort uit luiheid. Het is gemakkelyker zich te verbeelden dat men zweeft boven ’n berg die heel in de verte ligt, dan in werkelykheid z’n voet optelichten om over ’n steentje te stappen. Onder de millioenen zaken die je zoudt willen doen, zyn er slechts weinigen die je zoudt kunnen doen. Bemoei ie voorloopig alleen met die weinigen. Dàt is de weg om verder te komen. Vraag altyd jezelf af: “wat wordt er op dit oogenblik van me gevorderd?” en gebruik niet de ingenomenheid met het vermeend hoogere, als voorwendsel tot verwaarloozing van wat je lager toeschynt. Je bent ontevreden met je tegenwoordig standpunt? Wel, maak je ’n beter standpunt waard! Dit is de manier om het te bereiken, en de eenige goede manier. Vraag jezelf by elke gelegenheid af: wat is m’n naast-byliggende plicht? Kun je me dit beloven?

Wouter gaf er de hand op.

—En je wou zoo graag meer weten? Ik ook, m’n jongen! Laat ons zien wat er aan die kwaal te doen is. Wat u betreft, het ontbreekt je nu zeer in ’t byzonder aan de schoolkennis, waarin jongelieden van uw leeftyd die in andere kringen werden opgevoed, je vooruit zyn. Dàt is ligt intehalen, en we zullen er op terugkomen, maar... ’t is op dit oogenblik je naast-byliggende plicht niet! ’t Beetje latyn dat onze Willem verstaat, en waar je zoo jaloers op bent, is in ’n paar maanden geleerd, vooral wanneer je je zult geoefend hebben in ’t willen. Wat zou ’t nu helpen, nu? Wen je eerst dat zweven af, dan komt het latyn vanzelf, en ’t grieksch ook, en al de andere zaakjes waartegen je nu zoo hoog opziet. Er zyn op dit oogenblik heel andere vyanden te verslaan, dan de ridders uit je romans. Minacht de moeielykheden niet, die je te bestryden hebt. Dit zou juist oorzaak kunnen worden van ’n treurige nederlaag. Je moet je denkvermogen leeren gebruiken naar je eigen wil, en de verbeelding knotten die je anders over ’t hoofd groeien zou. Er zyn wysgeeren geweest, die beweerd hebben dat het leven ’n droom is. Wat ze daarmee eigenlyk bedoelden, is me niet zeer helder. Die uitspraak-zelf komt me droomerig voor. Misschien vergis ik me hierin, doch wel durf ik met zekerheid zeggen dat droomen geen leven is. Begryp je dit?

Wouter knikte toestemmend.

—De ware verhevenheid, ging Holsma voort, is dat men doet wat men doen moet, zelfs ’t geringe. Wat zou je zeggen van ridders die zich op den kop lieten slaan door vagebonden, omdat hun riddereer niet toeliet zulk kanalje ten-onder te brengen? Zou je dit niet ’n onbruikbare ridderschap vinden? Je gaat nu in den handel? Kom my over ’n maand eens vertellen of je woord gehouden, en altyd je naast-byliggende plicht vervuld hebt? Dan zullen we verder zien, maar... dàt eerst! Zal je ’t doen?

—O zeker, zeker! Maar... m’nheer, mag ik u nu vragen naar...

—Naar Femke? Wel, dat is ’n best meisjen, ’n heel braaf kind, en ’n nichtje van me.

—Maar hoe dan te begrypen wat ze daar kwam doen? En hoe ze...

—Die dame in de komedie was Femke niet. Dat was prinses Erika. We wilden haar zien, omdat haar voorouders aan de onzen verwant waren. Hierin is niets byzonders, kereltje!

—Een wezenlyke prinses?

—Ja, en Fem is ’n wezenlyk waschmeisje. We willen hopen dat die Erika even degelyk van karakter is als zy. Maar, jongen, hecht toch aan zulke dingen zoo’n gewicht niet. Men ziet dat afwyken van familievertakkingen dagelyks. Of, al ziet men ’t niet, het is zoo. Er moet ’n tyd geweest zyn dat Erika’s voorouders zich in beestenvellen kleedden, en de mynen ook. De vraag is, of zy ’t weet dat ze hier te-lande stamverwanten heeft? Dat wy ’t weten... nu ja, m’n broer Sybrand schept genoegen in ’t opsporen der overeenstemming van schynbare tegenstellingen. Ook in taal... dit heb je by ’t kippenhok gehoord. Wel beschouwd, is de wereld veel kleiner dan je meent: alles raakt elkaar! Wie weet of ’t niet invloed heeft op de Geschiedenis, dat je morgen by die heeren... hoe heeten ze ook?

—Ouwetyd en Kopperlith, m’nheer.

...dat je by de heeren Ouwetyd en Kopperlith den handel gaat leeren. Welnu, wereldhistorisch of niet, doe daar je naast-byliggende plicht! Dit is nu de ridderlyke taak die ik je opdraag... als je naar me luisteren wilt. Zal je ’t doen?

—Heusch, m’nheer! Maar... Femke?

—Daar heb je ’t al! Ze heeft niets met je naast-byliggende plicht te maken. De eenige dame die je voor ’t oogenblik dienen moogt, is... nu, wie?

—De... handel?

—Juist! Wil je nu volstrekt iets van Femke weten... welnu, zy zegt ook dat je je niet met haar bemoeien moogt, en aan niets moet denken dan aan je werk...

—O, ik zàl, ik zàl!

—Nog wel tien jaren lang.

—Tien jaren? Tien?

—Ja, zóó zei ze toen ik haar vertelde dat je nog zoo weinig wist, en zoo weinig kon.

—Tien jaren?

—Nu ja, zóó zei ze. Misschien acht, of... twaalf, of... twintig, want je begrypt wel dat men zoo-iets niet zoo héél nauwkeurig kan bepalen.

—Tien jaren?

—Zóó zei ze.

—Ik zàl!

—Heel goed, m’n jongen. ’t Zal my genoegen doen, en... háár ook. Begin er dus spoedig mee, en dring je niet op, dat het zoo byzonder moeielyk is. Dat maakt zenuwachtig. Duizenden zyn voor tien jaar begonnen met wat u morgen te doen staat, en... ze leven nog! Je ziet dus wel dat het kàn. Bovendien, denk nu voorloopig maar alleen aan de eerste maand. Zoo breek je den tyd. Over ’n week of vyf wacht ik je hier. Dan zullen we verder zien.

Na nog eenmaal beloofd te hebben dat-i “alle gekheid” uit z’n gedachten zetten wou, nam Wouter voor dien dag afscheid. Maar hy bewaarde z’n rozeknopjes, al was ’t hem niet helder of de vereering van deze reliek—het eenige wat hem uit de afgeloopen driedaagsche stormperiode overbleef—’n prinses gold, of ’n bleekmeisjen, of beiden, of de kleine Sietske Holsma, of ’t portret uit de zykamer, of z’n ideaal dat hyzelf samentooverde door ’t onwillekeurig ineensmelten van al deze beelden tegelyk. Om zyn aan Holsma gegeven woord gestand te doen, verbood hy zich alle onderzoek dienaangaande, en drong met heldhaftigheid z’n aandoeningen terug. Het blyft de vraag, of-i tot helderheid en zelfkennis zou geraakt zyn, wanneer hy hierin niet geslaagd was? Wie zegt ons of niet misschien de indrukken die hy meende te hebben opgevangen van buiten-af, de afspiegeling waren van z’n eigen gemoed? Om dezen twyfel begrypelyk te vinden, heeft men zich slechts aftevragen, of z’n fantazie werkeloos zou gebleven zyn, indien hy al die voorwerpen niet ontmoet had? Ik acht deze opmerking hierom niet zonder gewicht, wyl ik aan de gewaarwording die Wouter beheerschte, nog altyd den naam van liefde niet geven durf. Dat een der meest karakteristieke kenmerken van het beminnen, de zucht om goed te zyn hem niet ontbrak, is waar. Doch deze neiging had zich reeds veel vroeger in eigenaardige overdrevenheid by hem geopenbaard, waaruit dan ook, lang voor hy Femken ontmoette, z’n overspannen eerzucht en de daarby behoorende hoogmoed waren voortgesproten.

Onder de aandoeningen die hy na ’t gesprek met Holsma moest terugdringen, speelde de nieuwsgierigheid naar de oplossing der verschillende wyzen waarop Femke zich aan hem vertoond had, maar ’n zeer ondergeschikte rol. Dit schynt te vreemder, omdat hy aan de door Holsma gegeven verklaring geen geloof sloeg. Hy bleef er by, dat het meisje in den schouwburg wel inderdaad de persoon was geweest die men tot-nog-toe Femke genoemd had, en schreef Holsma’s verzekering óf aan dwaling toe, óf aan de zucht om hem tot kalmte te brengen. Hy beweerde meer van dat meisje te weten dan den dokter kon bekend zyn, die haar niet in die herberg gezien had! Dat ze zich kon voordoen als prinses, kwam hem volstrekt niet vreemd voor. Het was eer te verwonderen, meende hy, dat ze de goedheid had, zich nu-en-dan te vertoonen als kindermeisjen of als dochter van ’n waschvrouw. Een prinses? Wel mogelyk! Waarom niet? Dat meisjen op die tafel zou niet Femke geweest zyn? Ook niet die verschyning in den schouwburg? Heel natuurlyk, en geheel in overeenstemming met de hoogte waarop hy altyd het voorgewende bleekmeisje geplaatst had? Als dat niet Femke was, dan kon zeer goed het meisje dat hy tot nog toe Femke noemde, eens-vooral prinses wezen. Deze verandering was zoo groot niet, of liever... ’t was er geen. Als ’n bliksem schoot hem nu ook de indruk door de ziel, dien het schrikwekkend bellen van juffrouw Laps dien vrydagavond op hem gemaakt had. Toen immers reeds vroeg hy zich af, of daar misschien prinses Erika was, die kwam ruilen? Er bleek nu, dat ze dit reeds voorlang gedaan had! Dat er in dit alles iets geheimzinnigs lag, ontveinsde Wouter zich niet, maar dit geheimzinnige kwam zoo juist overeen met z’n droomen en luchtbeelden, dat het hem meer bevredigde dan ooit nuchtere waarheid zou hebben kunnen doen. Hy was evenmin nieuwsgierig als de velen die na de lezing van Genesis, nu eens-vooral meenen te weten: “waar alles vandaan gekomen is” en geen lust hebben in ’n onderzoek dat hun die genoegelyke zekerwetery zou kunnen kosten. Hierin zal dan ook wel de oorzaak liggen, dat voor zekere gemoederen slechts de fabel ’t kenmerk van de waarheid draagt.

Gelyk de Mensheid in voorhistorische tyden, was Wouter nog altyd ontvankelyk voor ’t buitengewone, voor ’t wonderbare, voor ’t onrnogelyke. Wie hem verzekerd had dat Femke onderworpen was aan gewone aandoeningen, zou niet zoo zeker op geloof hebben kunnen rekenen, als de dichter die haar tot onderwerp had gekozen van de wildste fantazie. Wanneer hy haar had te spreken gekregen, zou er aan ànderen die ’t onderhoud bywoonden, gebleken zyn dat zyzelf in dit opzicht hooger stond, maar of ’t hèm gebleken ware, blyft de vraag. Elke uiting van haar eenvoudig gezond verstand zou hy hebben opgenomen als neerbuiging om-zynentwil, als ’n poging om ’n taal te spreken die verstaanbaar was voor... menschen of burgerjongetjes. “Ze houdt zich zoo om my niet afteschrikken” zou hy dan gedacht hebben. Inhoeverre er by dit alles invloed werd uitgeoefend door de byna geheel uitgewischte herinnering aan de Fancy-verschyning, is moeielyk te bepalen. Wel was de indruk daarvan niet meer te herkennen, doch misschien deden zich nog altyd de gevolgen van dien indruk eenigszins gelden. Z’n geest was eenmaal zekeren weg opgestuwd, en in deze richting ging hy voort, al was dan ook ’t punt van uitgang sedert lang uit het oog verloren. Ook deze byzonderheid is op de Geschiedenis van ’t Menschdom ten-volle van toepassing. Wy werpen de fabels weg, waarmee ons Geslacht in z’n kindsheid werd vermaakt, we schamen ons over ’t geloof aan de spokery waarmee het bedrogen werd, maar... blyven gebukt gaan onder de gevolgen der onnoozelheid van vorige geslachten.

Wouter vroeg niet meer: “zou zy ’t zusje wezen, dat ik zoek?” maar de behoefte aan ineensmelting met ’n wezen, dat hy wilde toebehooren—in-verband altyd met z’n zucht naar kennis en stryd—bleef bestaan. En alweder werkte de onbewustheid van deze neiging bevredigend op z’n begeerte om de vele byzaken die hy niet begreep, eens eindelyk opgehelderd te zien. In al het vreemde dat hem de laatste dagen overkomen was, vond hy evenzeer aanleiding om zich aftevragen: “wat wàs er toch?” als om zich toeteroepen: “zeker, zeker, zóó is het! Juist wat ik altyd meende!” Dat mysterieuze-zelf was juist de voldoening die hy zocht, en... dus nog altyd ’n blyk van z’n onrypheid. Zyn aandoeningen waren hem als ’n bewogen water waarin de onvolwassen ziel de Nixen ziet spelen, die ze zien wil, hoe onbestemder van omtrek, hoe weifelender van lynen, hoe liever. Naar juister teekening, naar meer duidelykheid, haakt die ziel niet... er mocht eens blyken dat ze zich slechts gespiegeld had in de rimpeling van den door haarzelf in roering gebrachten vloed!

Was Femke géén prinses? Was prinses Erika niet—uit weeldeliefhebbery dan—’n waschmeisje? Eilieve, misschien ook was dat heerlyk standbeeld op die tafel, noch de een noch de ander... ’n derde verschyning dus! Drie? ’t Is te weinig! Millioenen beelden van dien aard waren niet te veel om, saamgevat in één totaal-gedachte, de begeerte te bevredigen van ’n gemoed dat, slechts ontluikend nog, niet Femke beminde, maar... de Liefde! Waarlyk, de knaap had nog veel te leeren, en waarschynlyk waren op deze behoefte, de raadgevingen van z’n menschkundigen vriend gegrond. Het schynt wel, dat Holsma inzag hoe Wouter vóór alles moest kennismaken met het àllerlaagste, om allengs opteklimmen tot de Poëzie der Werkelykheid die zooveel hooger staat dan liefelyk-bontgekleurde—maar kinderachtige, onvoedzame en dus verderfelyke—droomery!

Hoe dit zy, even als hyzelf, dalen we voor eenigen tyd naar lager sferen. Het hoofdkwartier van de Mensheid is nu eenmaal gelykvloers. Vandaar gaan wy altyd uit, dáárheen keeren wy altyd terug. Het is al wel, wanneer we niet verleerd hebben van-tyd tot-tyd ons te vermeien in wat vlucht. Hopen wy dat de lust en de kracht ons niet begeven, die uitspanning te hervatten. Er bestaat dan tevens kans, nader kennis te maken met prinses Erika, by welke gelegenheid we misschien te weten komen dat aristokratie van verstand en hart niet uitsluitend behoeft gezocht te worden in de... lagere standen, zooals sommige romanschryvers—hofmakend aan ’t gemeen—weleens voorgeven te gelooven. Reeds nu durf ik verzekeren dat ze wel degelyk “van de familie” was, en wel in veel hooger zin nog, dan oom Sybrand weten kon.

Voor ’t ons vergund is nader kennis met haar te maken, hebben we—precies weer als Wouter zelf—vervelender dingen te behandelen. Zóó immers moet m’n geschiedenisje geschreven worden, op-straffe van niet op ’t leven te gelyken, wat ’n fout wezen zou, ’n groote fout... de gewone!

Ochtendmymering. Iets over de beschavende strekking van onkreukbare halsboorden. Non omnibus licet... zonder de minste toespeling op Corinthe.

Fancy’s luim had alzoo voor ditmaal uitgestormd. De serie van byzonderheden was afgeloopen, en de lezer wordt nogmaals uitdrukkelyk uitgenoodigd z’n verwachting op de leest van het dagelyksche te schoeien.

De voor Wouter zoo belangryke maandag-morgen brak voor hem vroeger aan, dan voor de meeste anderen. Niet omdat-i zooveel oostelyker woonde dan ’t meerendeel van z’n medemenschen, maar uit onrust. Hy had weinig of niet geslapen, en verliet z’n bedstee zoodra ’t licht werd, drie volle uren alzoo voor-i zich had aantemelden op ’t kantoor van de heeren Ouwetyd & Kopperlith. Wat z’n diligentie in dit opzicht aangaat kon dus dokter Holsma die zoo byzonder had aangedrongen op belangstelling in de plichten die onmiddellyk vóór hem lagen, met ter-zydestelling van utopien en fantastische begeerten, volkomen tevreden zyn. Maar hyzelf zag in, dat het vroeg opstaan alleen, niet veel beduidt. Hy moest ook, en vooral, zich uitsluitend bezig-houden met het dagelyksche, maar juist deze plicht viel hem zoo moeielyk. Gelyk te verwachten was, voerde hy ’n zeer zwaren stryd tegen de byna onbedwingbare neiging tot afdwalen. Niemand is beter in-staat dit te begrypen dan de lezer, die na al ’t vorige wel evenveel moeite hebben zal als Wouter-zelf, om belangtestellen in ’t kantoor van de heeren Ouwetyd & Kopperlith.

—Zeker, zeker, dacht hy—nu-en-dan overluid—ik zal braaf oppassen, en terdeeg m’n best doen, en werken tot ik moê ben, en zorgen dat ieder tevreden over my is, maar... zou ik nu daarom niet eerst Femke eens mogen spreken? Zou dàt nu oorzaak kunnen zyn, dat ik m’n plicht in den handel verwaarloosde? Mag ik haar niet gaan zeggen dat ik weet waar ze m’n prent bewaart, en... wie zy eigenlyk is? En mag ik niet vragen aan Vrouw Claus, wie haar in ’t hoofd gezet heeft dat ik op ’n paard reed? En dat ik ’n sabel op-zy had... ’n kleintje, zei ze. Nu, klein of groot, ik wou dat het waar was, maar... hoe komt ze ’r aan?

En... dat Stakkervrouwtje?

En... dat portret!

Ik wil en zàl denken aan m’n werk, alleen aan m’n werk, en aan de heeren Ouwetyd & Kopperlith. Straks ga ik naar hun kantoor, en zal daar mooi schryven, en goed rekenen, want... ik ken den heelen “Strabbe” en moeielyker dan van Strabbe, zullen de sommen op zoo’n kantoor toch wel niet wezen, denk ik. En al was dit zoo, dan zal ik... neen, neen, moeielyker dan van Strabbe zyn de sommen op zoo’n kantoor zeker niet! Zouden nu zulke heeren-zelf ook den heelen Strabbe doorgewerkt hebben? Wie heeft hen daartoe aangespoord toen ze jong waren. Dat ik de eerste ben geworden by Pennewip, heb ik aan Femke te danken. Waarom toch vertelde zy aan haar moeder, dat ik ’t knapste jongetje van de school was? Want dat was niet waar... o, in lang niet! Later... ja, toen ik ’t geworden was om haar pleizier te doen. En nu zegt dokter Holsma dat ik veel te weinig weet, en pas beginnen moet iets te leeren. En dat ik nog wel tien jaar lang, of veel langer nog, aan niets mag denken dan aan m’n werk! Alle Grieken zullen vermoord zyn, voor ik ’n wezenlyke man ben. En... Femke zal trouwen met ’n matroos, of ’n timmerman, of... met ’n schipper die ’n bonte muts draagt, of... met ’n prins, als ze wil!

Die man scheen veel ontzag voor haar te hebben, en de ander ook. Och, hoe prachtig stond zy op die tafel! Wie zou gedacht hebben, dat ze zoo... grootsch was! Maar... wat kwam zy eigenlyk uitvoeren in zoo’n drukte! Dat ze dapper was, wist ik wel, maar... zóó! En in de komedie! Ik begryp heel goed, waarom de keizer haar groette. Hy vond het zeker aardig, dat ze zoo durfde. In die heele Scylla was niets dat uit de verte halen kon by háár. Dit zal de keizer ook wel begrepen hebben, en dáárom heeft hy haar gegroet.

Zoodra ik heelemaal groot ben—ik meen: als ik den handel versta, want daarop zal ik nu wezenlyk me allereerst toeleggen... dat zàl ik!—nu, later dan, wil ik ook eens ’n treurspel maken, en zóó dat ook de keizer er naar luistert, hy, de prinsessen, en ’t Volk, en allemaal! Ik zal er iets inbrengen van ’n geroofd schild, en ... Femke zal het terugbrengen ... zy, of ik, of ... wy samen. Ja, zóó zal ’t wezen, juist andersom dan in Scylla. En ik wou m’n stuk wat minder laten rymen, want het klinkt alsof de menschen elkaar voor gek houden. En ik heb duidelyk gemerkt dat ze soms heel wat anders zeggen dan ze eigenlyk meenen, alleen om dat rym. En telkens wist ik wat er volgen zou, want als de een wat zei van z’n hart, vertelde terstond ’n ander iets over z’n smart. ’n Enkele keer hindert het niet, maar op-den-duur is ’t heel vervelend. Dat zei dan ook die Focus: weerhou die redenen, prinses, die my vervelen. Ik geloof niet dat ’n grieksche held ooit zoo iets kan gezegd hebben, want al nam hy er geen genoegen mee dat z’n beminde voor hem stierf—ik zou ’t ook niet toestaan—dat was geen reden om haar zoo onvriendelyk toetespreken. Misschien was ’t weer om ’t rym. Daarom zal ik niet rymen in m’n treurspel. Niet altyd, tenminste. Als ik nu maar lang genoeg leef om zoo-iets te mogen beproeven, en als zy maar niet vóór dien tyd ...

Sla neer dat oog dat my mezelf ontrooft,

My weglokt van de taak die op me rust.

Gy zweeft, en wenkt, en wyst op hooger doel,

En tracht me wegtestelen van m’n plicht ...

Ik mag niet, Femke! Ik smeek je, vlucht niet heen

Omdat ik altyd nog mezelf niet ben,

En niet mag luistren naar uw stem. Ik moet,

U ziende, blind zyn ... doof als gy me roept.

En stom, als ’t hart me berst van drang tot uiting.

Want, Femke, ik ben een kleine jongen nog,

Die leeren moet, en leeren, altyd leeren,

En leeren, leeren, leeren, leeren, leeren ...

—Wat mankeert je, Wouter? vroeg Laurens. Zeg je versjes op?

—Hm ... ja ... zoo! Ik praatte met mezelf, antwoordde hy verlegen. Ik was opgestaan omdat het zoo warm was in ’t bed, en ... en ... dáár sprak ik over!

Laurens sliep alweer, en Wouter voelde zich nog juist bytyds gewaarschuwd dat-i weer bezig geweest was met het verbodene, met iets anders dan de naastbyliggende werkelykheid. Zóó had de dokter gezegd!

En nogeens dwaalden z’n gedachten af. Die vreeselyke juffrouw Laps! Nu, geen afwyking makkelyker te herstellen dan deze: hy waschte zich. En daarna, om goed te doen blyken zeker van de oprechtheid zyner schuldbelydenis, ging-i zitten bladeren in z’n Strabbe. Met dat boek bracht-i de paar uren door, die hem nog scheidden van ’t ontbyt.

Juffrouw Pieterse had het zeer druk met de wichtigheid van den dag, en was mild in ’t uitdeelen van lessen omtrent de manier waarop Wouter zich in z’n nieuwe betrekking zou te gedragen hebben. Hy moest vooral heel fatsoenlyk wezen, en door z’n gedrag de heeren opwekken tot het besef der goede hoedanigheden van z’n moeder. Ook was ’t niet kwaad hun meetedeelen dat-i by de Holsma’s op den Kolveniersburgwal gelogeerd had, en dat de schoenen van z’n vader ...

—Ja, moeder, zei Stoffel. En hy moet vooral precies op z’n tyd op ’t kantoor wezen. Daar houden zulke menschen van.

—Juist! Altyd precies op je tyd, want daar houden ze van. En als ze je-n-iets vragen, dan moet je maar risseluut antwoorden, heel risseluut. En kyk niet telkens zoo scheef-uit, dat verfrommelt je boordje, en dat stáát niet voor ’n jongen die al op ’n kantoor is.

Dat boordje—amsterdamismus voor: halskraag—had ’n groote rol gespeeld in de voorbereidingen tot de geschiedenis van dezen dag. De belangstellende lezer herinnert zich zeker ’t jukkraagje, waaronder Wouter gebukt ging toen we ’t eerst kennis met hem maakten in de Hartenstraat. Door ’n verdrietige gaping in m’n archief—daarvan zullen zich méér sporen vertoonen, helaas!—ben ik niet in-staat met juistheid al de overgangen te schetsen, die in dit opzicht de toenmalige periode scheidden van de tegenwoordige, doch wel weet ik dat de opstaande boordjes die Wouter vandaag zouden begeleiden naar “den handel” ’n zeer voornaam bestanddeel uitmaakten der fondamenten van juffrouw Pietersen’s hoop. En ook Wouter-zelf dacht niet gering over deze verandering. De twee plankstyve linnen lappen die z’n wangen bedykten, maakten op hem ’n dubbelen indruk. Eerst en voornamelyk dien van ’n toga virilis. Vervolgens ’n paar roode streepen, die den weg wezen van z’n mondhoeken naar z’n ooren. Hy was er grootsch op, en reeds hierom alleen zoud-i zoo graag Femke ontmoet hebben. Wie styf-overeindstaande halsboorden draagt, is geen kind, en niemand zou dit beter inzien dan iemand die voor bleekmeisje fungeerde, en dus beroepshalve gewoon was met zulke onderscheidingsteekenen omtegaan. Maar dat deze roemryke blyken van volwassenheid ’n lastige keerzy hadden, is ook waar. Wouter moest voortdurend recht voor zich uit zien om z’n pronk niet te bederven. Hy voelde dat dit hem ’n zot voorkomen gaf, en de neiging meedeelde om te spreken als Stoffel, maar ’t was juist dit gemaakte, dit onnatuurlyke, waarmee hy, volgens de niet geheel onjuiste menschkundige berekening zyner moeder, de gunst moest winnen van z’n nieuwe chefs. Dus:

—Draai toch in-godsnaam je hoofd niet zoo telkens rechts en links, ’n Mensen moet vóór zich kyken. Je kunt er vast op aan, dat zulke heeren van deftigheid houden. Je moet je nu met je nieuwe boordjes—’t zyn ouwe van Stoffel, maar dat doet er nu niet toe, wat zeg jy, Trui?—je moet je niet aanstellen als ’n wilde.

Van wildheid was geen spraak, toen Wouter ’n kwartiertje na deze laatste vermaning, allerbeschaafdst aanbelde aan zeker huis op de Keizersgracht, dat met den naam Kopperlith gemerkt was. Doch, helaas, ’t scheen wel of reeds z’n eerste aanraking met die firma ’n misgreep wezen moest. Twee toegangen boden zich—niet zeer oprecht uitlokkend, maar bruikbaar toch—den bezoeker aan. Een dubbele glasdeur vertoonde zich op de laagte, of zelfs ten-halve beneden de laagte, van de straat, doch daar-naast gaf ’n “opgaande stoep” gelegenheid om doortedringen tot ’n soort van bel-étage. Wouter, vol fatsoensbejag, vond den laatsten weg ’t geschiktste, en met niet zeer flink gestrekte knieën besteeg hy de acht of tien trappen. Op ’t bordes aangeland, trok hy zoo zacht mogelyk aan de bel: men mocht het eens hooren! Onwillekeurig, en byna met schrik, ontwaarde hy door ’t venster van de “zykamer” het gelaat eener bejaarde dame, dat zonder de geringste uitdrukking van welwillendheid z’n figuurtje scheen te monsteren. ’t Scheen wel dat ze hem de stoep wou afkyken. Wouter had er ’n pynlyk gevoel van, en maakte zich zoo klein mogelyk. ’t Is niet ieder gegeven, en vooral niet iemand die z’n eerste opstaande halsboorden torscht, zonder angst, op de stoep te staan van ’n huis op de Keizersgracht! Met genoegen ware onze held hard weggeloopen, maar... wat dàn? Bovendien, hy had geen militairen rang, en moest dus stáán blyven onder bereik van ’t geschut uit die zykamer. Het... vrouwspersoon bleef hem aanzien met een vinnigen blik, en scheen maar niet te kunnen verdragen dat er iemand aanklopte aan háár paleis. De martelende inspektie duurde lang, zóó lang dat Wouter ernstig begon te denken, óf aan den aftocht, óf aan ’t herhalen van z’n klinkende aanmelding. Maar ook tot deze beide uitersten was ’n moed noodig van heel andere soort dan-i... misschien eenmaal hebben zou, doch gewis op dit oogenblik evenmin bezat als de vereischte. Wat baatte hem nu Holsma’s heerlyk voorschrift om altyd flink z’n naastbyliggenden plicht te doen? Wat viel er nu te leeren? Wat kon-i arbeiden op die stoep? In ’s hemelsnaam: hy wachtte!

Lezers, die omgegaan hebben met goden, keizers, prinsen en mannen en place, weten waarschynlyk dat iemand die zich respekteert, moeielyk te genaken is. De bewoners van de amsterdamsche Keizersgracht respekteeren zich zeer, waarin ik dan ook ’t heel eenig kenmerk vind, dat hen uit de verte op goden doet gelyken, zonder nu juist te beweren dat ze zich aan den anderen kant te-buiten gaan aan humaniteit. Wat overigens dat respekt aangaat, ze hebben eigenaardige manieren om ook anderen daarmee aantesteken, en wie niet op z’n hoede is, wordt er ziek van. Achtenswaardige oude schryvers, die de Natuurlyke Historie der Kleinstädterei tot onderwerp van hun studien kozen, verzekeren dat de dienstboden in bedoelden kring worden afgericht op ’t inboezemen van ontzag aan bezoekers: ze laten de ongelukkigen die door ’n gram noodlot veroordeeld werden zich daaraan bloottestellen, zeer lang wachten op ’t openen van de huisdeur. Het schynt dat de ad hoc dienstdoende keukenmeid, door een tot de uiterste grenzen der mogelykheid gerekt dralen, den bezoeker in den waan moet brengen, òf dat het huis zoo byzonder groot is, of dat haar bezigheden onafbrekelyk zyn omdat ze zoo byzonder veel te koken heeft. Bedoelde auteurs schryven dezen diepzinnigen gedragsregel op rekening van zekere jacht naar aanzienlykheid. God-bewaarme dat ik die jacht loochenen zou, maar de aanzienlykheid draagt in myn mond ’n heel anderen naam. Ze komt my—met het oog op de van dit woord in m’n vorigen bundel gegeven definitie—ploertig voor. En aan zulke ploertery is nu ons Woutertje voorloopig overgeleverd. Hy wachtte met heldhaftig geduld. Heel eindelyk werd de deur door ’n vry onoogelyk vrouwspersoon geopend, doch maar heel even, en niet verder dan volstrekt noodig was om Wouter toetesnauwen:

—Wat mòtje? Mot je by mefrôô weesse? Wa’s je booschap? Je skelt huis, jonge! Ik ken niet f’r jou plessier den heelen dag de skel naloope. Waarom skel je huis?

By mevrouw? O neen, gewis niet! Wouter dacht niet aan mevrouwen. Maar: “je skelt huis”... wat is dàt?

—Of skel je keuke?

Deze tweede vraag gaf licht. Wouter bemerkte nu dat er twee belknoppen uit de deurpost staken, en dat ze onderscheiden waren door de benamingen “keuken” en “huis.” Wie groente, vleesch, boter, of melk kwamen brengen, moest zich melden door middel van de keukenbel. En alleen bezoekers die aanspraak konden maken op toegang tot het salon—’n ding dat er in zekeren zin niet was, gelyk we zien zullen—mochten zich aanmatigen de zeer pretentieuze huisschel in beweging te brengen. Wouter die noch viktualie kwam brengen, noch z’n opwachting maken wilde aan “mevrouw”—zou zy ’t wezen, die zoo onlieftallig door ’t venster van de zykamer gegluurd had?—Wouter erkende stamelend dat-i zich vergist had, en niet wist waar-i wezen moest. Juist wilde hy zeggen dat-i... de jongeheer Pieterse was, toen de meid, die zich volstrekt niet nieuwsgierig toonde naar z’n identiteit, hem de deur voor den neus dichtsmeet.

Door m’n al te vurig dichterlyk genie heb ik me daar laten verlokken tot ’n overdryving die zeer te betreuren is. Herhaaldelyk sprak ik van ’n deur, en... die geopend. Een klein beetje maar, heel eventjes, zoo ongastvry mogelyk, maar geopend toch! dit nu was de waarheid, maar... een deur? Vervloekte hyperbolen: ’t was ’n halve! De huisdeur waarachter ’n rechtgeaard Amsterdammer z’n vrouw, z’n effekten en z’n schimmelig patriciaat verbergt, is halverhoogte in tweeën geknipt. De bezoeker moet eerst deugdelyk gerekognosceerd zyn, voor men hem door ’t openen van de onderste helft, den toegang vry laat. De zeer letterlyk-exklusieve strekking dezer byzonderheid ligt alzoo voor-de-hand, en wordt duidelyker nog, wanneer men ze in-verband brengt met de tallooze hekjes en afsluitingen die elken voorbyganger schynen toeteroepen: “myn huis, je komt er niet in!” En nog zyn er gevoellooze bedillers, die ’t den Amsterdammer van zulk gehalte kwalyk nemen dat-i, by zoo’n benauwde levensopvatting in den regel ’n dom schepsel blyft! Die onbillykheid is niet uittestaan.

En nog altyd spionneerde die leelyke dikke dame door ’t venster van de zykamer. ’t Kwam Wouter voor, dat zy iets hem betreffende meedeelde aan iemand die in haar gezelschap was. Een heer van minder dan middelbaren leeftyd, boog over haar heen naar ’t venster, en wenkte Wouter met niet zeer vriendelyk gebaar, dat-i de stoep verlaten, en beneden aanschellen zou. Goddank, nu wist onze kandidaat-handelsman ten-minste iets. Allerbeleefdst nam-i z’n hoed af, en schoof blootshoofds eenigszins bukkend dat dreigende venster voorby, en de stoep af. Inderdaad, beneden by de dubbele glasdeur was ook ’n bel, en daarnaast las hy ’t woord: magazyn.

Hier zal ik moeten wezen, dacht hy. Kantoor en magazyn zal wel zoo omstreeks ’tzelfde zyn. En hy belde.

De persoon die belast was met het “naloopen” van deze schel, zou alweer zeer gevoegelyk kunnen doorgaan voor ’n kurator of superintendent van ’t respekt. Hy gaf Wouter veel tyd tot meditatie, vooral over den tekst hoe moeielyk het is integaan tot den huize Kopperlith. Of onze expektant-handelsridder behoorlyk gebruik maakte van de zoo gul aangeboden gelegenheid tot ontwikkeling van z’n denkvermogen, is te betwyfelen. Bovendien, hy werd gestoord. Men tikte—en op den klank af geoordeeld, eenigszins toornig—tegen ’n glasruit van de zykamer. Wouter stapte een tred achteruit, en zag naar boven. De m’nheer van zoo-even beduidde hem met driftige bewegingen, dat-i nogeens moest aanbellen, en wat harder. Wouter bedankte door het afnemen van z’n hoed—had niet z’n moeder hem vóór alles, fatsoenlykheid aangeprezen?—en hy waagde nu ’n harder trekje, dat nog al tyd niet terstond door ’t openen van de deur gevolgd werd. Het scheen wel dat de Cerberus van ’t “magazyn” ’n zeer hoog denkbeeld koesterde van ’t respekt dat de heeren Ouwetyd & Kopperlith noodig hadden. De man overdreef z’n yver. Dit begon zelfs de heer in de zykamer intezien, die alweer tikte, en wenkte: “schel nògeens voor den drommel!” met ’n uitdrukking alsof Wouter ’t helpen kon dat er niemand kwam. Hy voelde heel duidelyk hoe de ware fatsoenlykheid voorschreef, vergeving te vragen dat men hem zoolang wachten liet.

Intusschen gluurde hy door de glasdeur, en wierp nieuwsgierige blikken in ’t “magazyn.” Het was een van die lokalen welker afmetingen men gewoon is uittedrukken door de dichterlyke vergelyking met ’n pypelâ. Eenigszins in afwyking van de bekende omschryving in de meetkunst, verheugde zich de hier bedoelde ruimte in de eigenschappen van lengte, breedte en... laagte. De breedte was met die van ’t huis gelyk. De lengte werd aan de voorzy begrensd door de reeds bekende glasdeuren, die in haar poging om wat licht doortelaten, werden bygestaan door ’t schuins hoekje venster dat z’n hypothenuze gemeen had met de stoep, en bovendien door ’n ander raampje dat aan de vóórzy van die stoep aan de straat uitkwam. Het hokje dat door dit venstertje z’n licht ontving, heette “het kantoortje” in tegenstelling van ’t “kantoor” dat we straks zullen te zien krygen. Wat overigens de “laagte” van ’t magazyn aangaat, deze benaming is zoowel gegrond op de zeer geringe afmeting van den opstand, als op ’t peil van den vloer. Een volwassen man kon met z’n opgeheven hand de zoldering bereiken, en de bodem lag ’n voet of drie beneden den beganen grond. Hy verhief zich niet verder boven de riolen die in de gracht uitliepen, dan juist voor de bewoners noodig was om niet te worden meeweggespoeld met de vuiligheid. Wat de verlichting aangaat, men begrypt dat het weinige glaswerk aan de voorzy, niet àl ’t werk alleen kon doen. Ongeveer op één derde van de lengte, hield het binnenkruipend licht op. Wie evenwel scherp van gezicht en rechtvaardig was, moest erkennen dat-i, heenborende door de duisternis van ’t midden, vry duidelyk kon bemerken dat de bouwmeester gepoogd had ook aan den achterkant iets te laten binnendringen dat naar vermindering van duisternis geleek. Daar namelyk was door vriendelyke bemiddeling van ’n boven de zoldering van ’t magazyn gelegen binnenplaatsje, iets te zien dat niet volstrekt zwart kon genoemd worden. Hoe de venstersoort heette, die dit wonder te-weeg bracht, weet ik niet recht. Een lantaarn, of ’n koek-koek, of zoo-iets. Er is altyd wat armoedigs in zulke bouwkunstige meesterstukken. Ze geven getuigenis van bekrompenheid—in alle beteekenissen!

Voor-zoover Wouter’s blikken in ’t magazyn konden doordringen, bemerkte hy dat de langsche, middelruimte was ingenomen door ’n breede tafel, waarop stapels lynwaad gerangschikt lagen. Ook rechts en links langs de muren waren zulke koopmanschappen opgestapeld, zoodat slechts ’n nauwe doorgang aan weerszyden van die lange tafel overbleef. Alleen aan ’t vooreind, tusschen ’t “kantoortjen” en de glasdeur, was eenige ruimte overgelaten, waar ’n meubel op schragen stond, dat hy later leerde kennen en waardeeren als “de paktafel.”

Waarlyk, er begon kans te komen, dat de deur tenlaatste zou geopend worden. Dat Wouter eindelyk in een der gangetjes iemand naderen zag, zou wat veel beweerd zyn, en alweer aan sommige kunstrechters die in polemiek op hun gemak gesteld zyn, gelegenheid geven tot de bakerlyke aanklacht van overdryving. Neen, Wouter zag niets in die duisternis, maar wel kwam ’t hem voor, dat de duisternis zelf zich begon te bewegen. Er schoof iets zwarts over den zwarten grond. En dat zwarte werd—zonder overyling altyd—wat bruiner en gryzer en lichter ... waarachtig, er naderde een menschelyk wezen. Heel natuurlyk. Gerrit Sloos kwam de deur openen, en beslofte reeds de ruimte naast de paktafel. Nog één sekonde, en de slotbrug van het tooverkasteel zou worden opgehaald. Wat vreemds lag daarin? Voor u en my niets, lezer, maar Wouter was aan ’t versteenen geraakt, en stond op het punt vasttegroeien in z’n wachtstemming. Alle verwondering over de moeielykheid om in dat heiligdom doortedringen, was zoo volslagen geweken, dat hy, nu de deur eindelyk geopend werd, zich niet kon onthouden van eenige verbazing over het tegendeel. ’t Scheelde weinig of hy had aan Gerrit Sloos gevraagd, of-i zich ook vergiste? In-plaats daarvan echter, nam hy—voor de hoeveelste maal nu reeds!—z’n hoedjen af, en Gerrit keek vragend tot hem op. Wouter stotterde iets.

—Ben jy Pieterse, de jongeheer die hier op ’t kantoor komen zou?

—J...a...a, m’nheer!

—Zoo? Je hoeft geen m’nheer tegen me te zeggen. Ik hiet Gerrit ... Gerrit Sloos, weetje. Eigenlyk is m’n naam Schlossmann, maar och ... wat heeft ’n mensch aan die moffekuren, niet waar? Daarom zeg ik maar Sloos, en zoo teeken ik ook, want ... ik ben de knecht, weetje, de kantoorknecht. Kom maar in!

Wouter daalde de drie trappen af, die toegang verleenden naar het hol. Z’n eerste beweging, toen-i naast de paktafel stond, was ’n onwillekeurige greep naar z’n neus. Want ... de stank was onverdragelyk.

—O né, zei Gerrit, als antwoordende op dit welsprekend gebaar. Dat reukjen is niet van ’t magazyn—ik zeg maar kelder, weetje, want zoo zeien we vroeger toen de ouweheer-zelf nog meedeed—die lucht is van den kelder niet, maar van de riolen, weetje!

Zoo troost een edle ziel haar deelgenoot in ’t lyden!

—O zoo, zei Wouter, alsof deze opmerking de pestlucht veranderde in ’n geur. O ... zoo!

—Ja, van de riolen. Daarom ook staat al dat goed daar tegen den muur op planken, zieje. Als ’t den grond raakte, zou ’t verrotten. Kom mee naar ’t kantoor. Maar je komt veel te vroeg, want we benne-n-in den komkommertyd. Dan is er niet veel te doen, dat begryp je-n-ook wel. Maar hoor eens, je mot niet vóór schellen, aan den kelder—de jongeheeren zeggen tegenwoordig: magazyn... fransche wind allemaal ... ’n engelsche notting, weetje! Nou, ze hebben ’t van dien mallen Wullekes!—je mot het kantoor ingaan in de Vellestraat. Ik zal ’t je wyzen. Voor vandaag komt het er nou niet op aan, omdat het de eerste keer is, en omdat je ’t niet weet. Je ziet, ik heb je opengedaan ...

Gelukkig!

... maar anders, weetje, wie op ’t kantoor wezen mot, komt in door de Vellestraat. ’t Is heel makkelyk te vinden ... als je-n-’t maar eens weet. En daarom zal ik ’t je wyzen. Kom maar mee. Maar zet je hoedjen op. Je hoeft tegen my zoo beleefd niet te wezen, want ik ben de knecht maar, weetje. De heeren komen straks, zoo tegen negenen. ’t Is komkommertyd, moet je denken. En daarom heb je zoo lang gewacht voor ik je opendeed. Want ik zat in de keuken, en ik zei tegen de meid dat zy zou opendoen—in de bovengang, weetje—want dat het zeker ’n nieuwe aschkarreman was, die nog niet wist waar-i schellen moest. Maar ze wou niet—’n lui beest is ze!—en ik zei: ’t gaat my niet aan, want we benne-n-in den komkommertyd, en dan wordt er zoo vroeg niet aan den kelder gescheld door iemand die de zaken kent. Dat zal jyzelf ook wel te zien krygen, als je hier ’n tydje geweest bent. Weetje hoe lang ik hier al dien?

Wouter klaagde zich aan van verzuim. Hoe drommel kon-i zich veroorloven niet te weten hoe lang Gerrit Sloos reeds in dienst was van Ouwetyd & Kopperlith? De booswicht stamelde vol schuldbesef dat-i ’t niet wist.

—Nou, raad eens!

Elk ander zou ’n cyfer genoemd hebben. Wouter was te stipt, te vol geweten, om aan zeker getal jaren de voorkeur te geven boven ’n ander getal. Waarom twintig? Waarom dertig? Waarom meer of minder? Hy bleef er by dat-i ’t “heusch” niet wist, en ook geen kans zag het te raden.

—Zoo? Nou, dan zal ik ’t je zeggen. Verléje Pinkster was ’t drie-en-veertig jaar. Wat zeg je dáárvan?

—Hè!

—Ja, ’t is ’n lange tyd, niet waar? Als je ’r vóór staat, denk je dat het wat is. En als ’t voorby is ... weet je wat het dan is? Niemendal ... ’n engelsche notting! Dat zal je zien, als je-n-’n ouwe kerel wordt, want nu ben je maar ’n jong borssie. ’t Zal me benieuwen of je-u-’t zult kunnen vinden met Wullekes, met m’nheer Wullekes. Want tegen hem moet je “m’nheer” zeggen, schoon ik ’m gekend heb zoo kaal als ’n luis. Toen had-i geen nagels om met permissie ... z’n neus te snuiten, en hy liep me na als ’t horloge van ’n trekschipper die ’n ouwe juffrouw ziet aankomen. Maar nou ... wind, wind, allemaal wind! En wat is ’t? ’n engelsche notting! En z’n vrouw—ook ’n gekkin van de bovenste plank!—praat altyd over prinsessen die ze-n-eens gezien heeft. Né, die Wullekes ... wie ’m kent, koopt ’m niet! Nou, je zal ’t zelf zien en ondervinden, als ie tyd van leven hebt. Ieder moet maar altyd z’n eigen weg gaan, en dat doe-n-ik dan ook. Maar die Wullekes ...

Kyk, hier is ’t. Tusschen de olievaten moet je door—’t is hier altyd even smerig, dat komt van ’t lekken, want die vaten lekken altyd—maar eerst moet je door de stokvischbeukery, en als je dat doet. kom je vanzelf op ’t kantoor.

Wanneer Gerrit Sloos met dit “vanzelf” bedoelde: gemakkelyk, geleidelyk, zonder omslag, en wat men zou kunnen noemen: op ’n niet onprettige manier ... ’t zy zoo! Over den smaak valt niet te twisten. Gerrit zal ’t maar zoo by-wyze van spreken gezegd hebben.

Onder ’t luisteren naar al deze mededeelingen, had Wouter den half-onderaardschen weg afgelegd, die van de Keizersgracht naar de dwarsstraat leidde, waar inen den ingang tot het kantoor van de heeren Ouwetyd & Kopperlith te zoeken had. Hy prentte die stokvischbeukery en de gang naast het oliepakhuis diep in z’n geheugen, om zeker te zyn dat-i nooit weer zou worden overgeleverd aan de spitsroeden die hem zoo hadden gepynigd aan den voorkant van ’t huis. Dat die verheven stokvisch-industrie en dat oliepakhuis, niets te maken hadden met de “zaak” waarin Wouter leerling werd, zal de lezer wel begrypen. Er lag op dat terrein ’n servituut van doorgang, en de stokvischbeuker moest gedoogen dat er op de deurpost van z’n lokaal ’n ovaal bordje pronkte met het opschrift: “Ingang naar ’t kantoor van Ouwetyd & Kopperlith.” Ook de olieman mocht den doortocht niet versperren, doch hy nam z’n verplichting zoo nauw op, dat men er gewoonlyk niet dóór kon zonder ’n paar smeervlekken meetenemen. Juffrouw Pieterse heeft daarover vaak gekeven, ook Wouter-zelf vond het heel onaangenaam. Maar... had-i zich dan voorgesteld, met de wereld in aanraking te kunnen komen zònder bezoedeling? Beste jongen, dat gaat niet!

Wacht-oefeningen, als geschikte objektieven voor ’n fotografie-kastje. Nieuwe portretten. Hoestende intree in de handelswereld. Multa tulit!

By ’t nalezen der laatste helft van ’t vorig hoofdstuk, bemerk ik, ’n gedeelte van den weg die van de Vellestraat naar ’t “kantoor” leidde, te hebben overgeslagen. Na ’t voorbyworstelen van de glimmende olievaten, moest men de gang door, langs een achterhuis van ’n paar verdiepingen hoog, en eindelyk de binnenplaats over, waarop ’t kantoor “uitzag.” De lezer die op nauwkeurigheid gesteld is—anderen zyn me onverschillig—wordt gewaarschuwd deze binnenplaats niet te verwarren met het plaatsje dat zoo edelmoedig wat licht meedeelde aan ’t magazyn. Tusschen die beide “open-luchtjes” in, lag ’n groot gedeelte van ’t huis, dat lang, smal en hoog was. Na de ontdekkingsreis geleidde Gerrit onzen Wouter naar ’t kantoor, wees hem daar ’n tabouret aan, en gaf hem den raad te wachten tot “de heeren” zouden komen. En, zei de man:

—Dat zal nog wel ’n uurtje duren, want we zyn in den komkommertyd. En ik ga m’n kommetje koffi drinken in de keuken. ’t Ga je goed, zoolang.

Wouter dreef inderdaad de onbescheidenheid zoo ver, dat-i den tabouret opklauterde, die hem aangewezen was. En hy peinsde.

De voorwerpen die z’n aandacht tot zich trokken, waren niet zeer geschikt om z’n stemming byzonder vroolyk te maken. Het uizicht door de twee verweerde vensters op de binnenplaats en ’t achterhuis, was—op ’t verschil in warmtegraad na—nova-zemblisch:

Een eeuwig grauwe lucht hangt loodzwaar op de ... wanden.

Hier houdt geen sterfling ’t uit. Hier komt geen Noorman landen.

Geen andre plek op aard, hoe karig ook bedeeld,

Is zoo ellendig naakt, zoo arm aan groei en teelt!

Meent men dat Tollens ooit die schoone regels had kunnen schryven, als-i niet door z’n vader was “gedaan” op ’n kantoor in verfwaren? Waar anders ving z’n oog zulke tinten op van iets droevigs, van ’t enge, benepene, barre, kille? Meent men misschien dat er in ’t hooge Noorden-zelf iets te aanschouwen valt, dat in zielstremmenden invloed halen kan by zoo’n verblyf? De oude heer Tollens heeft wel geweten wat-i deed, en ’t is waarlyk te verwonderen, dat zyn zoo wèl op z’n plaats gezette zoon het aanzyn heeft gegeven aan prullen ook. Misschien werd-i bedorven door ’n bloempotjen op z’n binnenplaats.

Zoo verraderlyk handelde het lot omtrent Wouter niet. Geen enkel voorwerp trok z’n oogen tot zich, dat hem ’n voorwendsel aan de hand deed om iets anders te denken dan: “in den handel, in den handel, ik ben hier in den handel!”

Van-tyd tot-tyd verwaardigde zich een der dienstboden in de keuken, naast de onderaardsche gang die naar ’t magazyn liep, eenig geruisch te maken. En telkens liet dan Wouter zich afglyden van z’n krukjen, om al wat er zou binnentreden, met de noodige beleefdheid te groeten. Maar er kwam niemand, en Wouter besteeg z’n troontje weer. Toch zorgde hy z’n hoed in de hand te houden, om terstond gereed te zyn tot het aannemen van ’n groetende pozitie, àls er eens tenlaatste in die onbehagelyke eenzaamheid iemand te voorschyn kwam. Op den greenenhouten vloer bemerkte hy indrukken van voetstappen. Dáár glinsterde de gepolyste moet van ’n rechts-om-keert-beschryvenden hak ... hoe heette ook de man dien-i had hooren noemen by de Holsma’s, de man op dat eiland, die zoo verschrikte by ’t ontwaren van menschelyke voetstappen? Och, in deze wildernis ...

Aan den wand hingen hier-en-daar bundels papieren, onder bescherming van kartonnen bladen die allerlei opschriften droegen, welke Wouter verlegen maakten. Daar waren Cognossementen, Fakturen, Vrachtbrieven, en zelfs: Diverse Nota’s. En die opschriften waren omgeven van ’n gekoperdrukten rand vol bloemen, rankwerk, hoornen van overvloed en allerlei krullen, welk bywerk beheerscht werd door ’n spiernaakten Merkurius, die op wolken zat, en heel pedant neerkeek op de epigrafen en de weelderige arabesken aan den rand. De wolken waren gemerkt O & K, No ... later in te vullen by eventueel gebruik.

—Dat is de god des Koophandels, dacht Wouter. Zou nu zoo’n god ook begonnen zyn met leerlingetjen op ’n kantoor te worden? Hoe leî men het toch aan in ’t oude Griekenland, om iets te worden in de wereld? O, ik weet wel dat die fabelleer gekheid is, maar de luî die zulke geschiedenissen uitdachten, moeten zich toch ’n voorstelling gemaakt hbben van ’t begin der zaken. Van wie had die Merkurius rekenen geleerd? Dáármee toch moet men aanvangen. Ik zal goed oppassen ... kapitaal staat tot kapitaal, gelyk interest tot interest ... dàt geeft dàt, wat geeft dàt? En dan vermenigvuldigen. En dan deelen met het voorste. En als er breuken zyn ... lastig is ’t, nu ja, maar ik zoek den algemeenen noemer. Ja, ja, ik zal goed m’n best doen, zooals de dokter gezegd heeft ...

Daar werd weer gestommeld in de gang. Misschien zette een der meiden ’n “luiwagen” buiten de keuken. Of ze smeet ’n “varken” de deur uit ...

Wouter zette zich in postuur voor dien luiwagen, en voor dat varken, en voor de meid die er over baasde. Helaas, nog altyd kwam er niemand. Hy had nog niets “in den handel” verricht, nog geen enkele evenredigheid opgelost, geen noemer bruikbaar gemaakt voor ’n heel ristje breuken tegelyk, en toch ... hy was vermoeid! De klok sloeg al, of pas, negen. “Reeds” voor iemand die sedert vyf uren worstelde met z’n gedachten. “Pas” negen uur, voor ’n werkmannetje dat zoo graag wou uitmunten, èn nu al vóór ’t aanvangen van den arbeid, zich geknakt voelde door uitgeputheid. Wouter onderging hiervan den onbewusten indruk, en werd bitter verdrietig. Beheerscht door ’t denkbeeld dat z’n voornaamste werk in rekenen zou bestaan, angstig dat-i niet voldoen zou—’t was niet te veronderstellen dat zulke aanzienlyke menschen zich zouden ophouden met makkelyke “sommen”—legde hy zichzelf ’n tentamen op, en werd weldra zoo suf, dat-i zich herhaaldelyk betrapte op: zes maal acht is ... drie en ’n kwart, of ... niemendal. “O God, o God, waar moet het heen, zuchtte hy, met ... den handel!”

Elken keer dat een der beelden die ’n rol hadden gespeeld in de laatstverloopen dagen van z’n leven, zich aan zyn verbeelding vertoonde, joeg hy het driftig weg. Niet Laps alleen, noch Gooremest, noch de goede Vrouw Claus ... hy bloosde, en keek Merkurius aan, die ... ook geen kleeren aan ’t lyf had. Wèl ... gekleed of niet, hy wou er niet van weten. Hy zat daar niet op dat hooge stoeltjen om aan mythologie te denken, noch aan pudeur, noch aan dat bad by de put! Weg met dat alles: hy moest in den handel! En, wel beschouwd, hy wàs er al in. Bevond hy zich niet op ’t kantoor van de heeren Ouwetyd & Kopperlith? Zoud-i niet straks, dienzelfden dag nog, en binnen ’n kwartier misschien, gereed moeten zyn tot antwoorden op de moeielykste vragen? Op vragen die den groote Strabbe-zelf in verlegenheid konden brengen? Och, waarom had Femke hem niet aangeraden de knapste te worden van de heele wereld? ’t Was immers dan in één moeite doorgegaan? Dan zoud-i nu niet angstig behoeven te zyn, en niet beschroomd ... noch tegenover Merkurius, noch zelfs voor de vreeselyke heeren Kopperlith!

Ja, ja, Femke had méér van hem moeten vorderen! Haar eisch was kinderachtig. Wat had nu, wel beschouwd, haar advies hem gebaat? Hy was juist, of ter-nauwernood, ’n klein weinigje bekwamer maar dan Slachterskeesjen, en ieder weet toch dat dit niet voldoende is in de wereld, om god des Koophandels te worden, veel minder nog om ’t te brengen tot “patroon” van ’n amsterdamsch “huis.” Dat Femke’s bedoeling goed was geweest, wilde hy wel gelooven ... o, zeker! En boos op háár was-i niet. Integendeel. Voor en met haar zoud-i gaarne ...

Ja, ’t was voor ’n ongedisciplineerd verstandjen om krankzinnig te worden. Gelukkig hoorde Wouter ’n deur toeslaan, en daarop ’t geluid van voetstappen. Maar ’t was niet in het huis. Een oud heer vertoonde zich in ’t gangetje naast het achterhuis, en betrad het plaatsje. De man naderde de achtervensters, gluurde even naar binnen, als om te zien wie daar al zoo vroeg op ’t kantoor was, verdween door ’n glazen deur in de gang, en vertoonde zich weldra binnen de kamer.

’t Spreekt vanzelf dat Wouter ’n houding had aangenomen, die om vergeving scheen te smeeken voor z’n existentie. Och, zoo onnoodig! Die oude magere heer nam ’t hem volstrekt niet kwalyk dat-i bestond, en zelfs niet dat-i dáár was.

—Houd je gemak, jongeheer. Uwe-n-is zeker de jongeheer Pieterse? Ja, ja, ik weet er van. Heel goed! Wel, jongeheer, zal uwe hier zoo op ’t kantoor komen? Nu, dat is best! Houd je gemak ... houd je gemak, en stoor je niet aan my. Ik ben de boekhouder ...

Wouter had gebukt en gebogen en geknikt, en zich voorgenomen, wanneer-i eens weer in den handel ging, z’n hoed op ’t hoofd te houden ... om dien te kunnen afnemen als er iemand binnen kwam, gelyk z’n moeder had voorgeschreven. Want hy voelde dat dit ontbrak aan z’n begroeting van den heer Dieper. Die vriendelyke oudeheer moest hem wel voor zeer lomp aanzien. En dit was-i niet, waarlyk niet! Hy had integendeel ’n gevoel van dankbaarheid aan den heer Dieper, die hem zoo minzaam kwam verlossen uit z’n drukkende eenzaamheid. Om daarvan iets te doen blyken, bleef hy staan, zelfs toen de gulle boekhouder hem nògeens had toegevoegd: “houd je gemak, jongeheer ... ik ben de boekhouder.”

En alweer onderzocht Wouter niet, of deze maatschappelyke-stand-belydenis misschien beduidde: “ga nu maar zitten, nu! Straks als “de heeren” komen, is ’t wat anders!” Deze zin kon door hem onmogelyk aan Dieper’s woorden gehecht worden, omdat in zyn oog, ’n boekhouder ter-nauwernood ’n minder verheven wezen was, dan de “patroon” zelf. Het verschil tusschen deze beide standpunten ontsnapte aan z’n waarnemingsvermogen, en hy zou dus—àls-i kon geroepen zyn tot schatting—hierin dezelfde fout gemaakt hebben als ’n kind dat verwonderd vraagt, waarom de wolken nooit voorbyschuiven achter de maan om?

De uitdrukking van Dieper’s gelaat was één doorgaande vriendelykheid. Hy verdween ’n oogenblik in de alkoof die tegenover de vensters wand vormde, en kwam weldra terug in boekhouders-uniform, d. i. in ’n gryzen langen jas die veel beleefd had, en met ’n zwart kalotjen op z’n witte haren. Want: “soms was er tocht op ’t kantoor.” Zoo verzekerde hy aan Wouter, die ’n gebaar maakte alsof hy deze mededeeling met innige dankbaarheid aannam, en ze vergelden zou by de eerste gelegenheid ...

Och, hy had zoo graag dien goeden ouden heer Dieper ’n dienst gedaan. Hy stelde hem boven Merkurius, en vond dat-i op ’n engel geleek.

—Ja, het tocht hier soms. En er niets op de wereld, waarvoor ’n mensch zoo moet oppassen, als tocht.

Dat Wouter niet tegensprak, zal de lezer wel gelooven. Maar dit was niet genoeg, meende hy. Als ’n bliksem vloog hem de gedachte door de ziel, alle reten van vensters, deur en vloer dicht te plakken, om dien vriendelyken grysaard te helpen in den stryd tegen zoo’n vreeselyken vyand. Hoe was ’t mogelyk dat de man nog middel had weten te vinden, grys haar te krygen in zoo’n tochtige wereld? Moest-i niet voor zeer lang reeds—als zuigeling zelfs—bezweken zyn? Er zyn taaie naturen, dit weet ik wel, maar wie drommel zou ’t den ouden Dieper hebben aangezien dat-i daartoe behoorde? De man had in z’n voorkomen niets van ’n held, en vertoonde zich eer als ’n sukkelaar die zich zou laten omvèr- en wegwaaien door de minste luchtbeweging, dan als de perpetueele triumphator over al de kamer-orkanen waaraan-i sedert byna zeventig jaren was blootgesteld geweest, en waarvan-i de spolia opima in den vorm van “zinkings” in ’t hoofd droeg. Want lezer, daarmee beloont de afgod “Tocht” ieder die hem deemoedig vreest in onkunde en onnoozelheid. By gelegenheid zal ik eens uitleggen hoe die bespottelyke eeredienst in de wereld gekomen is.

“Deemoedig.” Dit woord bevalt me, en wanneer ik ’t recht had, de helden en heldinnen van m’n vertelling andere namen te geven, dan zy in werkelykheid gedragen hebben, zou ik me misschien laten verlokken aan dezen klank de gelegenheid te ontleenen, om den goeden boekhouder te kenschetsen met één pennestreek. Wie weet of ik hem niet: m’nheer Deemoed gedoopt had. Maar ik zou dan ’n dubbele fout begaan hebben. Want hy heette Dieper. En dit wàs-i ook.

Na de korte verpoozing die ’t binnentreden van den boekhouder onzen Wouter bezorgd had, brak er weldra een nieuw saizoen van bedompte verveling aan. Dieper had ’n yzeren kist geopend, waaruit hy ’n half dozyn kantoorboeken nam, welke hy eenigszins rangschikte op ’t vlakke middelstuk van ’n dubbele kantoorlessenaar “voor twee personen” ook wel genaamd: ’n vis-à-vis. Tegenover de zyde waar nu de boekhouder plaatsnam, stond ’n gelid enkele lessenaars. En daartegen veroorloofde zich Wouter even te leunen—geschied is ’t!—telkens als-i ’n oogenblik vergat dat de boekhouder wel eens kon opkyken. Maar dit deed Dieper niet. Hy debiteerde en krediteerde religieuzelyk, en sloeg geen acht op de dingen dezer wereld, die al of niet leunden tegen ’n anderen lessenaar dan den zynen.

Tusschen de alkoof en de eigenlyke kern van ’t hoofdkwartier des handels, stond op tafelhoogte een beschotje, dat de grens aanwees tusschen vreemde bezoekers van ’t kantoor, en de gelukkigen die er thuis-hoorden. Een daaraan met scharnieren bevestigde klep kon, opgeslagen, dienen tot operatie-bazis van geld-tellen, en vervulde thans in afhangende houding de niet overbodige funktien van afleider van Wouter’s verveling. Het ding werd in deze eervolle taak bygestaan door ’n ronde opening in een der hoeken, waarin ’n yzeren ring paste, die bestemd was tot het vastklemmen van den rand der geldzakken. Gelukkig voor Wouter, dat-i dit niet wist. Hy kon nu op z’n gemak zich vermoeien met de vraag: wat toch de handels-bestemming van dien ring was, en van dat gat? Heel eindelyk ... goddank, er gebeurde iets: Dieper nam ’n snuifje, en Wouter stond als ’n paal.

—De heeren komen wat laat, jongeheer.

Voor Wouter nog tyd had, te verzekeren dat-i daarom niet boos was op de heeren, en er volstrekt niet aan dacht hen te ontslaan uit de betrekking van patroons, lag de boekhouder al weer gebukt over z’n memoriaal.

Wel beschouwd was de toestand nog verdrietiger dan vóór Dieper’s komst. Toen en nu verveelde hy zich, maar zoo-even deed-i niets dan dat. Thans had-i er nog den angst by, dat Dieper merken zou hoe hy zich verveelde, want—en deze opmerking geef ik wèl voor nieuw—niemand verveelt zich zonder schaamte. Men wordt er niet graag op betrapt, waaruit misschien de gevolgtrekking kan gehaald worden, dat het niet geoorloofd is zich te vervelen.

Wouter, byv. had in dien tyd zich kunnen meester maken van wat gladheid in de vermenigvuldigmgs-tafel tot 20 × 20, of verder nog. Waarom niet? Maar aan zoo-iets dacht-i niet. Z’n eenige zorg was, geen geluid te maken, om vooral m’nheer Dieper niet te hinderen. Dit was nu—o Holsma—z’n meest-nabyliggende plicht. Uit het volle besef hiervan, hield hy den adem in, met het natuurlyk gevolg dat-i uitberstte in ’n hoestbui.

Geen oneerbiediger ding dan de Natuur!

—’n Beetje verkouwen, jongeheer? Ja, ja, dat komt van de warmte. ’n Mensch moet zich wèl in-acht nemen by heet weer. Ineens kryg je ’t beet, in-ééns!

’t Was wel wat ondeugend van Fancy, dat ze de prikkeling in Wouter’s keel deed voortduren tot en na de binnenkomst van een der “heeren.” De arme jongen voelde zich genoodzaakt een van z’n patroons den rug toetekeeren, om hem niet in ’t gezicht te hoesten. Dit bedierf de voorstelling, en bedolf Wouter in een der afgrondjes van oogenblikkelyke wanhoop, waaraan ’t leven zoo ryk is, doch die later blyken niet veer meer te zyn geweest dan ’n geringe oneffenheid op ons pad.

—Gmorge, Dieper! had de binnentredende geroepen. Is Wilkens er nog niet?

—Dienaar, jongeheer Eugène, antwoordde de boekhouder. Neen, jongeheer Eugène, Wilkens is er nog niet. Misschien met stalen uit? Dit is de jongeheer Pieterse.

—Zoo?

Wouter hoestte.

—Hy moet maar wachten tot Pompile komt ... of Wilkens.

Wouter knikte, altyd doorhoestend, dat-i met het grootste geduld wachten zou op m’nheer Pompile of m’nheer Wilkens.

—Neem ’n glaassie water, jongeheer, vermaande de zoetsappige Dieper.

—Wel ja, laat ’m ’n glas water drinken, hervatte de jongeheer Eugène grootmoedig. Dáár staat water, en ’n glas ook.

Inderdaad! Naast de yzeren kist waarin ’s nachts de “boeken” werden geborgen, stond in ’n donker hoek’jn op ’n stoof, een verweerde waterkaraf, waarby ’n glas met groezelig oranjekleurig bezinksel. Wouter dronk ’n paar teugen, en behandelde de daartoe gebruikte gereedschappen met ’n eerbiedige teederheid, zuiver water en helder glaswerk waardig. Toen-i eindelyk had uitgehoest, zat de jongeheer Eugène met breed-uitgestrekte elbogen voor een der enkele lessenaars in ’n fransch romannetje te lezen. Dat Dieper al weer op z’n boeken lag, spreekt vanzelf.

Wouter stond nu by die geldkist en dien stoof, waarop-i netjes en zonder geruisch de kostbare voorwerpen weer had neergezet. Zonder zich in ’t minst te verroeren wachtte hy op m’nheer Pompile en op m’nheer Wilkens ...

Sedert het aanbreken van den dageraad had-i niet ànders gedaan dan wachten, o Fancy! En gy, hardvochtige, gevoellooze, wreede, gy blaast hem niet in: loopt allemaal vierkant naar den weerlicht, met je handel?

Neen!

“Er moet veel leeds geleden zyn,

Er moet veel stryds gestreden zyn!”

Ik geloof juist niet dat altyd—zooals de goede Kamphuyzen, misschien om ’t rym slechts, beweert—het eind van dat alles: “vrede” wezen zal. Maar ... zelfgevoel toch, en hoogmoed, en de betrekkelyke kalmte die de belooning is van ’t:

Multa tulit fecitque puer, sudavit et alsit!

Mochten sommigen meenen dat de beide aangehaalde teksten te deftig zyn, te ernstig, te klassisch voor de soort van Wouter’s tegenspoedjes? Ze vergissen zich. De zwaarste beproevingen worden ons opgelegd door nietigheden. Zy overvallen ons dagelyks, telkens, aanhoudend, en vinden ons meestal ongewapend. Bovendien, er wordt geen eer behaald in zulken stryd. Mozes en de “Heer” wisten ’t wel. Ze plaagden Egypte niet met tygers, maar met sprinkhanen.

Dat Wouter leed is waar. Maar z’n stryd beduidde niet veel. We kunnen in het midden laten, of hy den moed bezat, die tot wegloopen zou noodig geweest zyn. Zeker is het, dat hy de zielskracht had om te blyven, en de plicht te vervullen die ’t naast voor de hand lag. Zóó had Holsma gezegd, en zóó zou ’t wezen!

—Daar komt Wilkens, verwaardigde zich de jongeheer Eugène te zeggen, zonder de minste verandering van houding, en met zekere zuinigheid in ’t uitspreken der woorden, alsof er deuren- en venstergeld werd geheven van de artikulatie.

Inderdaad, de heer Wilkens vertoonde zich op de binnenplaats. Hy liep zeer snel, als om blyk te geven van ’n diligentie die niet precies overeenstemde met de klok. De klok zal vóór geweest zyn.

—Dienaar, m’nheer! Dag, Dieper!

—Gmorge! Dat’s de jonge Pieterse.

—A-eh! Wèèèèl zoo! A-ei, a-ei!

Wilkens was ’n oude gek. Z’n geheel leven was één veroveringstocht geweest naar deftigheid en gewicht. Daar-i ’t op z’n ouden dag niet verder had gebracht dan tot kantoorbediende en handelsreiziger, kan de lezer narekenen hoeveel veldslagen de man moet verloren hebben. De voornaamste ammunitie die hem overbleef, bestond in ’n langgerekt ae of èèèè, of zooiets. Wie hem van naby kende, was er niet zeer bevreesd voor, maar nog altyd zagen sommige boeren-winkeliers hoog op tegen iemand die zoo oneenvoudig spreken kon. En ook Wouter voelde zich heel klein.

—Jae, m’nheer, wat dunkt u? Zouden we met dat jonge mensch maer niet wachten op m’nheer Pompile?

De jongeheer Eugène stootte een klank uit, die alles kon beteekenen wat men verkoos, zelfs: ja. En zóó scheen z’n antwoord te worden opgenomen door m’nheer Wilkens, die nu op zyn beurt in de alkoof verdween, en weldra weder voor den dag kwam, gehuld in ’n lange kantoorjas.

—Ik ben eens by de juffrouwen Alders geweest, met diemetten, zeide hy, als om zich by z’n jongen patroon over z’n laat-komen te verontschuldigen.

Deze antwoordde weer zoo afgeknot mogelyk. Hy bromde iets dat juist even genoeg was om te kennen te geven: “ik heb gehoord wat je zei.” En daarop zette Wilkens zich aan den lessenaar naast Eugène, waar-i de houding aannam van iemand die wat uitvoert. En hy deed inderdaad niets. Sedert eenige dagen reeds tobde hy met ’n deficit van drie stuivers in de “kleine kas” en pynigde zich met zoeken naar de oorzaak van die vreeselyke gaping.

—Maer, m’nheer, kan er ook misschien ’n brief zyn geweest voor “huishouden?”

—Wel mogelyk, antwoordde Eugène, op ’n toon van: “wat kan ’t my schelen!” Ook lag er iets in van: “maak toch zoo’n wind niet met je oogendienende stiptheid!”

—Jae ... maer ...

Zoodra mogelyk zal ik my ontslagen rekenen van ’t nabootsen der Wilkensche deftigheid, voor zoover die zich openbaarde in z’n lymerige ae’s. De lezer zal wel nagenoeg weten hoe zich ’n verwaande kwast uitdrukt, die meermalen in den Haag was geweest en zich de mislukte moeite geeft in elke letter de beteekenis te leggen: ik ben ’n heer! De reden overigens dat hy, in tegenstelling van Dieper en den ouden Gerrit, het naast hem zittend individu niet aansprak met het praedikaat: “jongeheer” lag hierin, dat Eugène reeds nagenoeg halfwassen was, toen Wilkens hem elf jaar geleden leerde kennen, terwyl Dieper en de knecht dezen telg van den patroon, en zelfs den ouderen Pompile, als kind hadden gekend. Toch zouden ook deze twee zich niet veroorloofd hebben, iets aftedingen op ’t volslagen heerschap van de beide ondergoden, indien niet de oude heer Kopperlith-zelf hun die vryheid had in den mond gelegd. Deze namelyk was zeer fyn op maatschappelyke onderscheidingen—altyd slechts in toepassing op anderen, want zichzelf schatte hy ’n graad of zooveel te hoog—en noemde de jongelieden: “m’nheer Pompile en m’nheer Eugène” wanneer-i over hen tot Wilkens sprak. Doch ook in zyn mond heetten ze, als vroeger: “jongeheeren” wanneer hy ’t woord richtte tot de oudere lyfstaffieren van den huize. Dat iedereen—op den knecht na—tegenover Wouter volop: “m’nheer” was, spreekt vanzelf. Of ’t waar is dat men geen twee heeren dienen kan, laat ik daar. Doch zeker is ’t, dat Wouter er vyf tegelyk te bedienen kreeg, en vooral te eerbiedigen.

Wilkens becyferde de kolommetjes van z’n “kleine-kas-“boekjen, en zeide:

—’t Is ienderdaed verbaezend!

—Maar, m’nheer, zouden we nu ’t jonge-mensch maar niet aan ’t werk zetten? Misschien komt m’nheer Pompile eerst na de koffi.

—Wel ja. Ga je gang!

Wilkens wenkte Wouter tot zich, en na ’n paar gemaakte kuchjes:

—Ik zou je maar raden hier maar plaats te nemen. Leg je hoed maar weg ...

Al deze maren hadden ’n beteekenis. De meegedeelde bevelen kregen daardoor den rang van zware verlossingen na moeielyke dracht. Het wegleggen van den hoed beviel Wouter uitstekend, want het langdurig vastklemmen had hem kramp in de vingers bezorgd. Zeker, als ’t bekende spreekwoord waarheid zegt, had hy meer dan iemand kans geloopen ’t heele land doortereizen, daar hy uren lang met z’n hoofddeksel in de hand had gestaan. Voor ’t oogenblik echter bewoog hy zich niet verder dan tot den lessenaar nummer drie, tusschen Wilkens en ’t venster.

—Ga maar zitten. En zeg me nu eens of je rekenen kunt? Wat men noemt: goed rekenen?

—Ja, m’nheer, riep Wouter met ridderlyken moed, als ’n krygsman die de trom hoort. O ja, m’nheer!

Wat hy zich schrap zette tegen ... Strabbe!

—Wel, wel! Tel dan al die postjes eens op: guldens, stuivers en penningen. Zestien penningen maken ’n stuiver, zieje, en twintig stuivers ’n gulden. Dit weetje zeker wel?

—O ja, m’nheer.

—Zoo? Weetje dàt! Ei!

En Wouter, de rekenheld, spande zich zóó in om z’n naastbyliggenden plicht te doen, en om de teleurstelling over het derogeerende van ’n: “optellingsom” te overwinnen, dat-i glad verkeerd telde. Geen enkele kolom sloot met de facitten van m’nheer Wilkens. Hy werd zeer verdrietig, en betrapte zich op heimwee naar ... de twee gevestigde zaken op den Zeedyk!

Een heer stapte de binnenplaats over. ’t Was m’nheer Pompile, oudste zoon van den huize, prokuratiehouder en medechef van de firma Ouwetyd & Kopperlith.

De auteur vermaakt zich met meikevers. Wouters rekenkunstige bekwaamheid gewogen en te ligt bevonden. Z’n opleiding in ’t vak van Merkurius ... den bode der goden. Speldeprikken in ’n windblaas.

Indien de oude heer Kopperlith, die nog altyd op ’n boven-voorkamer bezig is met z’n ontbyt en de courant van den dag, doch dien we straks zullen zien verschynen ...

... indien de jongeheer Pompile, die driftig, beredderend, jagend en als gejaagd, het kantoor binnenstuift, en ’n stuk of drie “dag’“s uitstoot, alsof ’t beschuitkruimels waren die hem in de keel prikkelden ...

... indien de jongeheer Eugène die daar nog altyd over z’n romannetje gebukt zit, en in knotwilgstyl z’n: “bsjoer Pompile!” laat glippen ...

... indien àl de Kopperlith’s, als daar zyn: de jongeheer Rodomont, en de jongeheer Flodoard, en de jongeheer Leon ...

... indien al die jongeheeren ... met den ouden heer er by, en vooral de dikke leelyke mevrouw uit de zykamer, en de majestueuze Hersilia, en “de” juffrouw ...

... indien ...

Sakkerloot, lezer, m’n galery wordt te vol! Wat ’n arbeid, al die portretten afteteekenen! Toch zal ik ’t beproeven. Maar eerst dit: indien ze myn Wouter-geschiedenis onder de oogen kregen en lazen ...

Maar ze lazen geen hollandsch. Nu dan, indien men hun een fransche vertaling van m’n werk voorlegde ... zy allen zouden my om den hals vliegen uit dankbaarheid. Eigenlyk is ’t me dus niet onaangenaam dat hun litterarische ontwikkeling by ’t fransch is blyven staan, en dat de kans op vertaling van m’n werken in dat onwysgeerig idioom, allergeringst is. Bovendien, al die jonge en oude jongeheeren zyn dood.

Ja, dankbaar zouden ze wezen, tot krankzinnigheid toe! De lezer is waarschynlyk begaafd met ’n buitengewone verbeeldingskracht, en ik wil hem gaarne het dubbele van de gemiddelde burgerlyke intelligentie toekennen, maar toch betwyfel ik of hy in-staat wezen zou, zich de aandoening voortestellen van ’n familie die, vele jaren na haar universeel overlyden, van ’n edelmoedigen schryver drie graden amsterdamsche hoogheid zoo maar klakkeloos prezent krygt. Want, al kost het m’n eigenliefde een zwaar offer, al loop ik gevaar den roem van stiptheid te verkleinen, waarop ik hoogen prys stel ... de waarheid bovenal: onze Kopperlith’s woonden niet op de Keizersgracht, en patriciërs waren ze niet ... ziedaar!

De oorzaak van m’n dwaling is niet moeielyk optegeven, maar ’n dwaling is het. Toen ik, ’n hoofdstuk of wat geleden, met juffrouw Laps langs den Amstel in de buurt van de Jachthaven pantoffelde, daagde de oudeheer voor m’n schryversoogen op. Nooit zag ik ’n grysaard met deftiger voorkomen. Op z’n eenigszins te dikken buik na, vertoonde hy ’t model van ’n genueschen Doge ... uit ’n roman, namelyk. Van ’n sterk geïdealizeerden Marino Falliero ... op ’n schildery. En ieder groette zoo deemoedig, en ieder fluisterde zoo piepend: “dat is m’nheer Kopperlith!” dat ik—al te oppervlakkige waarnemer op dat oogenblik—men bedenke dat m’n aandacht werd afgeleid door ’t kyken naar prinses Erika, die ’r lief uitzag—in ’s hemelsnaam, ik vergiste my, en dacht: die man woont zeker op de Keizersgracht! Waar ànders? Voor ’n graaf of baron vertoonde hy een te fatsoenlyk voorkomen. Een ridder uit de middeleeuwen was-i niet, want met zoo’n zwaarlyvigheid bewoont men geen burgt op ’n rotspiek. Bovendien, z’n harnas was van zwart laken, heel fyn en glanzig wel, maar ... laken toch. Een keizer, koning of prins kon hy ook niet wezen, want in-plaats van hem iets toeteschreeuwen, ging ieder verlegen voor hem uit den weg, en maakte plaats voor den buik dien-i als ’n marskraampje voor zich uitdroeg. Wat ànders toch kon ik uit dit alles opmaken, dan dat-i op de Keizersgracht woonde? Tot overmaat van verontschuldiging, beroep ik my op ’t publiek in de kroeg van Vrouw Gooremest. De lezer was er zelf by, en kan dus getuigen hoe al die bevoegde personen in myn dwaling deelden. Klaas Verlaan en z’n kornuiten waren òf Amsterdammers van ouder tot ouder, òf althans Noord-hollanders, en wanneer zulke autoriteiten zich vergissen, mag men het den armen schryver die deze eer niet heeft, niet zoo heel erg ten-kwade duiden dat hy in z’n rangbepaling ’n paar straten of grachten uit den koers dwaalt.

Hoe dit zy, ’n vergissing wàs het. En heel bedroefd ben ik er niet over, omdat ze my zoo-even de gelegenheid verschafte zekeren oudheidskenner die m’n integriteit kwam aantasten, en meende my omvèr te gooien met ’n adresboek van ’t jaar zooveel, de verheven uitdrukking naar ’t hoofd te werpen:

“Indien de Kopperlith’s niet woonden op de Keizersgracht, m’n-heer ... dan, m’nheer, dan ... welnu, m’nheer, dan hadden ze verdiend te wonen op de Keizersgracht, m’nheer!”

En daarby blyft het ... verhuizen laat ik ze niet! Ik heb alzoo in ’t vervolg van m’n verhaal de ongewone verdienste, twee waarheden tegelyk te verkondigen. Ze woonden er, en ze woonden er niet. Het kantoor “ging in” in de Vellestraat, of in ’n andere straat, of ... in ’t geheel geen straat, en dus “op” ’n gracht. En dat de heele familie ’n pronkstuk was van opgeblazen nietigheid, is ook waar.

“Dat komt er niemendal op aan, hoor ik zingen door ’n peloton afgestorven zielen, als je maar terdeeg volhoudt dat wy op de Keizersgracht woonden!”

Het is deze koorzang die my den moed geeft, m’n topografische dwaling voltehouden tegen den letterlyken tekst van dat adresboek in. Komaan, jongeheer Pompile, spreek, laat je hooren en bekyken door ieder die ’n abonnement kan betalen aan Wouter’s boekenman in de Hartenstraat! En jy ook, jongeheer Eugène! En Hersilia! En Leon! En Rodomont! En Flodoard! En de rest! Veroorloof me—of niet, naar verkiezing!—u ’n draadjen om den poot te strikken, u te laten vliegen, huppelen en dood-liggen als ’n meikever. Spreek, Pompile! Ratel en snater, Pompile, als toen je nog leefde, en al of niet woonde op die fameuze Keizersgracht!

—Dag, Dieper! Dag, Wilkens! Dag Eugène! Papa nog niet beneden? Hier zyn de brieven ... een voor huishouden—van Leon, Eugène!—waar is Gerrit? Zoo, is dat de jonge Pieterse? Weet-i den weg in de stad! Ik heb veel boodschappen, weetje! Krimp te Rotterdam vraagt twee wittegrondjes-driekleur—je weet wel, Wilkens, die Victoria-fancies van Crawfurth-Leeds—maar hy wil dat ouwe krieuweltje met ’n oogjen ... is ’t er nog? Waar is Gerrit? Ik heb veel boodschappen. Hoe is ’t met mama, Eugène? Zou ’t lukken vandaag ... ik meen de verhuizing? ’t Saizoen gaat voorby, en ik wou zoo graag de Hocker’s en de Pleier’s en de Krucker’S vragen op Groenehuize. Die briefbesteller is ’n lap ... de vent wil altyd geld voor ’n borrel als-i de brieven op-straat afgeeft, want ... hy mag ’t niet doen, dat weetje. Als ’t gemerkt wordt, krygt-i z’n ontslag. Ik heb ’m dezen keer ’n stuiver gegeven: denk er om, Wilkens, maar ... zet ’m op huishouden, want er is ’n brief van Leon ook. Dus ... ’t kan wel op huishouden: wat zeg jy, Eugène? Zoo, ei, is dàt de jonge Pieterse? Heb jy wat voor Gerrit vandaag, Dieper? Ik heb veel boodschappen. Wilkens, je moet zoo goed wezen Gerrit hier te roepen, en zeg dat ik veel boodschappen heb, en ... en ... ziehier den brief van Krimp. Die menschen vragen altyd wat er niet is, want ... dat krieweltjen met dat oogjen is er niet meer. Weetje wat we doen zullen. Als ’t krieuweltje ’r niet meer is—met dat oogje, weetje?—dan zenden wy ’t moesjen, of ’t slangetjen, of dat patroontje met de blokjes ... je weet wel, ’t zyn de witte-grondjes-driekleur, Victoria-fancies van Crawfurth-Leeds. Maar je zult zien dat Krimp weer chikaneert, want ... dat doet-i altyd. Roep Gerrit ... ik heb zooveel boodschappen, weetje. Zoo, mannetje ken jy goed den weg in de stad? Nu, dat’s goed, want ... ik heb altyd zooveel boodschappen. Eugène, als papa komt, zeg dat ik by mama ben, met den brief van Leon, weetje. Want hy is geadresseerd aan mama. Leon adresseert altyd z’n brieven aan mama ...

Zeker. Altyd aan mama. Ziehier de reden van deze byzonderheid. Op ’t adres van een brief aan ’n gehuwde vrouw, is plaats voor twee weledelgeborenhedens. De briefbesteller kwam nu van-tyd tot-tyd te weten dat de op zekere wys ter-wereld gekomen echtgenoot van m’nheer Kopperlith, ook reeds als jonkvrouw zich had weten meester te maken van ’n geboorte die hemelsbreed afweek van de gewone. Dat het mensch vóór haar huwelyk Niemendal heette, doet niet ter-zake. De postklerk te Tjanjor—daar werden die epistels uitgebroed—was niet zeer bedreven in ’t hollandsch, en had geen verstand van heraldiek. Hy kreeg te zien dat de jongeheer Leon zóóveel vierkante duimen noodig had om z’n mama te kwalificeeren, en slechts dit was de bedoeling van den jongeheer Leon. Heel Tjanjor zou er verbaasd van staan, want: “postklerken zyn praterig” hoopte de kwast juffrouw Pieterse na.

Gedurende het rollen van den sneeuwval waarmee Pompile z’n tegenwoordigheid had aangekondigd, liep hy gedurig heen-en-weer, en maakte—ook in zeer letterlyken zin—zooveel wind als maar eenigszins mogelyk was. Een oogenblik nadat-i met Leon’s brief in de hand de kamer verlaten had, keerde hy terug.

—A-propos, Eugène, ik hoop toch dat mama zal kunnen vertrekken vandaag? Ik zit anders en peine, zeer, zéér en peine, weetje ... erg en peine, met de Hocker’s en de Pleier’s en de Krucker’s, die ik allemaal geinviteerd heb op Groenehuize. En ... ik heb de kruiers gesproken. Weetje wat die Flip zei? Hy vroeg—grof volk, zulke kruiers!—of we mama niet het venster konden uithyschen? Dat vroeg-i! Lomp, hè? Maar ... zie je, hy meende-n-in ’n leuningstoel, en ... nu, ik hoop maar dat het lukt, want ik kompromitteer me zoo allerverschrikkelykst voor de Hocker’s en de Pleier’s en de Krucker’s. Dat is het maar, weetje!

En hierop verliet hy weder ’t kantoor.

’t Spreekt alweer vanzelf, dat onze Wouter allerfatsoenlykst had staan toeluisteren. Na ’t vertrek van m’nheer Pompile verdiepte hy zich op-nieuw in z’n optellingen. Och, hy wou zoo heel graag z’n naast-byliggend plicht je doen. Was ’t zyn schuld dat-i zich zeer onbekwaam voelde, en telkens rekende: drie en acht is vier-en-twintig, of wat anders?

Wilkens ging naar ’t magazyn, om de slangetjes uittezoeken, of de moesjes of de blokjes die ’t huis Kopperlith den winkelier Krimp zou trachten in de maag te stoppen, in plaats van ’t verlangde krieuweltje met ’n oogje.

“Twee en zes is twaalf, en tien is twintig ...

’t Begon weer te waaien. Pompile stormde het kantoor in:

—Hè! Beroerd! Akelig! Heel beroerd! Verbeeldje, Dieper ... zeg, Eugène, hoor eens, ’t wordt àl te erg! Weet jelui ’t al, van Gerrit? Hy is weer styf van de rhumatiek ... hoe vind je dàt? Hy kan geen boodschappen doen! En ik ... ik had juist zooveel boodschappen. Op m’n woord van eer, ik heb wel tien boodschappen ... ja, wel twaalf! Heb jy ook boodschappen, Dieper? Wisseltjes? Accepten? Hè?

—Vandaag niet, jongeheer. Maar morgen ...

De boekhouder sloeg ’n kleine agenda op.

... morgen heb ik ’n wisseltjen in den jodenhoek, ’n smerig dingetje.

—Zoo? Morgen? Nu dat’s goed. Weet je wat je doet, Dieper? Zeg ’t aan papa, dat je telkens wisseltjes hebt, en dat Gerrit altyd styf van rhumatiek is, en dat het zoo niet langer kàn, weetje? Zeg jy dat aan papa, Dieper, want ... ik heb zooveel boodschappen, ik heb erg veel boodschappen.

—Ja, jongeheer Pompile, ik zal ’t zeker aan m’nheer zeggen. En ... hoe vaart de jongeheer Leon?

Ei, ei, de slimme Dieper! Hy durfde den ouden rhumatieken Gerrit niet aan. En ook de jongeheer Pompile, inweerwil van z’n vele boodschappen, zou liefst dat meubel uit den weg zien zetten door ’n andere hand dan de zyne. Gerrit namelyk had met den ouden heer relatien uit den vóórtyd, ’n coprolithische verwantschap die ontzien moest worden. En daarom sprong de omzichtige Dieper zoo handig en belangstellend over op ’t welvaren van den jongeheer Leon.

—Heel wel, dankje, antwoordde Pompile. Den heelen brief heb ik nog niet gelezen. Hy vertelt van tygers, en van slangen en van optochten met zonneschermen en gouden wapens ... o, allerlei! Mama is er dol bly mee, dat begryp je. Maar ... hy is nog altyd surnumerair. Hy klaagt dat allerlei gemeen volk hem over ’t hoofd springt ...

—Dat is zeer hard voor iemand van ... stand, zei Dieper, met ’n treurigheid in z’n stem, die wel eenige verhooging van traktement waard was.

—Niet waar? Die vervloekte Gerrit met z’n rhumathiek! En ik heb juist zoo erg veel boodschappen! Zeg-eens, jy, Pieterse—je heet immers Pieterse?—je moet eens zoo goed wezen ’n paar boodschappen voor me te doen.

Wouter stond marschvaardig, met z’n hoed in de hand, en ’n verheugd: “asjeblieft, m’nheer!” op de lippen. Verheugd? Ja, waarlyk! Want de opdracht die hy te-gemoet zag, was hem ’n verademing. De jongeheer Pompile nam plaats tegenover Dieper—daar namelyk was de lessenaar van den “patroon”—en hy wenkte Wouter tot zich.

—Je weet dus den weg in de stad? Heel goed! Dan moet je-n-eens zoo goed wezen ... maar zeg, heb je-n- ’n zakboekje? Een portefeuille-n-of zoo-iets?

—N... e... e... n, m’nheer.

—Zoo? Heb je dàt niet? ’n Kantoorbediende moet ’n portefeuille hebben, om ... iets in opteschryven, weetje? Anders vergeet je ’t. Nu, voor vandaag moet je dan maar de boodschappen ... onthouden, die ik je-n-opgeef. Je moet zoo goed wezen te gaan by m’nheer Hocker, en daar doe je-n-’t kompliment van my—van den jongen m’nheer Kopperlith, moet je zeggen, van m’nheer Pompile, weetje?—en je vraagt, of de juffrouwen Pleier uit Frankfort—want die logeeren by m’nheer Hocker, weetje?—of de juffrouwen plezier hebben, vanmiddag met my en m’n vrouw—zeg jy maar: met de jonge mevrouw Kopperlith-Huddewitz, dan weten ze-n ’t wel—ja, vraag of de juffrouwen Pleier plezier hebben, met ons en de familie Krucker ...

—Ben je mal, Pompile? bromde Eugène. De jongen weet immers niet waar Hocker woont.

—Ah...ja! Dat’s waar! M’nheer Hocker woont ...

En Wouter’s handelswetenschap werd verrykt met de zeer nauwkeurige kennis van de plek waar m’nheer Hocker woonde. Ook vernam hy wat voor dien middag de plannen waren met de familie van dien heer, en met de juffrouwen Pleier uit Frankfort, en hoe ze zich des-verkiezende zouden kunnen verheugen in ’t gezelschap van mevrouw Kopperlith-Huddewitz, ook wel genaamd: de jonge mevrouw.

—En dan moet je zoo goed wezen in de Kerkstraat by de Korte-krulledwarsstraat te gaan naar den stal van papa. Je vraagt maar naar den stal van m’nheer Kopperlith op de Keizersgracht, weetje, want ... papa houdt rytuig, eigen rytuig. En daar zeg je-n-aan Jakob—dat is de koetsier—daar zeg je ...

Volgt: ’n boodschap aan Jakob, die me glad ontschoten is.

—En dan moet je zoo goed wezen even naar juffrouw Lins te gaan, in de Katoenstraat, en je doet het kompliment van de jonge mevrouw Kopperlith—je moet zeggen: van mevrouw Kopperlith-Huddewitz—en je zegt dat de juffrouw zoo goed moet wezen om je-n-’t tapisseriepatroon te geven ... ’t is ’n liggende jachthond, kan je dit onthouden?

—J...a, m’nheer!

—Goed! ’n Liggende jachthond, weetje? Nu, dat patroon moet ze je geven voor de jonge mevrouw Kopperlith, voor mevrouw Kopperlith-Huddewitz, begrypje? En je vraagt den prys ... den allernaasten prys, moet je zeggen. En dan ga je naar myn huis, en je schelt aan, en je zegt aan de meid dat je van my komt—van “m’nheer” weetje—en je doet het kompliment, en je zegt ...

—Maar, Pompile, hoe kan hy weten waar je huis is?

—Ah, ja! Ik woon op de Leliegracht ... stille zy, weetje, waar de deftige huizen staan. ’t Is ’n huis met opgaande stoep, en ruiten van spiegelglas. Dáár moet je maar altyd na kyken, want ... m’n ruiten zyn van spiegelglas. En je zegt aan de meid, dat je by juffrouw Lins geweest bent, en dat je van my komt, en dat je de nieuwe kantoorbediende bent, en hoeveel dat patroon kost. En ... als dan de jonge mevrouw den prys te hoog vindt—’t is ’n jachthond op ’n kussen, weetje?—dan breng je-n-’t weerom aan juffrouw Lins, en je zegt dat het te duur is. En dan moet je zoo goed wezen eens te gaan by m’n schoenmaker. Hy woont in de Hallestraat, en daar doe je-n-’t kompliment van my—van m’nheer Kopperlith van de Leliegracht, moet je maar zeggen—en zeggen dat-i zoo goed wezen moet, morgen ochtend negen uur, de maat te komen nemen van ’n paar pantoffels. En dan ga je by m’nheer Krucker, en je doet het kompliment van my, en je vraagt hoe de oude mevrouw vaart—want ze-n-is ziek, weetje, ze heeft het pootje ... maar dat hoef jy niet te zeggen: je vraagt maar hoe ze vaart?—en dan breng je daar ’t antwoord van de juffrouwen Pleier uit Frankfort, die by de Hocker’s logeeren. Maar als nu de juffrouwen Pleier de invitatie hebben aangenomen, dan moet je zoo goed wezen even aanteloopen by m’nheer Kruis op de Engelsche-kaai, en zeggen daar—maar je moet eerst het kompliment van my doen—dat ik van-middag door zware hoofdpyn verhinderd ben gebruik te maken van de uitnoodiging om met de familie te gaan room-eten op Lokhorst. Maar als nu de juffrouwen Pleier laten bedanken voor de invitatie ...

Notes in this chapter

Explore with AITake your curiosity a little further.

Reading settings