ACHTSTE HOOFDSTUK (continued 2)
Willem Jacob Aarland Roldanus translation
Vóór alles echter beeldde Pierre zich in, dat Leo XIII, de witte schim daar boven, ten slotte de geheele overige stad vergat, om zijn droomenden blik op den Palatinus te richten, die nu ontkroond is en nog slechts zijn zwarte cypressen in den blauwen hemel opricht. Ongetwijfeld bouwde hij in gedachten de paleizen der Caesars weer op, en voor zijn blik verrezen dan hooge, geheel roode, met het purper bekleede schimmen op, zijn voorvaderen, de keizers en de pontifices, die hem alleen konden zeggen, hoe men als onbeperkt heerscher der wereld, over de wereld regeeren kon. Dan gingen zijn blikken naar den Quirinalis en bleven daar uren lang rusten in de aanschouwing van het koningschap tegenover hem. Welk een zonderling toeval, dat deze beide paleizen, het Quirinaal en het Vaticaan, elkaar aankijken, dat zij naast elkander boven het Rome der Middeleeuwen en der Renaissance uitsteken, welks door de gloeiende zon verbrande en vergulde daken aan den oever van den Tiber zich ophoopen en samenvloeien. Met een eenvoudigen verrekijker kunnen de paus en de koning, wanneer zij voor hun ramen gaan staan, elkander duidelijk zien. Zij zijn niets dan onbeteekenende, in de grenzenlooze ruimte verloren gaande punten; en welk een afgrond ligt er tusschen hen, hoeveel eeuwen van geschiedenis, hoeveel generaties, die gestreden en geleden hebben, hoeveel doode grootheid, hoeveel zaad voor de geheimzinnige toekomst! Zij zien elkaar en strijden nog steeds om het volk, dat voor hun oogen op- en neergolft. Wien zal de onbeperkte macht ten deel vallen, den pontifex, den herder der zielen, of den monarch, den meester der lichamen?
Pierre vroeg zich af aan welke overpeinzingen, aan welke droomerijen Leo XIII zich over zou geven achter die ramen, waar hij nog altijd zijn bleeke, spookachtige schim meende te zien. Bij het zien van het nieuwe Rome, van de oude, gesloopte wijken, van de door een ongeluksstorm met den grond gelijk gemaakte stadsdeelen, moest hij zich ongetwijfeld verheugen over de reusachtige mislukking der Italiaansche regeering. Men had hem zijn stad ontstolen, men had hem als het ware willen laten zien, hoe men een groote hoofdstad in het leven roept, en dat was uitgeloopen op die catastrophe, op zooveel leelijke, nuttelooze bouwwerken, die men niet eens wist hoe af te maken. Het kon niet anders of hij moest zich verheugen in die vreeselijke ongelegenheden, waarin het usurpatorische gezag geraakt was, in de politieke, in de financieele crisis, in de steeds verder om zich heen grijpende nationale malaise, waarin dat gezag binnen niet al te langen tijd ten gronde dreigde te gaan; en toch, sloeg ook niet in zijn borst het hart van een patriot, was ook niet hij een liefhebbende zoon van dat Italië, welks genie en eeuwenoude eerzucht ook in zijn aderen stroomde? O neen, niets tegen Italië; integendeel, alles wilde hij doen, om te bewerken, dat het weer de wereldbeheerscher werd! Ongetwijfeld steeg te midden van zijn blijde hoop een smartelijk gevoel in hem op, wanneer hij zag hoe Rome ten gronde gericht, met een bankroet bedreigd werd, hoe het als het ware zijn onmacht in het openbaar ten toon stelde. Maar wanneer de dynastie van Savoye eens mocht worden weggevaagd, was hij er dan niet, om haar te vervangen en eindelijk weer in het bezit te treden van zijn stad, die hij sedert vijftien jaar slechts uit zijn venster zag, overgeleverd aan sloopers en metselaars? Dan werd hij weer de meester, regeerde hij over de wereld, troonde hij in de gepraedestineerde stad, waaraan de propheten de eeuwigheid en de wereldheerschappij toegezegd hadden.
De horizont breidde zich uit en Pierre vroeg zich af wat Leo XIII wel aan gene zijde van Rome, aan gene zijde van de Campagna Romana, aan gene zijde van de Sabijnsche en Albaansche bergen, in de geheele Christenheid zag. Sedert achttien jaar had hij zich in zijn Vaticaan opgesloten, zag hij de wereld slechts door de ramen van zijn kamer. Wat aanschouwde hij van daarboven, welke waarheden en welke zekerheden drongen uit onze moderne maatschappijen tot hem door? Dikwijls toch moest van de hoogten van den Viminalis, waar het station lag, het langgerekte gefluit der locomotieven in zijn ooren klinken: dat was onze wetenschappelijke beschaving, de toenadering der volkeren, de vrije menschheid, die de toekomst tegemoet ging. Droomde hij zelf van vrijheid, wanneer hij zijn blik naar rechts wendde en daar in de verte, aan gene zijde van de graven aan de Via Appia, de zee vermoedde? Had hij ooit den wensch in zich voelen opkomen weg te gaan, Rome en zijn verleden te verlaten, om elders het pausdom der nieuwe democratieën te stichten?
Men beweerde, dat hij zulk een scherpen, doordringenden blik had; dan had hij moeten begrijpen, dan had hij moeten beven, wanneer uit zekere strijdlustige landen een ver geluid tot hem doordrong—uit Amerika bijvoorbeeld, waar revolutionnaire bisschoppen op het punt stonden het volk te veroveren. Werkten zij voor hem of voor zichzelf? Was een breuk niet onvermijdelijk, wanneer hij hen niet volgen kon, wanneer hij, aan alle kanten door het dogma en de traditie gebonden, zich hardnekkig in zijn Vaticaan bleef opsluiten? Van uit de verte woei een dreigende, het schisma voorspellende wind, streek hem over zijn gelaat en vervulde zijn hart met steeds grooter wordenden angst. Om die reden waarschijnlijk was hij de verzoeningsdiplomaat geworden, die alle verspreide krachten der Kerk in zijn hand verzamelen wilde, die zijn oogen sloot voor de vermetelheid van sommige bisschoppen, voor zoover dat ten minste mogelijk was, die zelf het volk trachtte te veroveren, door zich aan zijn zijde tegen de gevallen monarchen te verklaren. Maar zou hij ooit verder gaan? Was hij niet ingemetseld achter de bronzen deur van het Vaticaan, in de strenge Katholieke formule, waaraan de eeuwen hem vastketenden? Hij moest daar blijven, het zou hem onmogelijk zijn zich tot zijn werkelijke almacht, tot die zuiver geestelijke macht, tot die moreele autoriteit van het hiernamaals te beperken, die de menschheid aan zijn voeten bracht, die bewerkte, dat de pelgrims neerknielden en vrouwen in onmacht vielen. Rome opgeven, afstand doen van de wereldlijke macht zou gelijk staan met het middelpunt der Katholieke wereld te veranderen. Dan zou de paus de paus niet meer zijn, niet meer het hoofd van het Katholicisme, maar een ander, het hoofd van iets anders. Welke onrustige gedachten moesten, terwijl hij daar aan het raam stond, door zijn brein gaan, wanneer de avondwind menigmaal het onduidelijke beeld van dien andere, de vrees voor den nieuwen, nog onbestemden godsdienst met zich bracht, die zich voorbereidde in het doffe stappen der voorwaarts marcheerende naties!
Maar op dat oogenblik voelde Pierre, dat de witte, roerlooze schim achter de ramen staande gehouden werd door den trots, door de voortdurende zekerheid, dat hij zou overwinnen. Wanneer menschenhanden daartoe niet in staat zouden zijn, dan zou het wonder tusschenbeide treden. Hij had de vaste overtuiging, dat hij weer in het bezit zou komen van Rome; en zoo niet hij, dan zijn opvolger. Had de Kerk in haar onbedwingbare levenskracht en levensenergie niet de eeuwigheid voor zich? Trouwens, waarom zou hij zelf niet in het bezit van Rome komen? Vermocht God zelfs niet het onmogelijke? Morgen, als God het wilde, zou ondanks alle menschelijke redeneeringen, ondanks alle schijnbare logica der feiten, zijn stad hem door de een of andere plotselinge wending in de geschiedenis teruggegeven worden. O, welk een feestelijke ontvangst zou hij de verloren dochter, wier dubbelzinnige avonturen hij met zijn door tranen vochtige vaderoogen steeds gevolgd had, bereiden! Hoe gauw zou hij de uitspattingen vergeten, waarvan hij achttien jaar lang op alle uren en in alle jaargetijden getuige geweest was! Misschien peinsde hij, over wat hij doen zou met die nieuwe wijken, waarmede men haar bezoedeld had: zou hij ze sloopen of zou hij ze daar laten staan als een getuigenis van den waanzin der overweldigers? Zij zou weer de verheven en doode stad worden, die een souvereine minachting had voor alle ijdele zorgen van zindelijkheid en materieel welzijn, die als een reine ziel in den overgeleverden roem der vervlogen eeuwen over de wereld stralen zou.
En hij peinsde verder, hij stelde zich voor hoe alles, ongetwijfeld reeds morgen, in zijn werk zou gaan. Alles was beter dan het Huis van Savoye, zelfs een republiek. Waarom niet een federatieve republiek, die Italië volgens de oude, nu afgeschafte, politieke indeeling verbrokkelen, hem Rome teruggeven, hem tot den beschermer van den op die wijze herstelden staat kiezen zou? Dan strekte zijn blik zich verder dan Rome, verder dan Italië uit; zijn droom breidde zich uit, steeds verder uit, omvatte het republikeinsche Frankrijk, Spanje, dat het weer worden kon, ja, zelfs Oostenrijk, dat eenmaal gewonnen zou worden—al de Katholieke naties, die dan de Vereenigde Staten van Europa worden en onder het hooge voorzitterschap van den Pontifex Maximus vreedzaam en in broederschap leven zouden. En dan de hoogste triomf, wanneer ten slotte alle andere Kerken verdwijnen, alle andersdenkende volkeren tot hem komen zouden als tot den eenigen herder, wanneer Jezus in zijn persoon over de universeele democratie regeeren zou.
Plotseling werd Pierre in zijn droom, dien hij aan Leo XIII toeschreef, gestoord.
“Mijn waarde abbé, kijk toch eens naar den toon van de standbeelden op de zuilengaanderij,” zeide Narcisse.
Hij had zich een kop koffie laten brengen en rookte, zich weer geheel overgevend aan zijn geraffineerde aesthetica, langzaam een sigaret
“Zij zijn rose, niet waar? Een rose, dat langzaam overgaat in mauve, alsof het blauwe bloed der engelen in hun steenen aderen vloeide … Het is de zon van Rome, die hun dat bovenaardsche leven verleent, want zij leven, ik heb gezien hoe ze op sommige mooie avonden tegen me glimlachten en de armen naar mij uitstrekten … Ach, Rome, het wonderbare en verrukkelijke Rome! Men zou hier arm als Job willen leven in de bestendige vreugde zijn bekoring in te ademen!”
Ditmaal kon Pierre zijn verbazing niet bedwingen, nu hij zich zijn nuchtere stem, zijn zoo helderen en drogen zakengeest herinnerde. Dan keerden zijn gedachten terug naar de Prati del Castello en een eindelooze droefheid maakte zich van hem meester, toen hij zich zooveel ellende en zooveel lijden voor den geest riep. Hij zag weer de schandelijke vuilheid, waarin zooveel schepsels ten gronde gingen, die vreeselijke sociale onrechtvaardigheid, welke de groote meerderheid veroordeelt tot een bestaan van vervloekte, vreugde- en broodlooze dieren. En toen zijn blikken weer teruggingen naar de vensters van het Vaticaan en hij meende te zien, hoe achter de ramen een witte hand zich ophief, dacht hij aan den pauselijken zegen, dien Leo XIII van deze hoogte over Rome, over de Campagna en de bergen aan de geloovigen der geheele Christenheid gaf. Maar deze zegen scheen hem plotseling belachelijk en onmachtig toe, daar hij in zoovele eeuwen niet in staat geweest was, één enkele smart der menschheid te onderdrukken, omdat hij zelfs niet in staat geweest was een weinig rechtvaardigheid te scheppen voor de ongelukkigen, die daar beneden, onder zijn venster, in doodsstrijd verkeerden.