Note 1 — Tweede Deel Amsterdam—Uitgevers-Maatschappij “Elsevier”—1921 (continued 6)
Reading edition
Nu, dit deed hy! Vermoeid van dienstyver, stapte hy tusschen de kraampjes en uitstallingen door, die de Sint-Anthonies-breestraat zoo byzonder sterk doen gelyken op ’n verstoord mierennest. ’t Verschil ligt grootendeels slechts hierin, dat men er zeer lang naar kyken moet om wys te worden. Wouter had moeite z’n weg te vinden. Van bespiegelingen over ’t zonderling huishouden in de open lucht, dat daar voor den opmerker te aanschouwen was, kon by hem geen spraak zyn. In z’n hoedanigheid van aankomend Amsterdammertje was hy evenmin ontwikkeld genoeg om zich te ergeren aan al ’t onschoone dat hy te zien kreeg, als om belang te stellen in ’t karakteristieke van die leelykheid. Z’n standpunt omtrent dit laatste vooral wees hem ’n plaats aan ver beneden prinses Erika, die naar getuigenis van geloofwaardige tydgenooten, het uur dat ze in den amsterdamschen Jodenhoek doorbracht, voor een der belangwekkendsten van haar leven verklaarde. Een revue van dertigduizend man linie—zou ze in vertrouwen gezegd hebben—met vierd’halve battery artillerie en geestdrift, was er niets by. Ook de opera niet. En vooral geen hofbal. En geen muzeum van middeleeuwsche oudheden.1