ZESTIENDE HOOFDSTUK
Willem Jacob Aarland Roldanus translation
Den volgenden dag dejeuneerde Pierre, na van de begrafenis teruggekeerd te zijn, alleen in zijn kamer; in den namiddag wilde hij afscheid nemen van den kardinaal en donna Serafina. Met den trein van 10.17 zou hij Rome verlaten. Niets hield hem er meer terug; hij had nog slechts een bezoek af te leggen aan den ouden Orlando, den held der onafhankelijkheid, aan wien hij plechtig beloofd had niet naar Parijs te zullen terugkeeren, voor hij nog een lang gesprek met hem gehad had. Dus liet hij tegen twee uur een rijtuig voorkomen, om hem naar de Via Venti Settembre te brengen.
Den geheelen nacht was er een fijne motregen gevallen, welks vochtigheid de stad nu nog in een grijzen nevel hulde. Regenen deed het niet meer, maar de lucht bleef bewolkt en de gevels der groote nieuwe paleizen van de Via Venti Settembre zagen er onder dien somberen Decemberhemel met hun gelijkvormige balkons, hun regelmatige ramenrijen, waaraan geen einde te komen scheen, vaal en troosteloos zwaarmoedig uit. Met name het ministerie van Financiën, die reusachtige opeenstapeling van metsel- en beeldhouwwerk, had geheel het aanzien van een doode stad, de eindelooze triestheid van een groot, bloedloos lichaam, waaruit het leven geweken is. De temperatuur was door den regen zachter geworden, het was bijna warm: een vochtige, klamme koortswarmte.
In den vestibule van Prada’s klein paleis zag Pierre tot zijn verbazing vier of vijf heeren, die op het punt stonden hun overjassen uit te trekken; een bediende zeide hem, dat de graaf een conferentie met aannemers had. Maar daar mijnheer de abbé den vader van den graaf een bezoek wilde brengen, moest hij maar naar de derde verdieping gaan. De kleine deur rechts, op het portaal.
Doch op de eerste verdieping stond Pierre plotseling tegenover Prada, die zijn aannemers wilde ontvangen. Hij zag, dat de graaf, toen hij hem herkende, doodsbleek werd. Na het verschrikkelijke drama hadden zij elkaar niet gezien. De priester begreep dan ook heel goed, welk een angst, welk een onaangename herinnering aan een moreele medeplichtigheid, welk een doodelijke onrust zijn aanwezigheid dien man veroorzaken moest.
“Komt u voor mij? Hebt u mij iets te zeggen?”
“Neen, ik vertrek, ik kom afscheid nemen van uw vader.”
Prada werd nog bleeker, een siddering ging over zijn gelaat.
“O, komt u voor mijn vader? Hij voelt zich minder goed. Spaar hem.”
Zijn angst verried tegen zijn wil in duidelijk, waar hij bang voor was: een onvoorzichtig woord, misschien zelfs een laatste opdracht, den vloek van dien man en van die vrouw, die hij gedood had. Ongetwijfeld zou dat ook de dood van zijn vader zijn.
“Hoe vervelend, dat ik niet met u mede kan gaan. Maar die heeren wachten me … Lieve hemel, wat spijt het mij. Zoodra ik kan, kom ik ook, zoo gauw mogelijk!”
Daar hij niet wist, hoe hij hem verder tegenhouden moest, kon hij niet beletten, dat de jonge priester met zijn vader alleen was, terwijl hij hier vastgehouden werd door zijn geldzaken, die steeds slechter gingen. Maar met welke blikken vol angst zag hij hem naar boven gaan, hoe smeekte als het ware zijn heele trillen hem. Zijn vader, de eenige werkelijke liefde, de groote, reine, trouwe hartstocht van zijn leven!
“Laat hem niet te veel praten, vroolijk hem wat op!”
Boven werd de deur niet geopend door Batista, den zijn meester zoo trouwen oud-gediende, maar door een nog heel jongen man, wat Pierre in den beginne niet opmerkte. Hij vond het kale, witte, met een licht papiertje behangen kamertje met het eenvoudige ijzeren ledikant achter een scherm, zijn vier aan den muur gespijkerde en als bibliotheek dienende planken, zijn donkerhouten tafel en zijn twee rieten stoelen weer terug. En door het breede, lichte raam zonder gordijnen zag hij weer hetzelfde bewonderenswaardige panorama van Rome—geheele Rome tot aan de verre boomen van den Janiculus. De oude Orlando met zijn prachtigen leeuwenkop en zijn nog jonge oogen, die nog fonkelden van de hartstochten, welke in deze vurige ziel gegromd hadden, was evenmin veranderd. Pierre vond hem terug op denzelfden fauteuil, naast hetzelfde tafeltje, waarop dezelfde couranten slingerden, zijn beenen gewikkeld in dezelfde zwarte deken, alsof die doode beenen hem daar vasthielden in een steenen scheede, zoodat men er zeker van zijn kon hem na maanden, ja na jaren, zonder eenige verandering, met zijn levendig bovenlichaam en zijn van kracht en intelligentie stralenden kop terug te vinden.
Toch scheen hij op dezen somberen dag terneergeslagen.
“Ha, bent u daar, waarde heer Froment! Sedert drie dagen denk ik aan u, ik kan mij zoo levendig voorstellen, welke verschrikkelijke dagen gij in dat tragische paleis hebt medegemaakt! Lieve God, hoe vreeselijk! Ik ben er kapot van, en die couranten met hun steeds weer nieuwe bijzonderheden maken me nog meer van streek.”
Hij wees naar de op de tafel liggende couranten. Dan verjoeg hij met een gebaar de droevige geschiedenis, de figuur van de doode Benedetta, die hem steeds vervolgde.
“Nu, en jij?”
“Ik vertrek van avond, maar ik heb Rome niet willen verlaten, zonder nog eerst uw dappere handen te drukken.”
“Ga je weg? En je boek dan?”
“Mijn boek … Ik ben ontvangen door den Heiligen Vader; ik heb mij onderworpen en mijn boek teruggenomen.”
Orlando keek hem strak aan. Er volgde een korte stilte, waarin hun oogen elkaar over dit punt alles zeiden, wat zij elkaar te zeggen hadden. Geen van beiden voelden zij de noodzakelijkheid van een langere verklaring. De oude man zeide slechts:
“Je hebt gelijk, je boek was een hersenschim.”
“Ja, een hersenschim, een kinderachtigheid, en ik heb het zelf veroordeeld uit naam van de waarheid en de rede.”
Een glimlach kwam om de smartelijke lippen van den verpletterden held.
“Je hebt dus alles gezien en begrepen. Je weet nu alles?”
“Ja, ik weet nu alles en daarom heb ik niet weg willen gaan zonder nog eens openhartig en vrijmoedig met u te praten.”
Dat was een heele vreugde voor Orlando. Maar plotseling scheen hij zich den jongen man te herinneren, die de deur geopend had en nu op een stoel dicht bij het raam zat. Het was bijna nog een kind, twintig jaar nauwlijks, zonder baard, blond, en mooi: een schoonheid, zooals men die menigmaal in Napels aantreft. Hij had lang kroeshaar, een lelie-achtige tint, een mond als een roos en droomerig-smachtende oogen vol oneindige zachtheid. De oude man stelde hem op vaderlijke wijze voor: Angiolo Mascara, den kleinzoon van een zijner krijgsmakkers, den epischen Mascara van de Duizend, die, met tallooze wonden bedekt, als een held gevallen was.
“Ik heb hem hier laten komen, om hem een standje te geven,” ging hij voort. “Stel je voor, die kwajongen met zijn meisjesgezicht laat zich met nieuwe denkbeelden in! Hij is anarchist, een van de twee of drie dozijn anarchisten, die we in Italië hebben. In den grond der zaak een aardige jongen, die alleen zijn moeder nog maar heeft, die hij, dank zij een betrekkinkje, waaruit hij zich echter dezer dagen heeft laten wegjagen, kon onderhouden … Kom, jongen, je moet me beloven nu verder verstandig te zijn.”
Toen zeide Angiolo, wiens versleten, maar goed onderhouden kleeren inderdaad de fatsoenlijke armoede verrieden, met een ernstige, muzikale stem:
“Ik ben verstandig, maar de anderen, al de anderen zijn het niet. Wanneer alle menschen verstandig zullen zijn en de waarheid en de gerechtigheid willen, zal de wereld gelukkig zijn.”
“Als je denken zoudt, dat hij toegeeft, dan vergis je je!” riep Orlando uit. “Arme jongen, waarheid en gerechtigheid! Vraag maar eens aan mijnheer den abbé, of men ooit weet waar die zijn. Enfin, we moeten je tijd geven, om te leven, te zien en te begrijpen!”
En zonder zich verder met hem te bemoeien, wendde hij zich tot Pierre. Angiolo bleef heel bescheiden in zijn hoekje zitten, hield zijn brandende oogen op de beide mannen gevestigd en verloor geen van hun woorden.
“Ik had je wel gezegd, mijn waarde heer Froment, dat je denkbeelden zouden veranderen en dat een nadere kennismaking met Rome je tot juistere gedachten brengen zou, veel beter dan de mooiste redevoeringen, waarmede ik getracht zou hebben je te overtuigen. Zoo heb ik er bijvoorbeeld nooit aan getwijfeld of je zoudt je boek uit eigen beweging terugnemen als een treurige dwaling, zoodra het Vaticaan je in zijn volle beteekenis bekend zou zijn … Maar het Vaticaan zullen we verder maar laten rusten. Daar valt niets anders mede te beginnen dan het in zijn langzame, maar onvermijdelijke ruïne ineen te laten storten. Wat mij nog interesseert, is het Italiaansche Rome, ons Rome, dat we met zooveel liefde veroverd, zoo koortsachtig tot nieuw leven gewekt hebben, dat gij als een quantité négligeable behandeld hebt, en waarover wij thans, nu gij het kent, kunnen praten als mannen, die elkaar begrijpen.”
Als een intelligent man met een goed, helder verstand, die, door zijn verlamming aan zijn kamer gebonden en ver van den strijd, geheele dagen nadenken kon, gaf hij dadelijk vele dingen toe, erkende hij de begane fouten, den deplorabelen toestand der financiën, de ernstige moeilijkheden van verschillenden aard. O, in welk onzegbaar lijden was zijn verovering, zijn aangebeden Italië, waarvoor hij gaarne nogmaals het bloed van zijn aderen geven zou, weer teruggevallen! Zij hadden gezondigd uit vergeeflijken hoogmoed, zij waren te hard van stapel geloopen door een groot volk te willen improviseeren, door uit het oude Rome als met een eenvoudigen tooverstaf, een groote moderne hoofdstad te willen maken. Vandaar de waanzin van die nieuwe wijken, die uitzinnige speculatie in bouwterreinen en bouwwerken, die de natie op den rand van den afgrond gebracht had.
Zacht viel Pierre hem in de rede, om hem te zeggen tot welke denkbeelden zijn wandelingen en studies in Rome hem gebracht hadden.
“O, die koorts, die vraatzucht van het eerste oogenblik, die financieele debacle zijn het ergste nog niet. Wonden, die het geld slaat, genezen weer. Maar het vreeselijke is, dat uw Italië nog geschapen moet worden … Geen aristocratie meer en geen volk nog, slechts een pas geboren, vraatzuchtige bourgeoisie, die bezig is den rijken oogst tot den laatsten halm op te eten.”
Er volgde een stilte. Orlando schudde treurig zijn hoofd als een oude, voortaan machtelooze leeuw. De besliste hardheid van Pierre’s woorden deed hem pijn.
“Ja, ja, dat is het, je hebt goed gezien! Waarom het te loochenen en te ontkennen, wanneer de feiten spreken … Mijn God, deze bourgeoisie, deze middenklasse, waarvan ik reeds verteld heb, dat zij zoo tuk is op betrekkingen, baantjes en onderscheidingen en daarbij zoo gierig en zoo bang voor haar geld, dat zij het in banken plaatst en nooit durft te wagen in industrieele of handelsondernemingen. Zij wordt slechts verteerd door den drang te genieten, zonder iets te doen en is zoo onintelligent, dat zij niet ziet, dat zij haar land doodt door haar afkeer van werken, door laag neerzien op het volk, door haar eenigen hartstocht, om kleinburgerlijk in de zon te leven om tot het een of ander departement van bestuur te behooren … En onze stervende aristocratie, dat onttroonde, geruïneerde, tot de ontaarding van uitstervende geslachten vervallen patriciaat! Het grootste gedeelte ervan is tot armoede gebracht; de hoogst enkelen, die hun geld behouden hebben, worden verpletterd onder de zware belastingen, bezitten nog slechts doode vermogens, die zich niet meer vernieuwen kunnen, door voortdurende deelingen verminderen en bestemd zijn weldra met de prinsen zelf en de ineenstorting van de oude, nu nutteloos geworden paleizen te verdwijnen … En het volk eindelijk, dat arme volk, dat zoo geleden heeft en nog lijdt, maar zoo gewend is aan het lijden, dat het niet eens op de gedachte schijnt te komen zich daaruit los te maken. Blind en doof drijft het de dingen zoover, dat het misschien de vroegere slavernij terugwenscht, ligt het in stomme verdomming als een dier op zijn mestvaalt, is het volkomen onwetend—de vreeselijke onwetendheid, die de eenige oorzaak van zijn ellende is—heeft het geen hoop, geen toekomst, zelfs den troost niet te beseffen, dat dit Italië, dit Rome voor hen en voor hen alleen zijn, dat wij ze voor hen veroverd hebben en tot nieuw leven trachten te wekken … Ja, ja, geen aristocratie meer, geen volk nog, alleen die zoo angstaanjagende bourgeoisie! Men moet bijna den pessimisten gelijk geven, die beweren, dat al ons ongeluk nog niets is, dat wij nog veel erger catastrophes tegemoet gaan, alsof wij pas bij de eerste symptomen van het einde van ons ras, de voorloopers van de totale vernietiging waren!”
Hij had zijn groote bevende armen naar het raam, naar het licht opgeheven, en Pierre, die diep onder den indruk was, herinnerde zich dit wanhopig smeekende gebaar, dat hij den vorigen dag kardinaal Boccanera had zien maken in zijn aanroepen van de goddelijke macht. Deze beide in hun geloof zoo tegengestelde mannen hadden dezelfde wanhopig-woeste grootschheid.
Hij sprak door, erkende alle ongelukkige eigenschappen van Rome als hoofdstad. Het was een zuiver decoratieve stad, wier bodem uitgeput was, een stad, die buiten het moderne leven was blijven staan, een stad, waarin geen industrie en handel mogelijk waren, een stad, die te midden van de onvruchtbare woestheid van haar Campagna onherroepelijk ten doode opgeschreven was. Dan vergeleek hij haar bij de andere steden, die haar benijden; Florence, dat zoo onverschillig en skeptisch geworden was en een na de woeste hartstochten en de bloedstroomen van zijn geschiedenis zoo gelukkige zorgeloosheid bezat; Napels, dat nog genoeg heeft aan zijn vroolijke zon, Napels met zijn kind-volk, waarvan men niet weet of men het beklagen moet over zijn ellende en onwetendheid, waarin het zoo ’n groot behagen schijnt te scheppen; Venetië, dat er zich bij neergelegd had niets meer te zijn dan een wonder van oude kunst, dat men onder glas moest zetten, om het ongeschonden te bewaren; Genua, geheel opgaand in zijn handel, druk en luidruchtig, een der laatste koninginnen van de Middellandsche Zee, dit thans zoo onbeteekenende meer, dat eenmaal de rijke zee was, waarheen alle rijkdommen der wereld stroomden; Turijn en Milaan vooral, de zóó levende en zóó gemoderniseerde industrie- en handelssteden, dat de toeristen er minachtend op neer zien, als zijnde geen Italiaansche steden meer, maar beide gered uit den slaap der ruïnen, daar zij zich aangesloten hebben bij de Westersche evolutie, die de komende eeuw voorbereidt. O, moet men dit oude Italië ter wille van kunstenaarszielen als een stoffig museum laten ineenstorten, zooals zijn kleine steden van Groot-Griekenland, Umbrië en Toscane bezig zijn in te storten als prachtige bibelots, die men niet durft repareeren uit vrees het karakter ervan te zullen bederven? Of de aanstaande, onvermijdelijke dood dus, of het houweel der sloopers, het neerwerpen der wankelende muren, het opbouwen van steden van arbeid, wetenschap en gezondheid, in één woord, een geheel nieuw Italië, dat werkelijk uit zijn asch verrijst en geschapen wordt voor de nieuwe beschaving, die de menschheid binnen treedt!
“Maar waarom wanhopen?” ging hij krachtig voort. “Rome moge op dit oogenblik zwaar op onze schouders drukken, het blijft desniettemin de top, dien wij hebben willen bereiken. Wij zijn er, wij zullen er blijven en de gebeurtenissen afwachten … Al heeft in den laatsten tijd de bevolking opgehouden toe te nemen, zij blijft stationnair met haar vierhonderdduizend zielen, en den dag, dat de oorzaken, die den aanvoer tegenhielden, verdwijnen, kan zij weer zeer goed de hoogte ingaan. Wij hebben de fout begaan te gelooven, dat Rome een Berlijn of een Parijs zou worden; allerlei maatschappelijke, historische, ja, zelfs ethnische verhoudingen schijnen zich daar tot dusver tegen te verzetten; maar wie kent de verrassingen, die de toekomst brengen kan? Kan men ons verbieden te hopen, te gelooven in het bloed, dat in onze aderen stroomt, het bloed der oude wereldveroveraars? Ik, die met mijn twee doode beenen niet meer uit mijn kamer komen kan, heb uren, waarin mijn oude overmoedige geestdrift mij weer aangrijpt, waarin ik in Rome geloof als in mijn moeder, waarin ik geloof, dat het onoverwinlijk, onsterflijk is, waarin ik de twee millioen inwoners verwacht, welke deze jammerlijke, nieuwe wijken, die gij bezocht hebt, bevolken moeten. O zeker, zij zullen komen. Waarom zouden zij niet komen? Ge zult zien, ge zult zien, alles wordt vol, men zal er nog bij moeten bouwen … En bovendien kan men een natie arm noemen, die Lombardije bezit? Is ook ons Zuiden niet onuitputtelijk rijk? Laat er vrede komen, het Zuiden samensmelten met het Noorden en een geheel nieuwe generatie van arbeiders opgroeien, dan moet, daar de zoo vruchtbare bodem aanwezig is, eenmaal de groote, verwachte oogst opschieten en in de brandende zon rijp worden.”
Zijn geestdrift sleepte hem mede, een jeugdig vuur gloeide in zijn oogen. Pierre glimlachte en zeide:
“Men moet het probleem van onderen af, bij het volk, aanvatten. Men moet menschen scheppen.”
“Juist, dat is het!” riep Orlando uit. “Dat herhaal ik steeds, we moeten Italië scheppen. Men zou kunnen denken, dat een oostenwind het menschelijke zaad, het zaad van krachtige volkeren elders heen, ver van onze oude aarde, weggevoerd heeft. Ons volk is niet, zooals het uwe in Frankrijk, een reservoir van menschen en geld, waaruit men met volle handen putten kan. Dat onuitputtelijke reservoir zou ik bij ons willen zien! Ja, van onder af aan moeten we beginnen te werken! Ja, overal scholen! De onwetendheid moet verjaagd, de ruwheid en luiheid met boeken bestreden worden, de intellectueele en moreele opvoeding moet ons het arbeidende volk geven, dat wij noodig hebben, als wij niet uit het concert der groote naties willen verdwijnen. Ik herhaal het: voor wien anders hebben we gewerkt, toen wij Rome heroverden, dan voor de democratie van morgen? En hoe verklaarbaar is het, dat alles ineenstort, dat niets er krachtig opgroeien wil, zoolang die democratie er totaal afwezig is!”
Pierre waagde het niet te zeggen, dat een natie niet makkelijk verandert, dat Italië was wat de bodem, de geschiedenis, het ras ervan gemaakt hadden, en dat het een gevaarlijk werk zijn zou, indien men het plotseling hervormen wilde. Hebben de volkeren niet, evenals de menschen, een bloeienden middelbaren leeftijd, een meer of minder langzamen ouderdom, die met den dood eindigde? Een modern, democratisch Rome, groote God! De moderne Rome’s heeten Parijs, Londen, Chicago. Hij zeide dan ook slechts voorzichtig:
“Maar gelooft u niet, dat gij, in afwachting van dat groote werk der hernieuwing door het volk, goed zoudt doen door voorzichtig te zijn? Uw financiën verkeeren in een zóó deplorabelen toestand, gij maakt zulke groote sociale en economische moeilijkheden door, dat gij gevaar loopt tot de ergste catastrophes te komen, alvorens menschen en geld te hebben. O, waarom zegt niet een van uw ministers van af de tribune: “Welnu, onze trots heeft zich vergist, wij deden verkeerd, toen wij ons in een ommezien in een groote natie hervormen wilden; daarvoor is meer tijd, meer werk, meer geduld noodig. Wij leggen er ons bij neer voorloopig niets meer te zijn dan een jong volk, dat in zijn eigen hoekje werkt, om zich krachtig te maken, zonder in den eersten tijd een eerste rol te willen spelen. Wij ontwapenen, wij schrappen het oorlogsbudget, het marinebudget, alle budgetten van uiterlijk vertoon, om ons geheel te wijden aan de innerlijke welvaart, het onderwijs, de lichamelijke en moreele opvoeding van het groote volk, dat wij ons plechtig zweren binnen vijftig jaar te zijn? Schrappen, ja schrappen, dat is uw redding!””
Orlando had naar hem geluisterd; langzamerhand was hij weer somber geworden en in zijn droefgeestig peinzen teruggevallen. Hij maakte een moe gebaar en zeide zacht:
“Neen, neen, men zou een minister, die dergelijke dingen zeide, uitjouwen. Dat is een bekentenis, die men van een volk niet verwachten mag. De harten zouden uit de borsten springen. En bovendien, zou het misschien nog niet veel gevaarlijker zijn, wanneer men alles, wat reeds gedaan is, plotseling liet instorten? Hoeveel teleurgestelde verwachtingen, hoeveel ruïnes, hoeveel onnut materiaal! Neen, wij kunnen ons slechts redden door geduld en moed, terwijl wij voorwaarts, steeds voorwaarts gaan. Wij zijn een heel jong volk, wij hebben in vijftig jaar de eenheid willen veroveren, waarvoor andere naties twee eeuwen noodig gehad hebben. Welnu, voor die overhaasting moeten wij boeten, we moeten wachten, tot de oogst rijp is en onze schuren vult.”
En vol hoop weer ging hij voort:
“Ge weet, dat ik altijd tegen het verbond met Duitschland geweest ben. Ik heb het voorspeld, het heeft ons geruïneerd. Wij waren nog niet groot genoeg, om gemeenschappelijk met een zoo rijke en machtige persoonlijkheid op te trekken; slechts met het oog op den voortdurend dreigenden, onvermijdelijk geoordeelden oorlog gaan wij nu gebukt onder onze verpletterende budgetten van een groote natie. O, deze oorlog, die niet gekomen is, heeft het beste van ons bloed, ons sap, ons goud uitgeput, zonder dat we er eenig voordeel van hadden! Thans blijft ons niets meer over dan te breken met een bondgenoot, die onzen hoogmoed uitgebuit heeft, zonder dat hij ons in iets nuttig geweest is, zonder dat we iets anders van hem gekregen hebben dan wantrouwen en noodlottige raadgevingen … Maar dat alles was onvermijdelijk, en dat wil men in Frankrijk niet toegeven. Ik mag daar vrijuit over spreken, want ik ben altijd een vriend van Frankrijk geweest. Zeg dus aan uw landgenooten, die maar niet begrijpen willen, dat wij na de verovering van Rome in ons hartstochtelijk verlangen, om onzen rang van vroeger in te nemen, wel onze rol in Europa spelen, ons als een mogendheid, waarmede voortaan rekening te houden was, opwerpen moesten. Aarzeling was buitengesloten, al onze belangen schenen ons in de richting van Duitschland te drijven. De harde wet van den strijd om het bestaan drukt even fataal op de volkeren als op de menschen; en dat verklaart, dat rechtvaardigt de breuk tusschen de beide zusters, het vergeten van zooveel gemeenschappelijke banden: ras, handelsbetrekkingen, zelfs bewezen diensten … Twee zusters! Ja, en nu verscheuren zij elkaar, vervolgen zij elkaar met zoo’n haat, dat bij beiden het gezond verstand weg schijnt te zijn. Mijn arm, oud hart bloedt, wanneer ik de artikelen lees, die uw bladen en de onze als vergiftige pijlen op elkaar afschieten. Wanneer zal die broedermoord ophouden? Wie van beiden zal het eerst de noodzakelijkheid van vrede inzien en begrijpen hoe noodig het is dat de Latijnsche rassen zich vereenigen, indien zij te midden van den steeds stijgenden vloed van andere rassen staande willen blijven!”
En met zijn gulle hartelijkheid van door de jaren ontwapenden held ging hij voort:
“Kom, mijnheer Froment, ge moet mij beloven ons te helpen, zoodra ge in Parijs terug zijt. Zweer mij, dat gij op uw arbeidsveld, hoe klein het ook zijn mag, voor den vrede tusschen Frankrijk en Italië zult werken: een edeler taak bestaat er niet. Ge hebt nu drie maanden onder ons geleefd, ge kunt, o in alle vrijmoedigheid, zeggen wat ge gezien en gehoord hebt. Hebben wij onze fouten, gij hebt de uwe ook. Familieruzies kunnen, voor den duivel, toch niet eeuwig duren.”
“Ongelukkig zijn het echter de langdurigste. Wanneer in de familie het bloed zich verbittert tegen het bloed, dan komt het mes en het vergif erbij te pas. Daar is geen vergiffenis mogelijk.”
Hij durfde niet alles zeggen, wat hij dacht. Sedert hij te Rome was en zag en oordeelde, werd die twist tusschen Italië en Frankrijk voor hem samengevat in een mooi tragisch sprookje. Er waren eens twee prinsessen, die een machtige, de wereld beheerschende koningin tot moeder hadden. De oudste, die het rijk van haar moeder geërfd had, zag met leede oogen hoe haar jongste zuster, die in een naburig land woonde, langzamerhand toenam in rijkdom, kracht en glans, terwijl zij zelf, als het ware door ouderdom verzwakt, aftakelde en zoo uitgeput was, dat zij den dag, waarop zij een laatste poging deed, om de wereldheerschappij te heroveren, verslagen werd. Welk een bitterheid, welk een altijd open en bloedende wonde was het voor haar, toen zij zien moest, hoe haar zuster zich van de heftigste schokken herstelde, haar verblindende pracht terugkreeg en door haar kracht, haar gratie en haar geest over de aarde regeerde! Nooit zou zij het vergeven, welke houding de benijde en vervloekte zuster ook tegen haar aannemen zou! Dat was de onheelbare wonde in haar borst; het leven der eene wordt door dat van de andere vergiftigd, de haat van het oude bloed tegen het jonge zou eerst uitsterven met den dood. Misschien zou de oudere zuster zelfs op den dag, dat vrede tusschen haar bestaan zou, tegenover den triomf van de jongste in het diepst van haar hart het oneindige verdriet bewaren de oudste en de vazalle te zijn.
“Maar toch kunt u op mij rekenen,” ging Pierre hartelijk voort. “Deze verwoede strijd tusschen de beide volkeren is inderdaad een groot gevaar. Maar ik zal aan u slechts zeggen, wat ik meen, dat de waarheid is. Ik ben niet in staat iets anders te zeggen. En ik ben bang, dat u die waarheid niet prettig zult vinden, dat u er noch door temperament noch door gewoonte op voorbereid zijt. De dichters van alle naties, die hierheen kwamen en met de traditioneele geestdrift van hun klassieke opvoeding over Rome spraken, hebben u met zulke loftuitingen bedwelmd, dat het mij voorkomt, dat u de echte waarheid over uw hedendaagsch Rome niet gaarne hooren zult. Alle mooie woorden beteekenen niets, men moet tot de werkelijkheid der dingen komen, en juist die werkelijkheid weigert gij onder de oogen te zien, verliefd als gij zijt op het mooie en lichtgeraakt als vrouwen, die zich bewust zijn niet mooi meer te wezen en wanhopig worden bij de minste opmerking over haar rimpels.”
Orlando begon kinderlijk te lachen.
“Zeker, je moet de dingen altijd wat mooier maken! Waarom over leelijke gezichten praten? Wij houden in den schouwburg alleen van mooie muziek, mooie dansen, mooie stukken, waar we plezier in hebben. De rest, alles wat niet mooi is, moet verborgen blijven!”
“Maar,” ging de priester voort, “ik beken gaarne de kapitale fout in mijn boek. Het Italiaansche Rome, dat ik over het hoofd zag, om het op te offeren aan het pauselijke Rome, van welks herleving ik droomde, bestaat, en wel zóó machtig reeds, dat zonder eenigen twijfel het andere mettertijd verdwijnen zal. Zooals ik reeds gezegd heb, de paus moge zich zoo koppig als hij wil in zijn Vaticaan, dat meer en meer scheurt en in puin dreigt te vallen, tegen iedere verandering verzetten—alles om hem heen deelt in de evolutie: de zwarte kringen zijn reeds de grijze geworden, doordat zij zich met de witte vermengd hebben. En nooit heb ik dat beter gevoeld dan op het bal, dat prins Buongiovanni gegeven geeft ter eere van de verloving van zijn dochter met uw achterneef. Toen heb ik gevoeld, dat ik voor uw zaak gewonnen was.”
De oogen van den ouden man schitterden.
“Zoo, was je daar ook? Nou, was het geen onvergetelijk schouwspel? Je twijfelt nu toch zeker niet meer aan onze levenskracht, aan het volk, dat we zijn moeten, wanneer de eerste moeilijkheden overwonnen zullen zijn? Wat komt daarbij een kwart eeuw, een heele eeuw desnoods op aan? Italië zal in zijn ouden roem herleven, zoodra het groote volk van morgen uit de aarde opgeschoten zijn zal!… O zeker, ik haat dien Sacco, omdat hij voor mij de verpersoonlijking is van de intriganten, van de genotzoekers, wier begeerten alles hebben opgehouden, doordat zij zich op den nog warmen buit van onze overwinning stortten, die ons zooveel bloed en tranen gekost heeft. Maar ik herleef in mijn Attilio, dat vleesch van mijn vleesch; hij is zoo zacht en toch zoo dapper, hij zal de toekomst zijn, het geslacht der helden, wier komst het land ontwikkelen en louteren zal … O, moge het groote volk van morgen geboren worden uit hem en die Celia, de aanbiddelijke kleine prinses, die mij onlangs met mijn nicht Melana, een verstandige vrouw in den grond der zaak, is komen opzoeken. Als je eens gezien hadt, hoe dat kind mij om den hals vloog, mij met de zoetste naampjes aansprak, me zei, dat ik de peet zou zijn van haar eersten zoon, opdat hij zou heeten als ik en een tweede maal Italië redden zou … Ja, ja, moge om deze wieg de vrede ontstaan, moge de echtverbintenis van die twee lieve kinderen het onverbrekelijke huwelijk zijn tusschen Rome en de geheele natie, moge door hun liefde alles weer goed worden en weer nieuwe schittering krijgen!”
Tranen waren in zijn oogen gekomen. Diep getroffen door deze vaderlandsliefde, die als een onuitbluschbare vlam in dezen verpletterden held brandde, wilde Pierre hem moed inspreken.
“Dat is de wensch, dien ik zelf ook op hun verlovingsfeest uitgesproken heb tegenover uw zoon, aan wien ik toen ongeveer hetzelfde gezegd heb. Ja, moge hun huwlijk eeuwig en vruchtbaar blijven, moge uit hen het groote land, dat ik u met geheel mijn ziel toewensch te zijn, sedert ik u heb leeren kennen, geboren worden!”
“Heb je dat gezegd?” riep Orlando uit; “heb je dat gezegd? Dan vergeef ik je je boek, want nu heb je eindelijk begrepen. En het nieuwe Rome, daar ligt het! Het Rome, dat ons toebehoort, dat wij zijn roemrijk verleden waardig, voor de derde maal tot koningin der wereld maken willen!”
En met een van zijn breede gebaren, waarin hij alles, wat er nog aan leven in hem over was, legde, wees hij door het lichte, gordijnlooze raam naar het panorama, dat zich voor hem ontrolde—naar Rome, dat zich in de verte van het eene einde van den horizont naar het andere uitstrekte. Onder den leikleurigen hemel, in dezen zoo weinig voorkomenden winterrouw nam de stad een soort hoogere majesteit aan, de melancholieke grootheid van een koninginnestad, die, thans nog vervallen, zwijgend en onbeweeglijk in de droeve lucht wacht op haar glorierijk ontwaken, op haar eindelijk door allen erkend koningschap, dat men haar opnieuw beloofd heeft. Van de nieuwe wijken op den Viminalis tot de verre boomen van den Janiculus, van de rosachtige daken van den Capitolinus tot de groene toppen van den Pincio, lag de deining der terrassen, der campanila’s en der dommen als een breede oceaan, welks diepe, grijze golven eindeloos heen en weer wiegden.
Maar plotseling keek Orlando, door een vaderlijke verontwaardiging aangegrepen, om en ging tegen den jongen Angiolo Mascara te keer.
“En dat Rome wil jij, leelijke booswicht, met bommen verwoesten en als een oud, wankel en half verrot huis met den grond gelijk maken, om er de aarde voor altijd van te bevrijden.”
Angilio had tot nog toe zwijgend naar het gesprek geluisterd. Op zijn baardeloos, blond, mooi meisjesgezicht verried zich de minste opwinding door een plotselingen blos; vooral zijn groote, blauwe oogen hadden gebrand, toen hij over het volk hoorde spreken, over het nieuwe volk, dat men scheppen moest.
“Ja,” zeide hij langzaam met zijn heldere, muzikale stem; “ja, haar met den grond gelijk maken, geen enkelen steen heel laten! Ja, maar haar verwoesten, om haar weer op te bouwen!”
“Dus je bent nog wel zoo goed haar weer op te bouwen!” viel Orlando hem op spottenden toon in de rede.
“Ik zou haar weer opbouwen,” herhaalde het kind opstaande, met bevende stem; “ik zou haar weer opbouwen, groot, mooi, edel! Heeft de werelddemocratie van morgen, de eindelijk vrije menschheid niet een éénige stad noodig, die de ark des verbonds, het centrum zelf der wereld is? En is Rome niet de uitverkoren stad, de stad, die door de prophetieën aangewezen is als de eeuwige, de onsterfelijke, als degene, waarin zich het lot der volkeren voltrekken zal? Maar om het blijvende heiligdom, de hoofdstad van de verwoeste koninkrijken te worden, waarin zich eenmaal per jaar de wijzen van alle landen vereenigen zullen, moet men haar eerst door het vuur reinigen en niets van het vroegere vuil overlaten. Dan, wanneer de zon alle pestilenties uit den ouden bodem weggezogen zal hebben, zullen wij hem tienmaal mooier, tienmaal grooter dan zij ooit geweest is, opbouwen. En welk een stad van waarheid en gerechtigheid zal dit sedert drie duizend jaar voorspelde en verwachte Rome zijn—geheel van goud en van marmer, de Campagna van de zee tot de Sabijnsche en Albaansche bergen vullend, zóó bloeiend en zóó wijs, dat haar twintig millioen inwoners, na de wet van den arbeid geregeld te hebben, in onvergelijkelijke vreugde leven zullen.”
“Maar ik ken jouw vierde Rome,” begon Orlando, weer vroolijk wordend, opnieuw. “Het is het Rome van het volk, de hoofdstad der universeele Republiek, waarvan Mazzini reeds gedroomd heeft. Weliswaar voegde deze den paus er aan toe … Zie je, mijn jongen, wanneer wij, oude republikeinen, ons gerallieerd hebben, dan hebben wij dat gedaan, omdat we bang waren, het land, in geval van revolutie, in handen te zien vallen van de gevaarlijke gekken, die jou het hoofd op hol gebracht hebben. Waarachtig, wij hebben ons bij de monarchie neergelegd, die niet zoo heel veel verschilt van een goede, parlementaire Republiek … Nu, tot ziens, wees verstandig en bedenk dat het de dood van je arme moeder zijn zou, wanneer jou iets overkwam … Kom, laat ik je maar een zoen geven!”
Angiolo bloosde onder den liefdevollen kus van den held als een jong meisje. Dan ging hij, na den priester beleefd met een hoofdknikje gegroet te hebben, met zijn zacht dwepersgezicht weg.
Er volgde een stilzwijgen. Toen de blikken van den ouden Orlando op de couranten vielen, begon hij echter weer over het vreeselijke drama in het paleis Boccanera. O, die Benedetta, die hij in de treurige dagen, dat zij bij hem woonde, als een dochter vereerd en aangebeden had! Welk een verpletterende daad, welk een tragisch lot, om zoo medegesleurd te worden in den dood van den man, dien zij liefhad! En daar de verhalen der couranten hem vreemd voorkwamen en hij gekweld en gepijnigd werd door al het duistere, dat hij erin voelde, wilde hij juist een paar bijzonderheden vragen, toen zijn zoon Prada met een door onrust vertrokken gelaat en buiten adem van het hard naar boven loopen, binnenkwam. Hij had zijn aannemers met ongeduldige ruwheid afgescheept, zonder rekening te houden met zijn ernstigen toestand, zijn gevaar loopend vermogen; hij werd door een zoo groot verlangen, om boven bij zijn vader te zijn, gemarteld, dat hij bijna niet eens naar hen luisterde, onverschillig ervoor of zijn huis boven hem zou instorten of niet. Toen hij bij den ouden man was, gold zijn eerste blik het gezicht van zijn vader, om zich te overtuigen, of de priester hem niet door een onvoorzichtig woord doodelijk getroffen had.
Hij begon te beven, toen hij zag, hoe de oude man door de verschrikkelijke gebeurtenis, waarover hij sprak, tot tranen toe bewogen was. Een oogenblik dacht hij, dat hij te laat kwam, dat het ongeluk reeds geschied is.
“Mijn God, vader, wat hèbt u? Waarom huilt u?”
Hij had zich aan zijn voeten geworpen, nam zijn handen in de zijne, keek hem in een zóó hartstochtelijke vereering aan, dat hij zijn hartebloed scheen te willen geven, om hem het minste verdriet te besparen.
“Ach, het is de dood van die arme Benedetta,” antwoordde Orlando droevig. “Ik zeide juist aan mijnheer Froment, hoe diep bedroefd ik erover ben en dat het heele geval mij zoo duister scheen … De couranten spreken van een plotselingen dood en dat is altijd zoo iets vreemds.”
Doodsbleek was Prada opgestaan. De priester had niet gesproken. Maar welk een vreeselijk oogenblik. Als hij antwoordde, als hij sprak!
“Je was erbij, niet waar?” vroeg de grijsaard weer. “Je hebt alles medegemaakt?… Vertel me toch eens hoe alles in zijn werk is gegaan.”
Prada keek Pierre aan. Hun blikken boorden zich als het ware in elkaar. Alles speelde zich nog eenmaal tusschen hen af. Weer schreed het noodlot voort; weer ontmoetten zij aan den voet van de Frascatische heuvelen Santobono met zijn mandje; weer spraken zij op hun terugrit door de droefgeestige Campagna over het vergif, terwijl het mandje zacht schommelde op de knieën van den pastoor; weer waren zij in de in de wildernis sluimerende osteria, zagen zij het plotseling gestorven doode hennetje met het violette bloedstraaltje uit zijn snavel. Dan kwam denzelfden avond het bal der Buongiovanni’s—één geur van vrouwen, één triomf der liefde. Ten slotte stond voor het zich zwart tegen de zilveren maan afteekenende paleis Boccanera de man, die zijn sigaar aanstak, en langzaam, zonder om te kijken, zich verwijderde en het noodlot zijn doodswerk verrichten liet. Deze geschiedenis kenden zij beiden, doorleefden zij nogmaals, zij behoefden die niet luid te herhalen, om zeker te zijn, dat zij elkander tot in het diepst van hun ziel lazen.
Pierre had den ouden man niet dadelijk geantwoord.
“O, er zijn verschrikkelijke dingen gebeurd, verschrikkelijke dingen,” zeide hij eindelijk.
“Dat had ik wel gedacht,” antwoordde Orlando. “Ge kunt vrijuit spreken … Mijn zoon heeft tegenover den dood alles vergeven.”
Weer zocht Prada’s blik dien van Pierre en bleef zoo vurig smeekend daarin rusten, dat de priester er diep door ontroerd werd. Hij herinnerde zich den tweestrijd van dien man op het bal, de wreede jaloersche martelingen, die hij ondergaan had, alvorens hij aan het noodlot zijn wraak overliet. En hij stelde zich voor wat daarna, na de vreeselijke ontknooping, in hem moest zijn omgegaan: eerst de verbijstering over de ruwe snelheid, waarmede het wreede noodlot zijn werk gedaan had, over de wraak, die gruwlijker uitgevallen was dan hij gewild had; dan de ijzige kalmte van den koelbloedigen speler, die de gebeurtenissen afwacht, de couranten leest en geen andere wroeging kent dan de veldheer, wien de overwinning te veel manschappen gekost heeft. Onmiddellijk had hij begrepen, dat de kardinaal ter wille van de eer der Kerk de zaak zou begraven. Slechts één ding drukte misschien nog zwaar op zijn hart—misschien het verlangen naar die zoo vurig begeerde vrouw, die hij niet gehad had, die hij nooit hebben zou—misschien ook een vreeselijke jaloezie, die hij zichzelf niet bekende en waaronder hij altijd lijden zou, de jaloezie, nu hij wist, dat zij, in het graf, voor eeuwig in de armen van een ander lag. En nu rees uit deze laatste krachtsinspanning, om zijn kalmte te bewaren, uit dat koelbloedige, wroeginglooze wachten de straf op, de vrees, dat het met de vergiftigde vijgen voortschrijdende noodlot nog op zijn tocht zou stilstaan en thans zijn vader treffen. Nog een bliksemstraal, nog een slachtoffer, en nu het meest onverwachte, het meest aangebedene. Zijn laatste weerstandsvermogen was in één minuut ingestort; hulpeloozer en banger dan een kind stond hij daar tegenover het afschuwlijke noodlot.
“Maar,” begon Pierre langzaam, alsof hij naar zijn woorden zocht; “de couranten hebben u zeker toch verteld, dat de prins het eerst bezweken en dat de contessina, toen zij hem voor het laatst omhelsde, van smart gestorven is. En wat de oorzaak van den dood betreft, lieve hemel, u weet even goed als ik, dat de doktoren zelf zich daarover niet met beslistheid durven uitspreken …”
Hij hield op: hij hoorde plotseling de stem van de stervende Benedetta hem het vreeselijke bevel geven: “U, die zijn vader zien zult, u draag ik op hem te zeggen, dat ik zijn zoon vervloekt heb. Ik wil, dat hij het weet, hij moet het weten ter wille van de waarheid en de gerechtigheid.” Groote God, moest hij gehoorzamen? Was dit een van de heilige bevelen, die men uitvoeren moet, ook al moesten daardoor tranen en bloed bij stroomen vloeien? Gedurende enkele seconden woedde een allerpijnlijkste tweestrijd in hem, verscheurd als hij werd tusschen deze door de doode ingeroepen waarheid en gerechtigheid eener- en zijn persoonlijk verlangen, om te vergeven, den afschuw, dien hij voor zichzelf hebben zou, wanneer hij door zijn onverzoenlijke zending te vervullen, dezen ouden man dooden zou, anderzijds. En zekerlijk moest de andere, de zoon, begrijpen, dat een moeilijke strijd in hem gevoerd werd, waarvan het lot van zijn vader afhangen zou, want zijn blik werd nog dringender, nog smeekender.
“Eerst heeft men gedacht aan een storing in de spijsvertering,” ging Pierre voort. “Maar het werd plotseling zooveel erger, dat men bang werd en een dokter halen liet.”
O, de oogen, die oogen van Prada! Zij waren zoo wanhopig geworden, dat de priester er alle beslissende redenen in las, die hem beletten zouden te spreken. Neen, neen! Hij zou den onschuldigen grijsaard niet zoo treffen, hij had niets beloofd, hij zou geloofd hebben de herinnering van de doode met een misdaad te bezwaren, indien hij gehoorzaamd had aan het laatste bevel, dat de haat haar had ingegeven. In die enkele seconden van spanning had hij een geheel leven van zoo afschuwlijke smart doorleden, dat ondanks alles reeds gerechtigheid geschied was.
“De dokter,” ging Pierre voort, “heeft onmiddellijk infectiekoortsen geconstateerd. Er was geen twijfel mogelijk … Ik ben vanochtend bij de begrafenis geweest, het was heel mooi en indrukwekkend.”
Orlando ging niet verder op de zaak in, zeide nog slechts, hoe hij den geheelen ochtend met zijn gedachten bij de begrafenis geweest was. Toen hij zich omkeerde en met zijn nog bevende handen de couranten op de tafel recht legde, keek Prada, door het koude doodszweet verstard en, om niet te vallen, zich aan den rug van een stoel vasthoudend, Pierre nogmaals aan, maar nu met een zachteren blik vol vurige dankbaarheid.
“Ik vertrek vanavond,” zeide Pierre, die uitgeput als hij was, een einde aan het gesprek wilde maken. “Ik moet nu afscheid van u nemen … Hebt u geen boodschap voor mij in Parijs?”
“Neen, neen, geen enkele,” zeide Orlando.
Doch dan plotseling:
“Ja, toch, ik heb een boodschap … Je herinnert je zeker het boek van mijn ouden strijdmakker Théophile Morin, een der Duizend van Garibaldi, nog wel, het handboek voor het baccalaureaat, dat hij wilde laten vertalen en bij ons invoeren. Tot mijn groote blijdschap hebben ze mij beloofd, dat men het op onze scholen gebruiken wil, als er enkele veranderingen in aangebracht worden … Luigi, geef mij dat deel even aan, dat daar op de plank ligt.”
Toen zijn zoon hem het boek gegeven had, wees hij Pierre de aanteekeningen, die hij met potlood op den rand der bladzijden gemaakt had en legde hem de veranderingen, die men van den schrijver eischte, uit.
“Wees zoo vriendelijk zelf dat exemplaar aan Morin te brengen: zijn adres staat op de binnenzijde van den band. Je zult me daardoor een langen brief uitsparen en in tien minuten kan je het hem duidelijker en beter uitleggen dan ik in tien bladzijden doen kan … Groet hem hartelijk van mij en zeg hem, dat ik nog evenveel van hem houd als vroeger, toen ik mijn beenen nog had en we beiden als duivels in den kogelregen vochten!”
Er volgde een stilte—de pijnlijke stilte vóór het vertrek.
“Nu jongen, vaarwel! Geef me een zoen voor hem en voor jezelf; geef me een zoen, zooals de kleine Angiolo mij zooeven een zoen gegeven heeft … Ik ben zoo oud en zoo dicht bij den dood, dat je me zeker wel toestaan wilt je mijn jongen te noemen en je als een grootvader, die je den moed en den vrede en het geloof in het leven, dat alleen helpt om te leven, toewenscht, een zoen te geven.”
Pierre was zóó ontroerd, dat de tranen hem in de oogen kwamen, en toen hij den verpletterden held op beide wangen kuste, voelde hij, dat deze ook weende. Met een hand, die nog bijna zoo krachtig was als een schroef, hield hij hem nog een oogenblik bij zijn ziekenstoel, terwijl hij met de andere in een wijdsch gebaar een laatste maal naar Rome wees, dat in zijn rouw onder den aschgrauwen hemel lag. Zijn stem begon te beven en te fluisteren.
“En zweer mij, om Godswil, het ondanks alles lief te hebben, want onze stad is de wieg, is de moeder! Heb haar lief, om wat zij niet meer is, om wat zij wil zijn … Zeg niet, dat zij dood is, heb haar lief, heb haar lief, opdat zij eeuwig bestaan blijve!”
Zonder te kunnen antwoorden, omhelsde Pierre hem nogmaals, geheel van streek door zooveel hartstocht bij dezen grijsaard, die over zijn stad sprak zooals men op dertigjarigen leeftijd over een aangebeden vrouw spreekt. En hij vond hem met zijn oude-leeuwe-manen, in zijn hardnekkigen wensch naar een spoedige herleving zóó mooi, zóó verheven, dat nog eenmaal de andere groote grijsaard, kardinaal Boccanera, voor hem oprees. Ook deze volhardde halsstarrig in zijn geloof, gaf niets prijs van zijn droom, ook al liep hij gevaar daarmede door den instortenden hemel verpletterd te worden. Zij stonden nog steeds aan de beide uiteinden van hun stad tegenover elkaar; slechts hunne hooge gestalten beheerschten den horizont, wachtten op de toekomst.
Toen Pierre van Prada afscheid genomen had en weer in de Via Venti Settembre stond, haastte hij zich terug naar de Via Giulia, om zijn koffer te pakken. Al zijn bezoeken waren achter den rug, hij behoefde nog slechts afscheid te nemen van donna Serafina en van den kardinaal en hen te danken voor hun hartelijke gastvrijheid. Hem alleen zouden zij ontvangen, want, zoodra zij van de begrafenis teruggekomen waren, hadden zij zich in hun kamers opgesloten en voor iedereen belet gegeven. Van af het invallen van de schemering kon Pierre zich dus alleen wanen in het groote, donkere paleis, waarin slechts Victorine hem nog gezelschap zou houden. Toen hij den wensch te kennen gaf, met don Vigilio te soupeeren, zeide zij hem, dat ook de abbé zich in zijn kamer opgesloten had; en toen hij zelf aan diens kamer klopte, om hem tenminste voor de laatste maal de hand te drukken, kreeg hij zelfs geen antwoord. Hij vermoedde, dat de secretaris in een nieuwen aanval van koorts en wantrouwen, hem, uit vrees zich nog aan nog meer gevaar bloot te stellen, niet ontvangen wilde. Dus was nu alles geregeld; zij spraken af, dat Victorine, daar de trein eerst om 10.17 vertrekken zou, hem zijn avondeten, zooals gewoonlijk om acht uur, in zijn kamer brengen zou. Zelf bracht zij een lamp en wilde voor zijn linnengoed zorgen. Maar hij wilde volstrekt niet, dat zij hem hielp, en zij moest hem rustig zijn koffer laten pakken.
Hij had een klein kistje gekocht, want zijn handkoffertje was niet voldoende, om het linnengoed en kleeren te bevatten, die hij, toen zijn verblijf in Rome steeds langer duurde, uit Parijs had laten komen. Toch duurde het werk niet lang: spoedig waren de kast en de laden ledig, het kleine kistje en het handkoffertje vol en gesloten. Het was eerst zeven uur, zoodat hij nog een uur voor het avondeten moest wachten. Dan vielen zijn blikken, die de muren nog eens rondgingen, om te zien of hij niets vergeten had, op de oude schilderij, het doek van een onbekenden meester, dat hem gedurende zijn verblijf hier zoo dikwijls ontroerd had. Toevallig viel het volle lamplicht erop; en ook ditmaal trof het hem diep en dit des te meer, toen hij zich in dit laatste uur verbeeldde in deze tragische vrouwefiguur, die half naakt, in lompen bijna gekleed, op den drempel van het paleis, waaruit men haar weggejaagd had, in haar gevouwen handen zat te weenen, het symbool van zijn echec in Rome te zien. Was deze verworpelinge, die daar zoo snikte, van wie men niets wist, noch hoe haar gezicht er uitzag, noch vanwaar zij kwam, noch wat zij gedaan had, niet het beeld van alle nuttelooze pogingen, om de deur der waarheid te forceeren, van de vreeselijke hulpeloosheid, waarin de mensch vervalt, zoodra hij zich stoot tegen den muur, die het onbekende afsluit. Lang keek hij haar aan en opnieuw greep de smart hem aan, dat hij weg moest gaan, zonder haar door haar lokken overstroomd gezicht te kennen, dat—hij voelde het—schitterend van jeugd en verrukkelijk in haar geheimzinnigheid zijn moest. Hij meende haar te kennen, hij stond op het punt haar eindelijk geheel te begrijpen, toen er op de deur geklopt werd.
Tot zijn verbazing zag hij Narcisse Habert binnenkomen, die drie dagen geleden naar Florence vertrokken was, een van die uitstapjes, welke de jonge gezantschapsattaché gaarne maakte. Narcisse verontschuldigde zich dadelijk voor zijn onverwacht bezoek.
“Daar staat uw bagage, zie ik. Ja, ik weet, dat u vanavond vertrekt, en ik wilde u niet uit Rome laten gaan, zonder u nog eenmaal de hand te drukken … Wat een verschrikkelijke dingen zijn er gebeurd, sedert we elkaar het laatst gesproken hebben. Ik ben vanmiddag pas teruggekomen, zoodat ik niet bij de begrafenis kon zijn. Maar u begrijpt, hoe ik schrok, toen ik die twee verschrikkelijke sterfgevallen hoorde.”
Hij vroeg hem uit, want als een, die het donkere, legendarische Rome kende, vermoedde hij het een of ander duister drama. Maar hij drong niet al te zeer aan, want in den grond der zaak was hij veel te voorzichtig, om zich onnoodig met gevaarlijke geheimen te bezwaren. Hij geraakte echter in groote geestdrift over hetgeen de priester vertelde omtrent de twee gelieven, die, in den dood zoo bovenmenschelijk mooi, in elkaars armen te ruste waren gelegd. Ja, hij maakte er zich boos om, dat niemand er een schets van gemaakt had.
“Gij zelf hadt het moeten doen. Dat ge niet kunt teekenen, is geen verontschuldiging. U met uw naïveteit had er misschien een meesterwerk van gemaakt.”
En dan, kalmer wordend:
“Die arme contessina, die arme prins! Maar het komt er niet op aan, in dit land kan alles instorten, zij hebben de schoonheid bezeten, en de schoonheid blijft onverwoestbaar!”
Pierre werd door dit woord getroffen. Zij spraken nog lang over Italië, Rome, Napels en Florence. “O, Florence!” herhaalde Narcisse dwepend. Hij had een sigaret aangestoken en sprak op langzamen toon, terwijl hij zijn blikken door de kamer liet gaan.
“U hadt hier een mooie, rustige kamer. Ik was nog nooit op deze verdieping geweest.”
Zijn blikken bleven ronddwalen, tot zij vastgehouden werden door het oude doek, dat de lamp verlichtte. Toen knipte hij verbaasd met zijn oogen; dan stond hij plotseling op en ging ernaar toe.
“Wat is dat? Wat is dat? Dat is heel goed, dat is heel mooi!”
“Ja, vindt u niet?” vroeg Pierre. “Ik heb van die dingen weinig verstand, maar van den eersten dag af aan heeft dit mij getroffen en sedert heb ik er menigmaal met kloppend hart voor gestaan.”
Narcisse sprak niet meer, doch bekeek het doek van nabij met de zorgvuldigheid van een kenner, van een deskundige, wiens scherpe blik over de echtheid beslist en de waarde vaststelt. Een buitengewone vreugde teekende zich af op zijn blond, dwepend gezicht, terwijl zijn handen begonnen te beven.
“Het is een Botticelli, het is een Botticelli, er valt niet aan te twijfelen … Kijk die handen eens en die plooien in de kleeding. En de tint van het haar, de geheele opzet, de vlucht van de geheele compositie … Een Botticelli, lieve God, een Botticelli!”
Hij viel bijna in onmacht en zwijmelde weg in een bewondering, die grooter werd, naarmate hij verder in het zoo eenvoudige, maar ontroerende onderwerp doordrong. Was het niet heftig modern? De kunstenaar had onze geheele smartelijke eeuw, onzen angst voor het onzienlijke, onze wanhoop nooit de voor eeuwig gesloten deur van het mysterie te kunnen forceeren, voorzien. En welk een eeuwig symbool van de ellende der wereld was deze vrouw, wier gelaat men niet zag en die wanhopig snikte, zonder dat men haar tranen drogen kon. Een onbekende Botticelli, een Botticelli, die in geen enkelen catalogus voorkwam, welk een vondst!
“Wist u, dat het een Botticelli was?” vroeg hij aan Pierre.
“Waarachtig niet! Ik heb er don Vigilio eens naar gevraagd, maar hij scheen weinig waarde te hechten aan het doek. En Victorine, met wie ik er ook over gesproken heb, zeide, dat al die oude prullen niets dan stofnesten waren!”
“Wat, ze hebben in dit huis een Botticelli en zij weten het niet?” riep Narcisse verbaasd uit. “O, hoe proef ik mijn Romeinsche prinsen daar weer uit, die voor het meerendeel niet in staat zijn een meesterwerk te herkennen, als er geen etiquet op geplakt is … Een Botticelli, die ongetwijfeld een weinig geleden heeft, maar wanneer hij schoongemaakt is, een wonder zal blijken. Ik geloof, dat ik te laag schat, als ik zeg, dat een museum daarvoor …”
Plotseling zweeg hij; hij noemde het cijfer niet, maar voltooide zijn zin met een vaag gebaar. De avond verstreek en toen Victorine en Giacomo binnenkwamen, om de tafel te dekken, ging hij met zijn rug naar den Botticelli staan en sprak er geen woord meer over. Doch Pierre, wiens aandacht wakker geworden was, raadde wat er in hem om moest gaan, nu hij hem daar zoo koelbloedig staan en zijn malvekleurige oogen staalblauw worden zag. Hij wist heel goed, dat er onder dien engelachtigen jongeling, onder dien schijn-Florentijn een handige, in zaken zeer ervaren man stak, die zijn vermogen bewonderenswaardig bestuurde en, naar men zeide, zelfs eenigszins gierig was. Hij moest glimlachen, toen hij zag, hoe Narcisse voor de foei-leelijke Heilige Maagd, een slechte copie van een doek uit de achttiende eeuw, dat naast het meesterwerk hing, ging staan en zeide:
“Dat is heusch zoo slecht niet! Een vriend van me heeft me opgedragen een paar oude schilderijen voor hem te koopen … Zeg Victorine, geloof je, dat donna Serafina en de kardinaal, nu zij alleen zijn, graag een paar van die waardelooze doeken kwijt zouden zijn?”
De huishoudster hief haar beide armen op, als om te zeggen, dat men, wanneer het van haar afhing, alles kon meenemen.
“O, mijnheer, aan een koopman zouden ze niets geven om de praatjes, die dan dadelijk zouden loopen; maar ik weet bijna zeker, dat zij een vriend dat pleizier graag zouden doen. Het huishouden is duur; een beetje geld zou zeer welkom zijn.”
Vergeefs trachtte Pierre Narcisse over te halen bij hem te blijven soupeeren. De jonge man gaf zijn woord van eer, dat hij ergens anders verwacht werd. Hij was zelfs al te laat. En na den priester de hand gedrukt en hem hartelijk een goede reis gewenscht te hebben, ging hij heen.
Het sloeg acht uur. Zoodra hij alleen was, ging Pierre voor het kleine tafeltje zitten. Victorine zond Giacomo, die het vaatwerk en de schotels in een mand boven gebracht had, weg en bleef hem bedienen.
“Die lui hier maken met hun langzaamheid mijn bloed aan het koken,” zeide zij. “En bovendien vond ik het heerlijk u bij uw laatsten maaltijd te bedienen. Zooals u ziet, heb ik een Fransch dinertje voor u laten klaar maken, een tong au gratin en een gebraden kip.”
Hij werd door deze attentie zeer getroffen en was blijde deze landgenoote tot gezelschap te hebben, terwijl hij te midden van de groote stilte, die in het oude, donkere en verlaten paleis heerschte, at. Het was haar nog goed aan te zien, dat zij treurde om haar lieve contessina, hoewel de dagelijksche bezigheden, die haar geheel in beslag namen, haar reeds iets van haar gewone opgewektheid teruggegeven hadden. Zij praatte dan ook bijna vroolijk, terwijl zij de verschillende schotels voor hem neerzette.
“En te denken, mijnheer de abbé, dat u overmorgen al weer in Parijs bent. Ik voor mij heb net het gevoel, alsof ik gisteren Auneau pas verlaten heb! Het is een heerlijk land daar—vet, geel als goud, niet zooals die magere aarde hier, die naar zwavel ruikt! En de frissche, mooie wilgen langs de beek! En het boschje, waarin zooveel mos is. Die vindt je hier niet, hier hebben zij niets als blikken boomen onder hun zon, die het gras schroeit. In den eersten tijd zou ik, ik weet niet hoeveel gegeven hebben voor een fiksche regenbui, die al dat vuile stof eens weggejaagd had. Nou nog krijg ik een hartklopping, wanneer ik denk aan de heerlijke morgens bij ons, wanneer het den vorigen dag geregend heeft en het heele land er zoo vriendelijk en prettig uitziet, alsof het begon te lachen, na eerst gehuild te hebben … Neen, neen, ik zal me in dat verduivelde Rome nooit thuis voelen. Wat een menschen! Wat een land!”
“Maar wat houdt je hier nog terug, nu je jonge meesteres er niet meer is; waarom ga je niet met mij weg?”
Verbaasd keek zij hem aan.
“Ik met u weggaan, weer terug naar Frankrijk?… Neen, mijnheer de abbé, dat is onmogelijk. In de eerste plaats zou dat te ondankbaar zijn, want donna Serafina is aan mij gewend, en ik zou heel slecht handelen haar en Zijne Eminentie, nu zij verdriet hebben, te verlaten. En bovendien, wat zou ik ergens anders moeten doen? Mijn leven moet ik verder hier slijten.”
“Dus je zal Auneau nooit terugzien?”
“Neen, nooit, dat staat vast.”
“Maar vindt je het dan niet naar hier begraven te worden, te slapen in deze aarde, die naar zwavel ruikt?”
Zij begon hartelijk te lachen.
“O, wanneer ik dood ben, is het mij onverschillig waar ik ben … Om te slapen is het overal goed, mijnheer de abbé! Het is komiek, zooals de menschen het zich druk maken met wat er na den dood is. Er is heelemaal niets! De gedachte, dat het voor goed uit is en dat ik eens lekker zal uitrusten, is juist zoo’n geruststelling voor me. De goede God is dat ons, die zoo hard gewerkt hebben, wel verschuldigd. U weet, dat ik niet vroom ben, heelemaal niet! Maar dat heeft mij niet belet, om me fatsoenlijk te gedragen; zoo waar als u mij ziet, heb ik nooit een vrijer gehad! Wanneer je zoo iets op mijn leeftijd zegt, dan klinkt dat gek. Maar toch zeg ik het, omdat het de zuivere waarheid is.”
Zij bleef lachen als een brave vrouw, die “niets van de pastoors hebben moest” en geen zonde op haar geweten had. En weer verwonderde Pierre zich over dezen eenvoudigen levensmoed, over dit gezonde verstand bij deze zoo toegewijde huishoudster. Zij belichaamde voor hem het kleine, ongeloovige volk van Frankrijk, hen, die niet meer geloofden, die nooit meer gelooven zouden. O, zijn als zij, zijn plicht doen en gaan slapen voor den eeuwigen slaap in de vreugde zijn deel in het werk gedaan te hebben!
“Wil ik dan, wanneer ik ooit in Auneau kom, dat kleine boschje met mos voor je goeden dag zeggen, Victorine?”
“Graag, mijnheer de abbé. En zeg, dat ik er nog altijd aan denk.”
Toen Pierre klaar was, liet zij het overblijvende door Giacomo weghalen. Daar het pas half negen was, ried zij den priester aan nog rustig een uurtje in zijn kamer te blijven. Waarom zou hij te vroeg op het station koude gaan lijden? Om half tien zou zij een rijtuig laten komen, en zoodra het voor was, hem waarschuwen en de bagage beneden laten halen. Hij kon dus gerust zijn; hij behoefde zich nergens mede te bemoeien.
Toen zij weggegaan en Pierre alleen was, kreeg hij inderdaad een gevoel van leegte. Zijn bagage, zijn kist en zijn handkoffertje, stond op den grond in een hoek van de kamer. En hoe stom, hoe uitgestorven, hoe vreemd kwam die kamer hem reeds voor! Hem bleef niets over dan weg te gaan; hij was reeds weg: Rome om hem heen was niets meer dan een beeld—het beeld, dat hij in zijn herinnering zou medenemen. Een uur nog. Hoe eindeloos lang scheen het hem toe! Onder hem sliep het oude, donkere en verlaten paleis in de vernietiging van zijn stilte. Hij was gaan zitten en verzonk in een diep gepeins.
Zijn boek, Het Nieuwe Rome, rees voor hem op, zooals hij het geschreven had, zooals hij het was komen verdedigen. Hij herinnerde zich zijn eersten ochtend op den Janiculus, op den rand van het terras van San Pietro in Montorio, tegenover het Rome, waarnaar hij zoo verlangd had, dat zoo jong, zoo kinderlijk-zacht onder den wijden helderen hemel lag, als opgeheven in den frisschen ochtend. Daar had hij zich de beslissende vraag gesteld: kan het Katholicisme zich vernieuwen, terugkeeren tot den geest van het oorspronkelijke Christendom, de godsdienst der democratie zijn, het geloof, waarop de moderne, op haar grondvesten bevende, in doodsgevaar verkeerende wereld wachtte, om rustig verder te kunnen leven? Zijn hart klopte van geestdrift en hoop; nauwlijks hersteld van zijn nederlaag in Lourdes, was hij hier gekomen, om een tweede en laatste proef te nemen, om aan Rome een antwoord te vragen. En nu was de proef mislukt: hij kende het antwoord, dat Rome hem door zijn ruïnen, zijn monumenten, zijn bodem, zijn volk, zijn prelaten, zijn kardinalen, zijn paus gegeven had. Neen, het Katholicisme kon zich niet vernieuwen; neen, het kon niet terugkeeren tot den geest van het oorspronkelijke Christendom; neen, het kon niet de godsdienst der democratie zijn, het nieuwe geloof, dat de oude, ineenvallende, in doodsgevaar verkeerende maatschappij redden zou. Al scheen het ook van democratische afkomst te zijn, het was voortaan aan dezen Romeinschen bodem vastgenageld, koning ondanks zichzelf, genoodzaakt krampachtig vast te houden aan de wereldlijke macht, als het geen zelfmoord plegen wilde, gebonden door de traditie, geketend door het dogma, ontwikkelde zich slechts schijnbaar en was in werkelijkheid gedoemd tot zulk een onbeweeglijkheid, dat, achter de bronzen deur van het Vaticaan, het pausdom in zijn ononderbroken droom van de wereldheerschappij de gevangene, het spook van achttien eeuwen atavisme was. Daar, waar zijn door de liefde voor armen en lijdenden verwarmd priestergeloof een herleving van de Christelijke gemeenschap was komen zoeken, daar had hij den dood gevonden, het stof van een uitgeputte wereld, waaruit nooit meer iets anders zou kunnen opgroeien dan dit despotische pausdom, dat meester zijn wilde der lichamen, zooals het reeds meester was der zielen. Op zijn wanhoopskreet, die om een nieuwen godsdienst vroeg, had Rome geantwoord met de veroordeeling van zijn boek, als was het met ketterij bevlekt; en hij zelf had het in de bittere smart over zijn desillusie teruggenomen. Hij had gezien, hij had begrepen, alles was ingestort, en hij zelf, zijn ziel en zijn rede, lag onder de puinhoopen.
Pierre kreeg het benauwd. Hij stond op en zette het op den Tiber uitziende raam wijd open, om er een oogenblikje uit te leunen. Tegen den avond was het weer gaan regenen, maar nu was het weer droog. Het was zacht, klam, drukkend-loom. Aan den aschgrauwen hemel moest de maan reeds opgegaan zijn, want men voelde haar als het ware achter de wolken, die zij met een geel, dof, eindeloos triest schijnsel verlichtte. Onder dit schijnsel als van een donker nachtlichtje leek de horizont zwart en spookachtig: tegenover hem lag de Janiculus met de op elkaar gestapelde huizen van Trastevere; links stroomde in de richting van de onduidelijke helling van den Palatinus de Tiber; rechts teekende de alles overheerschende ronding van den dom der St. Pieter zich tegen den kleurloozen achtergrond af. Het Quirinaal kon hij niet zien, maar hij wist, dat het achter hem lag en stelde zich voor, hoe het in dezen zoo zwaarmoedigen en droomachtigen avond met zijn eindeloozen gevel een hoek van den hemel afsloot.
Hoe ten einde loopend zag dit door het duister half verteerde Rome eruit! Hoe verschilde het van het Rome der jeugd en der chimère, zooals hij het den eersten dag gezien en hartstochtelijk lief gehad had van af den top van den Janiculus, welks in donkerte badende massa hij thans nauwlijks onderscheiden kon. Een andere herinnering kwam in hem op: de herinnering aan de drie hoogste punten, de drie symbolische toppen, welke van af dien dag, voor hem de samenvatting geworden waren van Rome’s eeuwenoude geschiedenis: het oude, het pauselijke en het Italiaansche Rome. Maar al mocht ook de Palatinus dezelfde ontkroonde berg gebleven zijn, waarop zich niets verhief dan het spook van den voorvader, van Augustus, keizer en pontifex en wereldbeheerscher, met geheel andere oogen zag hij St. Pieter en het Quirinaal, die als het ware van plaats verwisseld waren. Aan het koningspaleis, dat hij toen als een quantité négligeable beschouwde en dat hem een platte en lage kazerne toescheen, aan den nieuwen regeeringsvorm, die toen op hem den indruk maakte van een heiligschennende poging tot moderniseering van een uitverkoren stad, kende hij thans, zooals hij tegen Orlando gezegd had, de voornaamste, steeds grooter wordende plaats toe aan den horizont, dien zij weldra in zijn geheel zouden innemen; de St. Pieter daarentegen, de dom, die hem triomphantelijk, hemelsblauw, als een de stad beheerschende, door niets aan het wankelen te brengen reuzenkoning toegeschenen was, kwam hem nu gescheurd en kleiner voor, als een van die reusachtige oudheden, welker massa’s dikwijls tengevolge van het heimelijke slijten, het niet opgemerkte afbrokkelen der getimmerten plotseling instorten.
Een dof gemurmel rees op uit den gezwollen Tiber en Pierre rilde bij den ijskouden ademtocht, die over zijn gezicht streek. Deze gedachte aan de drie toppen, aan den symbolischen driehoek, wekte in hem de herinnering aan het lange lijden van den grooten Zwijgende, van het volk der kleinen en der armen, om wier bezit de paus en de koning zoo lang gestreden hadden. Die strijd duurde reeds lang; van af den dag, dat bij de verdeeling van Augustus’ erfenis de keizer zich tevreden had moeten stellen met de lichamen, en de zielen aan den paus had moeten overlaten, die, van dat oogenblik af, geen andere begeerte gekend had dan deze wereldlijke macht te heroveren, waarvan men God in zijn persoon beroofde. De strijd had de middeleeuwen door grimmig en bloedig voortgeduurd, zonder dat Kerk en Rijk het eens hadden kunnen worden over den buit, die zij elkaar in lappen ontrukten. Eindelijk wilde de groote Zwijgende, de kwellingen en de ellende moede, spreken, schudde in den tijd der Hervorming het juk af en begon later in zijn woedende uitbarsting van 1789, de koningen van hun troon te stooten. En daarvan was, zooals Pierre in zijn boek geschreven had, het buitengewone lot van het pausdom uitgegaan, een nieuw geluk, dat den paus veroorloofde zijn eeuwenouden droom voort te zetten. De paus liet de van hun troon gestooten monarchen aan hun lot over en koos de zijde der ongelukkigen in de hoop het volk op die wijze te veroveren en dan voor goed in zijn bezit te hebben. Was het niet iets wonderbaarlijks dezen van zijn koningschap beroofden Leo XIII, die zich socialist noemen liet, die de kudde der onterfden om zich heen verzamelde, aan het hoofd van den vierden stand, aan wien de komende eeuw zou toebehooren, tegen de koningen te zien optrekken?
De eeuwige strijd om het bezit van dit volk duurde even verbitterd voort, en wel in Rome zelf, in de kleinst denkbare ruimte, want het Quirinaal lag tegenover het Vaticaan, en de koning en de paus konden van uit hun vensters elkaar zien, streden steeds aan wien het rijk zou toebehooren; voor hun blikken lagen de roode daken der oude stad, het geringe volk, waarom zij nog altijd twistten, zooals de valk en de sperwer elkaar de kleine vogels uit het bosch betwisten. En hierin lag, volgens Pierre, de oorzaak, dat het Katholicisme veroordeeld, tot een onvermijdelijken ondergang gedoemd was, omdat zijn wezen monarchistisch was, en wel in dien mate, dat het Apostolische en Roomsche pausdom geen afstand van de wereldlijke macht doen kon, wanneer het niet anders zijn en verdwijnen wilde. Vergeefs huichelde het een terugkeer tot het volk, vergeefs deed het, alsof het geheel ziel was—te midden van onze democratieën was geen plaats voor de volkomen en universeele souvereiniteit, die het van God gekregen had. Steeds weer zag hij den imperator in den pontifex te voorschijn komen, en dat in de allereerste plaats had zijn droom gedood, zijn boek vernietigd, de puinhoopen opgestapeld, waarvoor hij wanhopig, krachte- en moedeloos was blijven staan.
Dit onder den aschgrauwen hemel liggende Rome, welks gebouwen hoe langer hoe meer verdwenen, benauwde hem zoo, dat hij weer op zijn stoel neerviel. Nooit nog had hij zoo’n diepe troosteloosheid gevoeld; het was alsof zijn ziel stierf. Hij herinnerde zich welke beteekenis hij aan deze reis naar Rome, aan deze nieuwe proef na zijn noodlottige ondervindingen te Lourdes gehecht had. Hij was er niet het naïeve geloof van het kleine kind komen vragen, maar het hoogere geloof van den intellectueel, dat zich verheft boven riten en symbolen en werkt voor het hoogst mogelijke geluk der menschheid. Wanneer dat instortte, wanneer het Katholicisme niet de godsdienst, niet de zedelijke wet van het nieuwe volk zijn kon, wanneer de paus in Rome, met Rome niet de Vader, de ark des Verbonds, de geestelijke leider was, naar wien alles luisterde en aan wien alles gehoorzaamde, dan beteekende dat in zijn oogen de schipbreuk van de laatste hoop, het laatste kraken, waarin de tegenwoordige maatschappij onderging. Al de steigers van het Katholieke socialisme, die hem voor de versterkingen der oude Kerk zoo gelukkig en voordeelig toeschenen, zag hij nu ter aarde liggen, beschouwde hij thans streng als een eenvoudig overgangsmiddel, dat misschien nog eenige jaren het wankelende gebouw zou kunnen stutten; maar dat alles was slechts op een opzettelijk misverstand, op een handige leugen, op politiek en diplomatie gebouwd. Neen, neen, zijn rede kwam er tegen in verzet, dat het volk weer gewonnen en bedrogen, gevleid en dan weer geknecht zou worden! Het geheele stelsel was ontaard, gevaarlijk, tijdelijk, bestemd om tot de ergste catastrophes te leiden. Het was dus het einde: niets bleef overeind staan, de oude wereld moest verdwijnen in de vreeselijke, bloedige crisis, welker nadering de teekenen verkondigden. Bij het zien van dezen chaos voelde hij zijn ziel niet meer, want in deze, naar hij wist, beslissende proef had hij zijn geloof verloren; van te voren was hij overtuigd geweest, dat hij er versterkt of voor eeuwig verpletterd uit te voorschijn komen zou. De bliksem was ingeslagen. Groote God, wat moest hij nu doen?
Zijn angst snoerde zijn keel zoo toe, dat hij opstond en in de kamer op en neer begon te loopen, om wat kalmte te vinden. Groote God, wat moest hij beginnen, nu hij weer ten prooi was aan den vreeselijken twijfel, aan de smartelijke negatie, nu zijn soutane nog nooit zoo zwaar op zijn schouders gedrukt had als thans. Hij herinnerde zich den kreet, toen hij weigerde zich te onderwerpen en aan monsignor Nani zeide, dat zijn ziel niet berusten, dat zijn hoop op redding door liefde niet sterven kon, dat hij antwoorden zou met een nieuw boek, dat hij aangeven zou in welken nieuwen grond de nieuwe godsdienst groeien moest. Ja, een vlammend boek tegen Rome, waarin hij alles zou neerschrijven, wat hij gezien en gehoord had, een boek, waarin hij het ware Rome schilderen zou, het Rome zonder barmhartigheid, zonder liefde, het Rome, dat bezig was in zijn purper te sterven! Hij wilde naar Parijs terug, uit de Kerk treden, desnoods tot een schisma overgaan.
Welnu, zijn bagage stond daar, hij ging weg, hij zou zijn boek schrijven, zou de groote verwachte schismaticus zijn. O, kondigde niet alles het schisma aan? Scheen het te midden van de groote beweging der geesten, die de oude dogma’s moede waren, maar toch hongerden naar het goddelijke, niet nabij? Leo XIII besefte dat onbewust, want zijn geheele politiek, zijn streven naar de Christelijke eenheid, zijn liefde voor de democratie had geen ander doel dan de menschheid om het pausdom te scharen, dat te versterken en krachtig te maken, ten einde den paus in den komenden strijd onoverwinlijk te doen zijn. Maar de tijden waren gekomen, het Katholicisme zou weldra aan het einde van zijn politieke concessies zijn, niet meer in staat nog verder toe te geven, zonder erdoor te sterven. Het was als een oud hiëratisch beeld te Rome tot onbeweeglijkheid gedoemd, terwijl het zich elders, in de propagandalanden, waar het in strijd was met andere godsdiensten, ontwikkelen kon. Daarom was Rome tot ondergang gedoemd, te meer daar de afschaffing van de wereldlijke macht, die den geest aan het denkbeeld van een zuiver geestelijken paus gewend had, het opstaan van een tegenpaus, terwijl de opvolger van den Heiligen Petrus genoodzaakt zijn zou in zijn keizerlijke en Roomsche fictie te volharden, scheen te begunstigen. Een bisschop, een priester zou opstaan. Waar? Misschien daarginds in het vrije Amerika, onder de priesters, waaruit de noodzakelijkheid van den strijd om het bestaan overtuigde socialisten, vurige democraten gemaakt had, bereid met de komende eeuw voorwaarts te schrijden. En terwijl Rome niets van zijn verleden, van de mysteries en de dogma’s zou kunnen loslaten, zou deze priester van die dingen alles wat uit zichzelf in stof viel, kunnen prijsgeven. Die priester, die groote hervormer, die redder der moderne maatschappijen—welk een ontzaglijke droom! Het was de rol van den verwachten, door de wanhopige volkeren geëischten Messias!
Een oogenblik werd Pierre erdoor bedwelmd; een storm van hoop en triomf hief hem op en droeg hem voort. En wanneer het niet in Frankrijk, niet in Parijs zijn kon, dan zou het verder zijn, aan de andere zijde van den Oceaan, of nog verder, het kwam er niet op aan waar ter wereld, als het maar een land was, vruchtbaar genoeg, dat het nieuwe zaad in een overvloedigen oogst opwies. Een nieuwe godsdienst! Een nieuwe godsdienst! Zoo had hij reeds na Lourdes uitgeroepen. Een godsdienst, die niet vóór alles een zucht naar den dood was! Een godsdienst, die eindelijk het Koninkrijk Gods, waarvan het Evangelie spreekt, verwezenlijkt, die den rijkdom gelijkelijk verdeelt, die, met de wet van den arbeid, waarheid en gerechtigheid heerschen doet.
En in de koorts van dezen nieuwen droom zag Pierre reeds de bladzijden van zijn nieuw boek, waarin hij door de verkondiging der wet van het verjongde en bevrijdende Christendom het oude Rome geheel vernietigen zou, voor zich opvlammen, toen zijn blik viel op een voorwerp, dat op een stoel was blijven liggen. Eerst vond hij het vreemd het daar zoo te zien. Het was ook een boek, het deel van Théophile Morin, dat de oude Orlando hem opgedragen had aan den schrijver te overhandigen; hij werd eenigszins boos op zichzelf, toen hij het herkende, want hij had het, zoo zeide hij tot zichzelf, zeer goed daar kunnen vergeten. Voor hij zijn handkoffertje weer openmaakte, om het erin te leggen, hield hij het een oogenblik in zijn hand en bladerde het door; plotseling was hij van gedachte veranderd, alsof er eensklaps een buitengewone gebeurtenis, een van die feiten voorgevallen was, welke een wereld in oproer brengen. Toch was het een zeer eenvoudig werkje, het handboek voor het baccalaureaat, dat nauwlijks de beginselen van de wetenschappen bevatte; maar alle wetenschappen waren erin vertegenwoordigd, zoodat het vrij nauwkeurig den tegenwoordigen stand der menschelijke kennis resumeerde. In één woord, het was de wetenschap, die plotseling met de onweerstaanbare energie van een almachtige, souvereine kracht in Pierre’s gepeins binnendrong. Niet alleen het Katholicisme werd als het stof van puinhoopen weggeveegd, maar ook alle godsdienstige begrippen, alle hypothesen voor het goddelijke wankelden, stortten in.
Dit eenvoudige uittreksel, dit oneindig kleine schoolboekje, de begeerte tot weten, dit zich dagelijks uitbreidende, het geheele volk omvattende onderwijs was voldoende om de mysteries belachelijk te doen worden, om de dogma’s ineen te doen storten, om te maken, dat niets van het oude geloof overeind staan bleef. Een volk, dat gevoed is met wetenschap, dat niet meer gelooft aan mysteries en dogma’s, niet meer gelooft aan het compensatiestelsel van straffen en belooningen, is een volk, welks geloof voor eeuwig dood is; en zonder geloof kan het Katholicisme niet bestaan. Dat is de snede van het hakmes, het mes, dat valt en doorsnijdt. Al moge er een of twee eeuwen voor noodig zijn, de wetenschap zal ze nemen. Zij alleen is eeuwig. Het is een absurditeit, om te zeggen, dat de rede niet in strijd is met het geloof en dat de wetenschap de dienaresse van God is. Waar is, dat de Heilige Schrift van af dit oogenblik ten gronde gericht is, en dat men haar, om de brokstukken ervan te redden, heeft moeten aanpassen aan de nieuw-verkregen zekerheden, door zijn toevlucht te nemen tot symbolen. En welk een vreemde houding neemt de Kerk aan, als zij ieder, die een met de Heilige Boeken in strijd zijnde waarheid ontdekt, verbiedt zich op een besliste wijze uit te spreken, in de verwachting, dat deze waarheid eenmaal een dwaling zal blijken te zijn!
De paus alleen is onfeilbaar, de wetenschap feilbaar; men buit haar voortdurend tasten en zoeken tegen haar uit, men ligt op de loer, om haar ontdekkingen van heden in tegenspraak te brengen met die van gisteren. Wat bekommert een Katholiek zich om haar heiligschennende beweringen, om de zekerheden, waarmede zij het geloof aantast, daar het voor hem immers vaststaat, dat aan het einde der tijden wetenschap en geloof zich vereenigen zullen, en wel zoo, dat de eerste in den letterlijken zin des woords de slavin van het tweede geworden is? Was deze vrijwillige verblinding, deze zelfs het zonlicht loochenende houding niet iets wonderlijks? En het oneindig kleine werkje, het handboekje der waarheid zette zijn werk voort, door ondanks alles de dwaling te vernietigen en de toekomstige aarde op te bouwen, zooals de oneindig kleine deeltjes, de levenskrachten langzamerhand de continenten gebouwd hebben.
In het heldere licht, dat hem nu omgaf, voelde Pierre eindelijk vasten grond onder zijn voeten. Is de wetenschap ooit teruggedeinsd? Neen, het Katholicisme is onophoudelijk voor haar teruggeweken en zal genoodzaakt zijn altijd terug te wijken. Nooit staat zij stil, zij verovert stap voor stap de waarheid op de dwaling, en wanneer men zegt, dat zij bankroet slaat, omdat zij de wereld niet onmiddellijk verklaren kan, dan is dat onredelijk. Wanneer zij aan het mysterie een steeds kleiner wordend gebied laat en ongetwijfeld ook altijd laten zal, wanneer een hypothese altijd zal kunnen trachten van dat mysterie een verklaring te geven, dan is het daarom niet minder waar, dat zij ieder uur meer de oude hypothesen, de hypothesen, die door de veroverde waarheden ineenstorten, vernietigt en vernietigen zal. En het Katholicisme bevindt zich in dien toestand, zal dat morgen nog meer zijn dan heden. Evenals alle andere godsdiensten, is het in den grond der zaak niet meer dan een wereldverklaring, den hoogere sociale en politieke codex, die bestemd is den vrede en het grootst mogelijke geluk op aarde te doen heerschen. Deze codex, die de gezamenlijke dingen omvat, wordt daardoor menschelijk, sterfelijk, zooals alles wat menschelijk is. Men kan het niet afzonderlijk plaatsen door te zeggen, dat het aan de eene zijde door zichzelf bestaat, terwijl de wetenschap aan de andere existeert. De wetenschap is volkomen en zij heeft dat aan het Katholicisme zeer goed te verstaan gegeven en zal het te verstaan blijven geven door het te noodzaken de voortdurende bressen, die zij erin slaat, te herstellen. Het is belachelijk, wanneer men ziet hoe menschen de wetenschap een ondergeschikte rol willen aanwijzen, haar verbieden dit of dat terrein te betreden, haar voorspellen, dat zij niet verder komen zal, beweren, dat zij, nu reeds moede, aan het einde dezer eeuw afstand doen zal. O, gij kleine menschen, gij beperkte of slecht gebouwde hersenen, gij politici van uitvluchten, gij dogmatici in uw laatste stuiptrekkingen, gij, die maar steeds uw oude droomen verder droomen wilt, de wetenschap zal ze wegvagen en met zich voeren als droge bladeren!
Pierre bleef in het eenvoudige boekje bladeren en luisterde naar wat het hem vertelde van de souvereine wetenschap. Zij kan geen bankroet slaan, omdat zij het absolute niet belooft en slechts de geleidelijke verovering der waarheid is. Nooit heeft zij zich aangematigd in eens de geheele waarheid te geven, daar dat systeem juist het systeem is van de metaphysica, de openbaring en het geloof. De taak der wetenschap is echter slechts om, hoe verder zij voortschrijdt en licht verspreidt, de dwaling te vernietigen. En wel verre van bankroet te slaan blijft zij in haar voortschrijden, dat door niets tegengehouden kan worden voor evenwichtige en gezonde hersenen de eenig mogelijke waarheid. Zij, die door haar niet bevredigd worden, die een behoefte tot onmiddellijk en volkomen weten in zich voelen, kunnen nog altijd hun toevlucht nemen tot de een of andere godsdienstige hypothese, onder voorwaarde evenwel, dat zij, wanneer zij schijnbaar gelijk willen hebben, hun hersenschimmen slechts op overwonnen zekerheden bouwen. Alles wat gebouwd wordt op een bewezen dwaling, stort ineen.
Wanneer het religieuse gevoel bij den mensch voortleven blijft, wanneer de behoefte aan een godsdienst eeuwig blijft, dan volgt daar niet uit, dat het Katholicisme eeuwig is, want het is per slot van rekening niets dan een godsdienstvorm, die niet altijd bestaan heeft, waaraan andere godsdienstvormen vooraf gegaan zijn en die nog door andere gevolgd zullen worden. De godsdiensten kunnen verdwijnen, het godsdienstige gevoel zal er, zelfs met behulp van de wetenschap, nieuwe scheppen.
Pierre dacht aan dat zoogenaamde echec, dat de wetenschap geleden zou hebben tegenover de tegenwoordige herleving van het mysticisme, waarvan hij de oorzaken in zijn boek aangewezen had: in de eerste plaats het verval van de vrijheidsidee onder het volk, dat men bij de laatste deeling bedrogen heeft, in de tweede plaats het onbehaaglijke gevoel der elite, die wanhopig is over de leegte, waarin haar bevrijde rede, haar zich uitgebreid hebbend intellect haar achterlaten. Het is de angst voor het onbekende, die herleeft, maar het is ook na zooveel werk, een natuurlijke en tijdelijke reactie in het eerste oogenblik, waarin de wetenschap noch onze dorst naar gerechtigheid, noch ons verlangen naar waarheid, noch de eeuwenoude voorstelling, die wij ons in een voortleven en in een eeuwig genieten van het geluk maken, bevredigt. Om het Katholicisme weer te kunnen doen herleven, moet de sociale bodem veranderd worden, deze echter kan zich niet meer veranderen; hij bezit niet meer het noodige sap tot hernieuwing van een bouwvallige formule, die door de scholen en laboratoria dagelijks meer vernietigd wordt. De bodem heeft zich veranderd, een andere eik zal er op groeien. Laat de wetenschap dus haar godsdienst hebben, wanneer er een uit haar moet opschieten, want deze godsdienst zal weldra de eenige mogelijke zijn voor de democratie van morgen, voor de zich steeds meer ontwikkelende volkeren, bij wie het Katholieke geloof reeds nu niet meer dan asch is.
En plotseling kwam Pierre tot een conclusie, toen hij aan de onnoozelheid der Indexcongregatie dacht. Zij had zijn boek veroordeeld en zou zeker ook zijn nieuwe boek, waarvan hij het plan reeds in groote trekken ontworpen had, veroordeelen, als hij het ooit schreef. Een mooie taak voorwaar om arme boeken van een geestdriftigen dweper te veroordeelen. En dit kleine schoolboekje, dat hij hier in zijn hand had, den eenigen altijd gevaarlijken en triompheerenden vijand, die zeker de Kerk omverwerpen zou, waren zij zoo dwaas geweest niet op den Index te plaatsen! Al zag het er in zijn armzalig schoolboekjes-uiterlijk nog zoo bescheiden uit, het gevaar begon bij het alphabet, dat de kleine kinderen spelden, het werd steeds grooter naarmate het leerplan zich uitbreidde, het kwam tot uitbarsting met die resumé’s der natuurkundige wetenschappen, met de resultaten der physica en chemie, die de schepping van den God der Heilige Schrift al zeer twijfelachtig gemaakt hebben. Maar het ergste was, dat de reeds ontwapende Index deze bescheiden boekjes, deze vreeselijke soldaten der waarheid, deze vernietigers van het geloof, niet durfde onderdrukken. Welke waarde had dus al het geld, dat Leo XIII van den verborgen schat van den Pieterspenning nam, om het te geven aan de Katholieke scholen in de hoop daar de geloovige generatie van morgen, die het pausdom noodig had, om te overwinnen, te vormen? Welke waarde bezaten die kostbare giften, als zij slechts dienden, om die oneindig kleine boekjes, die men nooit genoeg zou kunnen zuiveren, die altijd te veel wetenschap zouden bevatten, welke eenmaal het Vaticaan en de St. Pieter in de lucht zouden doen vliegen, te koopen? O, wat een jammerlijke hoon was die idiote, niets beteekenende Index?
Toen Pierre het boek van Théophile Morin in zijn handkoffertje geborgen had, ging hij weer voor het raam staan en had daar een vreemd visioen. In den zoo zachten en triesten nacht hadden zich onder den bewolkten, door de roestkleurige maan geelgekleurden hemel zwevende nevels verheven, die de daken gedeeltelijk achter hun slepende, op lijkwaden gelijkende flarden bedekten. Geheele gebouwen waren van den horizont verdwenen. En hij stelde zich voor, dat de tijden in vervulling waren gegaan, dat de waarheid den dom der St. Pieter in de lucht had doen vliegen. Na honderd of duizend jaren zou hij daar ongetwijfeld ingestort met den grond gelijk liggen. Reeds had hij op den opwindenden dag, dat hij er een uur in doorgebracht had, gevoeld, dat hij onder hem wankelde en scheurde: met wanhoop in zijn hart had hij toen uit de hoogte naar het in zijn heerschersdroom volhardende, pauselijke Rome gekeken, en toen voorzien, dat deze tempel van den Katholieken God zou instorten, zooals de tempel van Juppiter Capitolinus ingestort was. En nu was het uit: de dom had den bodem met zijn puin bezaaid en niets was er meer van over dan een stuk van de apsis met vijf zuilen van het middenschip, die ieder nog een gedeelte van de bovenste muurlijst droegen. Met name echter stonden nog de vier zuilen van het kruis, die den dom gedragen hadden, de cyclopische zuilen, die zich eenzaam en trotsch tusschen het puin eromheen verhieven. Dichte nevels zweefden aan; nog duizend jaren zouden verloopen en dan was er niets meer over. Nu waren ook de apsis, de laatste zuilen, ook de kruiszuilen met den grond gelijk gemaakt. De wind had hun stof weggevoerd, men zou den bodem hebben moeten uitgraven, om tusschen distels en doornen enkele brokstukken van gebroken beelden, van marmeren platen met opschriften te vinden, over de beteekenis waarvan de geleerden het niet eens konden worden. Evenals vroeger op den Capitolinus tusschen het begraven puin van den tempel van Juppiter, klauterden geiten in de eenzaamheid, in de diepe, slechts door het zoemen der vliegen gestoorde stilte van drukkende zomermiddagen en voedden zich met struiken.
Toen eerst voelde Pierre hoe alles in hem ingestort was. Het was geheel uit, de wetenschap was overwinnares, er bleef niets van de oude wereld over. Waartoe diende het eigenlijk nog de schismaticus, de verwachte hervormer te zijn? Stond het eigenlijk niet gelijk met het opbouwen van een nieuwen droom? Slechts de eeuwige strijd der wetenschap tegen het onbekende, haar onderzoek, dat in de menschen de dorst naar het goddelijke steeds minder maakte, scheen hem nu van belang toe en maakte hem nieuwsgierig of zij eens zoo triompheeren zou, of zij eenmaal de menschheid door de bevrediging van al haar behoeften, voldoening schenken zou. In het bankroet van zijn apostelgeestdrift werd hij tegenover de ruïnen, die zijn geheele wezen, zijn dood geloof, zijn doode hoop, om het oude Katholicisme voor de sociale en moreele redding te gebruiken, bedekten, nog slechts staande gehouden door zijn rede. Een oogenblik had zij gewankeld. Dat hij zijn boek gedroomd, dat hij deze tweede en verschrikkelijke crisis doorgemaakt had, was een gevolg hiervan, dat zijn gevoel opnieuw de overwinning op zijn rede behaald had. Bij het zien van het lijden der ongelukkigen, in zijn onweerstaanbare begeerte om die te verlichten, ten einde daardoor de naderende bloedbaden te voorkomen, was zijn moeder in hem beginnen te weenen, en zijn behoefte aan naastenliefde had de bezwaren van zijn verstand het zwijgen opgelegd. Thans echter hoorde hij de stem van zijn vader, de hooge rede, de grimmige rede—de rede, die een oogenblik verduisterd kon worden, maar majestueus terugkeerde. Evenals na Lourdes, protesteerde hij tegen de verheerlijking van het absurde en het verval van het gezonde menschenverstand. Hij was de rede. Zij alleen deed hem rechtop en krachtig voortschrijden te midden van de puinhoopen van het oude geloof, zelfs te midden van de duisterheden en misgeboorten der wetenschap. O, de rede, hij leed slechts door haar, hij kon slechts vrede vinden door haar, hij zwoer haar, zijn eenige meesteres, steeds meer te bevredigen, ook al zou hij zijn geluk daarom op het spel zetten.
Wat zou hij doen? Het zou vergeefsche moeite zijn, als hij trachtte dit thans te weten te komen. Alles was nog zwevende; hij had de geheele wereld voor zich. Zij was nog versperd door de ruïnes van het verleden, die echter misschien morgen reeds uit den weg zouden zijn geruimd. Daar, in de treurige voorstad, zou hij den goeden abbé Rose terugvinden, die hem den vorigen dag nog geschreven had toch heel gauw terug te komen, om zijn armen te redden, lief te hebben en te verzorgen, daar dit uit de verte zoo schitterende Rome doof was voor barmhartigheid. En om den vreedzamen priester zou hij ook den voortdurend wassenden vloed der ongelukkigen terugvinden—de uit het nest gevallen, van honger bleeke, van koude bevende kleinen, die hij opraapte—de in ontzettenden nood verkeerende huishoudens, waar de vader drinkt, de moeder zich prostitueert, de zoons en dochters tot ontucht en misdaad vervallen—geheele huizen, waardoor de honger blies—de afzichtelijkste vuilheid, het schandelijkste samenhokken—geen meubelen, geen linnengoed—een dierlijk leven, dat bevrediging zoekt, waar het die vinden kan. Dan zouden weer de wintervorsten komen, de rampen van het sluiten der werkplaatsen, de tering, die als een rukwind de zwakken wegrukte, terwijl de sterken wraakgierig hun vuisten balden. Dan zou hij misschien op een avond een kamer binnentreden, waarin een moeder zich met haar vijf kleinen, haar jongst-geborene nog aan haar leege borst, de anderen verspreid over den kalen vloer, gedood zou hebben. Neen, neen, deze zwarte, tot zelfmoord leidende ellende te midden van het groote, met rijkdommen opgepropte, van genot dronken Parijs, dat voor zijn pleizier millioenen op straat wierp, was niet meer mogelijk. Het sociale gebouw was in zijn grondvesten verrot, alles stortte neer in modder en bloed. Nooit had hij zoozeer de belachelijke nutteloosheid van de barmhartigheid gevoeld. En plotseling werd hij zich bewust, dat het verwachte woord, het woord, dat eindelijk uit den mond van den grooten, eeuwenouden Zwijgende, van het verpletterde en geknevelde volk, opsteeg, het woord “Gerechtigheid” was. Ja, gerechtigheid, geen barmhartigheid. De barmhartigheid had slechts de ellende tot in het oneindige doen voortduren, de gerechtigheid zou deze misschien genezen. Naar gerechtigheid hongerden de ongelukkigen, een daad van gerechtigheid kon alleen de oude wereld wegvagen, om de nieuwe te kunnen opbouwen.
De groote Zwijgende zou noch aan het Vaticaan, noch aan het Quirinaal, noch aan den paus noch aan den koning toebehooren; in zijn langen, nu eens geheimen, dan weer open strijd door alle tijden heen had het slechts gegromd en zich tusschen den paus en den keizer, die het ieder voor zichzelf wilden, slechts verzet, om weer tot zichzelf te komen, om op den dag, dat het “gerechtigheid” schreeuwen zou, te kennen te geven, dat het aan niemand toebehooren wilde. Zou morgen misschien reeds die dag van gerechtigheid en waarheid aanbreken? In zijn angst, zwevende tusschen zijn behoefte aan het goddelijke, dat de menschen kwelt, en de opperheerschappij der rede, die hem helpt staande te blijven, was Pierre slechts van één ding zeker: hij wilde zijn eed houden, als priester zonder geloof over het geloof van anderen waken, kuisch en eerlijk zijn taak vervullen, vol trotsche droefheid, dat hij geen afstand had kunnen doen van zijn rede, zooals hij afstand gedaan had van zijn liefdeszinnelijkheid en van zijn droom de redder der menschheid te worden. En weer, evenals na Lourdes, wilde hij wachten.
Maar bij dit raam, tegenover dat in donkerte gedompelde Rome, waren zijn overpeinzingen zóó diep geworden, dat hij niet eens hoorde hoe een stem hem riep. Eerst toen een hand op zijn schouder gelegd werd, verstond hij:
“Mijnheer de abbé! Mijnheer de abbé …”
En toen hij zich eindelijk omkeerde, zeide Victorine tegen hem:
“Het is half tien, mijnheer de abbé. Het rijtuig staat voor. Giacomo heeft de bagage al beneden gebracht … U moet gaan, mijnheer de abbé!”
En toen zij zag, hoe hij nog verschrikt met zijn oogen knipte, glimlachte zij.
“Neemt u afscheid van Rome? Een leelijke lucht, niet?”
“Ja, heel leelijk,” zeide hij eenvoudig.
Toen gingen zij naar beneden. Hij gaf haar een biljet van honderd francs, om met het personeel te deelen. Zij nam de lamp en lichtte hem voor, omdat het, zooals zij zeide, dien avond zoo pikdonker in het paleis was.
O, dit vertrek, deze laatste gang door het zwarte en ledige paleis! Hoe werd Pierre erdoor van streek gebracht! Hij had een laatsten afscheidsblik door zijn kamer geworpen, den afscheidsblik, die hem steeds met wanhoop vervulde en een stuk van zijn ziel wegrukte, zelfs wanneer hij een vertrek verliet, waarin hij geleden had. Voor de kamer van don Vigilio, waaruit slechts een huiverende stilte kwam, stelde hij zich voor hoe deze het hoofd in het kussen drukte, zijn adem inhield, uit vrees, dat zijn adem nog spreken en hem de wraak van de Jezuïeten op den hals halen zou. Maar vooral op de portalen der tweede en eerste verdieping tegenover de gesloten deuren van donna Serafina en van den kardinaal, doorhuiverde een rilling hem, toen hij niets hoorde, zelfs geen zucht; het was, als liep hij langs graven.
Na hun terugkeer van de begrafenis hadden zij geen levensteeken meer gegeven; zij hadden zich opgesloten en daarmede het geheele huis tot onbeweeglijkheid gebracht, waarin men zelfs niet het fluisteren van een gesprek of het schuifelend sluipen van een bediende hoorde, Victorine liep nog steeds met de lamp in haar hand voor hem uit en Pierre volgde haar, steeds denkende aan deze twee, die alleen bleven in het in puin vallende paleis, de laatsten van een reeds half ingestorte, op den drempel van een nieuwe wereld staande wereld. Dario en Benedetta hadden alle levenshoop met zich mede genomen; nog slechts de oude ongetrouwde vrouw en de onvruchtbare priester waren er. Een herleving was niet meer mogelijk. O, deze eindelooze, luguber-donkere gangen, deze koude, reusachtige trap, die in het Niet scheen af te dalen, deze groote zalen, welker muren van armoede en verwaarloozing scheurden! En het op een kerkhof gelijkende binnenplein met zijn gras, zijn vochtige zuilengaanderij, waaronder de torso’s van Venus en Apollo wegrotten! En de kleine tuin, doorgeurd door de rijpe oranjeappelen, waarin niemand meer komen zou, nu men er onder den laurierboom bij den sarkophaag de aanbiddelijke contessina niet meer zou ontmoeten. Dat alles ging onder in den afschuwlijken rouw, in de doodsche stilte, waarin de twee laatste Boccanera’s in hun woeste grootschheid nog slechts behoefden te wachten, tot hun paleis, evenals hun God, op hun hoofden zou instorten. En Pierre hoorde niets anders dan een heel zacht geluid, het geritsel van een muis zeker of de tanden van een knaagdier, abbé Paparelli, die ergens in de afgelegen kamer bezig was den muur af te brokkelen, het oude huis van onderen af weg te knagen, om de instorting te verhaasten.
Het rijtuig met zijn twee lantaarns, waarvan de twee gele stralen door de donkerte der straat boorden, stond voor de deur. De bagage was er reeds ingezet: het kistje naast den koetsier, het handkoffertje op het bankje. En de priester stapte dadelijk in.
“O, u hebt tijd genoeg,” zeide Victorine, die op het trottoir was blijven staan. “U hebt alles; ik ben blij, dat u zoo op uw gemak vertrekken kunt.”
Het was een troost voor hem in deze laatste minuut deze landgenoote bij zich te hebben, deze goede ziel, die hem bij zijn aankomst begroet had en nu bij zijn vertrek hem uitgeleide deed.
“Ik zeg niet tot ziens, mijnheer de abbé, want ik geloof niet, dat u zoo gauw in deze verduivelde stad terug zult komen … Vaarwel, mijnheer de abbé!”
“Vaarwel, Victorine. En hartelijk, hartelijk dank.”
Reeds reed het rijtuig in vluggen draf weg en draaide door de nauwe en kronkelende straten, die naar den Corso Victor-Emanuele leidden. Het regende niet, de kap was niet opgeslagen; maar hoewel de vochtige lucht zacht was, kreeg de jonge priester het toch koud. Hij wilde echter geen tijd verliezen door den koetsier, ditmaal een, die geen woord zeide en slechts haast scheen te hebben om aan het station te komen, te laten ophouden.
Toen Pierre in den Corso Victor-Emanuele kwam, vond hij dezen tot zijn verbazing op het vroege uur al verlaten. De huizen waren gesloten, de trottoirs leeg, de electrische lampen brandden alleen in de melancholieke eenzaamheid. Het was inderdaad niet warm, de mist scheen dikker te worden en de gevels nog meer te omhullen. Toen hij langs de Cansellaria kwam, kreeg hij een gevoel alsof het strenge en reusachtige monument achteruitweek en als in een droom verdween. Verderweg, rechts, aan het einde van de door enkele lantaarns verlichte Via d’Aracoeli was het Kapitool in volkomen donkerte gedompeld. Dan werd de breede Corso smaller en reed het rijtuig tusschen de twee sombere massa’s van de donkere Il Gesù en den zwaren palazzo Altieri; en in deze nauwe gang, waarin zelfs op mooie zonnige dagen de geheele vochtigheid der oude tijden voelbaar was, gaf hij zich over aan een nieuw gepeins.