TIENDE HOOFDSTUK (continued 2)
Willem Jacob Aarland Roldanus translation
De seminaries der verschillende naties met hun dikwijls uit wandelen gaande leerlingen zouden voldoende geweest zijn alle straten te pavoiseeren: de Franschen geheel in het zwart, de Zuid-Amerikanen in het zwart met een blauwe sjerp, de Noord-Amerikanen in het zwart met een roode sjerp; de Polen in het zwart met een groene sjerp, de Grieken in het blauw, de Duitschers in het rood, de Romeinen in het lila en al de anderen in op honderden manieren geborduurde en omzoomde soutanes. Verder waren er nog de broederschappen, de boetepriesters met witte, zwarte, blauwe, grijze pijen of mantels. Zoo scheen het pauselijke Rome nog dikwijls te herleven; men voelde, dat het nog levend en taai was, dat het streed om in het hedendaagsche kosmopolitische Rome niet te verdwijnen.
Maar hoe Pierre ook van den eenen prelaat naar den anderen liep, hoe hij omging met priesters en kerken bezocht, hij kon zich aan dezen eeredienst, aan deze Romeinsche vroomheid, die hem verwonderde, wanneer zij hem niet wondde in het diepst van zijn ziel, niet wennen. Toen hij op een regenachtige Zondagochtend de S. Maria Maggiore binnenging, meende hij zich in een wachtkamer te bevinden, weliswaar van een ongehoorden rijkdom met haar zuilen en zoldering als van een tempel, met den weelderigen baldakijn van haar pauselijk altaar, met het schitterend marmer van zijn confessie en vooral met haar Borghesische kapel, waarin God echter niet scheen te wonen. In het middenschip was geen stoel of geen bank te zien; het was een voortdurend komen en gaan van geloovigen als in een station, terwijl zij met hun slijkschoenen den kostbaren mozaïekvloer nat maakten; mannen en vrouwen zaten vermoeid op de voetstukken van de zuilen, zooals men ze in het groote gedrang op perrons op de aankomst van treinen ziet wachten.
Voor deze in het voorbijgaan binnengekomen, rondloopende, voornamelijk uit kleine luiden bestaande menigte las een priester een stille mis, achter in een zijkapel, waarvoor zich een lange, smalle rij gevormd had, die denken deed aan de queue voor een schouwburgloket. Bij de elevatie bogen allen zich met een vroom gebaar, dan verstrooide zich de menigte, de mis was afgeloopen. Overal, zoowel in de S. Paolo als in de S. Giovanni di Laterano, zoowel in alle oude basilica’s als in de St. Pieter zelf was hetzelfde te zien: de menigte was gehaast, hield er niet van te zitten, bracht God, behalve op groote receptiedagen, slechts korte, familiare bezoeken. Slechts in de Jezuïetenkerk woonde hij op een anderen Zondagochtend een hoogmis bij, die hem denken deed aan de vrome menigten uit het Noorden: daar zag men banken en vrouwen, die zaten, daar heerschte een menschelijke warmte onder den luxe der met goud, beeldhouwwerk en schilderwerk overladen gewelven, die een wondermooi vaalrooden tint bezaten, sedert de tijd den barokken, al te fellen stijl wat verzacht had. Maar hoeveel ledige kerken waren er zelfs onder de oudste en eerwaardigste! In de S. Clemente, in de S. Agnese, in de S. Cuore di Gerusalemme zag men tijdens de godsdienstoefeningen slechts enkele menschen uit de buurt!
Vierhonderd kerken te vullen was zelfs voor Rome te veel; verscheidene waren er, die slechts op bepaalde feestdagen bezocht werden; vele openden haar deuren slechts éénmaal per jaar, op den naamdag van haar Heilige. Andere leefden van de gelukkige omstandigheid, dat zij een fetisch, een afgodsbeeld bezaten, dat het menschelijk lijden verzachtte: de Aracoeli had een kleinen wonderdoenden Jezus “Il Bambino”, die de zieke kinderen genas; de S. Agostino had een “Madonna del Parto”, de Maagd, die zwangeren gelukkig verloste. Andere waren beroemd om haar wijwater, de olie van haar lampen, de macht van een houten heilige of een marmeren madonna. Andere schenen verwaarloosd, werden alleen bezocht door touristen, overgeleverd aan den kleinhandel van kosters, deden denken aan musea, die door doode goden bevolkt zijn. Nog andere waren storend, zooals de in het Pantheon ondergebrachte Santa Maria Rolanda, een ronde zaal, die op een circus gelijkt, en waarin de Heilige Maagd blijkbaar de huurster van den Olympus is.
Ook had Pierre zich geïnteresseerd voor de kerken in de volkswijken: de S. Onofrio, de S. Cecilia, de S. Maria in Trastevere, zonder daarin echter het verwachte levende geloof, de gehoopte groote menigte te vinden. Op een middag hoorde hij in deze laatste, volkomen ledige kerk de zangers met een luide stem te midden van deze woestijn een litanie zingen. Toen hij een andermaal de S. Crisogono binnentrad, vond hij de kerk, blijkbaar voor een den volgenden dag plaats hebbend feest, geheel bekleed: de zuilen met overtrekken van rood damast, de portieken met afwisselend gele en blauwe, witte en roode draperieën en gordijnen. Hij vluchtte voor deze afschuwelijke decoratie, die denken deed aan het klatergoud van kermissen. O, wat was hij ver verwijderd van de kathedralen, waarin hij in zijn jeugd geloofd en gebeden had! Overal vond hij dezelfde kerk terug, de oude, antieke basilica, die door Bernini en zijn leerlingen pasklaar gemaakt was voor den smaak van het Rome der achttiende eeuw.
In de S. Luigi de’ Francesi, die een helderen, elegant-soberen stijl heeft, werd hij slechts ontroerd door de groote dooden, de heiligen en helden, die in vreemde aarde onder de vloertegels sliepen. Daar hij Gotiek zocht, ging hij ten slotte naar de Santa Maria sopra Minerva, die, naar men hem verteld had, het eenige staal van Gotische kunst te Rome was. Maar deze met marmer overdekte halfzuilen, deze spitsbogen, die zich niet durfden opheffen, verstikt als zij werden in de zoldering, die zich rondende, tot de zware majesteit van een dom veroordeelde gewelven, vormden voor hem een laatste teleurstelling. Neen, neen! Het geloof, waarvan de warme asch hier nog lag, was niet meer hetzelfde, welks gloed de geheele Christenheid tot in de verste uithoeken had doen branden. Monsignor Fornaro, dien hij toevallig bij het verlaten van de S. Maria sopra Minerva zag, schold tegen de Gotiek, die hij zuivere haeresie noemde. De eerste Christelijke kerk was de uit den tempel ontstane basilica; het was een godslastering, wanneer men de werkelijke, Christelijke kerk zag in de Gotische kathedraal, want de Gotiek was niets meer dan de vloekwaardige Angelsaksische geest, het oproerige genie van Luther.
Pierre wilde den prelaat een heftig antwoord geven; dan zweeg hij uit vrees te veel te zullen zeggen. Was het in werkelijkheid niet het beslissende bewijs, dat het Katholicisme de vrucht van den Romeinschen bodem zelf was, het door het Christendom gemetamorphoseerde heidendom? Elders heeft datzelfde Christendom zich in een geheel anderen geest ontwikkeld, zoodat het in opstand gekomen is en zich op den dag van het schisma tegen de moederstad gekeerd heeft. Die afscheiding nam steeds grootere uitbreiding aan en in de evolutie der nieuwe maatschappijen teekenen zich ondanks de wanhopige pogingen om eenheid te verkrijgen, de geschillen steeds duidelijker af, zoodat het schisma nogmaals onvermijdelijk en nabij schijnt. Pierre, het vroeger zoo vrome en sentimenteele kind, had nog een anderen wrok tegen de basilica’s: haar ontbraken de klokken, de mooie, groote klokken, die aan de nederigen zoo lief zijn. Voor klokken zijn klokkentorens noodig, en er zijn in Rome geen klokkentorens, slechts dommen. O, er viel niet aan te twijfelen, Rome was de luidklinkende en klokkenluidende stad van Jezus niet, waaruit het gebed in welluidende klankgolven tusschen de zwevende zwermen kraaien en zwaluwen hemelwaarts steeg.
Toch bleef Pierre, aangegrepen door een heimelijke geprikkeldheid, die hem in zijn verzet stijfde, zijn bezoeken voortzetten; hij hield de belofte, die hij bij zichzelf gedaan had, en ging, ondanks de wonden, die zijn ziel er door geslagen werden, naar alle kardinalen der Indexcongregatie. En langzamerhand kwam hij ook met andere congregaties in aanraking, met de ministeries van de vroegere pauselijke regeering, welke heden ten dage minder talrijk zijn, maar nog steeds een buitengewoon gecompliceerd raderwerk bezitten, die ieder een kardinaal tot voorzitter, kardinalen tot leden hebben, vergaderingen houden en een groote menigte ambtenaren in dienst hebben. Hij moest meermalen naar de Cancellaria gaan, waarin zich de Indexcongregatie bevindt, en verdwaalde daar in het reusachtige labyrinth van trappen, gangen en zalen; dadelijk bij de zuilengaanderij van het binnenplein greep hem de ijzige rilling der oude muren aan; hij kon dat paleis, het meesterwerk van Bramante, het zuivere type der Romeinsche Renaissance, dat een zoo kale en kille schoonheid bezat, niet liefhebben.
De congregatie der Propaganda, waar kardinaal Sarno hem ontvangen had, kende hij reeds en op zijn talrijke bezoeken, op die jacht naar invloedrijke beschermers, waarbij hij van den een naar den ander gezonden werd, leerde hij ook de congregatie der bisschoppen en ordegeestelijken, de riten- en de Conciliecongregatie kennen. Zelfs zag hij vluchtig de consistoriecongregatie, de Dateria, het Heilige Boetgericht. Het was het reusachtige mechanisme van de administratie der Kerk. De geheele wereld moet beheerscht, de veroveringen uitgebreid, de zaken der veroverde landen bestuurd, de geloofs-, zeden- en personenquaesties beoordeeld, delicten onderzocht en gestraft, dispensaties verleend en gunsten verkocht worden. Men kan zich het reusachtige aantal zaken, die iederen ochtend op het Vaticaan inkomen, niet voorstellen. Het zijn de ernstigste, teerste, ingewikkeldste vragen, welker oplossing tot tallooze onderzoekingen en studies aanleiding geeft. De groote menigte van uit alle deelen der Christenheid saamgestroomde en Rome verstoppende bezoekers, al die verzoekschriften, al die dossiers, welker vloed zich in alle bureaux verspreidde en opstapelde, moesten natuurlijk beantwoord worden.
Wonderbaarlijk was de groote stilte, waarin dat reusachtige werk verricht werd; geen geluid drong tot de straat door; uit de gerechtshoven, de parlementen, de fabrieken, waarin men heiligen maakte, weerklonk zelfs niet het sidderen van het werk, het mechanisme was zóó goed geolied, dat het ondanks het roest der eeuwen, de groote en onherstelbare afslijting, functionneerde, zonder dat men vermoedde, dat het daar achter die muren aan het werk was.
Lag hierin niet de geheele politiek der Kerk? Zwijgen, zoo weinig mogelijk schrijven, afwachten! Maar hoe wonderbaarlijk was dit zoo oude en toch nog zoo machtige mechanisme! En hoe was Pierre zich bewust, dat hij te midden van die congregaties gevangen was in het ijzeren net van de meest onbeperkte macht, die men ooit georganiseerd heeft om de menschheid te beheerschen!
Hij kon scheuren en gaten en een hoogen ouderdom, die op een naderend einde wees, constateeren, dat nam niet weg, dat hij zichzelf niet meer toebehoorde, sedert hij er zich in gewaagd had: hij werd gegrepen, gekneusd, meegetrokken in dit onontwarbare net, in dit eindelooze labyrinth van invloeden en intriges, van ijdelheden en omkooperijen, van corruptie en eerzucht, van ellende en grootheid. Hoe ver was hij van het Rome, dat hij gedroomd had! Welk een toorn maakte zich meermalen van hem meester in zijn moeheid en zijn begeerte om zich te verdedigen!
Plotseling ging voor Pierre een licht op omtrent de dingen, die hij tot nog toe nooit begrepen had. Op een dag, dat hij weer naar de Propaganda gegaan was, sprak kardinaal Sarno op een zoo koud-woedenden toon over de Vrijmetselarij, dat hij alles in een helder licht zag. Tot dusverre had hij moeten glimlachen om de Vrijmetselarij; hij geloofde er even weinig aan als aan de Jezuïeten, hij vond de belachelijke verhalen, die er de rondte over deden, kinderachtig, verwees die geheimzinnige mannen, die in het donker werkten en wier geheime, onberekenbare macht de wereld regeeren zou, naar het rijk der legenden. Vooral verwonderde hij zich over den blinden haat, die sommige menschen bijna krankzinnig maakte, zoodra het woord vrijmetselaar op hun lippen kwam; een prelaat, en dat nog wel een van de meest intelligenten en de meest ontwikkelden, had hem met den grootsten ernst verzekerd, dat iedere vrijmetselaarsloge minstens éénmaal per jaar gepresideerd werd door den duivel in hoogst eigen persoon. Een eenvoudig menschenverstand stond daarbij stil. Doch nu begreep hij de rivaliteit, den verwoeden strijd van de Roomsch-Katholieke Kerk tegen de andere, haar vijandige Kerk. De eerste mocht zich de overwinnaresse wanen, zij voelde toch in de andere een concurrente, een zeer oude vijandin, die zelfs beweerde nog ouder te zijn dan zij en wier overwinning altijd mogelijk bleef.
De botsing kwam voornamelijk voort uit het feit, dat de beide secten hetzelfde eerzuchtige streven naar de wereldheerschappij, dezelfde internationale organisatie, hetzelfde net, dat over de volkeren geworpen werd, mysteriën, dogma’s en riten bezaten. God tegen God, geloof tegen geloof, verovering tegen verovering. Op die wijze hinderden zij elkaar, zooals twee concurreerenden, aan beide kanten van een straat opgerichte magazijnen, en de een moest ten slotte de ander dooden. Maar al scheen het hem toe, alsof het Katholicisme wankelde en met ondergang bedreigd werd, toch bleef hij ook sceptisch gestemd ten opzichte van de macht der Vrijmetselarij. Hij had gevraagd en een onderzoek ingesteld, om zich rekenschap te geven van het werkelijk bestaan dezer macht in dit Rome, waar de beide hoogste machten tegenover elkander stonden, waar de grootmeester troonde tegenover den paus.
Men had hem wel verteld, dat de laatste Romeinsche prinsen zich genoodzaakt voelden vrijmetselaars te worden, om hun leven niet al te zwaar te maken, hun toch al moeilijke positie niet te verergeren, de toekomst van hun zoons niet te bederven. Maar gaven zij daarbij niet alleen toe aan de onweerstaanbare macht der hedendaagsche sociale evolutie? Zou de Vrijmetselarij ook niet ondergaan in haar eigen triomf, den triomf der denkbeelden van gerechtigheid, waarheid en rede, die zij zoo lang te midden van de duisternis en de gewelddaden der geschiedenis verdedigd had? Het was een vaststaand feit, dat de zege van een idee de secte, die haar propageert, doodt en het apparaat, waarmede zij zich omgeven heeft, om de phantasie te treffen, nutteloos en eenigszins wonderlijk maakt. Het carbonarisme heeft de verovering der politieke vrijheden, die het eischte, niet kunnen overleven, en den dag, waarop de Katholieke Kerk, na haar beschavingswerk volbracht te hebben, ineenstort, zal óók de andere Kerk, de Vrijmetselaarskerk verdwijnen, daar haar bevrijdingstaak dan afgeloopen is. Thans zou de beroemde almacht der loges een armzalig, eveneens door tradities belemmerd, door een belachelijk ceremonieel bedorven veroveringswerktuig zijn, niets meer dan een band van onderlinge verstandhouding en hulpverleening, indien de sterke adem der wetenschap de volkeren niet wegrukte en medehielp aan de vernietiging van verouderde godsdiensten.
Uitgeput door zooveel bezoeken en noodelooze stappen, kreeg Pierre, niettegenstaande hij als de soldaat van een hoop, die niet aan de nederlaag gelooven wil, hardnekkig erbij bleef Rome niet te verlaten zonder tot het einde toe gestreden te hebben, weer angst. Hij had alle kardinalen bezocht, wier invloed hem van eenig nut kon zijn. Hij had den vicaris-generaal bezocht, die het diocees Rome bestuurde, een ontwikkeld man, die met hem over Horatius gesproken had, een politiek warhoofd, dat hem gevraagd had naar Frankrijk, naar de Republiek, naar de oorlogs- en marinebudgetten, zonder zich in het minst te bekommeren over het vervolgde boek. Hij had den groot-penitentiarius bezocht, den kardinaal, dien hij eenmaal vluchtig in den palazzo Boccanera gezien had, een mageren ouden man met een uitgeteerd ascetengezicht, van wien hij een lang verwijt en strenge woorden tegen de jonge priesters, die, door den geest der eeuw bedorven, vloekwaardige boeken schreven, te hooren kreeg. Ten slotte had hij in het Vaticaan den kardinaal-secretaris bezocht, in zekeren zin den minister van Buitenlandsche Zaken van Zijne Heiligheid, de groote macht van den Heiligen Stoel, van wien men hem tot dusverre verwijderd gehouden had door hem bang te maken voor de gevolgen van een ongelukkig uitvallend bezoek.
Hij had zich verontschuldigd, dat hij zich nu eerst tot hem wendde, en den beminlijksten man tegenover zich gevonden, die door een diplomatieke welwillendheid zijn eenigszins ruw uiterlijk optreden verzachtte, hem verzocht te gaan zitten, hem belangstellend uitvroeg, naar hem luisterde, hem moed insprak zelfs. Maar toen hij weer op het Sint Pietersplein stond, had hij heel goed begrepen, dat zijn zaak geen stap verder was gekomen en dat, wanneer het hem nog eens gelukken zou de deur van den paus te forceeren, dit zeker niet door toedoen van den kardinaal-secretaris geschieden zou. Dien avond keerde hij overspannen en overprikkeld, gebroken door de vele bezoeken aan zooveel menschen, naar de Via Giulia terug, zóó wanhopig, dat hij zich langzamerhand heelemaal door die machine met haar honderden raderen meegesleept voelde worden, dat hij zich met schrik afvroeg, wat hij den volgenden dag moest doen, daar hem niets meer overbleef dan gek te worden.
Toevallig ontmoette hij don Vigilio in een gang; hij wilde hem even raadplegen, nog een goeden raad van hem vragen. Maar deze legde hem met een ongerust gebaar, zonder dat hij wist waarom, het zwijgen op. Hij had weer zijn gewone angstoogen en fluisterde hem in:
“Hebt u monsignor Nani gesproken? Neen?… Ga dan naar hem toe, ga dan naar hem toe, ik zeg u nogmaals, dat u niets anders te doen hebt.”
Hij gaf toe. Waarom nog te weigeren? Afgezien van den hartstocht van vurige naastenliefde, die hem tot verdediging van zijn boek hierheen gevoerd had, was hij toch ook voor proefnemingen te Rome. Hij moest tot het einde toe volharden.
Den volgenden ochtend bevond hij zich te vroeg onder de zuilengang van de St. Pieter en moest dus vrij lang wachten. Nog nooit had hij de ontzaglijkheid van deze vier zuilenrijen, van dit woud van gigantische steenen stammen, waarin echter niemand wandelt, zoo sterk gevoeld. Het is een indrukwekkende, sombere woestijn. Men vraagt zich af waartoe een zoo majestueuse zuilengaanderij dient. Ongetwijfeld slechts voor de majesteit alleen, voor de pracht der decoratie; en ook daarin ligt weer Rome. Dan ging hij door de Via del S. Offizio en kwam bij den achter de sacristie gelegen palazzo del S. Offizio. Het is een eenzame wijk, welker stilte slechts zelden gestoord wordt door den stap van een voetganger of het rollen van een wagen. De zon, die haar schuine stralen op het wit geworden plaveisel werpt, is het eenige levende hier. Men ruikt er de nabijheid van de basilica, den geur van den wierook, den kloostervrede in den sluimer der eeuwen. Op een hoek staat de palazzo del S. Offizio drukkend en angstaanjagend kaal: een hooge, gele gevel, die slechts door een enkele rij ramen verbroken wordt, terwijl de andere gevel, die op het zijstraatje uitziet, met zijn kleine vensters—kijkgaatjes met bijna ondoorzichtige raampjes, er nog verdachter uitziet. Deze geweldige, modderkleurige, naar buiten bijna vensterlooze en als een gevangenis afgesloten een geheimzinnige kubus van metselwerk, schijnt in het verblindende zonlicht te slapen.
Een rilling, waarom hij dadelijk glimlachte als om een kinderachtigheid, doorhuiverde hem. De heilige, Romeinsche, algemeene Inquisitie, de heilige Congregatie van den S. Offizio, zooals men haar thans noemde, was niet meer die, waarvan de legende vertelt, de leverancier van brandstapels, het geheime gerecht, waartegen geen hooger beroep bestaat, dat recht had over de geheele menschheid de doodstraf uit te spreken. Toch bewaarde zij nog steeds het geheim van haar taak, kwam zij iederen Woensdag bijeen, oordeelde en veroordeelde, zonder dat er iets naar buiten van doordrong. Maar ook al bleef zij doorgaan de misdaad der haeresie te straffen, ook al bepaalde zij zich er niet alleen toe werken, maar ook menschen te treffen, toch bezat zij geen wapenen meer, geen kerker, geen zwaard en vuur; zij was beperkt tot protesteeren en kon zelfs den haren, den geestelijken, niets anders dan disciplinaire straffen opleggen.
Toen hij in den salon van monsignor Nani, die in zijn qualiteit van assessor in dit paleis woonde, gelaten werd, voelde Pierre een blijde verrassing. Het was een groot, op het Zuiden gelegen, door een vroolijk zonlicht overstroomd vertrek: er heerschte ondanks de stijve meubelen en de donkere kleur van het behang een heerlijke zachtheid, als had er een vrouw geleefd, die het wonder verrichtte iets van haar bekoorlijkheid in al die strenge dingen te leggen. Er waren geen bloemen en toch rook het er heerlijk.
Monsignor Nani met zijn blozend gezicht, de blauwe, levendige oogen en zijn blond, eenigszins grijzend haar, kwam hem met uitgestoken handen en glimlachend tegemoet.
“O mijn waarde zoon, hoe aardig van u, om me te komen opzoeken … Ga zitten en laten we als twee vrienden praten.”
En onmiddellijk begon hij met blijkbaar groote belangstelling te vragen:
“En hoe staat het met uw zaak? Vertel me eens precies wat u gedaan hebt!”
En Pierre, ondanks de vertrouwelijke mededeeling van don Vigilio getroffen door de sympathie, die hij meende te voelen, biechtte alles zonder iets weg te laten. Hij vertelde van zijn bezoeken aan kardinaal Sarno, aan monsignor Fornaro, aan pater Dangelis, zijn stappen bij de invloedrijke kardinalen, bij alle kardinalen van den Index, bij den groot-penitentiarius, den kardinaal-vicaris en den kardinaal-secretaris, weidde uit over zijn eindelooze tochten van den een tot den ander door den geheelen clerus van Rome, door alle congregaties, door dezen reusachtigen, drukken en stillen bijenkorf, waardoor zijn beenen moede, zijn ledematen gebroken, zijn hersens stomp geworden waren.
Maar Monsignor, die met verrukking naar hem scheen te luisteren, riep bij iedere lijdensstatie van dezen calvariënberg:
“Maar dat is prachtig, het kan niet mooier. Uw zaak marcheert uitstekend. Wondermooi staat zij ervoor!”
Hij jubelde, zonder eenige ongepaste ironie te doen blijken. Slechts zijn doordringende blik doorboorde den jongen priester, om te zien of hij hem eindelijk tot dat punt van gehoorzaamheid gebracht had, waarop hij hem wilde hebben. Was hij moe genoeg, had hij genoeg teleurstellingen ondervonden, wist hij voldoende hoe de toestanden in werkelijkheid waren, om tot de slotacte te kunnen overgaan? Waren drie maanden te Rome voldoende geweest, om van den overdreven dweper van de eerste dagen iemand te maken, die zijn verstand gebruikte of ten minste zich bij het onvermijdelijke neerlegde?
Plotseling vroeg monsignor Nani hem:
“Maar gij spreekt in het geheel niet over Zijne Eminentie, kardinaal Sanguinetti.”
“Zijne Eminentie is naar Frascati, ik heb hem niet kunnen spreken.”
Dan hief de prelaat, alsof hij met het heimelijke genot van een diplomaat de ontknooping nog wat uit wilde stellen, zijn kleine, mollige handen naar den hemel op op de ongeruste manier van iemand, die alles verloren waant, en riep uit:
“O, maar ge moet Zijne Eminentie spreken, ge moet Zijne Eminentie spreken. Dat is absoluut noodzakelijk. Bedenk toch eens, de praefect der Congregatie! Wij zullen niet kunnen handelen voor na uw bezoek, want u hebt niemand gesproken, als u hem niet gesproken hebt … Ga naar Frascati, mijn zoon.”
Pierre kon niet anders dan den raad opvolgen.
“Ik zal gaan, monsignor.”